TELEVISIE IN AMERIKA
De arts keek naar
het plafond, zijn
hand deed het werk...
Tlieuuie
Italië's nationale boekenschat verhuist naar
de historische pretorianen-kazerne
UITGAVEN
m
ZATERDAG 7 JANUARI 1961
Erbij
PAGINA TWEE
Gilbert. Seldes
„Flora's zetel"
IN DE VERENIGDE STATEN is
televisie overwegend een commerciële
onderneming, waarbij de programma's
door de „adverteerders" worden ge
financierd. Kijkers behoeven dan ook
geen kijkgeld in een of andere vorm te
betalen. Alleen voor educatieve uitzen
dingen worden overheidsgelden aan de
programma's besteed. Deze situatie is
een uitvloeisel van de opvattingen van
de Amerikaanse samenleving. De Fede
rale Commissie voor Communicatie
(F.C.C.) is een lichaam dat in het leven
is geroepen door het Congres en dat
belast is met het aan personen of
rechtspersonen verlenen van het be
schikkingsrecht over een bepaald deel
van de ether met de bedoeling winst te
maken, mits de begiftigde zal handelen
in het algemeen belang. (Er zijn thans
544 particuliere televisiestations in de
lucht.) Een algemeen aangehangen
stelling is namelijk dat men winstge
vend een zaak kan drijven en tevens
daarbij het algemeen belang dienen. De
verdedigers van deze stelling voeren
aan dat het publiek uitsluitend door een
particuliere onderneming goed kan wor
den gediend en zij stellen zich daarom
teweer tegen elke verruiming van de
ordende macht van de F.C.C. Zij, die
critisch staan tegenover het bestaand
zendstelsel, zijn ervan overtuigd dat het
openbaar belang niet kan worden ge
diend door een soort bijprodukt van
winstbejag en dat er dus een stelsel,
waarbij het maken van winst is uitge
sloten, voor in de plaats moet komen.
VAN DIT LAATSTE STELSEL be
staat inderdaad een voorbeeld in de
educatieve televisie, ook wel genoemd
onderwijstelevisie. September 1960 wa
ren er vijftig dergelijke zenders in de
ether, die óf staatsgewijs gesubsidieerd
worden óf uit overheidsgelden en parti
culiere bijdragen gefinancierd worden.
Naar verwacht wordt zal het aantal
van deze zenders in de komende jaren
tot honderd stijgen. Bijna alle zenden
programma's uit, die in de eerste
plaats bestemd zijn voor ontvangst in
de scholen, doch ook bestemd kunnen
zijn voor de culturele scholing voor vol
wassenen. Een-derde van deze zenders
werkt op ultra-hoge frequenties, die
vrijwel niet door de particuliere zenders
worden gebruikt. De programma's kun
nen ook niet worden ontvangen zonder
gebruik vaneen voorzetapparaat bij het
televisietoestel. Het gebruik van het
voorzetapparaat komt er in de meeste
gevallen op neer, dat nu uitsluitend de
educatieve programma's kunnen worden
opgevangen. Het gevolg is dat de sta
tions met ultra-hoge frequenties niet
half zo populair zijn als de zenders, die
op de „gewone" frequenties zenden.
Voordat door technologische verande
ringen de commerciële en educatieve
zenders op voet van gelijkheid zijn ge
komen, dient een nuchter waarnemer
van het huidige stelsel naar middelen
te zoeken, waardoor de commerciële
zenders er toe kunnen worden genoopt
eveneens de belangrijke minderheden
te dienen, zelfs al zou dit het gevaar
voor verlies aan kijkers en winst in
houden.
DE SITUATIE IS EXTRA gecompli
ceerd door de opbouw van de omroep.
De F.C.C. verleent slechts zendvergun
ning aan afzonderlijke zendstations. Bij
de Amerikaanse televisie ligt de macht
echter voornamelijk in handen van de
zogenaamde „networks". Tot dusver
zijn de „networks" evenwel nog niet
gedwongen vergunning aan te vragen
voor hun werkzaamheden. Zij staan
evenwel niet geheel los van de wet; zij
vallen althans door minstens een van
hun activiteiten onder de wet.
De kern van elk der drie grote „net
works" American Broadcasting
Company, Columbia Broadcasting Sys
tem en National Broadcasting Compa
ny vormt de groep zenders die hun
eigendom is en die zij exploiteren. Elk
van de drie heeft een zender in New
York, Chicago en Los Angeles, drie gro
te centra van de programmaproduktie.
Het hangt van tal van omstandigheden
af waar zich de andere eigen zenders
van de „networks" bevinden. Maar het
is een „network" of onafhankelijke
maatschappij verboden meer dan vijf
eigen zenders te bezitten. Als eigenaar
van ieder vijf zendstations staan de
„networks" bovendien onder jurisdictie
van de F.C.C. wat betreft deze stations.
Ingewikkelder is de betrekking tus
sen de „networks" en de onafhankelij
ke zendstations die „affiliates" (aan
gesloten zenders) genoemd worden. De
drie „networks" hebben elk rond 150
aangesloten zenders, want slechts en
kele onafhankelijke zendstations hebben
geheel eigen programma's. De contrac
ten met de „networks" zijn dikwijls in
gewikkeld, maar het komt tenslotte in
hoofdzaak hierop neer, dat een zend
station bepaalde vaste zenduren ter be
schikking stelt van het „network" waar
onder enkele waardevolle uren, gedu
rende welke zeer veel mensen naar de
televisie kijken. Bijvoorbeeld drie uren
tussen 6 uur n.m. en middernacht. Op
grond van dergelijke overeenkomsten
kunnen de „networks" weer contracten
sluiten met de firma's die voor de uit
zendingen betalen.
De schrijver van dit artikel heeft baanbre
kend werk verricht als T.V.-produktieleider
en is thans directeur van de Annenberg School
of Communications te Philadelphia, die onder
de Universiteit van Pennsylvania ressorteert.
Van zt)n hand zijn een aantal boeken ver
schenen, onder andere „The 7 Lively Arts",
„The Public Arts" en „The Great Audience".
DE „NETWORKS" betalen de ver
bonden zenders voor de ter beschikking
gestelde zenduren meestal op basis
van het geschatte aantal plaatselijke
toeschouwers en stellen deze zen
ders andere niet-betaalde pro
gramma's ter beschikking die de zen
ders vrij zijn aan te nemen of te wei
geren. De voordelen van dit stelsel zijn
duidelijk: de plaatselijke zenders
ontbreekt het aan artiesten om voort
durend de uitzendingen samen te stellen
die het hoofdbestanddeel van de tele
visie vormen.
De „Culturele" gevolgen van het Ame
rikaanse stelsel zijn plaatselijk verschil
lend. Zo zullen in de ene gemeente po
pulaire èn serieuze programma's ontvan
gen kunnen worden, hetgeen wenselijk
is, maar een verbonden zender kan wel
eens bitter weinig voor de gemeenschap
direct doen. Een dergelijke zender zou
in theorie de uren tussen de „network"
uitzendingen bijvoorbeeld kunnen vul
len met oude films, zich niets aantrek
ken van de wensen van de kijkers en
hoogstens de weersverwachtingen uit
zenden als daarvoor door een adver
teerder betaald wordt. Zo'n uiterste van
anti-sociaal gedrag is mogelijk, maar
het komt vrijwel niet voor. In tal van
niet eens zo dicht bevolkte streken be
vinden zich immers minstens twee of
drie zenders en de concurrentie naar
de gunst van de kijkers is groot. Bo
vendien stelt men niet graag het presti
ge, verbonden aan de „dienst in het
algemeen belang" in de waagschaal.
Bij de verkoop van serie-programma's
gaat men als volgt te werk. Aan de
adverteerder wordt offerte met monster
(een „pilot") gemaakt. Wordt dit aan
vaard, dan wordt een contract voor der
tien, zesentwintig of negenendertig uit
zendingen afgesloten. In enkele geval
len hebben grote advertentiebureaus hun
eigen afdeling voor het ontwerpen van
de programma's en treden zelf als pro-
duktieleider op. Blijkt 'n uitzending die
het eigendom is geworden van een ad
verteerder zeer in de smaak te zijn ge
vallen dan kan ze op een ander tijd
stip herhaald worden en zelfs worden
overgenomen door zenders die in geen
verband staan met het „network", dat
de eerste uitzending esceneerde.
FINANCIEEL STERK zijn vooral de
fabrikanten en verkopers van bepaalde
min of meer noodzakelijke verbruiks-
goederen: zoals levensmiddelen, medi
cijnen, toiletartikelen, wasmiddelen, si
garetten, auto's, benzine en huishoude
lijke artikelen. In de keuze van pro
gramma oefenen de fabrikanten van
deze artikelen invloed uit op de sfeer
van de uitzending, waarbij ze zorgen
voor variatie en spanning.
Enkele cijfers: in 1959 werd meer
dan 625 miljoen dollar door adverteer
ders betaald, waarvan ruim een derde
op rekening kwam van levensmiddelen
en toiletartikelen. Daarbij moet het vol
gende in het oog worden gehouden. Me
dicijnen, toiletartikelen, levensmiddelen
en tabaksartikelen behoren tot de da
gelijkse behoeften en zijn betrekkelijk
goedkoop; de advertentie-programma's
die deze artikelen propageren behoeven
geen rekening te houden met het feit
dat gezinnen met betere ontwikkeling
over het algemeen een hoger inkomen
hebben dan andere. Het blijkt echter in
de praktijk dat vele uitzendingen zich
aan de smaak aanpassen van de intel
lectuelen.
Bij alle facetten van de Amerikaanse
televisie is een der meest unieke dat
de programma's worden opgevangen in
50 miljoen woningen en dat de kijkers
over het algemeen tevreden zijn over
het gebodene. Vast staat dat in de
meeste gezinnen 25 uur per week naar
de beeldbuis wordt gekeken. Duidelijk
blijkt uit de verkoopgrafieken dat de
vraag sterk toeneemt nadat een artikel
per televisie is geadverteerd of een boek
populair wordt na een bespreking door
een gaarne geziene spreker.
Door onafhankelijke bureaus wordt
steeds nagegaan op welk van de pro
gramma's die tegelijkertijd uitgezonden
worden, de meeste toestellen worden
afgestemd en de betalende firma trekt
hieruit zijn conclusie.
EVENALS IN DE FILMINDUSTRIE
bestaat er bij de televisie een werkco-
de. Ergerlijke vergrijpen tegen de
openbare zeden en de goede smaak zijn
hierbij verboden, evenals buitensporige
reclame. Alleen al uit eigenbelang zal
de producer van een programma alles
vermijden dat aan grote groepen aan
stoot zou kunnen geven. Bovendien
wordt er door de „networks" en niet
in het minst uit eigen belang scherp
toezicht gehouden, op wat aan de aan
dacht van producer of adverteerder ont
snapt kan zijn.
Over het algemeen kan worden
geconstateerd dat er geen tegenzin be
staat in reclameboodschappen. Wel zijn
er tekenen die er op wijzen dat de ge
neratie, die de televisie van den be
ginne af heeft gevolgd niet voetstoots
alles aanneemt wat de reclameteksten
beweren en het „staat goed" er cri
tisch tegenover te staan.
Voorstellen tot wijziging van het hui
dige stelsel kunnen in twee groepen
worden ingedeeld. Ten eerste zijn er
mensen, die menen dat de zenders met
staats- of federale subsidie hoofdzake
lijk culturele programma's moeten uit
zenden en niet alles op alles moeten
zetten om het grootste gehoor te vin
den. En dan zijn er mensen die er de
voorkeur aan zouden geven te betalen
voor programma's die ze zien willen.
Er bestaat wel kans dat een proef zal
worden genomen met de een of andere
vorm van „Pav-TV", b.v. de „muntme-
ter-TV", maar het staat nog niet vast,
dat op deze wijze de kwaliteit van de
uitzendingen inderdaad zou worden ver
beterd. Zoals gezegd, het Amerikaanse
publiek is over het algemeen niet onte
vreden over wat het thans te zien
krijgt. Het zou echter misschien even
tevreden zijn met een op andere wijze
gegeven programma.
IN DE LOOF van mijn leven heb ik in zoveel tandartsstoelen
gezeten, zoveel boren en haakjes en tangen tussen mijn arme kiezen
gevoeld, dat ik mij het leven zonder tandarts dat waarschijnlijk
verrukkelijk moet wezen.niet kan voorstellen. Dat begon al
in mijn kinderjaren met zo'n nuttige man
met een trapmachientje en een geduldig
krabbende hand, waarmee hij mijn melk-
gebit te lijf ging. Sindsdien beklom ik
steeds andere, steeds comfortabeler en
ingenieuzer stoelen en het snorrende
trapmachientje groeide uit tot die soort
wonderlijke levensboom, die als bloe
sems en zaden allerlei spuitjes en lamp
jes en blanke glasplateautjes vol kleu
rige schaaltjes met viesmakende spul
letjes, cement en andere zaken aan zijn
grillige, geëmailleerde takken draagt.
OM NU VOLSTREKT eerlijk te zijn, het
tandenmartelen is wel tot een minimum
gereduceerd na die eerste, vol gruwel ver
wachte prik, die je kaak maakt tot hout,
dat geen voedingsbodem meer levert voor
afgrijselijke pijnen. En het was met de
herinnering aan dat verdovende prikje,
aan die schuimrubber stoel, die me naar
believen geruisloos deed dalen en stijgen,
aan de behoedzame hand van de tand
arts, dat ik het kleine spreekkamertje bin
nenging van de arts-cum-tandarts, die in
het verre Gawal in Guinee (u weet wel,
van Sekou Touré) de bevolking placht te
bevrijden van hun ellendes.
Het was overigens een keurig spreekka
mertje, klein, maar vlekkeloos schoon en
doorwalmd van de goed-steriele geur van
ether en jodium en dergelijke. Er stond
een welhaast antieke operatietafel, een
klein, maar heel erg blinkend instrumen
tarium, een sterilisator en een witgelakte
keukenstoel. Op die stoel zat een zestien
jarig meisje, wat dik en doedelig, in haar
allerbeste, bontgebloemde jurk met stro
ken. haar mooiste hoofddoek, en met een
zwarte, geweldig opgezette wang; slacht
offer van een van die kiezen, die zwart
en blank en wat dat betreft ook geel
en rood en bruin gelijkelijk pleegt te
martelen. Op de operatietafel stond een
litermaat gereed, tot de rand gevuld met
een bruine jodiumoplossing.
dnor Bob
T adema
Sporrt]
terwijl ze met verschrikte ogen het rode
resultaat in het spuwbakje gadesloeg.
Een uur later spoelde ze nog! Ze had
opdracht gehad heel kleine slokjes te ne
men, en daar hield ze zich stipt aan. Ze
zag er beslist opgelucht uit en de resul
taten waren nu kristalhelder. Ze had nog
een kwartliter voor de boeg. Ze groette
ons met een stralende lach met het res
tant van haar blinkend witte tanden en
kiezen. We groetten terug.
Maar wat waren we blij dat ons gebit
de hulp van de tandarts van Gawal niet
nodig had!
In de goedverzorgde, bekende „Plastic
band-serie" van Uitgeversmij. C. A. J.
van Dishoeck te Bussum zijn een paar
boekjes verschenen, waar wij in deze tijd
van het jaar even de aandacht op willen
vestigen.
„Voor en Na Tafel" van J. La Bree
met illustraties van Rein van Looy. Een
beschouwing van wat men vóór en na ta
fel kan schenken; hoé men het schenkt,
op welke temperatuur, waarin en het
waarom, waarbij dan ook de oude ge
bruiken, gewoonten en tradities van het
schenken en drinken ter sprake komen.
Dit alles, aangevuld met een keur van
recepten voor het bereiden van cocktails,
een beschrijving van en toelichting óp ver
schillende dranken en een groot aantal bij
zonder leuke tekeningen, maakt het tot
een alleraardigst boekje.
In deze zelfde serie noemen wij dan nog
van dr. N. L. Wibaut-Isebree Moens:
„Schadelijke dieren in huis", een heel
praktisch boekje, waarin men de beschrij
ving vindt van het voorkomen en bestrij
den van allerlei schadelijke dieren in huis.
Ten slotte nog een boekje over „Skiën"
van prof. F. Wolfgang, dr. C. Hutter en
prof. S. Kruckenhauser, dat bewerkt en
vertaald is door Lydia Belinfante. Het
boekje toont, grotendeels in foto's van
Jan Bouman, allerlei oefeningen, bewegin
gen, houdingen en standen, die voor het
skiën noodzakelijk zijn. De foto's worden
vooraf gegaan door de verklarende tekst.
Goede raadgevingen over de uitrusting
en het onderhouden ervan ontbreken ook
niet.
„1000 recepten voor iedereen" (Uitgeve
rij „Ons Huis" Utrecht). Het zijn recepten
van mevrouw W. J. Zeldenrust-De Jongh,
welke zij, in haar 25-jarige loopbaan als
demonstratrice zelf heeft gemaakt, uitge
probeerd, besproken en gedemonstreerd.
Het kookboek is overzichtelijk en dege
lijk ingedeeld en uitstekend verzorgd,
maar iets nieuws, op de toch al zo over
laden kookboekenmarkt, is het bepaald
niet. Maar gelukkig merkt de schrijfster
dit zelf ook op in haar voorwoord, maar
voegt hier aan toe dat wij deze uitgave
dan ook meer moeten zien als het ver
vullen van een belofte aan haar cursisten
om de de door haar behandelde recepten
te bundelen.
NAAST HET MEISJE stond de (tand)-
arts. Hij was een magere, pezige Afri
kaan met een smal, intelligent gezicht en
grijzend kroeshaar, die in Dakar bacterio
logie, chirurgie, verloskunde, tandartsenij
en huisartskunde had opgedaan. Wat hij
na zijn opleiding niet wist, had zijn prak
tijk van dertig jaar hem wel bijgebracht.
Zo'n geval als dat dikke meisje baarde
hem niet de minste zorg. Hij had warem
pel wel voor hetere vuren gestaan bij am
putaties, operaties zonder narcose in een
stinkende hut, of een keizersnede bij een
walmende oliepit. Hij zou ons wel even
tönëri, Koe men in Gawal een kies trekt,
zonder fauteuil, zonder levensboom, zon
der prikje en comfort, maar zeer snel en
zeer efficiënt.
Laat ik eerlijk bekennen, dat ik op mijn
benen stond te bibberen. De aanblik van
die kies, een monster van grootte, bijna
een kastanje, met een afgebroken kroon
en gebed in een zere, rood opgezette kaak,
was genoeg om de moedigste vrees aan te
jagen. De arts had hem mij getoond met
gerechtvaardigde trots. „Formidable,"
lispte hij.
HET MEISJE ZAT op de keukenstoel
met de onderdanigheid van een offerdier
en keek zonder te zien, hoe de arts uit
het instrumentarium een tang viste
een kanjerd van een tang! hoe hij die
steriliseerde en hoe hij zijn handen waste,
tot ze glommen. Toen kwam hij naar haar
toe, de tang als een kostbare schat in een
wit emaille bakje, vastgehouden door een
sneeuwige handdoek. Hij gebood het meisje
de mond te openen. Ze deed hem open,
wijd, wijd, als een jonge spreeuw. Hij be
keek de kies met vakkundige blik, nam
de tang, zette die aan, zoals dat naar ik
meen in tandartsjargon heet. Een rauwe
kreet kliefde de lucht, de arts keek naar
het plafond, zijn hand deed het werk.
Ik voelde het tot in mijn merg. Door
de lucht vloog een rood ding, dat met
een harde tik op de betonnen vloer viel.
Het dikke meisje kwam onverwacht tot
leven. Ze vloog van haar stoel af, dook
de kies achterna als een meeuw een vis.
Ze greep hem, draaide hem in een klein
lapje, dat ze ineens in haar hand hield
en borg hem als een kostbaar kleinood
in haar weelderige boezem. Een nieuwe
fetisj was geboren. Ten eeuwige dagen
zou ze die kies bij zich dragen.
DE ARTS WASTE zijn handen. Onder
getekende wankelde met een akelige maag
naar buiten en het slachtoffer spoelde
zachtjes kermend met de jodiumoplossing,
De Grange-bioscoop in Londen heeft
mevrouw Flora Poltock uitgeroepen tot
„klant van het jaar". De 79-jarige mevrouw
heeft deze onderscheiding zeker verdiend.
Vorige week schatte zij, in 1960 ongeveer
4.500 voorstellingen gezien te hebben, het
geen betekent dat zij sommige films 18
maal gezien heeft. De onderscheiding be
staat uit een doorlopend gratis toegangs
bewijs en een speciale logeplaats, die
„Flora's zetel" gedoopt is.
Mevrouw Poltack zei dat zij vorig jaar
364 dagen „naar dè film" is gegaan „de
365ste was het eerste kerstdag en waren
ze gesloten".
(Van onze correspondent)
ROME HEEFT SEDERT
nier jaren geen openbare t?j-
bliotheek meer. Dat wil zeg
gen, het gebouw is er nog wel
en ook de boeken, maar zij
zijn ontoegankelijk. De oude
bibliotheek „Vittorio Ema-
nuele", gehuisvest in de vroe
gere pauselijke universiteit,
het „Collegio Romano", ont
vangt volgens de wet van alle
boeken, tijdschriften en dag
bladen, die in Italië worden
gedrukt, één exemplaar. Het
toch al zo rijke boekenbezit
van de in 1860 opgeheven
kloosters, dat het oude fonds
van die bibliotheek uitmaakt,
groeit dus elke dag met
enkele honderden kilo's. Het
aantal boeken bedraagt ruim
tweeënhalf miljoen en ten
slotte is het gewicht zo toe
genomen, dat het gebouw op
instorten staat. In 1939 kwa
men de eerste alarmerende
berichten over de slechte
staat der oude muren. In 1950
hoopte men met wat voor
lopige reparaties de zaak nog
een tijdje op gang te kunnen
houden. Vijf jaar later vielen
in de grote leeszaal gedeelten
van het plafond naar beneden
zodat een lezer onder het puin
werd begraven. Kort daarop
sloot de oude bibliotheek voor
goed haar deuren. Er moet
een nieuwe komen. Zulke
dingen duren in Rome heel
lang. In 1950 heeft de gemeen
teraad terrein aangewezen
voor een nieuwe concertzaal
ter vervanging van het door
Mussolini in een onbedacht
zaam ogenblik gesloopte
„Augusteum"Er zijn tien jaar
verstreken en het terrein is
bedekt met noodwinkels en
autogarages. De eerste steen
voor de concertzaal is nog niet
gelegd en „voorlopig" huurt
de gemeente een concertzaal,
die eigendom is van het Vati-
kaan. Met de bibliotheek zal
het wel niet veel sneller gaan.
HOEWEL HET LAATSTE
WOORD nog niet gesproken
is, mag men toch aannemen,
dat die bibliotheek zal komen
op de plaats waar de preto-
rianen, de lijfwacht der oude
Romeinse keizers, hun kazer
ne hadden. Een eigenaardig
lot wil, dat die plaats opnieuw
kazerne geworden is, eerst
van de pauselijke, sedert ne
gentig jaar van de Italiaanse
troepen. Nog altijd heet dat
deel van Rome: „Castro Pre-
torio". Voor ons Nederlanders
heeft die plaats historische
betekenis, omdat een groot
deel van dé pretorfanen Uit
onze streken afkomstig was.
Vooral de Batavieren worden
herhaaldelijk als trouwe
wachten des keizers vermeld.
In een straat aan de voet van
de Janicülus, de Via dei For-
naci, kan men nog heden, in
gemetseld in de muur van
een villa, twee grafstenen zien,
die de namen vermelden van
Bataafse pretorianen uit de
tijd van Tiberius. Wij weten
niet, of Couperus dit heeft
geweten, vermoedelijk niet,
anders zou men in zijn „Berg
van Licht", waarin de preto
rianen een belangrijke rol
spelen, allicht eens een Bataaf
vermeld vinden.
ZAL MEN BIJ HET graaf
werk, dat aan de bouw van de
bibliotheek vooraf moet gaan,
belangrijke vondsten doen?
De oudheidkundigen betwijfe
len het. Natuurlijk is er de in
drukwekkende stadsmuur van
Aurelianus, een muür dus uit
de derde eeuw, die aan drie
zijden het oude castrum om
geeft. Die muur ziet men ook
nu aan de buitenkant. Op het
terrein van de kazerne zijn
allerlei bouwsels tegen die
muur opgetrokken, zodat de
indruk veel minder groots is.
Natuurlijk zullen die gebouw
tjes worden gesloopt en het is
te hopen, dat die bewaard
blijven.
KEIZER TIBERIUS liet in
het jaar 23 na Christus op
raad van zijn prefect Seianus
dit enorme kamp voor de pre-
toriaanse cohorten bouwen.
In die eerste tijd waren er
negen cohorten, ongeveer 9000
man, ondergebracht; later
groeide hun aantal tot 13.000.
Het legerkamp, want als zo
danig moet men het beschou
wen, meet 430 X 371 meter en
heeft de vorm van alle Ro
meinse legerkampen, met dit
verschil dat hier geen tenten
waren opgeslagen, maar zeer
solide bouwsels in baksteen.
Twee hoofdstraten, de „Car-
dus" en de „Decumanus"
kruisen elkaar rechthoekig en
op dat kruispunt moet het
pretorium, de zetel van de
prefect, zijn geweest. Voor het
pretorium was een groot plein,
het „Forum Castrense" en het
is daar dat waarschijnlijk de
tempeltjes en kapelletjes aan
de verschillende bescherm
goden der troepen verrezen.
Het is mogelijk, dat daar nog
een en ander van gevonden
wordt. Ook standbeelden van
keizers hebben hier zeer zeker
gestaan, daar bij verschillen
de gelegenheden opschriften
met de namen van de stich
ters dier beelden (officieren)
zijn gevonden. Buiten de
„Castra", naar Rome toe, was
een groot exercitieveld. Oud
heidkundigen uit de vijftiende
en zestiende eeuw vermelden
verder een triomfboog, gewijd
aan keizer Gordianus (239-
'::wï y
Onderdeel van de oude stadsmuren van Rome
(272-279 na Christus).
244). Dat die boog bestaan
heeft is zeker, want er zijn
ornamenten van gevonden in
1872.
VAN DE VOORNAAMSTE
vier toegangspoorten tot het
legerkamp zijn er drie min of
meer bewaard, maar ze zijn
dichtgemetseld. Toen keizer
Aurelianus in de jaren 272 tot
275 de machtige stadsmuren
van Rome bouwde, muren die
negentien kilometer lang zijn
en hoewel de toerist er door
gaans weinig aandacht aan
wijdt, het grootste monument
vormen van de Romeinse oud
heid, werden er reeds twee
gesloten. Een derde in de
vierde eeuw, terwijl de voor
naamste ingang waarschijnlijk
werd gesloopt toen het hele
terrein, waar eenmaal de kei
zerlijke garde gehuisvest was,
door de Paus werd geschon
ken aan de jezuïtenorde, die
er onder de naam „Macao",
herinnering aan een plaats
waar zij eenmaal het evange
lie hadden verspreid, een mis
sieschool stichtten. Later, toen
de jezuïtenorde tijdelijk werd
opgeheven, verviel het terrein
weer aan de pauselijke staat
en tegen het einde van de
achttiende eeuw werden er
opnieuw kazernes gebouwd,
die eerst voor de pauselijke
troepen hebben gediend en nu,
tot op deze dag. Italiaanse
soldaten huisvesten.
DIE KAZERNES zullen
worden ontruimd en gesloopt,
Het is tamelijk zeker, dat er
dan een begin kan worden ge
maakt met de bouw van de
nieuwe bibliotheek, hoewel er
nog tegenwerking is, vooral
van de zijde van het ministe
rie van Defensie. Minister
Andreotti zou ereen sta
tion voor hefschroefvliegtui-
gen willen zien in verband
met het feit, dat het ministe
rie van Luchtvaart niet ver
van die plaats gelegen is.
Maar de universiteitsstad is
er ook vlak bij en dus mogen
wijhopen, dat voor één keer
de culturele belangen eens
vóór zullen gaan.
HET OUDHEIDKUNDIG
onderzoek van het terrein
moet in ieder geval vooraf
gaan aan onverschillig welke
bouwactiviteit. Gaat men een
maal de grond omwerken met
de moderne bulldozers, dan
blijft er van eventuele antie
ke resten niets over. Dat oud
heidkundig onderzoek behoeft
trouwens niet zo heel lang te
duren. Deskundigen verzeke
ren ons, dat zij in zes, zeven
maanden met hun werk ge
reed kunnen zijn, tenzij er na.
tuurlijk heel belangrijke din
gen worden gevonden, wal
niet waarschijnlijk is. Ook in
de oudheid hadden kazernes
geen mozaïekvloeren en wand
schilderingen.