BYES, BE SBBCN Y4*j ^ABBEECNl Deep E.I?.SJEVEI^S®^ VEt?744LD CCCI? I *1> .HA ITK E I? -KEI 111^. (Korte inhoud van het voorafgaande). De held van dit verhaal, St. Ives, bijge naamd de Spion vau Napoleon, was in Mei 1813 als krijgsgevangene in handen der Engsischen .gevallen. Met lotgenooten zat hij opgesloten in het kasteel Eóinburg dat tot gevangenis was ingericht. Dcorda' St. Ives van geboorte een edelman maar Sn het gevangenenkamp slechts een gewoon soldaat de Engelsche taal machtig was, werd hU door de bewakers meermalen als tolk gebruikt, waardoor hi. verschillende voordeeien boven do andere gevangenen genoot. De gevangenen mochten voorwerper van huisvlijt maken die door de bevol king gekocht werden. Onder de koopsters was een meisje van 18 of 19 jaar, die de aandacht van St. Ives trok. Het meisje. Flora genaamd, betoonde haar deelneming in zijn lot. Van een zaakwaarnemer ontvangt St. Ives een pakje bankbiljetten, hem door een bloedverwant geschonken, om zijn ont vluchting mogelijk te maken. Met andere gevangenen heeft hij een tunnel gegraven en met behulp van een touw weten St. Ives en enkele vrienden uit de vesting te ontsnappen. Inderdaad gelukt het hem zich schuil te houden in het kippenhok van Flora Later helpt het meisje hem by zijn vlucht Als veedrüver vermomd trekt hü weg, na een hartelijk afscheid van Flora genomen te hebben. Hij kwam, na veel moeiiykheden over wonnen te hebben, by zUn oom, die hem tot erfgenaam maakte. Toen moest St. Ive< evenwel weer vluchten, omdat zijn neef hem weer aan de gerechtsdienaren, wilde overleveren, om daardoor wraak te nemen over zyn onterving. Nu wordt St. Ives weer opnieuw voort gedreven, door zyn achtervolgers. Op den bodera van den mand lag een sta pel dekens en jassen en daaruit kwam eerst een hand, die een bonten muts vasthield, te voorschijn en toen een verontwaardigd ge laat en een bril en eindelijk het lichaam van een kleinen man in een verslaten zware pak. Hij lag thans op zijn knieën,' zijn vingers rustten op den grond en hij keek den lucht reiziger verwijtend aan. U bent getuige, meneer Byfield Byfield scheen diep terneer geslagen, het angstzweet lag op zijn gelaat. Het spijt me vreeselijk, mijnheer, sta melde hijeen fatale vergissinghet is mijn schuld nietik hoop het u straks op te helderenLaat mij u voorstellen: mijn heer Dalmahoy mijnheer? Mijn naam is Schapenbout, maar.... Schapenbout! riep Dalmahoy. Schapen bout! Wat een naam! Zijn vader heeft de schapen gehoed op de Grampian heuvels, zeker, en ook de schapenbouten waren er bij. Schapenbout is een keurig gerechtik maak u mijn compliment. Dalmahoy moest zich aan een der touwen Vasthouden om een buiging te maken. -r- En ik, mijnheer, zeide ik, ziende dat Schapenbout een hulpeloozen blik op mij wierp, ik ben Vicomto Anne de Kéroual. Ik weet niet hoe u hier komt en waarom u zich hier bevindt, maar u zijt een aanwinst voor het gezelschap. Byfield keek op den barometer. We bevon den ons zes honderd voet boven de aarde. Hij zeide dat dit nog niets te beteekenen had, hij verwonderde zich slechts dat de ballon was opgestegen, ondanks den ballast van waanzin, die onder aan den mand had ge hangen. Ik liet deze woorden onopgemerkt voorbij gaan, ze toeschrijvende aan zyn slecht humeur. Hij vertelde mij dat hij hon derd pond ballast naar beneden had moeten werpen. Ik hoopte in stilte dat de zakken op het hoofd van mijn neef waren terecht ge komen. Ik vond zes honderd voet al een zeer achtenswaardige hoogte. Het uitzicht was meer dan mooi! De Lunardi was, dank zij bijna volmaakte windstilte, loodrecht omhoog gestegen, had de morgennevels doorkliefd en zweefde thans in een hemel van het heerlijkste blauw. De aarde onder ons scheen uitgehold, de horizon geleek een omhoog staande rand als van een beker, die weker was in werkelijkheid ge vuld met mist en nevel, doch in onze oogen met een heerlijken drank met schuim erop. Ik nam den verrekijker uit Byfield's hand en richtte hem naar de aarde en ik ontdek te drie gestalten. Een daarvan wuifde met een witten doek. Ik ging weer zitten en dacht aan haar. Ik moet zeggen dat mijn vertrouwen in luchtreizigers een zeer teere. gevoelige plant was. Indien de lezer zich mijn beschrijving herinnert van de vlucht uit de vesting, dan weet hij tenzij ik mijn gewaarwordingen zeer gebrekkig en onvolmaakt heb geschil derd dat ik alles behalve moedig ben in dien ik mij niet op vasten grond bevind. Op den vasten grond ben ik tot alles in staat, dan beweeg ik mij met de zorgeloosheid van een rollen eten steen. Zoodra ik echter geen grond meer voel, ben ik aan het onheil over geleverd. Zelfs op een schip voel ik mij niet op mijn gemak en schik mij in het onver mijdelijke omdat mij niet anders overblijft. Tot mijn groote geruststelling steeg de Lu nardi opwaarts zonder veel schommelen. Slechts door het over boord werpen van snippertjes papier of door het raadplegen van den barometer konden wij ons overtui gen. dat de ballon rees. Nu en dan maakten wij een draai, zoo zeide ons het kompas van Byfield. maar wij zelf merkten niets daar van. Van duizeligheid geen zweem meer, om de eenvoudige reden dat er geen gelegenheid meer bestond om duizelig te worden, daar wij het eenige vaste punt in de ruimte waren. Wij waren één met de zwijgende sfeeren om ons heen en wat de Vicomte Anne de St. Yves betreft, kan ik verzekeren, dat hij gedu rende vijf minuten zich zoo ongeschuldig ge voelde als een pas geboren kind. Maar voor mij is het een drommels on aangename zaak, zeide.Byfield opeens. Ja, dat is waar antwoordde ik; gy hebt tot het publiek gezegd dat ge een eenzaam reiziger waart en we zitten hier met ons vieren. Maar watt kan ik daaraan doen? Indien op het laatste oogenblik een paar gekken in mijn ballon komen vallen Maar dan is de Schapenbout er nog, zeide ik. Misschien kan hij opheldering ge ven. Mijnheer Schapenbout, waarom bent u hier? Ik heb vooruit betaald, begon Schape bout. Ik ben een getrouwd man. Dat zijn twee dingen, die u op ons vóór hebt, zeide ik. Verder. U waart zoo goed mij uw naam te noe men, mijnheer Vicomte Anne de Kéroual de St. Ives. Die naam is wel wat moeilijk te onthou den. Binnen twee minuten kan ik u een me- moria technica vervaardigen, waarvan ge ge durende de reis gebruik kunt maken- Mij nheer Schapebout wist niet wat hij daarop zou antwoorden. Ik ben gehuwd, ik heb een vrouw, be grijpt u; mevrouw Schapenbout houdt niet van luchtreizen. Zij is een Guthric, uit Dum fries, van zichzelve Dat verklaart alles, zeide ik. Ik, daarentegen, had reeds lang mijn zinnen er op gezet een reis met een lucht ballon te maken. Ja, ik zou bijna zeggen. mynheerhet is een hartstocht van mij geworden. Ik herinner mij Vincent Lunardi, mijnheer, hernam het mannnetje met schit terende oogen. Ik was erbij tegenwoordig, toen hij in October '85 met zijn ballon in Heriot's Gardens opsteeg. Hij kwam neer in Capar. Hij werd eerelid van een golf-club in Capar en van allerlei andere vereenigingen, Een mager man, mijnheer. Hij heeft eens zijn horloge mij bij verpand. U moet weten, dat is mijn beroep, ik heb een pandjeshuis. Maar hij loste het helaas in, anders zou ik het u bij gelegenheid eens laten zien. Reeds lang was het mijn vurigste wensch een luchtreis te maken, maar terwille van me vrouw Schapenbout heb ik het tot nu toe niet gedaan. Het is mijn eerste reis. Om u de waarheid te zeggen denkt mevrouw Schapen bout dat ik op weg ben naar de Kyles of Bute. Ik heb mijnheer Byfield vijf pond vooruitbetaald. Ik heb de kwitantie in mijn zak. Wij waren overeen gekomen, dat ik mij in den mand verbergen en de reis met hem alleen maken zou. Dus u wilt eigenlijk zeggen, dat ons ge zelschap u niet gewenscht is? vroeg ik. Hij haastte zich dat te ontkennen. Neen, neen, dat meen ik niet, volstrekt niet, integendeel! Maar het had even goed kunnen gebeuren, dat zich minder aange naam gezelschap aan ons had opgedrongen en ziet u, we hadden het nu eenmaal afge sproken Ge hebt gelijk. Byfield, geef die vijf pond aan mijnheer Schapenbout terug. Gekheid, bromde Byfield. En wie geeft u het recht mij de wet voor te schrijven? Wie zijt gij? Ik geloof dat ik u dat reeds tweemaal verteld heb. Mosseu de Vicomte van wat-je-maar- wilt. 't Is me onverschillig. Voor mijn part zijt ge Robert Burns of Napoleon Bonaparte. Maar toen ik u leerde kennen, heette u Ducie en daarom Hij stak de hand uit naar de veiligheids klep. Wat wilt ge doen? vroeg ik. Neerdalen. Wat? Terug naar die weide? Neen, dat zal wel niet gaan, want we zijn meer noordelijk afgedreven en bewegen ons voort met een snelheid van dertig mijlen In het uur. Maar waarom wilt ge neerdalen? Omdat ik u bij een anderen naam dan dien van Ducie heb hooren noemen, en nog een woord werd er aan dien naam toege voegd, die mij heelemaal niet beviel, het klonk niet als „vicomte". Ik dacht dat het een streek was van de politie om u te krij gen, maar ik begin sterk te twijfelen. De man werd gevaarlijk. Ik bukte mij en deed alsof ik een reisdeken van den grond opnam, want het was bitter koud gewor den. Mijnheer Byfield, een woordje onder vier oogen, als 't u blieft, fluisterde ik hem in het oor. Gaarne, antwoordde hij, het touw losla tende. Wij leunden naast elkander over dèn rand van den mand. Indien ik mij niet vergis, zeide ik zacht, hebt gij den naam Champdivers gehoord? Hij knikte. De man, die dat riep, was mijn eigen neef, de vicomte de St. Ives. Ik geef u mijn woord van eer, dat ik de waarheid spreek. Ik merkte dat zijn stemming veranderde en was zoo slim er bij te voegen: Begint er nu een licht voor u op te gaan? Begrijpt u nu dat het een wedden schap is geweest? Neen, antwoordde hij, dat is niet waar. Dat maakt ge mij niet wijs. Ik bewonder de halsstarrigheid waar mede ge bij uw overtuiging blijft, zeide ik plotseling een anderen toon aanslaande. Ik ben inderdaad Champdivers. De moor Neen, dat niet. Ik heb den man in een duel gedood. Zoo, zeide hij mij wantrouwend aan ziende. Dat zult ge toch eerst moeten bewij zen. Man. ge kunt toch niet verlangen, dat ik zoo iets hier, in een luchtballon, zal be wijzen? Neen, en daarom zullen we neerdalen, zeide hij en wilde aan het touw trekken. Maar zoover ik de Engelsche of de Schotsche wet ken, wordt; er niet van den be schuldigde verlangd, dat hij zijn onschuld zal bewijzen. Maar ik zal u eens zeggen wat ik kan bewijzen! Ik kan bewijzen, mijnheer-, dat ik mij in de laatste dagen veel in uw ge zelschap heb bevonden dat ik Woensdag met u en Dalmahoy heb gesoupeerd. Gij zult be weren. dat wij drieën hier weer door een toe val zijn vereenigd, dat ge niet vermoed hebt, welke beschuldiging op mij rustte, dat mijn verschijnen in uw ballon een verrassing voor u was en wat u betreft een ongewenschte verrassing. Maar ga eens bij u zelf na of de gezworenen uw verhaal wel zeer geloofwaar dig zullen vinden? Byfield was zichtbaar getroffen door mijn wooi-den en ik vervolgde: Voeg hierbij dat ge u over de tegen woordigheid van Schapenbout te verant woorden zult hebben, dat ge zylt moeten be kennen het publiek te hebben bedrogen daar ge u voort een „eenzaam reiziger" hebt uit gegeven. terwijl uw reiskameraad op den bodem van den mand verborgen lag. Gij noemt u zelf met opgezette borst een „open baar man". Welnu, mijnheer, ik beloof u, dat ge dat zult worden Ik zweeg, om adem te halen en hief drei gend den vinger tegen hem op. Luister nu eens, mijnheer Byfield, her nam ik; zoodra gij aanstalten maakt om neer te dalen op de zeer weinis medelijdende wereld is het uit met den roem van den eenzamen luchtreiziger, in Edinburg ten minste kunt ge uw winkel wel sluiten. Het publiek is u en uwe luchtreizen hartelijk moede, dat hebt ge vandaag duidelijk kun nen zien. Zelfs uw blinde ij delheid moet u dat bij de volgende gelegenheid zeggen. Ik heb u twee honderd guinjes aangeboden om de reis in uw ballon mee te mogen maken. Ik verdubbel thans dat aanbod, onder voor waarde dat de ballon mijn eigendom is ge durende deze reis en dat gij hem leidt naar mijn wenschen. Hier is het geld. Geef daar van vijf pond terug aan den heer Schape bout. Byfield's gelaat was thans even strak ge spannen als zijn ballon, en ook de kleur ver schilde niet zoo heel veel. Ik had zijn ver waandheid een geduchten stoot toegebracht, en de man was inderdaad diep getroffen. Laat mij tijd om te overleggen, stamelde h«. Dat spreekt van zelf, antwoordde ik. Ik was overtuigd, dat ik het spel had ge wonnen, maar was niet trotsch op de overwinning, want de wapens welke ik ge bruikt had waren niet eervol. Ik wendde mij van Byfield af. Dalmahoy,zat op den grond en was Schapebout behulpzaam bij het uit pakken van een tasch. Dit moet de whisky zijn, zeide de kleine pandjeshuis-man. Drie flesschen. Mijn vrouw zeide: „Whisky kunt ge overal krijgen, Els- hander." „Ja, zeker", zeide ik, „maar de kwa liteit is niet overal goed en de reis is lang". Ge moet weten, mijnheer Dalmahoy, dat ik haar gezegd heb dat ik van Greenock naar de Kyles of Bule en terug wilde en dan langs de kust naar Salcoats en het land van Burns Voor het geval dat ze mij iets gewichtigs had mee te deelen heb ik haar gezegd hare bx-ieven te adresseeren aan postmeester Lucht. Ha ha ha! Hij zweeg en keek Dalmahoy verwijtend aan, omdat deze niet lachte. Lucht, hei-haalde hij, postmeester Lucht, een kleine woordspeling. Hemel zou beter zijn geweest, zeide Dal mahoy zonder met de oogen te knippen. Hemel! Ja, ja prachtig! Ja, maar toch. Een minuut later nam hij mij ter zijde en fluisterde: Een allergeestigst man Is die vriend van u, mijnheer. Fijne manieren, maar, me dunkt, nu en dan een beetje, hoe zal ik het zeggen Ik had ijskoude handen gekregen. We re zen met tamelijk groote snelheid. Ik nam een der dikke overjassen, die op den grond lagen en vond toevallig een paar gevoerde hand schoenen in den zak. Ik keek over den rand, maar hield daarbij den luchtreiziger in het oog, die op zijn nagels stond te bijten. Opeens trad hij op mij toe. Mijnheer Ducie, ik heb over uw voor stel nagedacht en neem het aan. Ik bevind mij in een uiterst onaangename positie.... Als openbaar man, viel ik hem in de rede. Zwijg daarvan, mijnheer. Uw woorden hebben mij zeer pijnlijk getroffen vooral om dat ik voel dat er waarheid in schuilt. Een luchtreiziger is eerzuchtig, mijnheer. En i; dat eigenlijk niet verklaarbaar? Het publiek, de couranten maken hem tot een middel punt, zij vleien hem, zij verheffen hem, zij juichen hem toe. Maar in den gi-ond van zijn hart beschouwt het publiek hem toch als een kunstenmaker en behoud zich het recht voor hem zijn gunst te onttrekken, zoodra het zijn kunsten moede is. Is het te verwon deren, dat hij zulks nu en dan vergeet? In zijn eigen oogen is hij geen kunstenmaker, neen, dat is hij niet! De man sprak met eerlijke geestdrift. Ik stak hem mijn hand toe. Mijnheer Byfield, vergeet hetgeen ik gezegd heb. Mijn woorden waren ruw, en ik neem ze berouwvol terug. Hij schudde het hoofd. Het was de waarheid mijnheer, dat wil zeggen de gedeeltelijke waarheid. Neen. Een ballon kan een geheel andere richting brengen in het strevexx van een man, dat ontdek ik nu pas. Hier is het geld, en ik verzeker u op mijn woord van eer, dat ge geen misdadiger mede voert. Hoe lang kaïx de Lunardi in de lucht blij ven? Ik heb het nog niet geprobeerd, maar volgens mijn berekening moet het ongeveer twintig uur zijn. - We zullen het probeeren. De windidch- ting is nog steeds noord-oostelijk. En de hoogte? Hij raadpleegde de barometer. Iets minder dan drie mijlen. Dalmahoy hikte en riep: Komt. vrienden, aan tafel! Broodjes met vleesch of wat anders. Schapebout trak teert op de whiskey. Sta op, Elshander, en toon der menschheid, wat ge voor een kerel zijt, en als gij den traan van ontroering hebt gestort, geef me dan den kurketrekker eens. Kom, Ducie, kom, mijn jongen. Als gij geen honger hebt ik wel, en Schapebout ook. Byfield bracht een pastei te voorschijn en een fleisch madeira en de maaltijd begon. Dalmahoy praatte onophoudelijk. Hij sloeg toasten en gaf Schapebout allerlei eerena men. Deze genoot blijkbaar en zeide her haaldelijk: De geest van uwen vriend is onuitput telijk, mijnheer, onuitputtelijk! Mijn stemming liet veel te wenschen over, misschien ten gevolge der koude. Ik begon te voelen, dat ik zeer dun gekleed was en bo vendien had ik een onweerstaanbare behoef te om te slapen. Honger had ik niet, maar daarentegen veel dorst en ik dronk een half bierglas vol van Schapebout's whisky en kroop onder de dekens. Byfield dekte mij toe. Het is mogelijk, dat hij uit den toon waarop ik hem bedankte, hoorde dat ik hem niet geheel vertrouwde; hij zeide tenminste: Wees gerust, mijnheer Ducie; u kunt op mij vertrouwen. En ik voelde dat hij de waarheid sprak en sliep in. Den geheelen namiddag dommelde ik. Ik hoorde in mijn droom Dalmahoy en Scha pebout tezamen zingen en kwam langzamer hand tot het bewustzijn dat zij in een toe stand van ontoerekenbaarheid waren ge raakt en oproerig werden. Ik hoorde Byfield iets verbieden, maar wist niet wat, luisterde niet en sliep weer In. Ik ontwaakte doordat Schapebout over mij struikelde en ik zag dat hij een ledige flesch zwaaide. Dalmahoy lachte dat hij schaterde en riep: Hoe jammer dat we je wakker ge- maakt hebben, Ducie! Slaap, kindje slaapl Ilk vermoedde geen gevaar en legde mij op de andere zijde. In mijn gevoel was het geen minuut later toen een gegons in mijn ooren mij deed ont waken, ik voelde een snijdende pijn in mijn hoofd. Toen hoorde ik luid mijn naam roe pen en rees haastig overeind en blikte in het verschrikte gelaat van Dalmahoy. Byfieldzeide ik. Dalmahoy wees met den vinger naar mijn voeten en daar lag de luchreiziger, in elkander gezakt als een pop uit een mario nettenspel. Dwars over zijn beenen, met het hoofd tegen een kist lag Schapebout met een glimlach vaix voldoening op het gelaat. Een ellendig geval! zeide Dalmahoy hij gend en trekkend. Schapebout was uit rand en band; hij schijnt geen sterken drank te kunnen verdi'agen.. hij begon voor de aar digheid ballast over boord te werpen. Byfield werd driftig en dat is het domste wat een mensch kan doen. In dat opzicht moet ik mezelf prijzen: ik word nooit driftig en blijf altijd vatbaar voor redeneeren. Schapebout werd weerbarstig, Byfield gooide hem tegen den grond te laat ze vielen beiden flauw. Schapebout wil aan het touw van den klep trekken, en trekt het kapoten *als we den klep niet meer kunnen openen gaat de Lunardi niet meer naar beneden., dat is het ellendige van het geval. Tal-de-ral, zong Schapebout. Mooi, heel mooi. Ik keek naar boven. De Lunardi was met een laag zilver bedekt. Al de touwen en koorden glinsterden van ijs en in het mid den van deze schitterende kooi, minstens vijf meter boven ons, bengelde het afgebro ken koord. Ge hebt den boel mooi in de war ge bracht, zeide ik grimmig. Geef me het af getrokken stuk touw en wees zoo goed uw vijf zinnen bij elkaar te houden. Ik wou dat ik het kon, antwoordde hij het touw tusschen zijn verkleumde vingers houdend. Als u denkt dat ik bang ben, dan vergist ge u, mijnheer. Maar ik was wel bang en niet weinig. Ik begreep echter dat er gehandeld moest wor den. De lezer zal mij, hoop ik, niet kwalijk ne men, indien ik hetgeen de volgende twee, drie minuten gebeurde, slechts vluchtig be spreek. Zoadra ik namelijk aan die oogen- blikken denk, word ik duizelig. In den nacht op den rand van het schuitje te moeten ba- lanceeren, met een hard gevroren stuk touw in de eene hand, is geen kleinigheid; ik had een gevoel alsof mijn maag, gelijk een em mer, in een put werd neergelaten, maar de hevige pijn in mijn hoofd deed mij de tan den op elkander klemmen, ik besefte aan mijn koi-te, moeilijke ademhaling, dat ons leven in gevaar was en ik slaagde inder daad erin de beide einden aan elkaar te knoopen. Toen liet ik mij weer in den mand afglijden, trok de klep open, terwijl ik met den vrij geworden arm het angstzweet van mijn voorhoofd wischte. Het bevroor onmid dellijk. Weldra verminderde het gegons in mijn ooren, ik haalde weer ruimer en gemakke lijker adem. Dalmahoy boog zich over den luchtreiziger die uit den neus bloedde en weer diep zuchtte. Schapebout was in slaap gevallen. Ik hield den klep open, totdat wij in een dichten mist waren gekomen, waar uit de Lunardi zeker was opgestegen. Lang zamerhand kwamen wij ook daar onderuit. Ik raadpleegde het kompas: wij dreven in zuidwestelijke richting. Maar waar bevonden we ons? Dalmahoy beweerde dat we boven Glasgow moesten zijn- en toen vroeg ik hem niet meer. Byfield lag in een diepen slaap. Ik keek op mijn horloge, dat ik vergeten had op te winden. Het was afgeloopen. Het stond op twintig minuten over vieren. De dag moest dus weldra aanbreken. Achttien uur laten we zeggen twintig; en Byfield had de snelheid waarmede wij ons voortbe wogen geschat op dertig Eng. mijlen in het uur. Vijf honderd mijlen Daar ontdekte ik een zilveren streep, een lint dwars door de zwarte duisternis, een lint dat breeder en breeder werd.... de zee! Vijfhonderd mijlen, dacht ik en een welda dige kalmte daalde in mijn gemoed, terwijl de Lunardi hoog over de duinen dreef. Ik maakte Dalmahoy weer wakker. De zee! zeide ik en wees hem op het lint. Ja, dat lijkt er wel op. Maar welke zee? Het Kanaal, man! Het Kanaal? Weet ge. dat wel zeker? Wat? Wat is er? vroeg Byfield ontwa kend en zich oprichtend. Het Kaïxaal. Onzin, Kanaal, geen kwestie van, ant woordde hij zich de oogen uitwrijvend. Zooals ge wilt, zeide ik, en wendde mij af. Met zulke lui was niet te praten. Hoe laat is het? Ik antwoordde hem, dat mijn horloge was stil blijven staan. Het zijne bleek ook niet meer te loopen. Dalmahoy had geen horloge. Wij zochten in de zakken van den nog sla- penden Schapebout: ook dat was stil blij ven staan op tien minuten voor viei-en. By field stopte het weer in Schapebout's vestjes zak en kon niet laten den man een schop te geven. Een paar nette heeren! zeide hij veront waardigd. Mijnheer Ducie, ik ben u dank schuldig. Het heeft v/einig gescheeld of we waren allen omgekomen o, mijn hoofd! Maar dat kan toch niet waar wezen, Duciedat is het Kanaal, zegt ge, ep daarginds Frankrijk? Neen hoor, die grap gaat te ver! 't Doet me genoegen, dat ge eindelijk ook tot die overtuiging komt. Byfield stond tegen een der touwen ge leund en tuurde in de duisternis. Ik stond naast hem en hoopte dat mijn vermoeden niet teleurgesteld zou worden. Eindelijk wendde Byfield zich tot mij. Ik zie in het zuiden de lijnen van een kust. Het is het Bristol Kanaal en de ballon daalt gestadig. Gooi ballast over booi-d, in dien die twee tenminste nog ballast hebben overgelaten! Ik vond nog een paar zakken zand en wierp den inhoud over boord JDe kust was niet ver af. Maar de Lunardi steeg en dreef over de klippen heen. De zee scheen zeer onstuimig. Weinige minuten later stieten wij tot onzen schrik tegen de helling van een zwarten heuvel. Houdt vast! riep Byfield, en ik had nauwelijks tijd om een touw te grijpen, toen de mand met kracht tegen den grond sloeg en wij allen op en over elkander op den vloer rolden. Pof de tweede stoot deed ons als erwten in een bus rollen. Ik trok mijn knieën op en wachtte op den derden schok. Maar de derde schok kwam niet. Het schuitje schommelde vreeselijk. We stonden op, wierpen dekens, jassen, instrumenten, alles over boord en opwaarts ging het weer. De heuvel, waarover wij gestruikeld waren, bleef achter-ons, we verloren hem uit het ;ezicht en dreven in de duisternis verder. Dit land kan toch niet onbewoond zijn! bromde Byfield. Inderdaad zagen we niets, waaruit wij het tegendeel konden opmaken. Nergens een licht, en tol; toppunt van ellende was de maan verdwenen. Een uur lang dreven we in een onbekende donkere riximte en Scha pebout weeklaagde onophoudelijk en be weerde dat hij zijn nek had gebroken. Op eens hief Dalmahoy een arm ten he mel. Rondom ons was nacht, maar vlak voor ons brak de dageraad aan. Langzaam breid de zich de lichtglans uit totdat hij ons be reikte en neerdaalde op een rij van heuve len aan den horizon, waar plotseling de op gaande zon er uit te voorschijn brak en alles met een gloeiend rood overstroomde. Werp het anker uit! riep Byfield. Zelf sprong hij naar het touw van de klep om het gas te laten ontsnappen en de aarde kwam pijlsnel naar ons toe. Nog had het zonlicht haar niet bereikt. Zij kwam in woeste vaart op ons aan, nog half in de schaduw verborgen, een wild dier gelijk dat uit zijn hol is verdreven. Weldra bleek dat we ons boven een bosch bevonden. Een vlucht reigers vloog uit de toppen der boomen onder ons. Neen, hier kunnen we niet landen .zei de Byfield de klep sluitend. We moeten éérst over die boomen heen. Wat is dat? De smalle rivier, die we tusschen de boo men hadden zien schitteren verbreedde zich plotseling tot een zeemonding, waarin het van schepen wemelde. Links en rechts ver hieven zich stijle, hooge heuvels en tegen de helling van een dezer heuvels lag een grijze stad, als een amphitheater gebouwd. Wij dreven in die richting, het anker als een gevangen visch achter ons aansleepend, hoogstens honderd voet boven de oppervlak te van het water. Op de schepen bevonden zich menschen en wij zagen hun naar ons opgericht gelaat. De bemanning van een der schepen zette een boot uit om ons te volgen wij waren reeds een halve mijl verder, zoodat zij hun boot te water hadden. Zou den we de stad bereiken? Op bevel van By field trokken wij onze overjassen uit en wa ren bereid ze over boord te werpen om het bootje lichter te maken. Maar ziende, dat de wind ons naar de voorstad en den mond van de haven dreef, veranderde hij van plan. Neen, we zullen liever het anker uitwer pen. Pas goed op, Ducie, ik open de klep! Hij drukte mij een mes in de hand. Zoodra ik roep: klaar, snijdt ge het touw door. Wij daalden een weinig. Het anker raakte den grond en groef zich een weg dwars door een moestuin, een aantal bessenstruiken met wortel en al uit de aarde rukkend. Toen zweefde het weer vrij in de lucht, om zich spoedig daarna vast te haken in een houten huisje. We kregen een schok, en toen ik weer op de been was zag ik dat het gebouwtje als een kaartenhuis uit elkander was gerukt en dat een paar varkens uit de puinhoopen te voorschijn kropen en tusschen de bloem bedden krijgertje begonnen te spelen. Op eens werd ik weer omvergeworpen, doordat het anker zich vasthaakte in een ijzeren hek en ditmaal bleef het zitten. Houdt vast! riep Byfield terwijl de mand geweldig heen en weer schudde en wanhopige pogingen aanwendde om zich los te maken. Niet doorsnijden! Man, wat doet ge!! Ons touw was geschuurd langs den kap van een hoogen steenen muur en de Lunardi hing een oogenblik bijna stil boven een met grind bedekt plein en in het midden daarvan bevond zich.,., een troep Engel sche soldateix in hun roode buizen! Ik geloof dat het gezicht van deze gehate uniformen mij het mes in het touw deed hakken. Binnen twee seconden stegen wij weer omhoog, het schuitje ontvoerde ons uit de nabijheid van het kazerneplein, maar nog zie ik het gezicht van de soldaten, hun ronde, wijd open gesperde oogen, hun ópén monden, de eerlijke, blozende boerenjongens gezichten; het was blijkbaar een troep re kruten die door een onderofficier gedrild werdenHet beeld ontrukte zich aan onze blikken, maar Byfield schold en vloekte en raasde nog steeds, zijn voorraad vloeken scheen onuitputtelijk. Toen hij een oogenblik zweeg om adem te scheppen nam ik de ge legenheid waar om te zeggen: Mijnheer Byfield, u opent de verkeerde klep! Wij drijven in de richting van de zee! Daar de ballon mijn eigendom is. heb ik het recht te eischen dat wij neerdalen zoo dicht mogelijk bij gindschen schoener die als ik mij niet vergis, ons in het oog heeft ge kregen en bezig is een boot uit te zetten. Hij zag, dat ik gelijk had en schonk zijn aandacht weer aaix den ballon. De Lunardi daalde met groote snelheid, vloog voorbij het schip en smakte toen in zee. Ik zeg: smakte inderdaad was het een alles behalve zachte landing. De Lunardi dreef en werd met kracht door den wind vooi-tgestuwd. De ballon sleepte het schuitje achter zich aan als een omgekeerden em mer; wij, vier luchtreizigers lagen in het sop te spartelen, maar wij grepen ons vast, drukten onze nagels in de geoliede zijde om ons boven water te houden. In het vreemde element scheen het ding opeens met een helsche, nieuwe kracht bezield en vertoonde een aantal tot nu toe ons onbekende nuk ken eii grillen. Zoodra wij beproefden er bo ven op te klauteren, zonk de gladde bal op eens in de diepte en rolde om. We hadden geen seconde om op adem te komen en te kijken of men ons volgde. Daar hoorde ik achter mij een roepen en het ge luid van plassende riemen en een hand vatte mij stevig in den kraag. Zoo werden wij een voor een opgepikt uit de waterplas, gered uit wat Schapebout noemde, terwijl hij zijn brilleglazen afveegde, „een toestand van hul peloosheid, die niet te vergelijken is met iets wat ik in mijn leven heb ondervonden." HOOFDSTUK XIV. Kapitein Colenso. Maar wat zullen we met den ballon doen meneer? vroeg de bevelhebber van de sloep. Indien het mijn zaak ware geweest, zou ik misschien een belachelijke ingeving gevolgd en geantwoord hebben: „behoud het ding voor uw moeite en doe ermede wat ge wilt", zóo genoeg had ik van de machine. Byfield echter verzocht hen een naad van de ge oliede zijde open te snijden en het schuitje ervan los te maken, dat aan de golven werd prijsgegeven. Onmiddellijk zonk de Lunardi in ehcaar en werd handelbaar. Zij wei'd achter aan de boot vastgebonden en op sleeptouw genomen. Toen namen de manschappen de ï'iemen weer op. Mijn tan den klapperden van koude. De reddings maatregelen hadden tame'ijk lang geduurd en voordat we het schip bereikten, verliep ook weer geruimen tijd. 't Is alsof we een walvisch op sleep touw hebben, zeide een stem achter mij. (Wordt vervolgd.)

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Haarlem's Dagblad | 1929 | | pagina 18