J Algemeen Nieuws- en Advertentieblad voor Bioemendaal, Overveen, Aerdenhout, Vogelenzang, Jan Gijzenvaart en Santpoort DE ROMANVAN EEN WARENHUISMEISJE De Lieveling der Goden De mededeelingen over de politie in Bioemendaal. CINEMA PALACE EEN LACH EN EEN TRAAN CARMEN 16e JAARGANG ZATERDAG 26 AUGUSTUS 1922 No. 34 BL0BHENDA1LSCH WEEKBLAD Uitgave van de Vereenigde Drukkerijen, Bioemendaal. Kantoor voor Redactie en Administratie: De Genestetweg 23. - Tel. 22003 Abonnement: Voor een half jaar 1.75 Advertentiën: 15 cent per regel, bij afname van 500 regels of meer korting. Vraag en aanbod, huur en verhuur, koop en verkoop, van 1 tot 10 regels 1.elke regel meer 10 cent. Tusschen den tekst of op een bepaalde plaats speciaal tarief. Dit Nummer bestaat uit Twee Bladen Het is oneindig beter tobbend voort te gaan, dan tobbend stil te staan. Dickens. ODE AAN DE JEUGD. Eens in het milde liéht, Eens in de middagzon, Toen ik als kind alleen Zacht en verzaad Als een bloem aan het venster hing, Vulde de zon mijn ziel En zag ik de schoonheid aan En was ik wijs en goed En wist ik wat zalig was. O! nooit nooit zag ik haar meer Met zoo diepe deugd, Zoo dicht aan mijn hart nabij, Als in die verre jeugd Nooit meer als gij! Eens toen de avond kwam, Eens toen het donker werd, En ik als kind alleen Rondom mijn hart De zee van den nacht voelde gaan. Knielde ik verwezen neer, Zilt in mijn zilte leed, Klein in mijn groote smart, En leerde ik wat lijden was. O! nooit heeft mijn vertrapte hart Zoo beestelijk bang geschreid Om wat de nacht mij zei, Als in die donkere jeugd Nooit ineer als gij! S. C. ADEMA VAN SCHELTEMA. In de Raadsvergadering van 20 Juni j.l. werd door de' meerderheid van den Raad beslo ten, mij alsnog in de gelegenheid te stellen in een Commissievergadering mijn correcties op de notulen aan te brengen. Op mijn herhaald aan dringen echter is die gelegenheid mij door de Commissie tot op heden nog niet verleend, terwijl de commissievergadering, waarin de zaak zelf werd onderzocht, onmiddellijk plaats had daags na de zitting van den gemeente raad. Men heeft dus blijkbaar met mijn cor- rectie's den tijd, om verkeerde gevolgtrek kingen en voorstellingen bij het publiek te laten inroesten. Waar deze zaak bovendien in de pers en bij het publiek door het ontijdig pu bliek maken van de notulen der Commissie, zooveel stof heeft opgeworpen, acht ik den tijd gekomen, in het openbaar, deze door den Burgemeester, geinspireerd door den Commissaris en de hoofdagenten groot opge blazen zaak tot haar ware proportie's terug te brengen. Om daarna verschillende zaken, hier al of niet aan verwant, onder de aan dacht van het publiek te brengen. Dit laatste vooral, omdat men door de publiceering der nog niet vastgestelde notulen blijk heeft ge geven, dat men de publiciteit zoo bijzonder op prijs stelt. Laat ik voor alles echter verkla ren, dat dit artikel niet bedoeld is als veront schuldiging of eventueel goed praten van door mij geuitte mededeelingen. Integendeel, ik wil de volle verantwoordelijkheid dragen voor mijn uitlatingen in den Raad gedaan, en ik zal niet nalaten, waar ik onjuist was, dit open lijk in dit artikel te erkennen. Maar daarnaast wil ik opkomen en illustreeren de groote par tijdigheid, waarmede deze zaak door den Burgemeester onder den invloed van den Com missaris van Politie is behandeld, waaraan de commissieleden, omdat zij zich niet voldoende tegen het drijven van den Burgemeester in deze zaak hebben te weer gesteld, gedeelte lijk schuldig staan. Welnu, ter zake dan. Allereerst dient dan de vraag gesteld: Wat was de aanleiding tot de mededeelingen over de politie in den Raad? (Deze vraag dient te Wij meenen onzen lezers deze uiteenzet ting alsnog verschuldigd te zijn, ook nu het stuk, dat wegens plaatsgebrek in ons blad moest wachten, immiddels alreeds in de Nieu we Haarlemsche Courant heeft gestaan. De schrijver zag geen kans, zonder aan de duide lijkheid van zijn betoog afbreuk te doen, zijn stuk te bekorten, weshalve wij onze overige stof ditmaal hebben moeten beperken. worden beantwoord, want de Burgemeester en de Commissaris verwijten mij dat ik deze zaak eerst met hen had moeten bespreken). De aanleiding was de door Wethouder van Ne- derhasselt voorbereidde en door B. en W. voorgestelde gemeentelijke strandexploitatie. Zooals bekend is wilde men op het Bloemen- daalsche strand voor gemeenterekening aan schaffen badkoetsen en strandstoelen. (Goed dat de Raad het heeft afgestemd, want bij dit zomerweer was het in plaats van een gemeen telijke exploitatie, een gemeentelijke strop ge worden). Voor deze exploitatie had men ook noodig een badman en in het drukke seizoen een stoelenman. Waar ik verleden jaar had geïn terpelleerd over de meer dan ergerlijke toe standen aan het Bloemendaalsche strand, wil- die men aan dien badman tevens opgedragen, behalve op de badenden ook toezicht te hou den op de onordelijkheden op het strand zelf. Ik heb mij in die raadsvergadering daartegen verklaard, omdat men maar één ding gelijk kan doen. Wanneer die badman ook achter zich moest zien, zou daardoor het gevaar voor de badenden grooter worden. De practijk heeft dat Zondag 6 Aug. j.l. al voldoende be wezen. Vandaar dat ik beweerde, dat het toezicht op het strand moest worden opgedragen aan de politie, ik heb er toen aan toegevoegd, „dat ik vernomen had, dat er bij het in werking treden van den nieuwen dienst wel drie man overcompleet waren". Daarop is ver schenen een rapport van den Commissaris, waarin dit werd ontkend, maar toch werd toegegeven, dat met het tegenwoordig perso- neel toezicht op het strand en op den Zeeweg mogelijk was. Dit toegeven was al veel ge wonnen, als men weet, dat diezelfde Commis saris op de begrooting van dit jaar nog 4 man extra vroeg voor dezelfde bewaking van het strand en den Zeeweg. Maar de Raad was wijzer in dezen tijd van bezuiniging en gaf ze hem niet. Mijn beweringen hebben buiten de controle over den politiedienst waarop ieder raadslid toch recht heeft, geen ander doel gehad, dan door het economisch indeelen der politie, zooveel mogelijk op bezuiniging aansturen. De Commissaris beweerde echter dat hij geen drie menschen overcompleet had. Ik heb in die Raadsvergadering van 18 Mei medegedeeld, dat de Commissaris mij het zelf had medegedeeld dat hij drie menschen over had voor de vervanging van zieken en verlofgangers en speciale diensten. Daarom doet het toch op zijn minst genomen vreemd aan, dat waar ik zelf in die Raadsvergadering aangaf dat die menschen niet overcompleet waren, dat men geen werk voor hen had, om dat ik mededeelde waar deze menschen voor gebruikt werden. De eerste conclusie van de Commissie luidt, dat ten opzichte van het over compleet zijn van drie a vier agenten niets is aangetoond. Er behoefde toch, na mijn be wering, niets meer te worden aangetoond. De heer Noorman, die deel van de Com missie uitmaakte, begreep het ook zeer goed, waar hij volgens de notulen der Commissie zei, dat uit de woorden van den heer van Kes- sel wel iedereen begrepen zal hebben, dat hij bedoeld heeft, dat er drie agenten uitsluitend zijn voor vervangenden dienst en voor spe ciale diensten. Behalve de Burgemeester en de Commissaris hebben mijns inziens alle commis sieleden het ook zoo opgevat. Dat blijkt ook uit hetgeen de heer de Waal Malefijt zei, dit n.l.: „als de heer van Kessel nu openlijk in een vergadering van den Raad wil verklaren, dat hij niet bedoeld heeft dat deze menschen over zijn, dan is de zaak opgelost". Ik heb daarop geantwoord, dat ik daar mij nerzijds toe bereid was, maar dat het over bodig was, omdat dit voldoende blijkt uit de notulen van den Raad van 18 Mei. Dit laat ste (en dat geeft weer te denken) wordt in de notulen der Commissie niet weergegeven. ik heb verder in die Raadsvergadering van 18 Mei medegedeeld, dat ik den Commissa ris gevraagd had, of de speciale dienst welke die drie agenten hadden niet kon worden op gedragen aan de hoofdagenten en het ant woord luidde ontkennend. Ik heb toen in den Raad gezegd, dat de hoofdagenten toch niets anders doen dan controleeren. Dat is, van de eene plaats in de gemeente zich per fiets begeven naar de andere waar de agen ten dan op voorgeschreven tijden aanwezig moeten zijn. Ziedaar het werk der hoofdagen ten en deze kunnen er volgens den Commis saris niets bij doen, anders worden zij waar schijnlijk overbelast. En bovendien heb ik toen medegedeeld, dat ik vernomen had, dat de hoofdagenten geen nachtdienst behoefden te verrichten. De mededeelingen daaromtrent had ik van de menschen uit het corps, welke door hen gecontroleerd worden, die ze dus des nachts moeten ontmoeten. Deze verklaar den dat ze de hoofdagenten hoogstens des morgens om 5 uur een enkele keer zagen. Fou tief staat weer in de notulen dat ik de inlich ting had van 'n persoon. Ik had aan deze men schen beloofd, wanneer het eventueel mocht voorkomen, hun namen niet te noemen. Dat de menschen zoo bevreesd zijn voor verdere nadeelige gevolgen voor zichzelf, teekent den toestand. Men beweert nu wel dat ik de in lichtingen ontvangen heb van de leden van den Bond van Politiepersoneel, maar men raadt er naar en het geeft alleen weer een kijk te meer op de zaak hoe de Commissaris, zooals altijd op deze menschen, gebeten is. Deze organisatie, heeft hij mij zelf medege deeld, is hem een doorn in het oog. Uit hoofde van mijn beginsel kan ik niet medegaan met sommige uitingen in hun orgaan en de wijze waarop zij den strijd dikwijls voeren. Maar dat mag toch voor een superieur geen aanlei ding zijn om ze van alles te verdenken en alles aan hen toe te schrijven. Al zou ze ver keerd zijn dan moet men toch de keuze van organisatie van deze menschen eerbiedigen en hebben zij evengoed recht op dezelfde be handeling als het overige personeel. Men zette mij in de Commissievergadering voor het feit, mijn beweringen te bewijzen. (Geen beschuldiging, zooals de Commissie het in de conclusie belieft te noemen). Sinds wan neer is hetgeen een gemeenteraadslid beweert of becritiseert, in den Raad een beschuldiging geworden? Ik heb toen medegedeeld hetgeen ik uit het corps vernomen had en heb mijn woord tegenover degenen, die mij de mededeeling verstrekten, gehouden. Toen men dat zag, was men klaar, want nu eerst kon men de geheele zaak tegen mij keeren en daar heeft men op allerhande manieren gretig gebruik van ge maakt. Het ging intusschen niet tegen de per soon van de hoofdagenten. Het ging er alleen maar om of de dienst ook gedaan werd des nachts, wanneer het 't noodigst is. Of dus het belastingbetalend publiek waar voor z'n geld krijgt. Na al hetgeen er over gesproken en geschreven is, heb ik den indruk sterker ge kregen, dat den hoofdagenten door den Commis saris veel te veel vrijheid wordt gelaten. In de gepubliceerde notulen der Commissie zegt de Commissaris immers zelf tot tweemaal toe dat hij den hoofdagenten het volste vertrou wen schenkt. Maar het spreekwoord zegt niet te vergeefs: „Zoo de waard is vertrouwt hij zijn gasten". Wie ziet onzen Commissaris des nachts voor dienst wel eens op straat? Wie ziet hem in den namiddag, behalve als er Raad is of B. en Wi-vergadering wel eens op het bureau? De Commissaris zeide in de ver gadering van de Commissie wel: „ik ga er des nachts meermalen op uit". Dat weet de Burgemeester zeer goed. (Alsof die hem con troleert). Maar later beweerde hij dat hij de hoofdagenten toch niet kan controleeren, om dat deze vrij zijn de controle uit te oefenen in welk deel van de gemeente zij dat wenschen. Dit laatste staat weer niet in de notulen der Commissie vermeld. Dit mocht het publiek ook weer eens een anderen kijk op de zaak ge ven. Men heeft een geheel vrije opvatting. Om nog maar eens iets te noemen. Wie zag voorheen onzen Inspecteur, nu Commissaris, wel eens in uniform? De paradedag van de opening van den Zeeweg niet medegerekend? Terwijl er toch ieder jaar gelden op de be grooting voor uniformen worden uitgetrok ken. Men werpt mij misschien tegen: dan draagt hij toch zijn burgerpak af, maar met hetzelfde recht hebben al onze ambtenaren recht op vergoeding voor kleeding. Met de rij wielvergoeding ging het voor korten tijd pre cies eender, terwijl het rijwiel bijna uitslui tend werd gebruikt van huis naar het bureau en omgekeerd. Maar met dat al luidt de tweede conclusie, dat de hoofdagenten geen nachtdienst doen. De heer van Kessel is in gebreke gebleven voor deze beschuldiging eenig bewijs aan te voeren. En daarmede is men er, meent men. Nu zal het publiek wel van meening zijn, dat er door dien Commissaris en de hoofdagenten wel gezorgd wordt dat de agenten op hun post des nachts zijn. Wie gelooft het? Als iemand door de politie wordt verdacht van een misdaad, dan moet die persoon zijn alibi trachten te bewijzen. Kan hij dat niet, GROOTE HOUTSTRAAT 111-113 HAARLEM TELEFOON 671 Van Vrijdag 25 t m Maandag 28 Aug. EEN BUITENGEWOON AFWISSELEND PROGRAMMA MET ALS HOOFDNUMMER: Een comedie in 5 acten vanhetgeliefdegenre: In den hoofdrol: De beeldschoone Ameri- kaansche actrice: GLADYS WALTON. Van Dinsdag 29 tm Donderdag 31 Aug. Een amusante comedie in 5 acten. In den hoofdrolDe beroemde artist: GUNNAR TOLNAES. Donderdag 31 Aug. (Koninginnedag) Matinée van 24—-5 uur Groot filmschouwspel in 7 acten naar de bekende Opera. Regie: ERNST LUBITSCH. CARMEN: POLA NEGRI. DON JOSÉ: HARRY LIEDTKE. Bekend als PETER VOS uit de film: De Man zonder Naam. dan staat de zaak minstens genomen, niet zuiver. Welnu, op mijn vraag of de Commissaris niet bewijzen kon of de hoofdagenten er des nachts wel waren, luidde het antwoord niet „ja", zoo als het had moeten zijn, maar men maakte zich van die vraag af, door van mij te verlangen dat ik de namen der personen noemde, om daarna de wraak op deze menschen bot te vieren, ik beweerde dat het niet moeilijk moest zijn, den dienstrooster van de hoofdagenten te leggen naast die van de agenten en dan eenige nachten uit te kiezen en te zien wie dien nacht dienst had gehad en deze te vragen of de hoofdagenten er dien nacht geweest waren. (Deze voor de heeren zoo lastige passage is natuurlijk weer niet in de notulen vermeld). Men maakte zich er van af door te zeggen: „U draait den bewijslast om, u moet bewijzen, wij niet". Nu nog even belichten hoe men in Bioemen daal berecht. In 1921 kwam er van een particulier in Bioe mendaal een telefoontje, dat de plantsoenar beider Rolvers in het Bloemendaalsche Bosch niet aan zijn werk is of althans zijn plicht niet doet. Den man wordt onmiddellijk ontslag aan gezegd. Op de vraag van den man, „wie heeft beweerd dat ik niet aan mijn werk was?" wordt hem te kennen gegeven dat hij daar niets mede te maken had. En of de Raad nu al stemmen opgingen, om het met den man aan te zien, geen denken aan, hij moest er uit. Hier werden ook mededeelingen gedaan over den arbeid der hoofdagenten. Dacht men dat de zaak onderzocht wordt? Geen kwestie van, want hier geldt het de politie, het onaantast baar instituut van den Burgemeester. De Burgemeester en de Commissaris en ten slotte ook de Commissie plaatste zich op het standpunt, dat zij in deze zaak niet hadden te bewijzen, maar dat ik met de bewijzen moest komen; wanneer een commissie dat standpunt nu eenmaal inneemt, a la bonne heure. Maar dan wat de agent uit Leiden betreft, bleef men daar ook dat standpunt innemen? Weineen, want dat was voor den Burgemeester en den Commissaris niet zoo'n lastig probleem. Dezen man had men vooraf al orders gegeven, in de wacht plaats te nemen, tot hij geroepen werd. Van den agent uit Leiden had ik beweerd, dat hij zonder keuring in onzen gemeentedienst gekomen was, nadat hij reeds in Leiden om gezondheidsredenen bij de recherche geplaatst was, zoodat hij vrij zou zijn van nachtdienst.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Het Bloemendaalsch Weekblad | 1922 | | pagina 1