TELEVISIE IN AMERIKA De arts keek naar het plafond, zijn hand deed het werk... Tlieuuie Italië's nationale boekenschat verhuist naar de historische pretorianen-kazerne UITGAVEN m ZATERDAG 7 JANUARI 1961 Erbij PAGINA TWEE Gilbert. Seldes „Flora's zetel" IN DE VERENIGDE STATEN is televisie overwegend een commerciële onderneming, waarbij de programma's door de „adverteerders" worden ge financierd. Kijkers behoeven dan ook geen kijkgeld in een of andere vorm te betalen. Alleen voor educatieve uitzen dingen worden overheidsgelden aan de programma's besteed. Deze situatie is een uitvloeisel van de opvattingen van de Amerikaanse samenleving. De Fede rale Commissie voor Communicatie (F.C.C.) is een lichaam dat in het leven is geroepen door het Congres en dat belast is met het aan personen of rechtspersonen verlenen van het be schikkingsrecht over een bepaald deel van de ether met de bedoeling winst te maken, mits de begiftigde zal handelen in het algemeen belang. (Er zijn thans 544 particuliere televisiestations in de lucht.) Een algemeen aangehangen stelling is namelijk dat men winstge vend een zaak kan drijven en tevens daarbij het algemeen belang dienen. De verdedigers van deze stelling voeren aan dat het publiek uitsluitend door een particuliere onderneming goed kan wor den gediend en zij stellen zich daarom teweer tegen elke verruiming van de ordende macht van de F.C.C. Zij, die critisch staan tegenover het bestaand zendstelsel, zijn ervan overtuigd dat het openbaar belang niet kan worden ge diend door een soort bijprodukt van winstbejag en dat er dus een stelsel, waarbij het maken van winst is uitge sloten, voor in de plaats moet komen. VAN DIT LAATSTE STELSEL be staat inderdaad een voorbeeld in de educatieve televisie, ook wel genoemd onderwijstelevisie. September 1960 wa ren er vijftig dergelijke zenders in de ether, die óf staatsgewijs gesubsidieerd worden óf uit overheidsgelden en parti culiere bijdragen gefinancierd worden. Naar verwacht wordt zal het aantal van deze zenders in de komende jaren tot honderd stijgen. Bijna alle zenden programma's uit, die in de eerste plaats bestemd zijn voor ontvangst in de scholen, doch ook bestemd kunnen zijn voor de culturele scholing voor vol wassenen. Een-derde van deze zenders werkt op ultra-hoge frequenties, die vrijwel niet door de particuliere zenders worden gebruikt. De programma's kun nen ook niet worden ontvangen zonder gebruik vaneen voorzetapparaat bij het televisietoestel. Het gebruik van het voorzetapparaat komt er in de meeste gevallen op neer, dat nu uitsluitend de educatieve programma's kunnen worden opgevangen. Het gevolg is dat de sta tions met ultra-hoge frequenties niet half zo populair zijn als de zenders, die op de „gewone" frequenties zenden. Voordat door technologische verande ringen de commerciële en educatieve zenders op voet van gelijkheid zijn ge komen, dient een nuchter waarnemer van het huidige stelsel naar middelen te zoeken, waardoor de commerciële zenders er toe kunnen worden genoopt eveneens de belangrijke minderheden te dienen, zelfs al zou dit het gevaar voor verlies aan kijkers en winst in houden. DE SITUATIE IS EXTRA gecompli ceerd door de opbouw van de omroep. De F.C.C. verleent slechts zendvergun ning aan afzonderlijke zendstations. Bij de Amerikaanse televisie ligt de macht echter voornamelijk in handen van de zogenaamde „networks". Tot dusver zijn de „networks" evenwel nog niet gedwongen vergunning aan te vragen voor hun werkzaamheden. Zij staan evenwel niet geheel los van de wet; zij vallen althans door minstens een van hun activiteiten onder de wet. De kern van elk der drie grote „net works" American Broadcasting Company, Columbia Broadcasting Sys tem en National Broadcasting Compa ny vormt de groep zenders die hun eigendom is en die zij exploiteren. Elk van de drie heeft een zender in New York, Chicago en Los Angeles, drie gro te centra van de programmaproduktie. Het hangt van tal van omstandigheden af waar zich de andere eigen zenders van de „networks" bevinden. Maar het is een „network" of onafhankelijke maatschappij verboden meer dan vijf eigen zenders te bezitten. Als eigenaar van ieder vijf zendstations staan de „networks" bovendien onder jurisdictie van de F.C.C. wat betreft deze stations. Ingewikkelder is de betrekking tus sen de „networks" en de onafhankelij ke zendstations die „affiliates" (aan gesloten zenders) genoemd worden. De drie „networks" hebben elk rond 150 aangesloten zenders, want slechts en kele onafhankelijke zendstations hebben geheel eigen programma's. De contrac ten met de „networks" zijn dikwijls in gewikkeld, maar het komt tenslotte in hoofdzaak hierop neer, dat een zend station bepaalde vaste zenduren ter be schikking stelt van het „network" waar onder enkele waardevolle uren, gedu rende welke zeer veel mensen naar de televisie kijken. Bijvoorbeeld drie uren tussen 6 uur n.m. en middernacht. Op grond van dergelijke overeenkomsten kunnen de „networks" weer contracten sluiten met de firma's die voor de uit zendingen betalen. De schrijver van dit artikel heeft baanbre kend werk verricht als T.V.-produktieleider en is thans directeur van de Annenberg School of Communications te Philadelphia, die onder de Universiteit van Pennsylvania ressorteert. Van zt)n hand zijn een aantal boeken ver schenen, onder andere „The 7 Lively Arts", „The Public Arts" en „The Great Audience". DE „NETWORKS" betalen de ver bonden zenders voor de ter beschikking gestelde zenduren meestal op basis van het geschatte aantal plaatselijke toeschouwers en stellen deze zen ders andere niet-betaalde pro gramma's ter beschikking die de zen ders vrij zijn aan te nemen of te wei geren. De voordelen van dit stelsel zijn duidelijk: de plaatselijke zenders ontbreekt het aan artiesten om voort durend de uitzendingen samen te stellen die het hoofdbestanddeel van de tele visie vormen. De „Culturele" gevolgen van het Ame rikaanse stelsel zijn plaatselijk verschil lend. Zo zullen in de ene gemeente po pulaire èn serieuze programma's ontvan gen kunnen worden, hetgeen wenselijk is, maar een verbonden zender kan wel eens bitter weinig voor de gemeenschap direct doen. Een dergelijke zender zou in theorie de uren tussen de „network" uitzendingen bijvoorbeeld kunnen vul len met oude films, zich niets aantrek ken van de wensen van de kijkers en hoogstens de weersverwachtingen uit zenden als daarvoor door een adver teerder betaald wordt. Zo'n uiterste van anti-sociaal gedrag is mogelijk, maar het komt vrijwel niet voor. In tal van niet eens zo dicht bevolkte streken be vinden zich immers minstens twee of drie zenders en de concurrentie naar de gunst van de kijkers is groot. Bo vendien stelt men niet graag het presti ge, verbonden aan de „dienst in het algemeen belang" in de waagschaal. Bij de verkoop van serie-programma's gaat men als volgt te werk. Aan de adverteerder wordt offerte met monster (een „pilot") gemaakt. Wordt dit aan vaard, dan wordt een contract voor der tien, zesentwintig of negenendertig uit zendingen afgesloten. In enkele geval len hebben grote advertentiebureaus hun eigen afdeling voor het ontwerpen van de programma's en treden zelf als pro- duktieleider op. Blijkt 'n uitzending die het eigendom is geworden van een ad verteerder zeer in de smaak te zijn ge vallen dan kan ze op een ander tijd stip herhaald worden en zelfs worden overgenomen door zenders die in geen verband staan met het „network", dat de eerste uitzending esceneerde. FINANCIEEL STERK zijn vooral de fabrikanten en verkopers van bepaalde min of meer noodzakelijke verbruiks- goederen: zoals levensmiddelen, medi cijnen, toiletartikelen, wasmiddelen, si garetten, auto's, benzine en huishoude lijke artikelen. In de keuze van pro gramma oefenen de fabrikanten van deze artikelen invloed uit op de sfeer van de uitzending, waarbij ze zorgen voor variatie en spanning. Enkele cijfers: in 1959 werd meer dan 625 miljoen dollar door adverteer ders betaald, waarvan ruim een derde op rekening kwam van levensmiddelen en toiletartikelen. Daarbij moet het vol gende in het oog worden gehouden. Me dicijnen, toiletartikelen, levensmiddelen en tabaksartikelen behoren tot de da gelijkse behoeften en zijn betrekkelijk goedkoop; de advertentie-programma's die deze artikelen propageren behoeven geen rekening te houden met het feit dat gezinnen met betere ontwikkeling over het algemeen een hoger inkomen hebben dan andere. Het blijkt echter in de praktijk dat vele uitzendingen zich aan de smaak aanpassen van de intel lectuelen. Bij alle facetten van de Amerikaanse televisie is een der meest unieke dat de programma's worden opgevangen in 50 miljoen woningen en dat de kijkers over het algemeen tevreden zijn over het gebodene. Vast staat dat in de meeste gezinnen 25 uur per week naar de beeldbuis wordt gekeken. Duidelijk blijkt uit de verkoopgrafieken dat de vraag sterk toeneemt nadat een artikel per televisie is geadverteerd of een boek populair wordt na een bespreking door een gaarne geziene spreker. Door onafhankelijke bureaus wordt steeds nagegaan op welk van de pro gramma's die tegelijkertijd uitgezonden worden, de meeste toestellen worden afgestemd en de betalende firma trekt hieruit zijn conclusie. EVENALS IN DE FILMINDUSTRIE bestaat er bij de televisie een werkco- de. Ergerlijke vergrijpen tegen de openbare zeden en de goede smaak zijn hierbij verboden, evenals buitensporige reclame. Alleen al uit eigenbelang zal de producer van een programma alles vermijden dat aan grote groepen aan stoot zou kunnen geven. Bovendien wordt er door de „networks" en niet in het minst uit eigen belang scherp toezicht gehouden, op wat aan de aan dacht van producer of adverteerder ont snapt kan zijn. Over het algemeen kan worden geconstateerd dat er geen tegenzin be staat in reclameboodschappen. Wel zijn er tekenen die er op wijzen dat de ge neratie, die de televisie van den be ginne af heeft gevolgd niet voetstoots alles aanneemt wat de reclameteksten beweren en het „staat goed" er cri tisch tegenover te staan. Voorstellen tot wijziging van het hui dige stelsel kunnen in twee groepen worden ingedeeld. Ten eerste zijn er mensen, die menen dat de zenders met staats- of federale subsidie hoofdzake lijk culturele programma's moeten uit zenden en niet alles op alles moeten zetten om het grootste gehoor te vin den. En dan zijn er mensen die er de voorkeur aan zouden geven te betalen voor programma's die ze zien willen. Er bestaat wel kans dat een proef zal worden genomen met de een of andere vorm van „Pav-TV", b.v. de „muntme- ter-TV", maar het staat nog niet vast, dat op deze wijze de kwaliteit van de uitzendingen inderdaad zou worden ver beterd. Zoals gezegd, het Amerikaanse publiek is over het algemeen niet onte vreden over wat het thans te zien krijgt. Het zou echter misschien even tevreden zijn met een op andere wijze gegeven programma. IN DE LOOF van mijn leven heb ik in zoveel tandartsstoelen gezeten, zoveel boren en haakjes en tangen tussen mijn arme kiezen gevoeld, dat ik mij het leven zonder tandarts dat waarschijnlijk verrukkelijk moet wezen.niet kan voorstellen. Dat begon al in mijn kinderjaren met zo'n nuttige man met een trapmachientje en een geduldig krabbende hand, waarmee hij mijn melk- gebit te lijf ging. Sindsdien beklom ik steeds andere, steeds comfortabeler en ingenieuzer stoelen en het snorrende trapmachientje groeide uit tot die soort wonderlijke levensboom, die als bloe sems en zaden allerlei spuitjes en lamp jes en blanke glasplateautjes vol kleu rige schaaltjes met viesmakende spul letjes, cement en andere zaken aan zijn grillige, geëmailleerde takken draagt. OM NU VOLSTREKT eerlijk te zijn, het tandenmartelen is wel tot een minimum gereduceerd na die eerste, vol gruwel ver wachte prik, die je kaak maakt tot hout, dat geen voedingsbodem meer levert voor afgrijselijke pijnen. En het was met de herinnering aan dat verdovende prikje, aan die schuimrubber stoel, die me naar believen geruisloos deed dalen en stijgen, aan de behoedzame hand van de tand arts, dat ik het kleine spreekkamertje bin nenging van de arts-cum-tandarts, die in het verre Gawal in Guinee (u weet wel, van Sekou Touré) de bevolking placht te bevrijden van hun ellendes. Het was overigens een keurig spreekka mertje, klein, maar vlekkeloos schoon en doorwalmd van de goed-steriele geur van ether en jodium en dergelijke. Er stond een welhaast antieke operatietafel, een klein, maar heel erg blinkend instrumen tarium, een sterilisator en een witgelakte keukenstoel. Op die stoel zat een zestien jarig meisje, wat dik en doedelig, in haar allerbeste, bontgebloemde jurk met stro ken. haar mooiste hoofddoek, en met een zwarte, geweldig opgezette wang; slacht offer van een van die kiezen, die zwart en blank en wat dat betreft ook geel en rood en bruin gelijkelijk pleegt te martelen. Op de operatietafel stond een litermaat gereed, tot de rand gevuld met een bruine jodiumoplossing. dnor Bob T adema Sporrt] terwijl ze met verschrikte ogen het rode resultaat in het spuwbakje gadesloeg. Een uur later spoelde ze nog! Ze had opdracht gehad heel kleine slokjes te ne men, en daar hield ze zich stipt aan. Ze zag er beslist opgelucht uit en de resul taten waren nu kristalhelder. Ze had nog een kwartliter voor de boeg. Ze groette ons met een stralende lach met het res tant van haar blinkend witte tanden en kiezen. We groetten terug. Maar wat waren we blij dat ons gebit de hulp van de tandarts van Gawal niet nodig had! In de goedverzorgde, bekende „Plastic band-serie" van Uitgeversmij. C. A. J. van Dishoeck te Bussum zijn een paar boekjes verschenen, waar wij in deze tijd van het jaar even de aandacht op willen vestigen. „Voor en Na Tafel" van J. La Bree met illustraties van Rein van Looy. Een beschouwing van wat men vóór en na ta fel kan schenken; hoé men het schenkt, op welke temperatuur, waarin en het waarom, waarbij dan ook de oude ge bruiken, gewoonten en tradities van het schenken en drinken ter sprake komen. Dit alles, aangevuld met een keur van recepten voor het bereiden van cocktails, een beschrijving van en toelichting óp ver schillende dranken en een groot aantal bij zonder leuke tekeningen, maakt het tot een alleraardigst boekje. In deze zelfde serie noemen wij dan nog van dr. N. L. Wibaut-Isebree Moens: „Schadelijke dieren in huis", een heel praktisch boekje, waarin men de beschrij ving vindt van het voorkomen en bestrij den van allerlei schadelijke dieren in huis. Ten slotte nog een boekje over „Skiën" van prof. F. Wolfgang, dr. C. Hutter en prof. S. Kruckenhauser, dat bewerkt en vertaald is door Lydia Belinfante. Het boekje toont, grotendeels in foto's van Jan Bouman, allerlei oefeningen, bewegin gen, houdingen en standen, die voor het skiën noodzakelijk zijn. De foto's worden vooraf gegaan door de verklarende tekst. Goede raadgevingen over de uitrusting en het onderhouden ervan ontbreken ook niet. „1000 recepten voor iedereen" (Uitgeve rij „Ons Huis" Utrecht). Het zijn recepten van mevrouw W. J. Zeldenrust-De Jongh, welke zij, in haar 25-jarige loopbaan als demonstratrice zelf heeft gemaakt, uitge probeerd, besproken en gedemonstreerd. Het kookboek is overzichtelijk en dege lijk ingedeeld en uitstekend verzorgd, maar iets nieuws, op de toch al zo over laden kookboekenmarkt, is het bepaald niet. Maar gelukkig merkt de schrijfster dit zelf ook op in haar voorwoord, maar voegt hier aan toe dat wij deze uitgave dan ook meer moeten zien als het ver vullen van een belofte aan haar cursisten om de de door haar behandelde recepten te bundelen. NAAST HET MEISJE stond de (tand)- arts. Hij was een magere, pezige Afri kaan met een smal, intelligent gezicht en grijzend kroeshaar, die in Dakar bacterio logie, chirurgie, verloskunde, tandartsenij en huisartskunde had opgedaan. Wat hij na zijn opleiding niet wist, had zijn prak tijk van dertig jaar hem wel bijgebracht. Zo'n geval als dat dikke meisje baarde hem niet de minste zorg. Hij had warem pel wel voor hetere vuren gestaan bij am putaties, operaties zonder narcose in een stinkende hut, of een keizersnede bij een walmende oliepit. Hij zou ons wel even tönëri, Koe men in Gawal een kies trekt, zonder fauteuil, zonder levensboom, zon der prikje en comfort, maar zeer snel en zeer efficiënt. Laat ik eerlijk bekennen, dat ik op mijn benen stond te bibberen. De aanblik van die kies, een monster van grootte, bijna een kastanje, met een afgebroken kroon en gebed in een zere, rood opgezette kaak, was genoeg om de moedigste vrees aan te jagen. De arts had hem mij getoond met gerechtvaardigde trots. „Formidable," lispte hij. HET MEISJE ZAT op de keukenstoel met de onderdanigheid van een offerdier en keek zonder te zien, hoe de arts uit het instrumentarium een tang viste een kanjerd van een tang! hoe hij die steriliseerde en hoe hij zijn handen waste, tot ze glommen. Toen kwam hij naar haar toe, de tang als een kostbare schat in een wit emaille bakje, vastgehouden door een sneeuwige handdoek. Hij gebood het meisje de mond te openen. Ze deed hem open, wijd, wijd, als een jonge spreeuw. Hij be keek de kies met vakkundige blik, nam de tang, zette die aan, zoals dat naar ik meen in tandartsjargon heet. Een rauwe kreet kliefde de lucht, de arts keek naar het plafond, zijn hand deed het werk. Ik voelde het tot in mijn merg. Door de lucht vloog een rood ding, dat met een harde tik op de betonnen vloer viel. Het dikke meisje kwam onverwacht tot leven. Ze vloog van haar stoel af, dook de kies achterna als een meeuw een vis. Ze greep hem, draaide hem in een klein lapje, dat ze ineens in haar hand hield en borg hem als een kostbaar kleinood in haar weelderige boezem. Een nieuwe fetisj was geboren. Ten eeuwige dagen zou ze die kies bij zich dragen. DE ARTS WASTE zijn handen. Onder getekende wankelde met een akelige maag naar buiten en het slachtoffer spoelde zachtjes kermend met de jodiumoplossing, De Grange-bioscoop in Londen heeft mevrouw Flora Poltock uitgeroepen tot „klant van het jaar". De 79-jarige mevrouw heeft deze onderscheiding zeker verdiend. Vorige week schatte zij, in 1960 ongeveer 4.500 voorstellingen gezien te hebben, het geen betekent dat zij sommige films 18 maal gezien heeft. De onderscheiding be staat uit een doorlopend gratis toegangs bewijs en een speciale logeplaats, die „Flora's zetel" gedoopt is. Mevrouw Poltack zei dat zij vorig jaar 364 dagen „naar dè film" is gegaan „de 365ste was het eerste kerstdag en waren ze gesloten". (Van onze correspondent) ROME HEEFT SEDERT nier jaren geen openbare t?j- bliotheek meer. Dat wil zeg gen, het gebouw is er nog wel en ook de boeken, maar zij zijn ontoegankelijk. De oude bibliotheek „Vittorio Ema- nuele", gehuisvest in de vroe gere pauselijke universiteit, het „Collegio Romano", ont vangt volgens de wet van alle boeken, tijdschriften en dag bladen, die in Italië worden gedrukt, één exemplaar. Het toch al zo rijke boekenbezit van de in 1860 opgeheven kloosters, dat het oude fonds van die bibliotheek uitmaakt, groeit dus elke dag met enkele honderden kilo's. Het aantal boeken bedraagt ruim tweeënhalf miljoen en ten slotte is het gewicht zo toe genomen, dat het gebouw op instorten staat. In 1939 kwa men de eerste alarmerende berichten over de slechte staat der oude muren. In 1950 hoopte men met wat voor lopige reparaties de zaak nog een tijdje op gang te kunnen houden. Vijf jaar later vielen in de grote leeszaal gedeelten van het plafond naar beneden zodat een lezer onder het puin werd begraven. Kort daarop sloot de oude bibliotheek voor goed haar deuren. Er moet een nieuwe komen. Zulke dingen duren in Rome heel lang. In 1950 heeft de gemeen teraad terrein aangewezen voor een nieuwe concertzaal ter vervanging van het door Mussolini in een onbedacht zaam ogenblik gesloopte „Augusteum"Er zijn tien jaar verstreken en het terrein is bedekt met noodwinkels en autogarages. De eerste steen voor de concertzaal is nog niet gelegd en „voorlopig" huurt de gemeente een concertzaal, die eigendom is van het Vati- kaan. Met de bibliotheek zal het wel niet veel sneller gaan. HOEWEL HET LAATSTE WOORD nog niet gesproken is, mag men toch aannemen, dat die bibliotheek zal komen op de plaats waar de preto- rianen, de lijfwacht der oude Romeinse keizers, hun kazer ne hadden. Een eigenaardig lot wil, dat die plaats opnieuw kazerne geworden is, eerst van de pauselijke, sedert ne gentig jaar van de Italiaanse troepen. Nog altijd heet dat deel van Rome: „Castro Pre- torio". Voor ons Nederlanders heeft die plaats historische betekenis, omdat een groot deel van dé pretorfanen Uit onze streken afkomstig was. Vooral de Batavieren worden herhaaldelijk als trouwe wachten des keizers vermeld. In een straat aan de voet van de Janicülus, de Via dei For- naci, kan men nog heden, in gemetseld in de muur van een villa, twee grafstenen zien, die de namen vermelden van Bataafse pretorianen uit de tijd van Tiberius. Wij weten niet, of Couperus dit heeft geweten, vermoedelijk niet, anders zou men in zijn „Berg van Licht", waarin de preto rianen een belangrijke rol spelen, allicht eens een Bataaf vermeld vinden. ZAL MEN BIJ HET graaf werk, dat aan de bouw van de bibliotheek vooraf moet gaan, belangrijke vondsten doen? De oudheidkundigen betwijfe len het. Natuurlijk is er de in drukwekkende stadsmuur van Aurelianus, een muür dus uit de derde eeuw, die aan drie zijden het oude castrum om geeft. Die muur ziet men ook nu aan de buitenkant. Op het terrein van de kazerne zijn allerlei bouwsels tegen die muur opgetrokken, zodat de indruk veel minder groots is. Natuurlijk zullen die gebouw tjes worden gesloopt en het is te hopen, dat die bewaard blijven. KEIZER TIBERIUS liet in het jaar 23 na Christus op raad van zijn prefect Seianus dit enorme kamp voor de pre- toriaanse cohorten bouwen. In die eerste tijd waren er negen cohorten, ongeveer 9000 man, ondergebracht; later groeide hun aantal tot 13.000. Het legerkamp, want als zo danig moet men het beschou wen, meet 430 X 371 meter en heeft de vorm van alle Ro meinse legerkampen, met dit verschil dat hier geen tenten waren opgeslagen, maar zeer solide bouwsels in baksteen. Twee hoofdstraten, de „Car- dus" en de „Decumanus" kruisen elkaar rechthoekig en op dat kruispunt moet het pretorium, de zetel van de prefect, zijn geweest. Voor het pretorium was een groot plein, het „Forum Castrense" en het is daar dat waarschijnlijk de tempeltjes en kapelletjes aan de verschillende bescherm goden der troepen verrezen. Het is mogelijk, dat daar nog een en ander van gevonden wordt. Ook standbeelden van keizers hebben hier zeer zeker gestaan, daar bij verschillen de gelegenheden opschriften met de namen van de stich ters dier beelden (officieren) zijn gevonden. Buiten de „Castra", naar Rome toe, was een groot exercitieveld. Oud heidkundigen uit de vijftiende en zestiende eeuw vermelden verder een triomfboog, gewijd aan keizer Gordianus (239- '::wï y Onderdeel van de oude stadsmuren van Rome (272-279 na Christus). 244). Dat die boog bestaan heeft is zeker, want er zijn ornamenten van gevonden in 1872. VAN DE VOORNAAMSTE vier toegangspoorten tot het legerkamp zijn er drie min of meer bewaard, maar ze zijn dichtgemetseld. Toen keizer Aurelianus in de jaren 272 tot 275 de machtige stadsmuren van Rome bouwde, muren die negentien kilometer lang zijn en hoewel de toerist er door gaans weinig aandacht aan wijdt, het grootste monument vormen van de Romeinse oud heid, werden er reeds twee gesloten. Een derde in de vierde eeuw, terwijl de voor naamste ingang waarschijnlijk werd gesloopt toen het hele terrein, waar eenmaal de kei zerlijke garde gehuisvest was, door de Paus werd geschon ken aan de jezuïtenorde, die er onder de naam „Macao", herinnering aan een plaats waar zij eenmaal het evange lie hadden verspreid, een mis sieschool stichtten. Later, toen de jezuïtenorde tijdelijk werd opgeheven, verviel het terrein weer aan de pauselijke staat en tegen het einde van de achttiende eeuw werden er opnieuw kazernes gebouwd, die eerst voor de pauselijke troepen hebben gediend en nu, tot op deze dag. Italiaanse soldaten huisvesten. DIE KAZERNES zullen worden ontruimd en gesloopt, Het is tamelijk zeker, dat er dan een begin kan worden ge maakt met de bouw van de nieuwe bibliotheek, hoewel er nog tegenwerking is, vooral van de zijde van het ministe rie van Defensie. Minister Andreotti zou ereen sta tion voor hefschroefvliegtui- gen willen zien in verband met het feit, dat het ministe rie van Luchtvaart niet ver van die plaats gelegen is. Maar de universiteitsstad is er ook vlak bij en dus mogen wijhopen, dat voor één keer de culturele belangen eens vóór zullen gaan. HET OUDHEIDKUNDIG onderzoek van het terrein moet in ieder geval vooraf gaan aan onverschillig welke bouwactiviteit. Gaat men een maal de grond omwerken met de moderne bulldozers, dan blijft er van eventuele antie ke resten niets over. Dat oud heidkundig onderzoek behoeft trouwens niet zo heel lang te duren. Deskundigen verzeke ren ons, dat zij in zes, zeven maanden met hun werk ge reed kunnen zijn, tenzij er na. tuurlijk heel belangrijke din gen worden gevonden, wal niet waarschijnlijk is. Ook in de oudheid hadden kazernes geen mozaïekvloeren en wand schilderingen.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 12