BYES, BE SBBCN Y4*j ^ABBEECNl
Deep E.I?.SJEVEI^S®^
VEt?744LD CCCI? I *1> .HA ITK E I? -KEI 111^.
(Korte inhoud van het voorafgaande).
De held van dit verhaal, St. Ives, bijge
naamd de Spion vau Napoleon, was in
Mei 1813 als krijgsgevangene in handen
der Engsischen .gevallen. Met lotgenooten
zat hij opgesloten in het kasteel Eóinburg
dat tot gevangenis was ingericht. Dcorda'
St. Ives van geboorte een edelman
maar Sn het gevangenenkamp slechts een
gewoon soldaat de Engelsche taal
machtig was, werd hU door de bewakers
meermalen als tolk gebruikt, waardoor hi.
verschillende voordeeien boven do andere
gevangenen genoot.
De gevangenen mochten voorwerper
van huisvlijt maken die door de bevol
king gekocht werden. Onder de koopsters
was een meisje van 18 of 19 jaar, die de
aandacht van St. Ives trok. Het meisje.
Flora genaamd, betoonde haar deelneming
in zijn lot.
Van een zaakwaarnemer ontvangt St.
Ives een pakje bankbiljetten, hem door
een bloedverwant geschonken, om zijn ont
vluchting mogelijk te maken.
Met andere gevangenen heeft hij een
tunnel gegraven en met behulp van een
touw weten St. Ives en enkele vrienden
uit de vesting te ontsnappen.
Inderdaad gelukt het hem zich schuil
te houden in het kippenhok van Flora
Later helpt het meisje hem by zijn vlucht
Als veedrüver vermomd trekt hü weg, na
een hartelijk afscheid van Flora genomen
te hebben.
Hij kwam, na veel moeiiykheden over
wonnen te hebben, by zUn oom, die hem
tot erfgenaam maakte. Toen moest St. Ive<
evenwel weer vluchten, omdat zijn neef
hem weer aan de gerechtsdienaren, wilde
overleveren, om daardoor wraak te nemen
over zyn onterving.
Nu wordt St. Ives weer opnieuw voort
gedreven, door zyn achtervolgers.
Op den bodera van den mand lag een sta
pel dekens en jassen en daaruit kwam eerst
een hand, die een bonten muts vasthield, te
voorschijn en toen een verontwaardigd ge
laat en een bril en eindelijk het lichaam van
een kleinen man in een verslaten zware pak.
Hij lag thans op zijn knieën,' zijn vingers
rustten op den grond en hij keek den lucht
reiziger verwijtend aan.
U bent getuige, meneer Byfield
Byfield scheen diep terneer geslagen, het
angstzweet lag op zijn gelaat.
Het spijt me vreeselijk, mijnheer, sta
melde hijeen fatale vergissinghet is
mijn schuld nietik hoop het u straks op
te helderenLaat mij u voorstellen: mijn
heer Dalmahoy mijnheer?
Mijn naam is Schapenbout, maar....
Schapenbout! riep Dalmahoy. Schapen
bout! Wat een naam! Zijn vader heeft de
schapen gehoed op de Grampian heuvels,
zeker, en ook de schapenbouten waren er bij.
Schapenbout is een keurig gerechtik
maak u mijn compliment.
Dalmahoy moest zich aan een der touwen
Vasthouden om een buiging te maken.
-r- En ik, mijnheer, zeide ik, ziende dat
Schapenbout een hulpeloozen blik op mij
wierp, ik ben Vicomto Anne de Kéroual. Ik
weet niet hoe u hier komt en waarom u zich
hier bevindt, maar u zijt een aanwinst voor
het gezelschap.
Byfield keek op den barometer. We bevon
den ons zes honderd voet boven de aarde. Hij
zeide dat dit nog niets te beteekenen had,
hij verwonderde zich slechts dat de ballon
was opgestegen, ondanks den ballast van
waanzin, die onder aan den mand had ge
hangen. Ik liet deze woorden onopgemerkt
voorbij gaan, ze toeschrijvende aan zyn
slecht humeur. Hij vertelde mij dat hij hon
derd pond ballast naar beneden had moeten
werpen. Ik hoopte in stilte dat de zakken op
het hoofd van mijn neef waren terecht ge
komen. Ik vond zes honderd voet al een zeer
achtenswaardige hoogte. Het uitzicht was
meer dan mooi!
De Lunardi was, dank zij bijna volmaakte
windstilte, loodrecht omhoog gestegen, had
de morgennevels doorkliefd en zweefde thans
in een hemel van het heerlijkste blauw. De
aarde onder ons scheen uitgehold, de horizon
geleek een omhoog staande rand als van
een beker, die weker was in werkelijkheid ge
vuld met mist en nevel, doch in onze oogen
met een heerlijken drank met schuim erop.
Ik nam den verrekijker uit Byfield's hand
en richtte hem naar de aarde en ik ontdek
te drie gestalten. Een daarvan wuifde met
een witten doek. Ik ging weer zitten en dacht
aan haar.
Ik moet zeggen dat mijn vertrouwen in
luchtreizigers een zeer teere. gevoelige plant
was. Indien de lezer zich mijn beschrijving
herinnert van de vlucht uit de vesting, dan
weet hij tenzij ik mijn gewaarwordingen
zeer gebrekkig en onvolmaakt heb geschil
derd dat ik alles behalve moedig ben in
dien ik mij niet op vasten grond bevind.
Op den vasten grond ben ik tot alles in staat,
dan beweeg ik mij met de zorgeloosheid van
een rollen eten steen. Zoodra ik echter geen
grond meer voel, ben ik aan het onheil over
geleverd. Zelfs op een schip voel ik mij niet
op mijn gemak en schik mij in het onver
mijdelijke omdat mij niet anders overblijft.
Tot mijn groote geruststelling steeg de Lu
nardi opwaarts zonder veel schommelen.
Slechts door het over boord werpen van
snippertjes papier of door het raadplegen
van den barometer konden wij ons overtui
gen. dat de ballon rees. Nu en dan maakten
wij een draai, zoo zeide ons het kompas van
Byfield. maar wij zelf merkten niets daar
van. Van duizeligheid geen zweem meer, om
de eenvoudige reden dat er geen gelegenheid
meer bestond om duizelig te worden, daar
wij het eenige vaste punt in de ruimte waren.
Wij waren één met de zwijgende sfeeren om
ons heen en wat de Vicomte Anne de St.
Yves betreft, kan ik verzekeren, dat hij gedu
rende vijf minuten zich zoo ongeschuldig ge
voelde als een pas geboren kind.
Maar voor mij is het een drommels on
aangename zaak, zeide.Byfield opeens.
Ja, dat is waar antwoordde ik; gy hebt
tot het publiek gezegd dat ge een eenzaam
reiziger waart en we zitten hier met ons
vieren.
Maar watt kan ik daaraan doen? Indien
op het laatste oogenblik een paar gekken
in mijn ballon komen vallen
Maar dan is de Schapenbout er nog,
zeide ik. Misschien kan hij opheldering ge
ven. Mijnheer Schapenbout, waarom bent u
hier?
Ik heb vooruit betaald, begon Schape
bout. Ik ben een getrouwd man.
Dat zijn twee dingen, die u op ons vóór
hebt, zeide ik. Verder.
U waart zoo goed mij uw naam te noe
men, mijnheer
Vicomte Anne de Kéroual de St. Ives.
Die naam is wel wat moeilijk te onthou
den.
Binnen twee minuten kan ik u een me-
moria technica vervaardigen, waarvan ge ge
durende de reis gebruik kunt maken-
Mij nheer Schapebout wist niet wat hij
daarop zou antwoorden.
Ik ben gehuwd, ik heb een vrouw, be
grijpt u; mevrouw Schapenbout houdt niet
van luchtreizen. Zij is een Guthric, uit Dum
fries, van zichzelve
Dat verklaart alles, zeide ik.
Ik, daarentegen, had reeds lang mijn
zinnen er op gezet een reis met een lucht
ballon te maken. Ja, ik zou bijna zeggen.
mynheerhet is een hartstocht van mij
geworden. Ik herinner mij Vincent Lunardi,
mijnheer, hernam het mannnetje met schit
terende oogen. Ik was erbij tegenwoordig,
toen hij in October '85 met zijn ballon in
Heriot's Gardens opsteeg. Hij kwam neer in
Capar. Hij werd eerelid van een golf-club in
Capar en van allerlei andere vereenigingen,
Een mager man, mijnheer. Hij heeft eens
zijn horloge mij bij verpand. U moet weten,
dat is mijn beroep, ik heb een pandjeshuis.
Maar hij loste het helaas in, anders zou ik
het u bij gelegenheid eens laten zien. Reeds
lang was het mijn vurigste wensch een
luchtreis te maken, maar terwille van me
vrouw Schapenbout heb ik het tot nu toe
niet gedaan. Het is mijn eerste reis. Om u de
waarheid te zeggen denkt mevrouw Schapen
bout dat ik op weg ben naar de Kyles of
Bute. Ik heb mijnheer Byfield vijf pond
vooruitbetaald. Ik heb de kwitantie in mijn
zak. Wij waren overeen gekomen, dat ik mij
in den mand verbergen en de reis met hem
alleen maken zou.
Dus u wilt eigenlijk zeggen, dat ons ge
zelschap u niet gewenscht is? vroeg ik.
Hij haastte zich dat te ontkennen.
Neen, neen, dat meen ik niet, volstrekt
niet, integendeel! Maar het had even goed
kunnen gebeuren, dat zich minder aange
naam gezelschap aan ons had opgedrongen
en ziet u, we hadden het nu eenmaal afge
sproken
Ge hebt gelijk. Byfield, geef die vijf
pond aan mijnheer Schapenbout terug.
Gekheid, bromde Byfield. En wie geeft
u het recht mij de wet voor te schrijven? Wie
zijt gij?
Ik geloof dat ik u dat reeds tweemaal
verteld heb.
Mosseu de Vicomte van wat-je-maar-
wilt. 't Is me onverschillig. Voor mijn part
zijt ge Robert Burns of Napoleon Bonaparte.
Maar toen ik u leerde kennen, heette u Ducie
en daarom
Hij stak de hand uit naar de veiligheids
klep.
Wat wilt ge doen? vroeg ik.
Neerdalen.
Wat? Terug naar die weide?
Neen, dat zal wel niet gaan, want we
zijn meer noordelijk afgedreven en bewegen
ons voort met een snelheid van dertig mijlen
In het uur.
Maar waarom wilt ge neerdalen?
Omdat ik u bij een anderen naam dan
dien van Ducie heb hooren noemen, en nog
een woord werd er aan dien naam toege
voegd, die mij heelemaal niet beviel, het
klonk niet als „vicomte". Ik dacht dat het
een streek was van de politie om u te krij
gen, maar ik begin sterk te twijfelen.
De man werd gevaarlijk. Ik bukte mij en
deed alsof ik een reisdeken van den grond
opnam, want het was bitter koud gewor
den.
Mijnheer Byfield, een woordje onder
vier oogen, als 't u blieft, fluisterde ik hem
in het oor.
Gaarne, antwoordde hij, het touw losla
tende.
Wij leunden naast elkander over dèn rand
van den mand.
Indien ik mij niet vergis, zeide ik zacht,
hebt gij den naam Champdivers gehoord?
Hij knikte.
De man, die dat riep, was mijn eigen
neef, de vicomte de St. Ives. Ik geef u mijn
woord van eer, dat ik de waarheid spreek.
Ik merkte dat zijn stemming veranderde
en was zoo slim er bij te voegen:
Begint er nu een licht voor u op te
gaan? Begrijpt u nu dat het een wedden
schap is geweest?
Neen, antwoordde hij, dat is niet waar.
Dat maakt ge mij niet wijs.
Ik bewonder de halsstarrigheid waar
mede ge bij uw overtuiging blijft, zeide ik
plotseling een anderen toon aanslaande. Ik
ben inderdaad Champdivers.
De moor
Neen, dat niet. Ik heb den man in een
duel gedood.
Zoo, zeide hij mij wantrouwend aan
ziende. Dat zult ge toch eerst moeten bewij
zen.
Man. ge kunt toch niet verlangen, dat
ik zoo iets hier, in een luchtballon, zal be
wijzen?
Neen, en daarom zullen we neerdalen,
zeide hij en wilde aan het touw trekken.
Maar zoover ik de Engelsche of de
Schotsche wet ken, wordt; er niet van den be
schuldigde verlangd, dat hij zijn onschuld
zal bewijzen. Maar ik zal u eens zeggen wat
ik kan bewijzen! Ik kan bewijzen, mijnheer-,
dat ik mij in de laatste dagen veel in uw ge
zelschap heb bevonden dat ik Woensdag met
u en Dalmahoy heb gesoupeerd. Gij zult be
weren. dat wij drieën hier weer door een toe
val zijn vereenigd, dat ge niet vermoed hebt,
welke beschuldiging op mij rustte, dat mijn
verschijnen in uw ballon een verrassing voor
u was en wat u betreft een ongewenschte
verrassing. Maar ga eens bij u zelf na of de
gezworenen uw verhaal wel zeer geloofwaar
dig zullen vinden?
Byfield was zichtbaar getroffen door mijn
wooi-den en ik vervolgde:
Voeg hierbij dat ge u over de tegen
woordigheid van Schapenbout te verant
woorden zult hebben, dat ge zylt moeten be
kennen het publiek te hebben bedrogen daar
ge u voort een „eenzaam reiziger" hebt uit
gegeven. terwijl uw reiskameraad op den
bodem van den mand verborgen lag. Gij
noemt u zelf met opgezette borst een „open
baar man". Welnu, mijnheer, ik beloof u,
dat ge dat zult worden
Ik zweeg, om adem te halen en hief drei
gend den vinger tegen hem op.
Luister nu eens, mijnheer Byfield, her
nam ik; zoodra gij aanstalten maakt om
neer te dalen op de zeer weinis medelijdende
wereld is het uit met den roem van den
eenzamen luchtreiziger, in Edinburg ten
minste kunt ge uw winkel wel sluiten. Het
publiek is u en uwe luchtreizen hartelijk
moede, dat hebt ge vandaag duidelijk kun
nen zien. Zelfs uw blinde ij delheid moet u
dat bij de volgende gelegenheid zeggen. Ik
heb u twee honderd guinjes aangeboden om
de reis in uw ballon mee te mogen maken.
Ik verdubbel thans dat aanbod, onder voor
waarde dat de ballon mijn eigendom is ge
durende deze reis en dat gij hem leidt naar
mijn wenschen. Hier is het geld. Geef daar
van vijf pond terug aan den heer Schape
bout.
Byfield's gelaat was thans even strak ge
spannen als zijn ballon, en ook de kleur ver
schilde niet zoo heel veel. Ik had zijn ver
waandheid een geduchten stoot toegebracht,
en de man was inderdaad diep getroffen.
Laat mij tijd om te overleggen, stamelde
h«.
Dat spreekt van zelf, antwoordde ik.
Ik was overtuigd, dat ik het spel had ge
wonnen, maar was niet trotsch op de
overwinning, want de wapens welke ik ge
bruikt had waren niet eervol. Ik wendde mij
van Byfield af. Dalmahoy,zat op den grond
en was Schapebout behulpzaam bij het uit
pakken van een tasch.
Dit moet de whisky zijn, zeide de kleine
pandjeshuis-man. Drie flesschen. Mijn vrouw
zeide: „Whisky kunt ge overal krijgen, Els-
hander." „Ja, zeker", zeide ik, „maar de kwa
liteit is niet overal goed en de reis is lang".
Ge moet weten, mijnheer Dalmahoy, dat ik
haar gezegd heb dat ik van Greenock naar
de Kyles of Bule en terug wilde en dan langs
de kust naar Salcoats en het land van Burns
Voor het geval dat ze mij iets gewichtigs
had mee te deelen heb ik haar gezegd hare
bx-ieven te adresseeren aan postmeester
Lucht. Ha ha ha!
Hij zweeg en keek Dalmahoy verwijtend
aan, omdat deze niet lachte.
Lucht, hei-haalde hij, postmeester Lucht,
een kleine woordspeling.
Hemel zou beter zijn geweest, zeide Dal
mahoy zonder met de oogen te knippen.
Hemel! Ja, ja prachtig! Ja, maar toch.
Een minuut later nam hij mij ter zijde en
fluisterde:
Een allergeestigst man Is die vriend van
u, mijnheer. Fijne manieren, maar, me
dunkt, nu en dan een beetje, hoe zal ik het
zeggen
Ik had ijskoude handen gekregen. We re
zen met tamelijk groote snelheid. Ik nam een
der dikke overjassen, die op den grond lagen
en vond toevallig een paar gevoerde hand
schoenen in den zak. Ik keek over den rand,
maar hield daarbij den luchtreiziger in het
oog, die op zijn nagels stond te bijten.
Opeens trad hij op mij toe.
Mijnheer Ducie, ik heb over uw voor
stel nagedacht en neem het aan. Ik bevind
mij in een uiterst onaangename positie....
Als openbaar man, viel ik hem in de
rede.
Zwijg daarvan, mijnheer. Uw woorden
hebben mij zeer pijnlijk getroffen vooral om
dat ik voel dat er waarheid in schuilt. Een
luchtreiziger is eerzuchtig, mijnheer. En i;
dat eigenlijk niet verklaarbaar? Het publiek,
de couranten maken hem tot een middel
punt, zij vleien hem, zij verheffen hem, zij
juichen hem toe. Maar in den gi-ond van
zijn hart beschouwt het publiek hem toch als
een kunstenmaker en behoud zich het recht
voor hem zijn gunst te onttrekken, zoodra
het zijn kunsten moede is. Is het te verwon
deren, dat hij zulks nu en dan vergeet? In
zijn eigen oogen is hij geen kunstenmaker,
neen, dat is hij niet!
De man sprak met eerlijke geestdrift. Ik
stak hem mijn hand toe.
Mijnheer Byfield, vergeet hetgeen ik
gezegd heb. Mijn woorden waren ruw, en ik
neem ze berouwvol terug.
Hij schudde het hoofd.
Het was de waarheid mijnheer, dat wil
zeggen de gedeeltelijke waarheid.
Neen. Een ballon kan een geheel andere
richting brengen in het strevexx van een
man, dat ontdek ik nu pas. Hier is het geld,
en ik verzeker u op mijn woord van eer, dat
ge geen misdadiger mede voert.
Hoe lang kaïx de Lunardi in de lucht blij
ven?
Ik heb het nog niet geprobeerd, maar
volgens mijn berekening moet het ongeveer
twintig uur zijn.
- We zullen het probeeren. De windidch-
ting is nog steeds noord-oostelijk. En de
hoogte?
Hij raadpleegde de barometer.
Iets minder dan drie mijlen.
Dalmahoy hikte en riep:
Komt. vrienden, aan tafel! Broodjes
met vleesch of wat anders. Schapebout trak
teert op de whiskey. Sta op, Elshander, en
toon der menschheid, wat ge voor een kerel
zijt, en als gij den traan van ontroering hebt
gestort, geef me dan den kurketrekker eens.
Kom, Ducie, kom, mijn jongen. Als gij geen
honger hebt ik wel, en Schapebout ook.
Byfield bracht een pastei te voorschijn en
een fleisch madeira en de maaltijd begon.
Dalmahoy praatte onophoudelijk. Hij sloeg
toasten en gaf Schapebout allerlei eerena
men. Deze genoot blijkbaar en zeide her
haaldelijk:
De geest van uwen vriend is onuitput
telijk, mijnheer, onuitputtelijk!
Mijn stemming liet veel te wenschen over,
misschien ten gevolge der koude. Ik begon
te voelen, dat ik zeer dun gekleed was en bo
vendien had ik een onweerstaanbare behoef
te om te slapen. Honger had ik niet, maar
daarentegen veel dorst en ik dronk een half
bierglas vol van Schapebout's whisky en
kroop onder de dekens. Byfield dekte mij
toe. Het is mogelijk, dat hij uit den toon
waarop ik hem bedankte, hoorde dat ik hem
niet geheel vertrouwde; hij zeide tenminste:
Wees gerust, mijnheer Ducie; u kunt op
mij vertrouwen.
En ik voelde dat hij de waarheid sprak en
sliep in.
Den geheelen namiddag dommelde ik. Ik
hoorde in mijn droom Dalmahoy en Scha
pebout tezamen zingen en kwam langzamer
hand tot het bewustzijn dat zij in een toe
stand van ontoerekenbaarheid waren ge
raakt en oproerig werden.
Ik hoorde Byfield iets verbieden, maar
wist niet wat, luisterde niet en sliep weer In.
Ik ontwaakte doordat Schapebout over mij
struikelde en ik zag dat hij een ledige flesch
zwaaide. Dalmahoy lachte dat hij schaterde
en riep:
Hoe jammer dat we je wakker ge-
maakt hebben, Ducie! Slaap, kindje slaapl
Ilk vermoedde geen gevaar en legde mij op
de andere zijde.
In mijn gevoel was het geen minuut later
toen een gegons in mijn ooren mij deed ont
waken, ik voelde een snijdende pijn in mijn
hoofd. Toen hoorde ik luid mijn naam roe
pen en rees haastig overeind en blikte in het
verschrikte gelaat van Dalmahoy.
Byfieldzeide ik.
Dalmahoy wees met den vinger naar mijn
voeten en daar lag de luchreiziger, in
elkander gezakt als een pop uit een mario
nettenspel. Dwars over zijn beenen, met het
hoofd tegen een kist lag Schapebout met een
glimlach vaix voldoening op het gelaat.
Een ellendig geval! zeide Dalmahoy hij
gend en trekkend. Schapebout was uit rand
en band; hij schijnt geen sterken drank te
kunnen verdi'agen.. hij begon voor de aar
digheid ballast over boord te werpen. Byfield
werd driftig en dat is het domste wat een
mensch kan doen. In dat opzicht moet ik
mezelf prijzen: ik word nooit driftig en blijf
altijd vatbaar voor redeneeren. Schapebout
werd weerbarstig, Byfield gooide hem tegen
den grond te laat ze vielen beiden
flauw. Schapebout wil aan het touw van
den klep trekken, en trekt het kapoten
*als we den klep niet meer kunnen openen
gaat de Lunardi niet meer naar beneden.,
dat is het ellendige van het geval.
Tal-de-ral, zong Schapebout. Mooi, heel
mooi.
Ik keek naar boven. De Lunardi was
met een laag zilver bedekt. Al de touwen en
koorden glinsterden van ijs en in het mid
den van deze schitterende kooi, minstens
vijf meter boven ons, bengelde het afgebro
ken koord.
Ge hebt den boel mooi in de war ge
bracht, zeide ik grimmig. Geef me het af
getrokken stuk touw en wees zoo goed uw
vijf zinnen bij elkaar te houden.
Ik wou dat ik het kon, antwoordde hij
het touw tusschen zijn verkleumde vingers
houdend. Als u denkt dat ik bang ben, dan
vergist ge u, mijnheer.
Maar ik was wel bang en niet weinig. Ik
begreep echter dat er gehandeld moest wor
den.
De lezer zal mij, hoop ik, niet kwalijk ne
men, indien ik hetgeen de volgende twee,
drie minuten gebeurde, slechts vluchtig be
spreek. Zoadra ik namelijk aan die oogen-
blikken denk, word ik duizelig. In den nacht
op den rand van het schuitje te moeten ba-
lanceeren, met een hard gevroren stuk touw
in de eene hand, is geen kleinigheid; ik had
een gevoel alsof mijn maag, gelijk een em
mer, in een put werd neergelaten, maar de
hevige pijn in mijn hoofd deed mij de tan
den op elkander klemmen, ik besefte aan
mijn koi-te, moeilijke ademhaling, dat ons
leven in gevaar was en ik slaagde inder
daad erin de beide einden aan elkaar te
knoopen. Toen liet ik mij weer in den mand
afglijden, trok de klep open, terwijl ik met
den vrij geworden arm het angstzweet van
mijn voorhoofd wischte. Het bevroor onmid
dellijk.
Weldra verminderde het gegons in mijn
ooren, ik haalde weer ruimer en gemakke
lijker adem. Dalmahoy boog zich over den
luchtreiziger die uit den neus bloedde en
weer diep zuchtte. Schapebout was in slaap
gevallen. Ik hield den klep open, totdat wij
in een dichten mist waren gekomen, waar
uit de Lunardi zeker was opgestegen. Lang
zamerhand kwamen wij ook daar onderuit.
Ik raadpleegde het kompas: wij dreven in
zuidwestelijke richting. Maar waar bevonden
we ons? Dalmahoy beweerde dat we boven
Glasgow moesten zijn- en toen vroeg ik hem
niet meer. Byfield lag in een diepen slaap.
Ik keek op mijn horloge, dat ik vergeten
had op te winden. Het was afgeloopen. Het
stond op twintig minuten over vieren. De
dag moest dus weldra aanbreken. Achttien
uur laten we zeggen twintig; en Byfield
had de snelheid waarmede wij ons voortbe
wogen geschat op dertig Eng. mijlen in het
uur. Vijf honderd mijlen
Daar ontdekte ik een zilveren streep, een
lint dwars door de zwarte duisternis, een
lint dat breeder en breeder werd.... de
zee!
Vijfhonderd mijlen, dacht ik en een welda
dige kalmte daalde in mijn gemoed, terwijl
de Lunardi hoog over de duinen dreef.
Ik maakte Dalmahoy weer wakker.
De zee! zeide ik en wees hem op het
lint.
Ja, dat lijkt er wel op. Maar welke
zee?
Het Kanaal, man!
Het Kanaal? Weet ge. dat wel zeker?
Wat? Wat is er? vroeg Byfield ontwa
kend en zich oprichtend.
Het Kaïxaal.
Onzin, Kanaal, geen kwestie van, ant
woordde hij zich de oogen uitwrijvend.
Zooals ge wilt, zeide ik, en wendde mij
af. Met zulke lui was niet te praten.
Hoe laat is het?
Ik antwoordde hem, dat mijn horloge was
stil blijven staan. Het zijne bleek ook niet
meer te loopen. Dalmahoy had geen horloge.
Wij zochten in de zakken van den nog sla-
penden Schapebout: ook dat was stil blij
ven staan op tien minuten voor viei-en. By
field stopte het weer in Schapebout's vestjes
zak en kon niet laten den man een schop te
geven.
Een paar nette heeren! zeide hij veront
waardigd. Mijnheer Ducie, ik ben u dank
schuldig. Het heeft v/einig gescheeld of we
waren allen omgekomen o, mijn hoofd!
Maar dat kan toch niet waar wezen,
Duciedat is het Kanaal, zegt ge, ep
daarginds Frankrijk? Neen hoor, die grap
gaat te ver!
't Doet me genoegen, dat ge eindelijk
ook tot die overtuiging komt.
Byfield stond tegen een der touwen ge
leund en tuurde in de duisternis. Ik stond
naast hem en hoopte dat mijn vermoeden
niet teleurgesteld zou worden.
Eindelijk wendde Byfield zich tot mij.
Ik zie in het zuiden de lijnen van een
kust. Het is het Bristol Kanaal en de ballon
daalt gestadig. Gooi ballast over booi-d, in
dien die twee tenminste nog ballast hebben
overgelaten!
Ik vond nog een paar zakken zand en
wierp den inhoud over boord JDe kust was
niet ver af. Maar de Lunardi steeg en dreef
over de klippen heen. De zee scheen zeer
onstuimig. Weinige minuten later stieten wij
tot onzen schrik tegen de helling van een
zwarten heuvel.
Houdt vast! riep Byfield, en ik had
nauwelijks tijd om een touw te grijpen, toen
de mand met kracht tegen den grond sloeg
en wij allen op en over elkander op den
vloer rolden. Pof de tweede stoot deed ons
als erwten in een bus rollen. Ik trok mijn
knieën op en wachtte op den derden schok.
Maar de derde schok kwam niet. Het
schuitje schommelde vreeselijk. We stonden
op, wierpen dekens, jassen, instrumenten,
alles over boord en opwaarts ging het weer.
De heuvel, waarover wij gestruikeld waren,
bleef achter-ons, we verloren hem uit het
;ezicht en dreven in de duisternis verder.
Dit land kan toch niet onbewoond zijn!
bromde Byfield.
Inderdaad zagen we niets, waaruit wij het
tegendeel konden opmaken. Nergens een
licht, en tol; toppunt van ellende was de
maan verdwenen. Een uur lang dreven we
in een onbekende donkere riximte en Scha
pebout weeklaagde onophoudelijk en be
weerde dat hij zijn nek had gebroken.
Op eens hief Dalmahoy een arm ten he
mel. Rondom ons was nacht, maar vlak voor
ons brak de dageraad aan. Langzaam breid
de zich de lichtglans uit totdat hij ons be
reikte en neerdaalde op een rij van heuve
len aan den horizon, waar plotseling de op
gaande zon er uit te voorschijn brak en alles
met een gloeiend rood overstroomde.
Werp het anker uit! riep Byfield.
Zelf sprong hij naar het touw van de
klep om het gas te laten ontsnappen en de
aarde kwam pijlsnel naar ons toe.
Nog had het zonlicht haar niet bereikt.
Zij kwam in woeste vaart op ons aan, nog
half in de schaduw verborgen, een wild dier
gelijk dat uit zijn hol is verdreven. Weldra
bleek dat we ons boven een bosch bevonden.
Een vlucht reigers vloog uit de toppen der
boomen onder ons.
Neen, hier kunnen we niet landen .zei
de Byfield de klep sluitend. We moeten éérst
over die boomen heen. Wat is dat?
De smalle rivier, die we tusschen de boo
men hadden zien schitteren verbreedde zich
plotseling tot een zeemonding, waarin het
van schepen wemelde. Links en rechts ver
hieven zich stijle, hooge heuvels en tegen
de helling van een dezer heuvels lag een
grijze stad, als een amphitheater gebouwd.
Wij dreven in die richting, het anker als
een gevangen visch achter ons aansleepend,
hoogstens honderd voet boven de oppervlak
te van het water. Op de schepen bevonden
zich menschen en wij zagen hun naar ons
opgericht gelaat. De bemanning van een der
schepen zette een boot uit om ons te volgen
wij waren reeds een halve mijl verder,
zoodat zij hun boot te water hadden. Zou
den we de stad bereiken? Op bevel van By
field trokken wij onze overjassen uit en wa
ren bereid ze over boord te werpen om het
bootje lichter te maken. Maar ziende, dat de
wind ons naar de voorstad en den mond
van de haven dreef, veranderde hij van plan.
Neen, we zullen liever het anker uitwer
pen. Pas goed op, Ducie, ik open de klep!
Hij drukte mij een mes in de hand.
Zoodra ik roep: klaar, snijdt ge het
touw door.
Wij daalden een weinig. Het anker raakte
den grond en groef zich een weg dwars door
een moestuin, een aantal bessenstruiken
met wortel en al uit de aarde rukkend. Toen
zweefde het weer vrij in de lucht, om zich
spoedig daarna vast te haken in een houten
huisje. We kregen een schok, en toen ik weer
op de been was zag ik dat het gebouwtje
als een kaartenhuis uit elkander was gerukt
en dat een paar varkens uit de puinhoopen
te voorschijn kropen en tusschen de bloem
bedden krijgertje begonnen te spelen. Op
eens werd ik weer omvergeworpen, doordat
het anker zich vasthaakte in een ijzeren hek
en ditmaal bleef het zitten.
Houdt vast! riep Byfield terwijl de
mand geweldig heen en weer schudde en
wanhopige pogingen aanwendde om zich los
te maken.
Niet doorsnijden! Man, wat doet ge!!
Ons touw was geschuurd langs den kap
van een hoogen steenen muur en de Lunardi
hing een oogenblik bijna stil boven een
met grind bedekt plein en in het midden
daarvan bevond zich.,., een troep Engel
sche soldateix in hun roode buizen!
Ik geloof dat het gezicht van deze gehate
uniformen mij het mes in het touw deed
hakken. Binnen twee seconden stegen wij
weer omhoog, het schuitje ontvoerde ons
uit de nabijheid van het kazerneplein, maar
nog zie ik het gezicht van de soldaten, hun
ronde, wijd open gesperde oogen, hun ópén
monden, de eerlijke, blozende boerenjongens
gezichten; het was blijkbaar een troep re
kruten die door een onderofficier gedrild
werdenHet beeld ontrukte zich aan onze
blikken, maar Byfield schold en vloekte en
raasde nog steeds, zijn voorraad vloeken
scheen onuitputtelijk. Toen hij een oogenblik
zweeg om adem te scheppen nam ik de ge
legenheid waar om te zeggen:
Mijnheer Byfield, u opent de verkeerde
klep! Wij drijven in de richting van de zee!
Daar de ballon mijn eigendom is. heb ik
het recht te eischen dat wij neerdalen zoo
dicht mogelijk bij gindschen schoener die als
ik mij niet vergis, ons in het oog heeft ge
kregen en bezig is een boot uit te zetten.
Hij zag, dat ik gelijk had en schonk zijn
aandacht weer aaix den ballon. De Lunardi
daalde met groote snelheid, vloog voorbij het
schip en smakte toen in zee.
Ik zeg: smakte inderdaad was het een
alles behalve zachte landing. De Lunardi
dreef en werd met kracht door den wind
vooi-tgestuwd. De ballon sleepte het schuitje
achter zich aan als een omgekeerden em
mer; wij, vier luchtreizigers lagen in het
sop te spartelen, maar wij grepen ons vast,
drukten onze nagels in de geoliede zijde om
ons boven water te houden. In het vreemde
element scheen het ding opeens met een
helsche, nieuwe kracht bezield en vertoonde
een aantal tot nu toe ons onbekende nuk
ken eii grillen. Zoodra wij beproefden er bo
ven op te klauteren, zonk de gladde bal op
eens in de diepte en rolde om.
We hadden geen seconde om op adem te
komen en te kijken of men ons volgde. Daar
hoorde ik achter mij een roepen en het ge
luid van plassende riemen en een hand vatte
mij stevig in den kraag. Zoo werden wij een
voor een opgepikt uit de waterplas, gered
uit wat Schapebout noemde, terwijl hij zijn
brilleglazen afveegde, „een toestand van hul
peloosheid, die niet te vergelijken is met iets
wat ik in mijn leven heb ondervonden."
HOOFDSTUK XIV.
Kapitein Colenso.
Maar wat zullen we met den ballon
doen meneer? vroeg de bevelhebber van de
sloep.
Indien het mijn zaak ware geweest, zou ik
misschien een belachelijke ingeving gevolgd
en geantwoord hebben: „behoud het ding
voor uw moeite en doe ermede wat ge wilt",
zóo genoeg had ik van de machine. Byfield
echter verzocht hen een naad van de ge
oliede zijde open te snijden en het schuitje
ervan los te maken, dat aan de golven werd
prijsgegeven. Onmiddellijk zonk de Lunardi
in ehcaar en werd handelbaar.
Zij wei'd achter aan de boot vastgebonden
en op sleeptouw genomen. Toen namen de
manschappen de ï'iemen weer op. Mijn tan
den klapperden van koude. De reddings
maatregelen hadden tame'ijk lang geduurd
en voordat we het schip bereikten, verliep
ook weer geruimen tijd.
't Is alsof we een walvisch op sleep
touw hebben, zeide een stem achter mij.
(Wordt vervolgd.)