;e A gr DEU MOM J 1 1 ;n 5 UK I v 1 W 4 lil FELLE REACTIE CUBANEN OP DESERTEURS: jsiii I „We hebben geen olie, maar wel waardigheid likt 24 Welke ontwikkelingen doen zich voor op Cuba? door Jan Kuys t Het is te duur en gaat ten koste van de eigen levensstandaard, zo luidt de klacht van dissidenten. Onze verslaggever ter plekke Jan Kuys stelde echter vast dat de meerderheid van het Cubaanse volk de lasten voor lief neemt en zich onverkort schaart achter Fidel en achter de idealen van de Cubaanse revolutie. Veren gelaten Verrassing Ambassadeur Bedreiging te >t- n, m Luxueus r Juan is vertaler én taxichauffeur. Hij spreekt vloeiend Spaans, Engels en Russisch. In zijn oude Chevrolet vervoert hij passagiers door Havana. Tijdens de rit babbelt hij honderduit. Voornaamste onderwerp van gesprek: de roerige gebeurtenissen rond de ambassade van Peru, waar na 5 april ongeveer 10.000 Cubanen hun toevlucht zochten in de hoop snel het land te kunnen verlaten. Evenals vele Cubanen maakt Juan van zijn hart geen moordkuil. Hij wijst op de economische problemen van het palmeneiland in de Caraïbische Zee en is allesbehalve gelukkig met de rantsoenering van voedsel en de schaarste aan kleding. Toch is dat voor hem geen reden om net als meer dan tienduizend van zijn landgenoten de wijk te nemen. Juan heeft een rotsvast vertrouwen in Fidel Castro én in het Cubaanse socialisme. Voor de deserteurs heeft hij dan ook geen goed woord over. Het zijn verraders van de idealen van de revolutie. Mensen, op wie je niet kunt bouwen en die daarom maar beter kunnen vertrekken. „Que se vayan - Laat ze maar opdonderen”, meent Juan. Een betere beloning van betere banen is in het Cubaanse systeem eveneens uit den boze. Onvrede en onrust zijn het gevolg. Een langdurig gebrek aan voedsel en kleding verhoogt de weerspannigheid tegen de «gering. Economische tegenvallers hebben de Cubanen gedwongen de buikriem nog verder aan te snoeren. Voorts is er kritiek op het zenden van soldaten naar Afrikaanse landen «oor het uitdragen van het socialistische ideaal. Deze vraag is de laatste tijd veelvuldig gesteld naar aanleiding van de ongekende exodus uit net palmeneiland in de Caraïbische Zee. Onder de „vluchtelingen” bevinden zich vrij veel jongeren met een hogere beroepsopleiding. Dankbaar hebben zij gebruik gemaakt van de mogelijkheden, die de socialistische onderwijspolitiek van Castro hun heeft geboden. Cuba kan het geschoolde kader echter nauwelijks passende arbeidsplaatsen bezorgen. I Laat ze maar opdonderen a nenburg Cuba voor hen die werken. Niet voor de GUSANOS (wormen), die het land willen verlaten, (foto: Freek Kamst) Bijna anderhalf miljoen Cubanen trokken op zaterdag 19 april tijdens een 14 uur durende demonstratie langs de Peruaanse ambassade in Havanna. gbaar bij en Zn. Haarlem ae b.v. mstede Andes-pact, komen minimale aantallen op tafel. De Verenigde Staten zijn bereid 3500 mensen op te nemen. Ook Spanje en West-Duitsland verklaren zich bereid enkele honderden vluchtelingen op te vangen. uitgemaakt van de bezetters van de Peruaanse ambassade. Zodra hij de kans krijgt, vertrekt hij naar de Verenigde Staten, waar ook zijn familie woont. Hij heeft geld, maar de uitreisvergunning laat op zich wachten. Pedro behoort tot de generatie die de revolutie niet bewust heeft meegemaakt. Voor hem is de heroïsche strijd, waarover zijn oudere landgenoten spreken, een abstract gegeven. Wat hij weet, weet hij alleen uit boekjes en „van horen zeggen”. Pedro ervaart de schaarste van de dagelijkse leeftocht aan den lijve en denkt dat het in Amerika allemaal veel beter is. Dat heeft hij ook „van horen zeggen”. Pedro heeft het diploma van technisch tekenaar. Voor dat beroep heeft hij ook nog een aanvullende cursus op de universiteit gedaan. Hij zegt over de nodige capaciteiten te beschikken, maar ziet geen mogelijkheden om zich in het Cuba van nu te ontplooien. Daarom droomt hij van het rijke Amerika, „waar geen staatsambtenaren zijn, die zich verrijken ten koste van andere mensen”. Volgens Pedro zijn veel Cubanen na 21 jaar revolutie het zat om langer offers te brengen. Toch is dat volgens commandant Fidel Castro nog minstens tot het jaar 2000 nodig, want pas dan zal Cuba een solide economische basis hebben. Het proces van opbouw is vorig jaar door verschillende oorzaken ernstig gestagneerd. Een kwart van de suikeroogst is mislukt door het voorkomen van suikerroest: een schimmelziekte. De klap kwam des te harder aan, omdat het Caraïbische eiland bijna volledig is aangewezen op de export van suiker. Slechts dank zij de steun van de Sovjet-Unie, die tegen vaste prijzen het grootste gedeelte van de suikeroogst afnam, heeft Cuba zich economisch op de been kunnen houden. Een tweede tegenslag dit jaar was het mislukken van de tabaksoogst. Negentig procent van de tabaksplanten was aangetast door een planteziekte en moest worden geveld. Voor het eerst sinds de revolutie van 1959 heeft Cuba het beroemde nationale produkt, tabak, moeten invoeren. Tenslotte moest een kwart van alle varkens worden afgemaakt om verspreiding van varkenskoorts, een besmettelijke ziekte, te voorkomen. Castro sprak onlangs vertwijfeld over het „Jaar der Plagen”. Op Cuba circuleren geruchten dat de CIA, de Amerikaanse inlichtingendienst, de hand heeft gehad in de tegenslagen. Deze veronderstelling is gevoed door de economische blokkade, die de Amerikanen Cuba vanaf 1959 hebben opgelegd en door diverse Amerikaanse activiteiten kort na het slagen van de revolutie, onder andere de inval in de Varkensbaai. Castro heeft de Verenigde Staten beschuldigd van het voeren van een criminele politiek door als een rijk en machtig land Cuba te verhinderen zijn produkten op de vrije wereldmarkt te verkopen. „Laat ze opdonderen", zegt dit affiche over de Cubaanse „vluchtelingen", Volgens de meerderheid van het Cubaanse volk fungeert de „imperialistische Amerikaanse vuilniszak" als toevluchtsoord. Vergeleken met andere Zuid- amerikaanse landen is de levensstandaard op Cuba vrij hoog. Toch balanceert de vooruitstrevende natie op een zeer zwakke economie. Daarbovenop voelt zij voortdurend de dreiging van de Verenigde Staten, die meer dan eens hebben laten merken geen vertrouwen te hebben in een socialistische - en in westerse ogen een communistische - ontwikkeling op Cuba. „Het systeem is lang niet volmaakt”, vertelt Rafael Fernandez, tweede secretaris van de juridische afdeling van de Nationale Vergadering. „Wij zitten in een overgangsfase. Zoals elke overgangsfase hebben ook wij onze ongelijkheden. Er wordt aan gewerkt om die te doen verdwijnen. De economische blokkade vormt echter een ernstige belemmering. Toch maken we vorderingen”. arbeider met een gezin bedraagt momenteel 150 pesos per maand. Van dat bedrag kan men in Cuba gemakkelijk rondkomen, zij het dat voedsel en kleding via een distributiestelsel verkrijgbaar zijn, zo verklaarden twee ingenieurs v„„ het ministerie van Suiker. Zelf verdienen zij 300 pesos per maand en hun probleem is, hoe zij het overblijvende gedeelte moeten besteden. Zij signaleren een ontwikkeling naar een vrijere markt. Zeker buiten de hoofdstad Havana. Die ontwikkeling wordt in de hand gewerkt door de slechte resultaten in de produktiesector gedurende de laatste jaren. Dat is eveneens de reden, waarom twee jaar geleden het toerisme enorm is gestimuleerd. Alle buitenlandse deviezen zijn van harte welkom en daarom heeft Cuba zijn deuren geopend. Niet alleen voor toeristen, maar ook voor in Amerika wonende Cubaanse ballingen. Juan parkeert zijn taxi. Hij vertelt nog dat hij, gezien zijn opleiding, zeker geen passende arbeid verricht. Maar hij heeft daar geen moeite mee. Waar weinig is, kan weinig worden verdeeld, zo luidt zijn devies. En zolang de schaarste gelijkelijk wordt verdeeld, blijft Juan de - of bever zijn - Cubaanse revolutie steunen. „We hebben geen ofte, maar wel onze waardigheid”, zijn zijn afscheidswoorden. De nu ingevoerde materiële prikkels gaan ten koste van het door Che Guevara gepropageerde ideaal van de Nuevo Hombre - de Nieuwe Mens. De Nieuwe Mens zou leven in een staat, waarin iedereen zijn deel zou krijgen naar behoefte en capaciteit. Tengevolge van de problemen bij het op elkaar afstemmen van economische mogelijkheden en gewenste ontwikkelingen heeft Cuba de laatste jaren enkele veren moeten laten. Desondanks heeft het socialistische Cuba van Fidel Castro sinds de revolutie van 1959 op verscheidene terreinen een belangrijke vooruitgang geboekt. Door het opzetten van speciale onderwijspjpgramma’s komt analfabetisme vrijwel niet meer voor. Jongeren krijgen alle kansen om een hogere opleiding te volgen aan de universiteit. Het eiland beschikt over een goed georganiseerd en afgewogen stelsel van sociale voorzieningen. Iemand, die werkloos wordt, ontvangt 70 procent van zijn inkomen. Ook bij ziekte en blijvende arbeidsongeschiktheid ontvangen Cubanen uitkeringen. De gezondheidszorg is de grootste trots van de Cubanen. De kindersterfte bij de geboorte is tot een derde teruggebracht vergeleken met de cijfers van voor de revolutie. Meer dan 95 procent van alle geboorten heeft plaats in ziekenhuizen. Er bestaat nog steeds woningnood, maar door het opzetten van hele nieuwe stadswijken hebben de Cubanen de allerergste nood kunnen lenigen. Of, zoals een Cubaan het uitdrukte: „Tegenwoordig heeft tenminste iedereen een dak boven zijn hoofd”. Meermalen herhaalt de Cubaanse regering de toezegging, dat iedereen het land mag verlaten. Wanneer blijkt dat de inreisvisa slechts mondjesmaat afkomen heeft Fidel Castro een nieuwe verrassing voor de wereld in petto. De haven van Mariel wordt opengesteld voor alle potentiële landverlaters. Dan beginteen uittocht, die zijn weerga niet kent in de Cubaanse geschiedenis. Vanuit het honderd mijl verder gelegen Florida komt een vloot van vissers- en vakantieschepen Cubanen oppikken. Sommigen doen het alleen om familieleden af te halen, anderen hopen er financieel wijzer van te worden. In Amerika wonende Cubaanse ballingen betalen bedragen van 1000 tot 5000 dollar voor het ophalen van familieleden. De Amerikaanse regering ziet met lede ogen de brede stroom van vluchtelingen op zich afkomen. Schippers met vluchtelingen aan boord kunnen een boete krijgen van duizend dollar per persoon, maar zelfs dan is het vervoeren vaak nog een winstgevende zaak. Een woordvoerder van de Amerikaanse regering verzucht: „Castro is bepaald geniaal wanneer het er op aan komt om zijn probleem tot het onze te maken”. Het is de vooravond van 1 mei, de Dag van de Arbeid. De Nederlandse ambassadeur in Havana, J. A. M. Verdonk, zakt onderuit in zijn stoel. Hij heeft juist een vermoeiende officiële receptie achter de rug ter gelegenheid van de troonswisseling in Nederland. Vele malen heeft hij die avond een toast uitgebracht op de nieuwe vorstin, die breed lachend de klassiek gemeubileerde kamer inkijkt. Op een kastje langs de muur staat een enorme bos oranje gladiolen: een attentie van Fidel. Mevrouw Verdonk serveert jonge jenever. In rjjksglazen. De ambassadeur ziet op tegen het bijwonen van de grootse 1 mei manifestatie, waar Fidel op de Plaza de la Revolucion het volk zal toespreken. Verdonk: „Dat betekent uren zitten op een stukje beton of een houten stoeltje”. Hij maakt een misprijzend gebaar. Heeft weinig vertrouwen in de voortgang van de Cubaanse revolutie en de betrokkenheid van het volk. Op ironische wijze zegt hij: „Demonstraties en manifestaties zijn hier heel spontaan. De mensen worden allemaal met bussen naar het startpunt vervoerd. Als er mensen zijn die niet meegaan dan worden ze de volgende dag ontslagen”. Het is voor Cuba ongetwijfeld een goede zaak geweest dat bijna anderhalf miljoen mensen op 19 april deelnamen aan een demonstratie langs de Peruaanse ambassade. Anders zou het relatief lage werkloosheidscijfer volgens de opvatting van de ambassadeur drastisch zijn verhoogd. Wie echter de Toen de Verenigde Staten begin dit jaar aankondigden de militaire activiteiten in het Caraïbische zeegebied te zullen opvoeren, zagen de Cubanen dit als een directe bedreiging van hun positie. De aankondiging van de Amerikanen om in het kader van de oefening Solid Shield ’80 een landing te zullen uitvoeren op de basis Guantanamo bracht heel wat onrust te weeg. Guantanamo is een Amerikaanse legerbasis op het oostelijkste gedeelte van het eiland. Algemeen overheerste het gevoelen dat de Amerikanen het niet bij een oefening zouden laten. Er ging dan ook een golf van opluchting door Cuba, toen de Amerikanen de landing bij Guantanomo opschortten. Desondanks, zo verklaarde Maximo Lider Fidel Castro op de 1 mei-bijeenkomst, zou Cuba op 8 mei al zijn troepen mobiliseren en zouden de Cubanen weer massaal demonstreren tegen de „imperialistische lastpost” Amerika. Intussen heeft ook Cuba de mobilisatie afgelast. Maar niet alleen externe oorzaken liggen ten grondslag aan de economische problemen van het suikereiland. De in 1976 uitgevaardigde Wet op de Leegloperij lijkt aan kracht te hebben ingeboet, want Raul Castro, broer van Fidel en vorig jaar nog minister van binnenlandse zaken, sprak eveneens vorig jaar zijn toom uit over het toenemende werkverzuim en het gebrek aan discipline van het volk. De Cubanen werden gemaand de mouwen op te stropen om de produktie weer op een aanvaardbaar niveau te brengen. Tegelijkertijd werden belangrijke wisselingen aangekondigd in de regering - Fidel nam bijvoorbeeld het beheer over van het ministerie van binnenlandse zaken - en ook volgde een aantal maatregelen om de economische basis te verbreden. Niet langer wenste men afhankelijk te zijn van de suikeroogst. Het accent zou de komende jaren meer liggen op landbouw en veeteelt, mede om beter in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. Tevens nam de regering het besluit met ingang van 1 juni de salarissen te verhogen, zodat het minimumloon voortaan 85 pesos per maand gaat bedragen. Het gemiddelde salaris van een ir- enorme stoet van ’s ochtends acht tot ’s avonds tien over de Vijfde Avenida heeft zien trekken moet iets genuanceerder denken over de betrokkenheid van het Cubaanse volk. De demonstratie was georganiseerd ter herdenking van de overwinning op huursoldaten, die in 1961 Cuba binnenvielen bij de Varkensbaai. De perikelen rond de Peruaanse ambassade waren voor de Cubaanse regering tevens aanleiding de mening van het volk te peilen over de potentiële landverlaters. De opkomst was groter dan verwacht. Zingend, hossend en kleurrijk uitgedost spraken de demonstranten een banvloek uit over „het uitschot, tuig, de delinquenten en de asociale elementen”, die hun heil elders willen zoeken. Ondanks de massaliteit en de niet mis te verstane stellingname van het volk tegen de emigranten, verliep de manifestatie uiterst gedisciplineerd. Voorde Peruaanse ambassade zorgden ongewapende Cubaanse vrijheidsstrijders die vochten in de revolutie van 1959 voor een symbolische bewaking. Later is Castro door sommige landen gekapitteld, omdat hij het risico van ongelukken bewust zou hebben genomen. Achteraf bekeken is er echter tijdens de demonstratie geen moment sprake geweest van bedreigingen of wat dan ook. Overigens had het merendeel van de emigranten op de dag van de demonstratie het ambassadeterrein al verlaten. In de weken die aan de demonstratie voorafgingen, verzamelden inwoners van Havana zich regelmatig op bepaalde plaatsen om hun ongenoegen over de houding van hun dissidente landgenoten kenbaar te maken. Overal in de stad waren spandoeken te zien, waarop de emigranten werd aangeraden zo spoedig mogelijk te vertrekken. Uitbundig betuigden mensen hun solidariteit met Fidel en met de revolutie. Een solidariteit, die vooral in deze dagen voor Fidel van het grootste belang is, nu Cuba economisch gezien aan de rand van de afgrond staat. Pedro vertoeft regelmatig in de uitgaansbuurt van de wijk Vedado. Grote uithangborden - „Bar Capri, Bar Volga” - herinneren daar aan de tijd, toen Cuba nog het uitgaansparadijs was voor welgestelde Amerikanen. In deze buurt bevindt zich ook het sjieke hotel Nacional, waar toeristen uit de westerse landen een luxueus welkom wordt bereid. Daar voelt Pedro zich op zijn gemak. Daar kan hij zich spiegelen aan de materiële verworvenheden van de westerling. Zonder schroom vertelt hij deel te hebben Die CMMH 1 De ambassade van Peru ligt aan de Vijfde Avenida in het diplomatenkwartier Miramar; een ruim opgezette wijk met jvilla’s in koloniale stijl. Een stukje verder aan dezelfde brede laan bevindt zich de ambassade van Venezuela. Op 1 april rijdt een autobus in volle vaart naar de Peruaanse ambassade. Het voertuig rijdt in op de politiebewaking en davert door het ijzeren ambassadehek. Bij de daarop volgende schietpartij komt een van de Cubaanse wachtposten om het leven. Het is een incident, zoals de talrijke daaraan voorafgegane incidenten. Echter met dit verschil dat er nu een wachtpost is gedood. Meermalen hebben Cubanen het laatste jaar geprobeerd met geweld de ambassades van Peru en Venezuela binnen te dringen, nadat de regeringen van beide landen hadden verklaard zonder meer asiel te verlenen aan elke Cubaan, die daarom zou vragen. Peru schoof zelfs een ambassadeur aan de kant, die het niet eens was met het asielbeleid van zijn regering. De dood van de wachtpost is voor Fidel Castro vermoedelijk de druppel, die de emmer doet overlopën. Hij maakt op vrijdag 4 april bekend dat de bewaking van de Peruaanse ambassade wordt opgeheven. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje rond en nog dezelfde dag melden de eerste Cubanen zich bij het riante pand aan de Vijfde Avenida. Op het kleine stukje grond hebben zich zaterdagmiddag al zo’n 1300 vluchtelingen verzameld. Het aantal asielzoekers groeit zondag uit tot 5000 en Je daaropvolgende dag komen er nog sens zoveel bij. In de brandende zon en zonder sanitaire voorzieningen bivakkeren ruim tienduizend Cubanen op deze door henzelf verkozen plek. De Cubaanse regering springt bij. Ze richt ®BO-posten in, verstrekt voedsel, zorgt voor sanitaire voorzieningen en deelt reispasjes uit. De pasjeshouders krijgen het recht naar huis te keren. Bovendien wordt hun toegezegd, dat zij als eersten het land mogen verlaten zodra de benodigde inreisvisa van andere landen binnen zijn. Inmiddels zitten diverse landen, die hadden aangeboden hulp te verlenen aan de ambassadevluchtelingen, met het Probleem in hun maag. Hoe moesten zij in s hemelsnaam de brede stroom van vluchtelingen opvangen? Het ^nvankelijke hoongelach over het Cubaanse vluchtelingenprobleem, dat een “Ustratie zou zijn van het mislukken van Cubaanse revolutie, verstomt. Nu kannen de Cubanen lachen. Spottend werkt het Cubaanse persagentschap “rensa Latina op, dat de toezeggingen van «nden als Peru, Venezuela, Bolivia, Wuador, Colombia en de Verenigde laten om alle vluchtelingen op te nemen, s*chts mooie woorden zijn. Tijdens een vergadering van landen, verenigd in het De Cubanen steken hun mening over presi dent Carter niet onder stoelen en banken.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Haarlem's Dagblad | 1980 | | pagina 25