Zestig miljoen jaar oud M K 'i Oil WW I DE WITTE VLAG OP ROTTUMEROOG 5 5 w 1 ANIMALLITEITEN 11 1 !L ifttA MOT j Rob van den Dobbelsteen valt. n Mayer Vloot <1 ■L Overmacht Lieslaarzen Stukje Nederland Brieven ft h 1 z- Ji te Jongens j ammer maar het d, daar Dirk Boode nu Natuur nghuhn ihen aan mhoffer. aasbrea. rijnwil rukken ik van e ik hun 3ze Hen politie gen ;rde ;den Dus ik roep „bedankt”, ik draai me nog eens lekker om en ik droom weer rustig verder Tot om vier uur de telefoon ging. Schiermonnikoog. Mijn superieur, de kapitein. „Serge ant”, zei-die, „sergeant ons land is in oorlog met Duitsland. Verdedig ons vaderland tot het uiterste en tot slot: ik wens u het allerbeste toe.” Die man sprak met zo’n stem van .met-jou-heb-ik-voor-het-laatst-ge- sproken”. „Met-jou-is-het-ge- beurd”. Maar eerlijk gezegd ben ik me dat pas later gaan realiseren. Op dat moment was ik vrij kalm. Okay, de oorlog was dan blijkbaar toch ons zou rakenIk heb er nooit bij stil gestaan, dat die Duitsers misschien ook wel belangstelling voor ons zou den tonen. Want wat was Rottum- meroog nou helemaal. Een hoopje zand van vier vierkante kilometer. Meer niet. „Ik heb niet op m'n horloge gekeken, dus ik weet niet precies hoe laat het toen is geweest. Maar terugredenerend, denk ik, dat het een uur of twee, drie is geweest. Ineens stond er zo’n knulletje van de marine op de deur te bonken. „Sergeant, sergeant, het is oorlog. De Duitsers komen er aan. dacht: dat kan niet waar zijn. Hier klopt iets niet. Ja, onnozel mis schien van me, maar als ik weer in die situatie zou komen te verkeren wat ik niet hoop dan had ik waarschijnlijk toch op dezelfde wij ze gereageerd. Vierhonderd man, achttien schepen, ik weet niet hoe veel machinegeweren. En dat alle maal uitsluitend en alleen voor ons. Voor Rottumeroog. Maar ja hoor. Ineens maakt zo’n bootje zich los van die in onze ogen immense vloot. Een bootje met op De tien infanteristen, die Rottumeroog „tot het uiterste'' moesten verdedigen. de achtersteven een witte vlag. Dat betekende dus, dat ze niet meteen zouden schieten wat ik wel kon appreciëren maar dat ze eerst wilden praten. En nou had ik na tuurlijk wel kunnen zeggen: loop heen met die witte vlag, maar dan had ik toch duidelijk in strijd ge handeld met de regels van het oor- logsboekje. Want daarin staat, dat je verplicht bent zo’n man te ont vangen. Netjes dus. En niet met een paar kogels of zo. Goed, die man sopt dus met die vlag over zijn schouder zoals de voorschriften trouwens luiden het strand op en hij stelt zich voor. Mayer heette-n-ie. Luitenant Mayer. Hij zegt: „Wat wilt u”. Nou had ik al even overleg gepleegd met de com mandant van de marine luchtwacht ook een sergeant en eerlijk gezegd hadden we geen van tweeën veel zin om die vijfentwintig gewe ren alsnog in stelling te brengen. Want die kapitein van Terschelling had dan wel geroepen van verdedig het vaderland tot het uiterste, maar die man had natuurlijk nooit kun- hen dromen, dat Hitler voor de be zetting van Rottumeroog vierhon derd soldaten had gereserveerd. Daarbij: wat had die kapitein nou helemaal gedaan om ons meer dek king te geven dan een paar plukjes helmgras. Ja, enveloppes kon-ie sturen. Het minste wat erop stond was wel Dienstgeheim. Vet onder streept. En als je de brief dan met trillende vingers want in het be gin was je goed nerveus als je zo’n enveloppe op je bureau kreeg als je die brief dan met trillende vin gers had opengevouwen, dan bleek de boodschap hieruit te bestaan, dat het de officieren voortaan ver boden was een sabel te dragen. En zo’n dienstgeheim stuurden ze dan naar een eiland waarop geen offi cier te vinden was. Alleen maar twee sergeants. schijndood was. voor gek verklaard ven. Jij bent mijn bewijs. Als je dood gaat, is alles weg”. taal n het tie ie zijn gek, t dat d Totdat ik doorkreeg dat die hele vloot warempel naar ons territori um opstoomde. Ik weet nog dat ik eur: Au- iruboek, ïn. Auteuc. loesson, ïil it soort terug doel, is an dat. onver- i van it meer Ik vind het allemaal best. Net zoals die keer met die mosasau rus. Ik word steeds kleiner. Mijn schelp is veel te wijd, veel te groot voor me geworden. Langzaam, heel langzaam zak ik weg in de oneindigheid. Ik denk niet dat ik nu nog ooit weer tot leven zal komen. Zestig miljoen jaar is te veel. zonderling genoemd. Omdat ik zei, dat als korrels graan en za den uit vroegere eeuwen en be- t hun leven hadden vastgehouden en weer tot groei konden komen (als je ze in hun oude omgeving plantte), dat dat dan ook met primitieve dieren het geval moest kunnen zijn. En kijk, kijk, het is gelukt. Ik ben niet gek. Ik zal de Nobelprijs krijgen. Jij daar, lieve beste ammoniet, jij bent het levende bewijs”. ten- en jutteüj- verza- ekenin- /an de nz Wil- irts die an zijn doorge- op het liefhad, gesteld lys en weinig i dat de i, de te- hn het zijn en n Nieu- verhel- in de niet de J>tgebroken. Maar dat die van de Nou kan je wel verschrikke lijk kwaad worden om dergelij ke onzin want dat het onzin was, daar was ik van overtuigd - maar daar heb je alleen jezelf maar mee. Ik bedoel als je op zo’n moment zelf gaat liggen schreeuwen, dan raak je zo op gewonden, dat je ’t voorlopig „hullie wel kan vergeten, dat je in slaap jk heb- waar, 1st con- zekere is het ■ns wat et land dat een blemen ■ert een de ma- proble- isen en loment es over Met de aleerde schiet ter. Ik kromp ineen. Ik was bang voor de tentakels. Ik kroop in mijn schelp. Van heel ver hoorde ik het schepsel geluiden maken.] schavingen Dus ik zei na een kwartiertje te gen die luitenant Mayer want je moet natuurlijk een beetje de schijn ophouden dat het ons niet ver standig leek tegen zo’n overmacht te gaan vechten. Dat vond hij ook, zei-die en meteen waren we krijgs- gévangenen. Ik kan niet zeggen, dat ik me daar erg prettig bij voelde, maar aan dë andere kant kregen we gelukkig wel ruim de tijd om onze spullen bij elkaar te zoeken. Dat ingewikkelde geduvel met hoog- en laagwatej speelde ons nu eindelijk zover in de kaart, dat we pas drie dagen later konden vertrekken. Die reis van Rottumeroog naar Luckenwalde, bij Berlijn ligt dat die reis was vermoeiend en lang. U moet nagaan, we kwamen pas op maandag 20 mei in dat krijgsgevan genenkamp aan. Ik geloof, dat we op elk stationnetje zijn gestopt. Gek werd je ërvan. En dan al die verve lende Duitsers, die je maar wijs probeerden te maken, dat koningin Wilhelmina naar Londen was ge vlucht. Of we dat ook maar een ogenblik wilden geloven. Naar omstandigheden hebben we het in Luckenwalde heus niet slecht gehad. Kijk, vijfduizend man in dertien tenten met zeven kraantjes, dat kan je natuurlijk niet erg com fortabel noemen. Maar ach, je schikt je vlug. En ons geluk was, dat we al snel hoorden dat we begin juni nabr huis mochten. Een aardig heidje van de Führer was dat. Om- dat-ie vondzo deelde de kamplei ding mee dat de Hollandse solda ten zo eerlijk en zo dapper hadden gevochten”. „Ik ben beroemd, ik ben be roemd”. Het schepsel aan de an dere kant van de glazen bak, waarin ik zat, gedroeg zich als een potsierlijke schreeuwer, als een op hol geslagen dinosaurus, zal ik maar zeggen. Hij sprong omhoog, liet zich op de grond vallen, hief zijn handen ten he mel. Hij stootte allerlei vreemde klanken uit. Ik schrok. Waar was ik? Ik voelde me zwe verig, soezerig. Ik kreeg pijn van het gekrijs van dat enge type, dat ik niet thuis kon brengen. Trou wens, de hele omgeving overviel me. Wat was er gebeurd met de zee, met de oceaan, waarin ik altijd geleefd had? Als ik me een stukje bewoog stootte ik tegen een wand. Achter die wand zag ik hoogst merkwaardige dingen. Ik had die nog nooit eerder in de zee opgemerkt. Die dingen bewogen ook niet. Ze stonden en lagen roerloos, als versteend. Vreemde rotsformatie?? Alleen die rare fi guur ging heen en weer met gekke uitschieters en schokken. Hij was duidelijk geen plant.Hij was ook geen mosasaurus. Ik kon hem niet thuis brengen. Ik voelde me erg verloren. Ik zag ook geen andere ammonieten om me heen. Ik was het enige exemplaar. „Hij leeft. Hij leeft”. Het schep sel met die merkwaardige tenta kels aan zijn lijf schreeuwde het uit. Dan werd het stil. De saurus (zo noem ik hem maar voor het ge mak) trok een vreemdsoortig ge vormd stuk rots naar de plaats waar ik voorzichtig rondkroop door het water. Hij ging er op zitten. Hij huilde en lachte tege lijkertijd. Zoute druppels vielen op het wateroppervlak. Ik ving ze op. Ze smaakten lekker. Ze herin nerden me aan iets, maar ik weet niet meer waaraan. Ik moet zulke lekkernijen lang, heel lang gele den ook al eens gegeten hebben. Ik werd bang. Wat was er met me gebeurd? De saurus pakte een brok steen en legde dat naast me in het wa- „Oefeningen”, riep ik meteen toen ik al die boten zag. Ja hoor eens, wie dacht er nou aan dat die Duitsers voor de alles beslissende aanval op Rottumeroog vierhonderd zwaar bewapende soldaten zouden inzet ten, verdeeld over drie trawlers, drie grote sloepen en twaalf van die kleine racebootjes. Waarop dan ook weer machinegeweren en zo ston den. „Oefeningen” zei ik dus. jr 1 lof. dat ging zo. Teerling vertrok twee uur voor hoog water uit Noordpolderzijl dat ligt bij Us- quert zodat-ie precies met hoog water bij Rottumeroog was. Ik zeg exPres bij, want dat schuitje stak vrijders. Jitgevèr: 19,75 «F/,? J Elk jaar komen op of omstreeks 10 mei de verhalen weer terug: Oe slag om de Grebbeberg, de gevechten op de Maasbruggen en de strijd op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand. De laatste tijd d|n er dan ook nog wat publica ties verschenen over de vinnige tegenstand, die het Nederlandse leger bood in de veenkolonieën, maar hoe het er op de ochtend van de tiende mei uitzag in de overige delen van Nederland is nauwelijks bekend. Zo zou men zich kunnen afvra gen of er ook nog slag is geleverd om Neêrlands kleinste Noordzee- eiland Rottumeroog. Of heeft liet Duitse leger het strategisch volslagen onbelangrijke hoopje zand van vier vierkante kilometer hooghartig links laten liggen? „Niks daarvan" zegt de Wage- ninger; Dirk Boode (69 jaar), de man die indertijd als dienstplich tig sergeant het commando voer de over dat kleine stukje Neder lands territorium, „ze kwamen met vierhonder man op ons af”. Een merkwaardig verhaal van een man, die toch nog wei zoveel goede herinneringen heeft aan „de strijd” om Rottumeroog, dat hij ook dit jaar in Nibbixwoud voor de veertigste keer aanwezig is op een reunie van de tien soldaten, die indertijd de opdracht hadden gekregen hun zanderige gebied „tot het uiterste” te verdedigen. Ik voel me steeds beroerder worden. Ik heb me terug getrok ken in mijn schelp. Ik kan niet eten, ik stik bijna. En ik voel me helemaal verschrompelen. Ik word steeds kleiner. Ik hoor dat tentakel-wezen ver weg nog roe pen. Het klinkt wat angstig: „blijf nog wel zo diep, dat-ie toch mooi op nog zo’n tweehonderd meter uit de kust moest blijven dobberen. Er werd dan een roeiboot gestre ken, die op zijn beurt ook weer niet verder kon komen dan op zo’n vijf entwintig meter. En dan vraagt u natuurlijk meteen: hoe kwam je dan toch met droge voeten in die boot. Nou, dat zat zo. Wij het Nederlandse leger te Rottumeroog hadden tot ons geluk de beschik king over een reusachtige kerel met lieslaarzen. En die kwam dan naar de kant geplonsd om ons voor dat stukkie van vijfentwintig meter op de schouders te nemen. Vermakelijk ja, maar toen von den we het alleen maar een hele toestand. Te meer daar je nog maar moest afwachten of je linea recta in Noordpolderzijl kwam. En vandaar in Usquert. En vandaar in Gronin gen. En vandaar in je woon- of verblijfplaats. Want niet alleen kon het voorkomen, dat die garnalen schuit op een dusdanig tijdstip af meerde dat je precies alle treinver bindingen miste, ik heb het ook meegemaakt, dat die vaargeul steeds maar smaller werd. Zodat we te langen leste vastliepen. Op twee kilometer van de kust of zo. Niet zo leuk als je weet, datin Bussum je verkering bij het station op je staat te wachten. Maar goed, daar kwam u niet voor. We zouden het over die tiende mei hebben. Ik zei dus tegen m’n mannen „schrijf maar een brief’ en verderja, wat moest je doen. Schuttersputjes graven soms? Of loopgraven? Ik kon er echt het nut niet van inzien. En nu zult u wel denken van jee, dat is me ook een soldaat van lik-me-vessie want u bent nog jong maar dan zeg ik: wat moesten we dan verdedigen?. Kijk, ik was er samen ,met 10 infanteristen en 18 man van de ma rine kustwacht neergezet met het idee van: ja hoor eens, Rottumeroog hoort er ook bij. Is ook een stukje Nederland. Maar hoe je ’t ook wendt of keert, erg inspirerend om tegen de vijand tot het uiterste te gaan, werkte de omgeving natuur lijk niet. Er woonde een gezin de strandvonder, zijn vrouw, twee klei ne kinderen en drie knechts en de hele bebouwing bestond uit een vuurbaken, een huis, een schuur, een barak, een observatiepost en twee voetbaldoelen, die we gebruik ten voor de wedstrijden tussen de marine en de infanterie. Toen de marine-uitkijkpost me een uur of elf dan ook riep omdat hij op de rede van Borkum iets „vreemds” waarnam, rende ik echt niet trillend van angst naar boven. Voorzichtig schoof ik mijn voel sprieten naar buiten. Ik rook aan de steen; ik betastte die. Ik ont dekte een bekende vorm. De schaal, de schelp van een andere ammoniet. Ik had weer even con tact met de wereld, waaruit ik voortkwam en die ik kwijt dacht te zijn. Heel vaag herinnerde ik me, wat er gebeurd was. Ik had geen eten, geen plankton meer kunnen vinden. Ik had me moei zaam voortbewogen over de bo dem, langzaam zwemmend. Het kon me ook niet zoveel meer sche len, dat ik gegrepen zou worden door een vijandig beest. Vaag staat me bij dat er een groot dier, - y~- een mosasaurus, denk ik, op me af leven, blijf in ’s hemelsnaam le- kwam en me opslokte. Het werd allemaal donker. Ik dacht: laat ik me doodstil houden, me niet be wegen. Laat ik maar doen alsof ik slaap. Wat er daarna gebeurd is weet ik niet. Maar nu ben ik er toch nog, blijkbaar. Het dier met de tentakels, ach ter die vreemde onzichtbare wand zat maar naar me te kijken. Alsof ik een wereldwonder was. Hij had zeker nog nooit een am- Leden van de marine kustwacht toen op Rottumeroog nog lang niet aan oorlog werd gedacht. Dus ik wek de hele boel met de mededeling: „Jongens jammer, maar het is oorlog”. Maar wat ons nou precies te doen stond, wist ik ook niet. Ga maar na, op het hele eiland bevonden zich dertig militai ren, vijfentwintig geweren en drie duizend patronen. En hoe goedgelo vig we in die tijd ook waren, nie mand had de illusie, dat we daar mee het Duitse leger konden tegen houden. We zijn toen maar brieven naar huis gaan schrijven. Zo van: „Maak u maar niet ongerust lieve vader en moeder, want wij redden het wel”. Nog steeds met het idee, dat geen illissen Duitse,, het in zijn malle hoofd zou halen om Rottumeroog te gaan be zetten. En we dachten ook echt, die brieven geven we vanmiddag even mee aan Teerling, de garnalenvis ser, die de verbinding met de vaste wal onderhield. Die Teerling zorgde ook altijd voor transport als we metverlof gingen. Dat is even een side-step, maar ik vertel het toch maar omdat het zo mooi de situatie schetst waar- Coen in ln w,j ons bevoncjen Qat ver. is oorlog” moniet in levende lijve gezien. Nou, dat is vreemd, want toen ik geboren was, wemelde het van ons soort slakken. Vreemd, dat ik er nu geen een meer zag. Ik was zeker wat afgedwaald naar een bizar stuk zee. Ik moest zorgen dat ik weer op mijn oude plek terugkwam. Ik kreeg het trouwens wat be nauwd. Het water was zo warm en dat plakton was niet te eten. Ik had een enorme honger. Dus ik zou wel aan dat vreemde voedsel moeten wennen. Ben ik eigenlijk zo lang weggeweest, in slaap of zoiets? Wat doet die saurus nu toch absurd. Hij springt op van zijn rots. Hij wil me grijpen, maar trekt zijn tentakel weer uit het water. Hij roept: „Ik ben de enige ter wereld, die een levende ammo niet heeft ontdekt. Een dier van meer dan zestig miljoen jaar gele den. Een exemplaar, een dier, dat Ze hebben me en me een a *3^01 4 s ft n I 1 Z.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Haarlem's Dagblad | 1980 | | pagina 27