Dames! Corsetten uitsluitend naar maat. „Haerlem" toch maar wezen, naar ook aan het aigste instellingen f spreekt, als aan lenen, jaarverslag vereeniging weer aar nog eens her- er vereenigingde werd ter herin- ïnkraam geplaatst r de Raadhuishal ze lezers, evenals ng kunnen zien. NSTER VAN DE eeren Mr. 't Hooft, Professor Leo van ïouwingen en een tebesten indruk van wat echter weinig tijdsomstandigheden ;tterende deuntje op lanschen oorlogsmir- ponist is maar bijster s er één land is waar jmerreizen maakten, dan is het óns land, lendaal wei het best. d. ontving bij het uit- n inlichting. Wij ge- overweging het vol- Qeheel Nederland is :enen had om te loo- n. Alle vrouwen dra een dolk. Het eco- ïeheel stil, daar nic- omdat de voorraden kerktorens, molens in het geheim) onder- niet meer slaapt, zit dnger op een knopje, lodra de opperbevel en teeken geeft en Hier en daar zijn erd met vreemde mi- smokkelaars uitga- ranten zorgvuldig en (met uw couranten) in ons land ontwaakt de voor de kampeer- r een officieele kam end tracht, zijn bezit- kens en andere kam- it te breiden. Het zijn e plaats de jongelui, en zekeren hartstocht celijk is het, dat meis- md" hebben aan alle tjes, in het vrije veld es wasschen en bed leggen, die wonderen ir niet leuk, om eersl springen, wanneer je machtig worden. En kun je niet hebben in enis. We kunnen die om een nachtje onder loor te brengen, best :rzijds voelen wij veel schuwingen der .oude wei eens hebben ge ek is. Werkelijk, ons zonder voor zulke aar- zelfs in het hooge £e_ orgt ons zeeklimaat er nooit bizonder koud dagen, wanneer zelfs ling brengt, en het bed rteling beschouwd kan ertent op zijn plaats, is dan natuurlijk ook laatst kan men dan dergaan der zon, iets ch, die aan treinen en trams gebonden is, op een „dagje buiten" zelden wat van ziet. „Weet u, wat ik nou het fijnste vind van het kampeeren ver trouwde onlangs een jong meisje me toe. „Dat in zoo'n tentenhuishouden, de jongens net zooveel werk hebben als de meisjes en niet zooals thuis: meisjes eeuwig dravend en jongens altijd aan het luieren." Een fe ministe in den dop. dat kind. V e r 1 o r e n! Qij praat en pratelt maar immer voort van stijl en gedachte, van vorm en woord, o schrandere professoren (iij acht de Vlaamsche zaak gered. Wordt hier een letterken min gezet en daar een ander verkoren! Gij zijt zoo knap, zoo bijderhand, en spreekt zoo fraai, zoo vol verstand... Intusschen gaat onze taal te schand in de school, waar de kroon een vreemde spant! Met de tale gaat het vaderland verloren! Gij rijmt en rijmelt er maar op aan, nu op de zon, dan op de maan of liefkens oogen en ooren, en meegesleept door het maatgeluid, zoo droomt gij, dat u de roem ontsluit, o poëten, den schrijn der trezoren! En gij hangt de ivorene lier aan den wand en klapt u zeiven ter eer in de hand iiiü! szhen zinkt onze taal in het zand, is smeten voor vreemden toon en trant! Met de tale gaat het vaderland verloren O volksverlichters, met woede en schrik vervullen op beurt uw woord en uw blik hen, die u zien en hooren. e menschheid ligt u zoo dicht aan het hart, en Bismarck nu, dan Bonapart ontvlamt u en wekt uwen toren! /.oo waant gij te strijden met hand en tand voor recht en reden, zoo wreed vermand, Intusschen ligt onze taal aan den band! Een volk ontzielt men aan 't Scheldestrand Met de tale gaat het vaderland verloren! Frans de Cort. („De Vlaamsche Stem".) t A n t i-0 o r 1 o g-d a a d. Wij ontvingen den volgenden omzend- brief, mede in Fransch, Duitsch en Engelsch gesteld Aan de vrouwen! Kent uwe macht! (iij. die oorlog verafschuwt en vrede wilt, wat zijn uwe daden Gij, werkt voor Roode Kruis en Steunco mité's, gij werkt aan lapmiddelen voor den oorlog en gij hebt te werken voor den vrede Waar zijn uwe boden tot keizers, konin gen en presidenten, tot volk en parlemen ten. stellende zin tegenover waan en rede tegenover geweld Waar zijn uwe scharen, die geknield lig gen voor de machthebbers, uren, dagen, weken niet wijkend vóór de zwaarden weer in de scheede en de geweren in ruste zijn Waar zijt gij, ontèlbaar, die neerligt op de wegen, zoodat mannen, paarden en kanon nen over u heen moeten om de slagvelden te bereiken? Waar vindt men u voor mitrailleuses en lansen, tot schild voor uw man, voor uw kind? Waar wèigert gij mannen en zonen af te staan voor oorlog, wèigert gij uzelven te ge ven aan of in plaats van hen, die tot geweld hun toevlucht namen, wèigert gij belasting te dragen voor oorlog Op dan, gij vrouwen, die den prijs weet van den vrede, op in drommen dichter dan van sprinkhanen en machtiger dan zonlicht, tot vorsten en volken naar slagvelden en vestingen naar gevangenissen en terechtstellingen door spot en smaad op ten Vrede! De wapens zullen neer, wij willen het, wij vrouwen! Gij, die een Plan afkeurt, omdat het vol gens u geen kans van slagen heeft, die niet weet, wat geestdrift uit den weg ruimt en bezieling tot stand brengt, die de kracht miskent der vertwijfeling gij, die nalaat een ander plan aan te geven. gij, die smaalt op de dwaasheid van een Plan en der wijsheid overliet, ons te leiden in banen der rampzaligheid, gij, die niet bedenkt, dat een onbereken baar plan beter is, dan géén plan en dat al doende men leert, gij, die het onuitvoerbaar acht, en niet zoekt het uitvoerbaar te maken, gij, die „gelooft", dat een andere weg moet worden ingeslagen, en niet ijvert voor éénigen weg. gij, die terugdeinst voor de geweldigheid der middelen, om een geweldige te ver slaan, gij, die niet terugdeinst, niet oordeelt, wel bedenkt, maar niet handelt, beseft gij onze aansprakelijkheid voor den oorlog? Weet gij het goed, dat het monster alleer kan leven bij de gratie van onze onbedui dendheid, ónze schuchterheid, ónze offer vrees Die hare mannen en zonen offeren, zij hebben zichzelven te offeren. Vrouwen staat op en zet u schrap tegen den oorlog, op ieder punt de wapens zullen neer, dat willen wij, vrouwen. Haar, die zich gedrongen voelt tot eenige anti-oorlog-daad, hetzij in de richting: van overreding, voor afsmeeking, van offer, of van verzet, hetzij in eenige andere richting, wordt verzocht naam en adres op te geven aan het secretariaat van de Anti-Oorlog-Daad, met bijvoeging van de richting, welke zij verkiest. Het secretariaat is gevestigd: Anna van Buerenstraat 122, Den Haag. Ten eeuwigen vrede. „De Europeesche Statenbond" maakte haar vijfde strijdschrift openbaar. Het is de vertaling van Imma- nuel Kant's „Ten eeuwigen vrede". In eene inleiding door professor Kohnstamm wordt er voornamelijk op gewezen.dat Kant's boek in de 18e eeuw geschreven werd, en Kant's spraakgebruik wel eens anders is dan het onze, vooral waar woorden als „democra tisch" en „republikainsch" gebruikt worden; men leest in dat voorbericht: Wat Kant dan ook als „democratie" be strijdt, is niet de moderne democratie, die hij natuurlijk nooit heeft leeren kennen, maar de „democratie" der oudheid, b. v. de Atheensche, die, hoewel met denzelfden naam aangeduid, in wezen men bedenke slechts dat Athene's volkshuishouding voor een goed deel berustte op den arbeid van slaven, die van elk burgerrecht waren uit gesloten van de moderne democratie te eenen male verschilt. Als punten, die moeten vaststaan, wil rnen tot een blijvenden vrede tusschen de staten komen, noemt Kant: „Een vrede, die gesloten is onder heime lijk voorbehoud van aanspraken, die stof tot een nieuwen oorlog kunnen opleveren, verdient den naam van „vrede" niet." „Geen onafhankelijke Staat, (klein of groot, dat doet hier niets ter zake), zal bij een anderen staat mogen worden ingelijfd, om het even, of dat door erfenis, ruil, koop of schenking geschiedt." „Staande legers (miles perpetuus) moe ten mettertijd verdwijnen." „Geen staatsschulden mogen worden ge maakt in verband met al wat zou kunnen leiden tot buitenlandsche verwikkelingen' „Geen staat mag zich door daden van geweld mengen in de inrichting of de re geering van een anderen staat." „Geen staat mag in den oorlog vijande lijke daden gedoogen van dien aard, dat daardoor het vertrouwen van weerszijden in den aanstaanden vrede onmogelijk ge maakt wordt; zooals: het bezoldigen van sluipmoordenaars (percussores), giftmen gers (venefici), het verbreken van belof ten, gedaan bij capitulaties, het aanstichten van hoogverraad (perduellio) in den staat waarmee men in oorlog is," Als afdoende middelen noemt Kant: „De burgerlijke regeeringsvorm in iede- ren staat moet republikeinsch zijn." „Het volkenrecht moet gegrond zijn op een vrijwillige vereeniging van vrije staten tot een statenbond". „De rechten van den wereldburger zullen niet verder gaan dan het natuurlijk recht van iederen vreemdeling op gastvrijheid." In een bijlage behandelt Kant de waar- berg voor den blijvenden vrede, die de natuur zelve ons geeft, „hoewel niet met voldoende zekerheid om daaruit theoretisch eenige „waar"zegging te kunnen doen voor de toekomst; wèl kunnen wij er in de prac- tijk mee volstaan en legt zij ons de zede lijke verplichting op dit doel dat nog iets meer is dan een hersenschim met alle kracht, die in ons is, na te streven." ONTVANGEN JAARVERSLAGEN, ENZ. Het Haarlemsche Diakonessenhuis zendt ons zijn jaarverslag over 1914. De rekening van ontvangsten en uitgaven sluit met een nadeelig saldo van 9349,0814, wat jam mer is. Gaarne bevelen wij deze uitne mende inrichting bij onze lezeressen en lezers aan, voor giften of jaarlijksche bij dragen. De Vereeniging van Physische Therapie te Amsterdam, zendt ons haar jaarverslag over 1914. Het jaar was uitteraard ook voor dit instituut ongunstig; de winst- en ver liesrekening sluit met een nadeelig saldo van 1491,72. Zwemfeest. Zaterdag had in het nieu we zwembad aan de Mooie Nel een mili tair zwemfeest plaats. Het vond veel be langstelling, ook van militaire autoriteiten. Het feest was onder leiding van de cen trale sportcommissie, afdeeling „voor de Forten". Het was een lieve lust, als snoe ken kliefden de mannetjes het water. LETTEREN EN KUNST. Victor de la Montague. Onlangs stierf te Havre de Vlaamsche dichter Victor de la Montagne. Bij deze gelegenheid kwam een versje van hem ter sprake, hetwelk velen vaaglijk kennen, maar dat slechts weini gen, zooals men dat noemt, thuis konden brengen. Het is de Middelnederlandsche be werking van een omvangrijker versje van Jean Richepin. Hier is het: Een oud liedeken. Tsagh eens een knape stervensgeern een valsche, wreede, boose deern. Sei totten cnape: hael mi terstont din moeders hert voor minen hont." Hi ging en sloech sin moeder doot en vluchtte met het herte root. Mer twyl hi loopt, stuict oppen steen en valt dat erme hert meteen. Al botsen op de harde baen, vingh plots dat hert te spreken aen. Al weenen vinghet te spreken aen .Och, jonghe, hebs di seer gedaen We ontvingen een geschriftje, getiteld: „De Landstormwet een noodzakelijkheid"; hei werd voornamelijk bedoeld als antwoord op de bekende brochure van mr. P. Groote Jr., „Legeruitbreiding een Nederlandsch Be lang". De schrijver is de student Max de Vries; uitgeefster De Hollandia-drukkerij te Baarn. LEGER EN VLOOT. De minister van oorlog heeft bepaald, dat de vrijwilligers bij rijwielafdeelingen van den landstorm, voortaan gerechtigd zijn op de halskraag ter weerszijden te dragen een koperen wieltje. De "vrijwilligers, die landstormplichtig werden door de nieuwe wet, worden niet verwend. Zij gaan in den rang dien zij bij den vrijwilligen landstorm vóór 1 Augus tus '15 bekleedden, over bij het leger, zij zijn verplicht een maand lang (jaarklasse '15 tot 1 October) een aanvullingscursus te volgen. Niet kaderleden zullen afzon derlijk worden geoefend, zij kunnen na 2 maanden korporaal worden. Tot land storm-officieren kunnen worden bevorderd dienstplichtige landstorm-sergeants,na eerst bij het veldleger de geschiktheid te hebben verkregen om een vaandrigcursus te vol gen. DE LEVERING UWER „In 't Gedrang" is de titel van Maurits Sabbe's nieuwen bundel,die bij Van Dishoeck te Bussum, thans het licht zag. Het is een vijftal „Vertellingen uit den Oorlog", wat Sabbe ons nu aanbiedt, en al deze vertellin gen met hun natuurlijken, gaven schrijftrant en warm menschelijk gevoel, zijn het lezen overwaard. De behandelde gevallen zijn eenvoudig, en roerend met dat al. In de eerste vertelling, „Hoe Fraulein Damchen begraven werd", voert de schrijver ons een Vlaamsche stad binnen tijdens de belege ring door de Duitschers. Een stervende Duitsche vrouw, de flinke waardin uit de „Deutsche Bierhalle" ligt op sterven, en wordt verpleegd door den eenigen dokter die nog in het plaatsje gebleven is. Zij sterft, en de dokter, een loszinnig man, die in het gewone doen niet erg in aanzien is, zorgt met nog een paar andere vaste klanten van het bierhuis voor de begrafenis der Duitsche vrouw. Aan het graf vouwt een hunner de handen, c'n bidt. „Haar Onze Vader is toch ook het onze," besluit hij, zich krui send. „Melsen's Kruis" is aangrijpender, hevi ger van tragiek. Melsen is een koppige boer, die maar niet in den oorlog gelooven wil, zoolang hij er niets van met eigen oogen in zijn dorp heeft gezien. Maar eindelijk heeft er een schermutseling tusschen Uhla- nen en Belgische karabiniers plaats, en zijn dochter Belleken, zijn oogappel, wordt door een verdwaalden kogel getroffen. Nu gelooft hij in den oorlog en met een woes te n haat haat hij de indringers. Wanneer het kind begraven is, gaat hij naar de naburige stad een ijzeren graf- kruis koopen; terugkeerend vindt hij zijn huis met Duitsche soldaten bezet, en in razende woede vliegt hij erop los, met het ijzeren kruis omhoog geheven om de moor denaars van zijn kind te lijf gaan. Maar de Duitschers ontwapenen hem, en een sergeant vroeg wat er gaande was. Op vriendelijken toon door een vijand toege sproken, brak zijn toorn en samen met den vreemden man, die hem om zijn leed beklaagde, weende hij bitterlijk. „Die man had het niet gedaan. Dat hoorde hij in zijn BELEEFD BE VEEL IK MIJ AAN VOOR (VIEVR. G. v. d. BRiNK, Cor- setière, KEIZERSGRACHT 717, AMSTERDAM. - ELKEN VRIJDAG AANWEZIG IN „HO TEL CEN TRAL", - LANGE POTEN, DEN HAAG. stem. Alle wrok was weg uit zijn hart. Hij kon niet meer haten." In „De honden uit de buurt", behandelt de schrijver de verschillende manieren, waarop de honden zich gedragen tegen over de binnendringende vijanden; de woeste waakhond, die de Duitschers naai de keel springt, als ze de deur van zijns meesters woning openrameien, de nuffige schoothond, die dadelijk goeie-vrinden met de vreemde soldaten is; de gevoelige klei ne hond met karakter, die alle voedsel weigert en sterft als hij zijn huis is uitge jaagd. „Dies natalis invicti". Een dorpspastor voelt, ondanks al het onrecht dat hij in deez' tijden om hem henen geschieden ziet, vertrouwen in de toekomst van de mensch heid bij den aanblik van de werkelijke liefde, waarmede de armen en gekwelden eikaars lot verzachten. In het laatste verhaal eindelijk, „De oor- logstribulatiën van meneer Van Poppel", zien wij een angstigen burgerman aan be straffing door de Duitschers ontsnapnen, en uit vrees vriendschappelijk met hen ver- keeren. Maar dit bevalt niet aan zijn vriend, tegen wien hij altijd danig over zijn moed had opgesneden. Hij gevoelde dat hij een slecht figuur maakte en zijn faam als wakker patriot moest herwinnen, en hij herwint dien ook werkelijk door een troepje Duitsche soldaten dronken te voe ren, en hen, zoowaar, de „Marseillaise" te laten zingen. Het zijn altemaal gevoelige, en aange name kleine verhalen, deze vijf. Dat wilde ik maar zeggen. Dat Sabbe nog wel inèei kan dan vertellinkskes van dit slag schrij ven, weten wij uit vroeger werk van hem; hij weet dat zelf nog veel beter dan wij, en zal eerlang nog wel bewijzen, dat hij het kan. Dit bundeltje is, zooals gezegd, echter geenszins onverdienstelijk. De prijs van het keurig uitgevoerde boekje is ingenaaid 90 cents. TOONEEL. Schouwburg Jansweg. Zaterdag 4 Sep tember komt in den schouwburg Jansweg te Haarlem, de Kon. Ver. „Het Ncd. Too- neel" met „De Derde Man", een blijspel van den geestigen schrijver Sabatino Lo pez. Het stuk en de uitvoering ervan te Am sterdam worden zeer geroemd. VOOR ONZE DAMES. Najaarsschoonmaak. Augustus spoedt ten eind, en voor we het weten zijn de avon den reeds zoo koud, dat we aan de kachel gaan denken. Voor u, moeder-de-vrouw, het sein voor de najaarsschoonmaak. Of lie ver, om een meer populaire, zij het dan ook onbegrijpelijke uitdrukking te gebruiken, om te gaan schommelen. De kachels moeten van zolder worden gehaald, grondig nage zien, koiendragers, anthracietbakken, poken enzoovoorts vinden weer hun plaats aan den haard. Uit kisten en koffers wordt het wintergoed voor den dag gehaald, gekeurd, hersteld, of vermaakt. In de kasten wordt het zomergoed met het warmere winter goed verwisseld. Kortom, er breekt een drukke tijd aan voor de huisvrouw. Gron dig opruimen kan zij niet, want de mooie dagen van September, die, tusschen twee haakjes, volgens een bekend meteoroloog, in overvloed te verwachten zijn, doen vaak nog naar het dunste zomergoed verlangen. Warme en luchtige kleeding moeten dus beiden „voor den grijp" liggen. En aan de huisvrouw is het, hiervoor de noodige maat regelen te treffen. Portretten. Een huiskamer zonder por tretten kan nooit gezellig zijn. Portretten geven een kamer iets intiems. Zij geven karakter. Dierbare afwezigen, dooden, her denkt men er mee. Het is, alsof zij mee aan tafel zitten, alsof zij bij het gesprek een woordje meepraten, het is, alsof zij hun goedkeuring te kennen geven of ver drietig vermanen. Wij kunnen ons voor stellen, dat men erop gesteld is, zijn ou ders, de grootouders der kinderen, in de huiskamer een plaatsje te geven, dat men er graag het portret ziet van een gestorven familielid of vriend, met wien men veel op had. Doch hoe iemand in staat is, zijn huis op te sieren met alle mogelijke portretten, die men machtig kan worden, is ons een raadsel. Onlangs had ik een half uur te ver-

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Het Bloemendaalsch Weekblad | 1915 | | pagina 3