KINDER- BIJBLAD Ds. RUTGERS EN ZIJN OMGEVING. Door Arno. Vervolg. „Moeder, u moet vooral ook aan bloemen denken", had Frieda gezegd. Paul had een een voudig stevig houten hekje getimmerd, pas send in het kozijn van het raam aan de zon zijde en acht potten met hel rood bloeiende geraniums stonden klaar om het huisje vroo- lijk op te sieren. Alles was op een wagen geladen en Gerrit, de groote knecht van den dokter, die met op zet Ab naar het achterste deel van den tuin had gestuurd, duwde de handkar het hek uit. Paul en Els waren reeds bezig het bloeinen- hekje te bevestigen. Paul had het groen ge schilderd, „groen en rood staat mooi", vond Els en mevrouw gaf haar gelijk. De matten werden gelegd. O! wat fleurden de vertrekken daar van op. In de woonkamer was bijna de heele vloer er mee bedekt. Aan weerskanten van den schoorsteen kwam een schilderij en op een stil plekje werd de klok gehangen met haar rustige kalme tik. Beneden was de slaapkamer van vader en moeder. Die werd ook opgeknapt. Over het vurenhouten tafeltje een kleedje met een vaas- ie er op. Voor het bed en voor de deur een kleedje. „Er staat ook niet meer dan noodig is", zei mevrouw Rutgers en met een medelijdend lachje keek ze rond: 't houten ledikant, pas af geleverd door den timmerman, was nog niet geverfd. Een plank met spijkers achter een gordijn verving een kast. Verder het tafeltje en twee stoelen. Dat was alles. „Nu naar de keuken". Daar was een klein slaapkamertje bij ingericht. Voor Door. „Wacht even", zei Els en ze snelde weg. Weldra kwam ze terug. Een schilderijtje en een spiegeltje maakten het kleine hokje direct gezellig. Voor de hoekplank, die tegelijk voof tafeltje diende, had ze een paar leuke, grappige poppetjes meegebracht, maar 't mooiste was het staande houten klokje met zijn koperen vroolijk-glimmende wijzerplaat en staal-blauwe wijzers, dat ding dat zoo parmantig tikte, alsof 't wou zeggen: „wil je weten hoe laat het is? Kijk maar naar mij, naar mij!" En, wonderlijk, als ie 't eenmaal gehoord had, hoorde je steeds in het tik-tak: „Kijk maar naar mij, naar mij, naar mij". „Zou ze van lezen houden mevrouw?" En aarzelend liet ze mevrouw Rutgers een boek zien van Suze Andriessen. „Ik heb 't altijd toch zoo mooi gevonden", en ze zuchtte nog toen ze er aan terugdacht. „Je bent een beste meid. Leg maar neer hoor Els", en mevrouw van Brahm streelde haar haren, terwijl ze zich weer herinnerde dat ééne bezoek, dat voor Frieda van zoo ingrij pend belang was geweest. „O ja! een boek", zei Paul. Hij bedacht zich even en toen was 't zijn beurt om weg te loo- pen. „Gaan jullie je gang maar, ik kom gauw terug". De achterblijvenden keken 't hokje van Door nog eens rond, 't was alleraardigst. „Ik zou er wel willen blijven", zei Els plotseling. „En je moeder dan", lachte Frieda, „die zou raar opkijken". „Ja, ik zeg 't ook zoo maar". Het laatst kwam Ab's slaapvertrek aan de beurt. Boven, een ruim afgetimmerde kamer op zolder, met een frisch openslaand dakraam. Ab was zelf al bezig geweest. In een groot vierkant van ansichtkaarten gekocht in de plaatsen waar zij met den wa gen geweest waren en waar Ab werkelijk de mooiste had weten uit te zoeken van gebou wen, parken en heivelden, in 't midden daar van hing een kaartje van de provincie Gel derland, dat hij van den dokter had gekregen die schik had in de weetgierigheid van den jongen. Boven zijn bed hing, met punaises bevestigd een grappige plaat, ook van den dokter gekre gen, een breede stille straat, 's winters, overal sneeuw; een heer loopt met opgezette kraag en krijgt juist een sneeuwbal tusschen kraag en hals. Hu! wat koud! Hij kijkt om en ziet een leuken kwajongen, met zijn „onschuldig" gezicht den anderen kant heenziend; handen in den zak, beenen van elkaar, lach op het vroolijke kwajongensgezicht. Toen mevrouw van Brahm en de meisjes er al een poosje waren, kwam Paul. „Kijk eens" en met trots toonde hij „de Ne gerhut" en „Robison Crusoe". „Die zal hij vast wat fijn vinden". „Dat geloof ik ook. Als hij dan 's morgens maar uit zijn bed kan komen". „O! dat zult u eens zien, hoe die zijn best zal doen" en Paul leek wel een advocaat, die iemand verdedigen moet. „Wat is dat. O! hoe leuk" zei hij toen hij rondkeek en een aardig kistje van tafel nam „Ja," zei mevrouw, „dat heeft eigenlijk Frieda bedacht". „O!" zei deze, dan weet ik 't wel, dan heb je Ab's spaarpot in handen. Moeder zou er bij schrijven, waarvoor het bestemd is". En Paul las het papiertje dat uit de gleuf uitstak. „Voor een muziekinstrument voor Ab". „Daar zit wat in ook" zei Paul, het doosje schuddend. Mevrouw van Brahm en Frieda lachten. „Vraag dat maar aan Frieda's spaarpot" zei de een. „Maar die kan niet praten" zei de ander. „Ze zullen wel gauw terugkomen, denk ik" zei mevrouw van Brahm. „Wacht de bloemen, even kijken of Gerrit die reeds op zijn plaats heeft gezet in ons hekje voor 't raam." „Dan gaan wij mee'. Beneden bleek dat Gerrit zijn plicht keurig had volbracht. Nog meer, want in iedere ka mer prijkten eenvoudige maar mooie bou- quetten. „Nu kunnen ze verwacht worden" zei Frieda die de bloemen rook. Ik geloof ook werkelijk dat ik ze hoor en Els snelde vol vreugde naar buiten. Inderdaad, daar kwamen ze aan. De vader van Door liep stil, met de oogen naar den grond, aan den kant van den weg. Hij kon er niet goed over heen, dat hij nu zijn wagen en paardje kwijt was. Ziin vrouw had onderweg haar best gedaan hem op te beuren en op te vroolijken. Een béétje was het haar gelukt, maar haar man was en blééf stil. Door was wel een echt vaderskind, en daar om begreep zij zijn verdriet door en door. Maar zij vond de verandering toch ook prettig en het vooruitzicht om, net als alle andere kinderen, in een mooi, echt steenen huis te wonen vond zij schitterend. Onderweg hadden ze Ab bij den dokter op gehaald en nu kwamen ze alle vier naar de nieuwe woning. Toen ze de pastorie voorbij kwamen, had Ds. Rutgers zich bij hen aangesloten. Hij ge voelde meer dan iemand anders dat dit een belangrijke dag was voor het gezin uit den woonwagen „Welkom, welkom in de nieuwe woning" riep mevrouw van Brahm hen toe toen ze het kleine erf betraden en met uitgestoken handen trad ze de nieuwe bewoners tegemoet „God geve u vieren hier veel geluk" zei de predikant hartelijk. „Het zal wel een groot ver schil zijn met uw vroegere leven. En weet wel waar een lichtzijde is, is ook een schaduw kant. Vergeet (dit zei hij tegen zijn vrouw) de moeiten, die geweest zijn en vergeet gij, oude zwerver" en zijn stem klonk dubbel har telijk terwijl hij den wagenbewoner als een vriend op de schouders klopte, „vergeet gij de moeiten van het scheiden. Een nieuw leven begint. Weest blijde en dankbaar. Het lacht u tegen. Helpt elkander zooals ge steeds ge daan hebt. Wij zijn nu dorpsgenooten. Dat wij, ouden en jongen ook vrienden mogen worden" en hij schudde alle vier krachtig de hand. „Dat hopen wij ook dominé. En wij moeten u nog wel bedanken voor alles". „Nu niet met rare dingen beginnen, goede vriend. Laten we liever je woning eens zien. Die vrouwen stonden hier zoo en dat jonge volk, ik weet het niet, maar die halen soms wonderlijke kunsten uit". Door had de bak met roode geraniums reeds gezien en ze knikte veel beteekenend naar Els en Frieda. „Ja nu willen we u eens laten zien hoe we 't ingericht hebben" zei Ab's moeder, ,,'t Is nog wel heel gewoontjes, Want wat in een woonwagen veel lijkt, is in een huis weinig. Dat begrijpt u wel. Ik heb al tegen m'n man gezegd, als de verdiensten beginnen moeten we iets op de vloeren Op dat oogenblik deed ze de deur open Neen, maar O! man kijk eensZe wendde zich om en zag mevrouw van Brahm. „Dat heeft umaar mevrouw Rutgers zag er even vergenoegd en vroolijk uit en lachte precies even blij met haar oogenof UJa nu weet ik (iet nieten tranen van geluk kwamen de vrouw in de oogen, die nu zoo innig, innig blij was dat ze weer een eigen vaste woning had. waar alles even keurig en vriendelijk was als in haar eersten levenstijd. Frieda begreep alles wel, maar toen het een oogenblik stil werd, meende zij de nieuwe be woners op weg te kunnen heipen. „Dat rekje voor de bloemen heeft Paul zelf gemaakt". Paul kreeg een kleur. Hij vond 't wel pret tig dat zijn kunststuk, waar hij zoo erg zijn best op had gedaan geroemd werd, vooral toen iedereen er opgetogen over was en toen Door zei „ik had die bloemen direct al in de gaten, wat staan die mooi" en Ab „nou me neer Paul, dat is handig geflikt. Zoo iets wil ik toch ook leeren", maar hij wilde toch niet zoo hardop geprezen worden. Daarom zei hij „Och, kijken julliie nu eerst eens verder". En toen werden alle schatten ontdekt. „Een klok, kijk een klok". „Hij tikt. Luister eens. Hoe zacht". „Wat een mooie wijzerplaat". „Nee maar, vader, moet u eens zien wat mooie schilderijen, kijk dan toch" en Ab duw de zijn vader naar den muur. „Ja jongen, ja jongen" lachte deze, „ik zie ze wel. 't Is, 't isja hoe moet ik 't noe men, 't is. meer dan mooi, dat is het, meer dan mooi" en hij keek naar de hertenjacht met de honden, die op de eene schilderij te zien was. Daar klonk opeens gejoel en gelach buiten. Een zware stem „wie er het eerst is" en la chende kinderstemmen „ik houd u toch beet". „U moet mij djagen, djagen". 't Volgend oogen blik stapte de dokter binnen. Frits aan de band en zus op zijn schouders. Wij moeten ook het nieuwe kasteel zien, jammer dat te laat waren voor de opening. Veel geluk, beste menschen, veel geluk hoor. Help elkaar maar trouw. Als de zon dan bui ten niet schijnt, dan schijnt ze van binnen en als 't buiten regent danis 't binnen droog, wat zeg jij, zus hé?" En terwijl hij de kleine meid neerzette wenschte hij met een stevige handdruk alle vier geluk. Nu moet u toch eens kijken, dokter, zei Ab, die heelemaal op voet van vriendschap met mijnheer van Brahm leefde, „nu moet u tocli eens kijken wat ze hier allemaal gehangen hebben" en hij wees met een gebaar als van een vorstelijk bezitter naar den vloer en langs de wanden. „En kijk eens zoo'n bloemenrekje fijn. Dat zal ik eens voor u maken". „Dat 's best, jongen, pas jij maar goed op, dan worden wij dikke vrienden". „Wij zijn al gjoote vjienden" verklaarde zus. En nu gaan we verder. Toen werden alle andere vertrekken beke ken en overal was de verrassing groot. Door zong van plezier en danste met de mooie pop petjes in 't rond en keek direct even in 't spiegeltje. Toen Ab de boeken zag en daaruit Paul's vriendschap bemerkte werd hij eerst stil, daar na naderde hij Paul en heel ernstig zei hij „ik zal ze goed lezen hoor en ik zal probee- ren al het goede te onthouden". Hij zei het zoo ernstig, dat iedereen voelde „in deze dagen wordt er in deze levens iets nieuws geboren." „Ik ga eens buiten kijken. Frits ga je mee?" en, zeker er van dat Frits zou meegaan, stapte zus de kamer uit naar de trap. Dat 's waar ook, wij zijn nog niet eens in den tuin geweest", zei mevrouw Rutgers en allen gingen naar buiten. „Kijk de pruimen al eens mooi blauw zijn, nu zal ik de kinderen eens tracteeren" en met groote stappen, zich gewichtig voelend als de nieuwe bewoner en blij van zijn kant ook iets hartelijks te kunnen bewijzen, ging Ab's vader naar den pruimenboom, 't Was een groote boom. die vol zat met blauw-zwarte pruimen. Zijn groote handen schudden krachtig en een regen van pruimpjes daalde neer. „Mijn bol, mijn bol" riep de een. „Au net op mijn oor" riep een ander. „Ab, als jij je bukt, kjuip ik ondej je". „Jij bent ook een goochemerd" zei Frits. „Houd op, houd op, een nestje, een nestje" riep Else. „Waar, waar, waar?" riepen allen. „O ja, ik zie het, kijk, kijk" zei Frits. „Ach ja, dat arme vogeltje, 't valt er haast uit" zei Paul. Toen zag zus het ook. „Ophouden, niet meej schudden. Dan maaj geen pjuimen". „Nu hebben we ook al een nestje in onzen tuin" zei Ab, en alle vier vonden zich ineens dubbel rijk. Reeds eenigen tid had Frieda haar vader aangestoten. Deze knikte haar toe. „Wat hoor ik toch?" Dat was de dokter, die met een opmerkzaam gezicht naar het huis keek. Een klagend „miauw, miauw" klonk door den zomeravond. „Een poes, een poes, een poes" en allen stormden weer terug. „Pas op, denk om mijn pruimen, die heb ik in mijn zak" zei Ab tegen Paul, maar het was kleine Frits die, om vlugger mee te kun nen komen, Ab had beetgegrepen en waar hij hem maar te pakken kon krijgen en toevallig midden in de pruimen had geknepen. „Stil, stil" zei de dokter. „Laat ik 't maar zeggen, anders maken jullie 't arme diertje nog dol. Want dat lijken jullie zelf wel". „Is 't van u?" Luister even. Frieda had gehoord dat Door zoo graag een jong 'poesje wilde hebben. En toevallig had de schoonmaakster een paar katjes waar ze geen plaats voor wist. Nu heb ik er eentje uitgezocht en „Hoe heb u 't kunnen meebrengen?" j/tep de ongeduldige nieuwsgierige zus. „O! dokters jassen zijn zoo groot". „Dus" zei Door zacht en met een kleur „dus, 't is voor mij?" Frieda's blinde oogen zochten de richting waar de stem vandaan kwam. „Ja, dieren zijn zoo lief, 't beestje kan nu al kopjes geven". 't Volgend Sbgenblik was het poezenmandje omringd door al de kinderen, die er geknield om heen lagen en de ouderen keken over hun hoofden heen. Daar lag een snoeperig klein poesje. Als hij maauwde, ging zijn rose bekje met blanke tandjes open.Het strekte zijn pootjes uit en toen Door hem over zijn zacht pik zwart velletje streek, waarlijk toen gaf het diertje haar kopjes. „Ik noem hem Mjoortje" zei Door, omdat hij zoo zwart is". „Nu ontbreekt er niets meer aan" zei de vrouw. En ze zuchtte, alsof ze van binnen al te vol was van vreugde. „Dat geloof ik ook" zei dominé Rutgers. „Maaj ik ga melk halen vooj Moojtje" zei zus en ze stapte parmantig weg. XXII. 't Was catechisatie geweest. Dominee Rutgers had verteld van den storm op zee. Eerst had hij verteld van het mooi», blauwe meer van Galilea, waarop het bootje voer. Rondom de groene oevers en daarachter de begroeide heuvels. Opgewekt en vroolijk en vol goeden moed waren de discipelen begonnen. De riemen plasten regelmatig in 't water en de boot schoot met kleine rukjes lekker vlug vooruit. Toen kwam plotseling de storm, de donkere lucht, de windvlagen over het water, een fluitend suizen door de lucht, al donkerder en zwarter wolken boven de heuvelen. De man nen in de boot werden bang. Ze werden zóó bang, dat ze schreeuwden om hulp. Maar daar na kwam redding Toen Paul en Ab naar huis gingen, zei ab, „fijn hé, zoo'n roeitocht! Wat kan die vader van jou vertellen! „Heb jij wel eens geroeid Ab?" „Geroeid? Nou, dat hangt er vanaf wat je roeien noemt. Als wij vroeger met wagens bij elkaar stonden en er waren meer jongens zoo als ik en er was een rivier in de nabijheid dan gingen we zomers wel eens zwemmen. Von den we dan een boot, ja dan roeiden wij ook wel. Maar het was meer ravotten en stoeien dan roeien". Paul dacht aan het bootje bij Hoogvliet in de stad. „Ik denk dat we wel een aardig bootje zou den kunnen krijgen als we wilden. Maar dan moeten we eerst naar de stad". „O, dat 's niks. Op die oude fiets van den dokter waarmee ik altijd boodschappen doe en drankjes wegbreng, mag ik wel naar de stad fietsen". Ab was eigenlijk een wonderlijk mengel moes van handigheid, en een soort grappige brutale vrijmoedigheid, die hij uit zijn vroe gere leefwijze had meegenomen. „Dat vind dokter best goed". Inderdaad toen Ab de auto mooi had opgewreven en de dokter hem tevreden toe knikte had Ab hem gevraagd of hij op de oude fiets met Paul naar de stad mocht rijden, zonder te vragen wat zij er moesten doen had mijnheer van Brahm geantwoord „zeker, jongen gaan jullie maar". En zoo kwamen den volgenden dag Paul en Ab bij het huis van Hoogvliet, belden aan en vroegen aan juffrouw Hoogvliet, die hen opendeed, of zij dien middag met een bootje -fnochten roeien op de rivier. „Zeker, jongeheer Paul" zei de juffrouw „is dat een vriendje van u?" „Ja" zei Paul maar en hij dacht, waarom zou ik iets anders zeggen. Thuis zijn we toch ook net als vrinden". „Wacht, dan zal ik de jongeheeren wat mee geven op de tocht". En even als de vorige maal, toen Paul en zijn vader er geweest waren kregen ze nu een proefje van de kook kunst van juffrouw Hoogvliet. In de keuken kast stond een groote schaal oliebollen en toen ze van een schaal een deksel oplichte, zagen de jongens, dat deze ook nog vol was. Ab's mond ging open en dicht, toen hij deze voorraad zag. „Dat 's een heeleboel, juffrouw. Zijn die allemaal voor u en uw man?" Paul stootte hem even aan, maar de juf frouw lachte. „Als wij oliebollen hebben, zijn er meer, die er van eten. En nu treffen jullie het". Ze nam twee groote grauw-papieren zakken, deed ze zóó vol met oliebollen dat ze bijna niet meer dicht konden, strooide toen in ieder een paar lepeltjes suiker en duwde toen in ieder der twee jongens een zak in den arm. „Daar, eet er nou maar lekker van in de boot". „Dank u wel juffrouw, dat vind ik erg aar dig" zei Paul. „Ja. dank u wel, dat vind ik ook aardig,, zei Ab en hij voelde het vet al door den zak heen komen. (Wordt vervolgd). Goede raad. Goeden morgen, lief mevrouwtje, Wist u met het kind geen raad Laat mij maar eens even kijken, Hoe het met uw schatje gaat. Kindje, ben je wat onrustig Laat je tongetje eens zien, 't Is beslagen, och het kleintje Heeft een beetje koorts misschien. Wees niet ongerust, mevrouwtje, 'k Heb een drankje meegebracht, Geef maar om het uur een lepel, Zeker slaapt het dan vannacht. Eten zal het wel niet lusten, Doet u maar voorzichtig aan, En dan zal het uw schatje Ook wel gauw weer beter gaan.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Het Bloemendaalsch Weekblad | 1922 | | pagina 6