a en boekenbboeken 1 KAREL APPEL IS TERUG IN PARIJS m iflr 11 immmm wwmm Pockets, pockets, i Maltezer orde heeft in Rome een eigen staatje „Doen alsof" Vw Litteraire Kanttekeningen een nieuwe roman door Adr. van der Veen ZATERDAG 7 JANUARI 1961 Erbij PAGINA DRIE 7 k HM ONZE TUIN- EN KAMERPLANTEN MAG MEN, vraag ik mij af, nu zo maar boudweg beweren dat een pocket geen boek is, maar, als uitgave beschouwd, een bundel bedrukt en bijeengevoegd papier, voorzien van een kleurig en soms keurig omslag, uiterlijk niet veel verschillend van catalogi van gerenommeerde zaad handels, spoorboekjes of handleidingen bij het gebruik van elektrische gebruiksvoor werpen (c.q. televisie-apparaten) en der gelijke? Mag en moet dat nu zo gezegd worden? Ik heb wel eens zoiets horen ver luiden, maar gaan zulke doordravers niet te ver? Ze zien blindelings voorbij aan een van de aantrekkelijkste aspecten van de pocket als zodanig: aan het decoratieve element, dat mits met enige smaak be nut mèt het metalen boekenrekje of anderszins het binnen-architectonische aanzien van de flatwoning niet weinig ver mag te verhogen. Een pocket is nu wel bedoeld voor de „pocket", maar daarbui ten is hij toch ook niet te verwerpen. In tegendeel. Men vergete niet, dat de pocket als vorm van bezit en vertoon het pres tige verhoogt: menigeen heeft zijn zelfver trouwen en kordaatheid van optreden aan het zichtbaar dragen, subsidiair ter be schikking hebben, subsidiair vertonen van een pocket te danken. En daar komt dan nog bij dat de pocket-erudieten, in ieder geval belezen personen kweekt, die de we reldlitteratuur voor een tiende (van hun maandsalaris) in de zak hebben. Dat zegt iets. Het zegt dat de „groten" over bodig hen te noemen (de schrijvers, be doel ik, niet de pockets) voor zo goed als een habbekrats binnen ieders bereik liggen. Men kan de bewering gerust staan de houden dat dank zij het offer van vijf maal een sigaar, vier maal een borrel of een half paar nylons „Anna Karenina" en „De Woeste Hoogte" gemeengoed der na tie zijn geworden en dat A. Roland Holst tot de bestsellers is gaan behoren. Het cultuurniveau is dan ook in luttele jaren met sprongen, die gelijke tred houden met de omzet van televisietoestellen en de fre quentie van verkeersongevallen gestegen: men kent tegenwoordig zijn Vestdijk, Cor- sari en Rodenko. Wie had dat een halve eeuw geleden kunnen en durven voorspel len? Niemand. Nog onlangs, tijdens één treinreis van twee uur, mocht ik in de handen van niet minder dan vijf reizigers een pocket ontdekken: tweemaal een Jan Mens (welke titel het was is me ontscho ten, maar het was een Mens), eenmaal een Willem van Iependaal, en voorts nog één Dostojewski en één Hemingway. Dat heeft me tot nadenken gestemd. Men moet daar niet gering over denken: in 1959, las ik, zijn er twaalf miljoen pockets omge zet een haast onvoorstelbare cultuurto ren dus en daarvan is heus wel wat gelezen. Dat record zal einde 1960 zeker nog zijn geslagen: het is de pocket aan geboren zichzelf te overtreffen, pockets roepen als het ware pockets op. En als men dan bedenkt dat een derde deel van de pocketproduktie uit litteraire werken bestaat, zal men zich wel hoeden voor de uitspraak dat onze litteratuur geen volks bezit is. Verre daarvan immers: twaalf miljoen, dat is zoiets als een boek de man een simpel rekensommetje dat de sug gestie opdringt, hoe na we eindelijk toe zijn aan alom geplaatste pocket-automa ten, pocket-stations of (moge die tijd niet ver meer af zijn) pocketaria's: één gul den en twee kwartjes in de gleuf en men heeft zijn Shakespeare, zijn Leslie Char- teris, ten einde zijn leeshonger of woe dend hamstercomplex te bevredigen. Dat is een winstpunt dat ik niet graag gering zou aanslaan. Vraag een lezer van hon derd jaar geleden eens naar De Génestet: tien tegen een dat hij verwijst naar het Rozenprieel. Nu kennen hele stadswijken hun Mulisch. ER ZIJN ik ga, in de greep nog van de Pocketgids-1960, nog even op het pocketchapiter door er zijn natuurlijk mooie en lelijke pockets. De mooie zijn vaak het lelijkst, want ze schijnen meer dan ze zijn. Maar de lelijke, de oprechte en rond-uite pockets, daar moet men het van hebben. Geen bladzijde verloochenen ze met druk en papiersoort hun afkomst en bestemming: in massa te zijn vervaar digd en in massa te worden verslonden. Want dat is het sociologische aspect van de pocket: hij is van de tijd, hij draagt zijn drukje bij tot de collectiviteit, waar naar het individu hunkert om er zich blin delings en blijmoedig in te kunnen storten. Dat is een reden te meer om eens te bedenken wat er alzo en dan doe ik nog maar een wilde greep aan het ont staan van zo'n pocket voorafgaat, afge zien van het aandeel dat de auteur er in 1 7 1955 van Michel van der Plas, de roman Mevrouw Mama door Esteban Lopez en een bundel „Schrijversdebuten" één voor één boeken, die weer door hun wijze van uitvoering doen geloven aan de toe komst van het boek, dat men, zonder nu een verfijnd bibliofiel te zijn, in handen neemt met het gevoel, behalve iets waar devols ook iets moois te bezitten. Over „Schrijversdebuten" nog een enkel woord Deze bundel bevat uitspraken van bijna zestig Zuid- en Noord-Nederlandse auteurs over hun entree in de litteratuur autobiografische beschouwingen, die in „Het Vaderland" verschenen en in dit boekdeel voor het eerst werden verza meld. Deze uitgave is afgezien van zijn boeiende inhoud alleen al van betekenis omdat onze litteratuur opvallend arm is aan gedrukte proeven van mededeelzaam heid van auteurs over hun leven en werk. Vrijwel uitsluitend onder de druk van een interview (d'Oliveira, 's-Gravesande) heb- heeft als (verhoudingsgewijs) „quantité négligeable". Wat een problemen! Wat leent zich tot pocket en wat niet? Raakt de pocketmarkt weldra verzadigd en zoja, wat dan? Hoe reageert een verschuiving van het loonpeil (kinderbij- of afslagen en zo) op de vraagcurve en hoe een ongunsti ge wending te ondervangen? Moet men, mag men, zonder de pocketlezer al te zeer voor het hoofd te stoten, in de litteraire geschiedenis terugtreden tot bij voorbeeld Tollens en De Oude Heer Smits? Wat is bij omvangrijke werken als, om maar iets te noemen, een complete Cats, het klein ste korps dat nog door de beugel kan of, omgekeerd het grootste lettertype dat nog kan worden aangewend zonder dat de le zer het onpleizierige gevoel bekruipt geen waar voor zijn geld te hebben gekregen? Het omslag doet natuurlijk veel: driekwart meter pocket in het vierkant slaat de aan koop van een schilderij met stukken (wel beschouwd een overbodige opmerking: wie koopt vandaag de dag, tenzij voor een appel en een ei, een origineel schilderij, waar er zulke voortreffelijke reprodukties aan de markt zijn dat de zonnebloemen en maaiers van Van Gogh vrijwel huis aan huis prijken?). EEN POCKETKANT verdient tenslotte nog gereleveerd te worden: dat geen koper zich ook, hoe dan ook, bekocht kan voe len. Ik bedoel niet zozeer dat pocketkopen nu juist tot pocketlezen zou verplichten men moet de suggestieve macht van het aanbod nu ook weer niet overschatten; ik wil er alleen maar mee zeggen dat elke pocketaankoop een potentieel weggevertje inhoudt. En geven is goed: it blesseth him that gives and him that takes. Kortom: de pocket is weldadig voor de instandhou ding en verspreiding van het culturele goed (erfgoed zowel als cultuuraanwinst). Is het nu zo, dat het dilemma ligt tussen gemiddeld een daalder (per pocket) en ge middeld een tientje (per boek)? Neen, zo is het nu ook weer niet. Kortgeleden heeft de Uitgeverij A. A. M. Stols-J. P. Barth met een zestal uitgaven een serie geopend, die ook naar uiterlijk een boek biedt: „De Blauwe Distel", verkrijgbaar tegen een vooroorlogse prijs en charmant van uit voering. Deze bandjes hebben me doen denken aan de tijd dat een boek een boek werk was. William Morris droomde daar van en Walter Crane. En wij hadden onze Zilverdistel, we hadden onze De Roos en onze Van Krimpen. Befaamde letteront werpers zijn er (gelukkig) nóg: Helmuth Salden en S. L. Hartz bijvoorbeeld. Het is maar, dat de pocket wat aan de krappe kant is met zijn esthetische mogelijkheden. DE BLAUWE DISTEL-SERIE nu laat het uitgeversbloed kruipen waar het niet gaan kan: een boek te presteren tegen twee- a driemaal een pocketprijs. Als eer ste stel verschenen er herdrukken van Marnix Gijsen (De Vleespotten van Egyp te), Jan Greshoff (Verzamelde Gedichten) Ida Simons (Een dwaze maagd), voorts een bundel gedichten uit de jaren 1945- ben Nederlandse schrijvers wel eens „iets" losgelaten over hun schrijverschap. Hier nu kan men in de eigen amateurswoorden vernemen wanneer en waar en hoe deze litteraire comparanten debuteerden het geen van niet gering historisch belang is en soms ook waaróm ze debuteerden, waarom ze gingen en bleven schrijven hetgeen van essentieel belang is en veelal karakteristiek voor de habitus en het werk van de betrokkene. Deze „bekentenissen" variëren van „puur plezier" (Ina Boudier Bakker) en openlijk plagiaat-in-schoolver- band (Gaston Burssens) tot „bij ingeving" (Jeanne van Schaik-Willing) en „als ma nier van leven" (Anthonie Donker); van zoiets als erfelijk-latente en plotseling acuut geworden belasting (Karei Jonck- heere) en „kleuren, geuren en klanken" (Pierre Kemp) tot „uit een ontwakend bewustzijn iets te zeggen te hebben" (Al- bert Besnard)" en „uit drang" (Johan Daisne). „Schrijven", verklaarde Pierre H. Du bois in zijn essay-bundel „Voor eigen reke ning", „is een vorm van bestaan". Mis schien zouden de meeste schrijvers dat wel onderschrijven: men schrijft immers niet om te getuigen, men getuigt door te schrijven: „kunst is waarheid", zei Tho mas Mann, „de waarheid omtrent de kun stenaar". Deze bundel bevat, schrijvers ijdelheden inbegrepen, veel waarheden. Dat één van deze debutanten ooit iets ge schreven zou hebben om een uitgever aan kopy te helpen, heb ik er niet uit kunnen lezen. Zelfs niet dat één van hen de stille hoop koesterde, ééns nog in pocket-for maat te mogen verschijnen. C. J. E. Dinaux (Van onze correspondent) PARIJS. De Nederlandse schilder Karei Appel is dan toch eindelijk weer terug op honk. Zijn honk is Parijs. Nog wat nauwkeuriger bepaald: een lang ate lier boven een voormalig koetshuis dat hij zelf verbouwde en dat Karei, nu de werkdrift hem weer te pakken heeft, niet gemakkelijk komt te verlaten. Met zijn schone echtgenote Machteld, mannequin in een groot Parijs modehuis, zitten ze hier wel goed verscholen in een achter tuin en als je er nooit eerder geweest bent dan zal je ze de eerste keer hier ook moeilijk ontdekken. DE APPELS zijn wat langer weggeble ven dan oorspronkelijk in de plannen lag, maar sinds het vorig jaar hebben ze dan ook heel wat gezien en meegemaakt. Bij aankomst in New York had Karei direct maar een auto gekocht die hij bij zijn vertrek bij een kennis achterliet en zo hebben ze een flink brok van de Ver enigde Staten en van Mexico doorkruist. Fijn land. zegt hij, welke bondige karak teristiek door zijn vrouw wordt geïllu- Kamerplanten ma ken in de donkere en lange winter een moeilijke tijd door; niet alleen dat er niet voldoende licht en zon zijn, doch ook de temperatuur is veelal te onregelma tig en ook de atmo sfeer is voor hen veel te droog en vooral het laatste kan hen veel blad doen ver liezen. In een nor maal verwarmd ver trek zal men dus niet-bloeiende plan ten eigenlijk dage lijks moeten be sproeien, doch doe het niet met koud leidingwater; het moet beslist lauw zijn. Ook met het gieten moet men in deze tijd van het jaar voorzichtigheid be trachten; er mag ook beslist niet met koud water zo uit de kraan gegoten wor den; doe liever eerst een scheut warm wa ter door het koude heen; het mag heus wel lauw aanvoelen en voor vele planten mag het zelfs lauw warm zijn. Denk er om dat de planten nu niet met de blad- Lj:,™, streerd met de verwijzing naar een talrijke collectie poppetjes en speelgoedjes „voor een kwartje had ik een hele mand vol" die ze van een oude Mexicaan heeft ge kocht en die aan Hongaarse folklore doen denken. En je nieuwe onderscheiding Karei? Had je die prijs verwacht?, zo dacht ik naar een bekende weg te vragen. HELEMAAL NIET. Alle landen had den drie schilderijen ingezonden en van mij had Sandberg een doek gestuurd uit een particuliere verzameling. Sandberg zat ook in de jury, maar toen we de vorige avond met hem aten, heeft hij zijn mond met geen letter voorbijgepraat. Erg knap, een geheim zo goed te kunnen bewaren. Hoe ik 't dan te weten ben gekomen? Er lag een telegram in ons hotel. Stond iets op van een „award". Weet ik veel.... en toen heb ik de volgende ochtend opgebeld naar het museum. Vroeg ze wat ze van me wilden, en toen zeiden ze door de telefoon iets als „prize"net als ze dat woord in Amsterdam uitspreken. Nou, en toen be greep ik 't natuurlijk ook. Er was een feestje, maar daar ben ik niet lang ge bleven, en ze hebben me van alle kanten geïnterviewd." HIJ VINDT NEW YORK óók een fijne stad en hij is van plan in het atelier dat hem door zijn kunsthandelares ter be schikking is gesteld in het vervolg ieder jaar een paar maanden te gaan wonen en werken. „Naast New York doen alle andere steden, en Parijs ook. zo ouderwets aaan," vindt Appel. „Alles loopt daar veel glad der. Je voelt dan pas hoe er in de twin tigste eeuw eigenlijk moet worden ge leefd. Maar hier in Parijs ben je toch wat vrijer en daarom zit ik ook wel weer lekker hier. Alleen ben ik hier uitgegroeid. Mijn atelier is me veel te klein geworden," zegt de schilder die over de lengte hier altijd nog wel zo'n twintig passen maken kan, maar die dan ook meer aan zijn doeken dan aan zichzelf denkt. Hij had in een der muren al een nieuwe deur aange bracht om zijn forse schilderijen te kunnen evacueren. Maar hij zou zijn doeken in nog veel geweldiger afmetingen te lijf willen gaan. EN ZO MAKEN WE dan de afspraak in Karel's nieuwe sportauto die hij van het geld van zijn Guggenheim-prijs heeft ge kocht, een volgende zondag eens het platte land in te suizen waar hij een hangar met de proporties van de Parijse Opéra weet te staan, die de eigenaar wel zou willen verkopen. We zullen zien wat het wordt, maar benauwd zou Karei Appel zich daar tenminste niet meer hoeven te voelen. WANNEER DE BEZOEKER van Rome een wandeling maakt door de ele gante Via Condotti passeert hij een soe vereine staat zonder het zich bewust te zijn. Vatikaanstad is welbekend als on afhankelijke staat binnen de Italiaanse republiek, evenals het midden-Italiaanse staatje San Marino, kleinste en oudste republiek ter wereld. Maar er zijn maar weinig mensen die de derde onafhanke lijke staat op Italiaans grondgebied ken nen, de staat van de Soevereine en Mili taire Orde van Malta. De Soevereine Orde van Malta S (ovrano) M (ilitare) O (rdine) di) M (alta) heeft haar hoofdstad, en enige grondgebied naast een villa op de Aventijnse heuvel, bij de beroemde Spaanse trappen. IN HET VIER verdiepingen tellende pa leis woont een veertigtal mensen. De Soe vereine Orde van Malta, waarvan de ge schiedenis teruggaat tot de kruistochten, onderhoudt diplomatieke betrekkingen met een twintigtal landen. De auto's van haar „burgers", hebben eigen nummerborden en zij heeft een eigen luchtvloot van veer tig vliegtuigen. De orde werd gesticht in 1048 ten tijde van de eerste kruistocht. De eeuwen door heeft zij haar soeverei niteit in dienst van het Christendom be waard, en is zij in het bezit gebleven van eigendommen in Jeruzalem, op Rho des, Sicilië en Malta, waaraan zij haar naam ontleent DE RIDDERS van „Smom", zoals de Italianen zeggen, behielden hun kastelen op Malta tegen een aanval van de Turken in de zestiende eeuw. Daarna stelden zij zich beschikbaar voor hulp aan de Paus, Frankrijk, Spanje en andere christelijke Europese naties, ter vernietiging van de Ottomaanse vloot in de slag van Lepanto. In 1833 vestigde de Orde van Malta zich in Rome en kreeg zij over haar paleis aan de Via Condotti en de villa op de Aventino extraterritoriale rechten als soe vereine natie. De Orde van Malta onder houdt diplomatieke betrekkingen met de Heilige Stoel, Italië, Spanje, enkele Zuid- amerikaanse en andere specifiek katholie ke landen. Legaties van deze staten heb ben hun kanselarijen in het paleis aan de Via Condotti, samen met de ministers van de Orde. NU ER GEEN OORLOGEN ter verde diging van het christendom meer te voe- Vorig jaar is prinses Beatrix onderschei den met het Grootkruis met Lint van de Soevereine Militaire Orde van Malta, waarmee zij werd opgenomen als eredame Grootkruis in deze orde, Nederlandse af deling. De foto geeft een goed beeld van het rijke tenue der Maltezer ridders (van links naar rechts mr. H. L. F. M. baron van Hövell van Wezefeld en Westerflier, coadjutor-schatmeester van de orde mr. E. L. M. H. baron Speijart van Woerden, baljuw-president van de orde mr. E. H. J. baron van Voorst tot Voorst en dr. S. F. C. A. M. baron van Wijnbergen). punten tegen het glas staan; ze zullen last krijgen als het hard vriest; of ze bevriezen helemaal of ze krijgen allemaal dode blad- punten. Bloeiende planten en planten die nog steeds bloemknoppen vormen dient men ook in de winter te bemesten; ze kunnen elke week een beetje opgeloste kamerplantenmest hebben. IN ZIJN NIEUWE RÖMAN „Doen als of" schrijft Adriaan van der Veen over de onmacht van enkele mensen om authen tiek te bestaan. Er zijn twee hoofdfigu ren, het meisje Ida en de journalist-litte rator Dolf. Beiden leven in een sehijnhou- ding om een crisis met zichzelf te voorko men en dat betekent dus een verschuiving van de crisis. „Doen alsof" speelt in Ro me met flash-backs naar Nederland. Ida heeft op jeugdige leeftijd haar vader ver loren. Dit verstoort haar relatie tot de werkelijkheid, „ze is er niet bij". Het „on betrokken" meisje speelt zich de werke lijkheid voor zoals ze die wil. Ze troost haar moeder, ze wordt door een Engelse militair vriend van haar moeder ver leid, ze gaat in Amsterdam in een boek winkel werken en leert er de schrijver Dolf kennen. Deze breekt, tijdens de ver houding die ontstaan is, als een psychia ter haar schijnwereld af en als hem dat gelukt is wil hij wel weer van haar af. Maar hij heeft niets terug te geven voor wat hij haar ontnomen heeft. Deze Dolf is een man, die het niet laten kan be grip te tonen aan alle kanten hij heeft een „demonstratief begrip voor wel ke menselijke situatie ook". Hij zweert bij een onbarmhartige waarheidsliefde. Hij bezweert zijn bestaansonmacht door die van anderen en die van „de wereld" te analyseren, en is bereid zichzelf daarbij in te voegen. Maar hij hantéért zijn on barmhartige eerlijkheid met zichzelf, hij bèspeelt zijn eigen waarheid, die daar door in strijd met haar wezen on- dergeschikt wordt aan zijn eigenliefde, zijn „doen alsof" met zichzelf. Zoals iemand genietend van zichzelf kan zeggen „ik ben een schurk" om door het uitspre ken van die waarheid vrij spel te hebben en aldus van die waarheid een middel te maken om haar te ontduiken, zo gooit Dolf zichzelf in de waagschaal, die hij zelf ijkt. IDA EN DOLF staan onecht in het le ven. Ida is door Dolf bevrijd van haar schijnbestaan maar is thans „gevuld met niets". Zij heeft echter haar vermogen be houden de werkelijkheid naar haar hand te zetten; ze is haar trauma wel kwijt, maar heeft de techniek ervan overgehou den. In Rome waar Dolf haar voor va kantie heen heeft gestuurd en waar hij zich later bij haar zal voegen valt zij willoos in de handen van een domme bruut, de Vlaming Leo, die haar verkracht en later, voor het louche bendetje waar hij toe behoort, exploiteert. Maar door zich te laten exploiteren door deze gele genheidssouteneur, gebruikt zij tevens hém, om „het onnoembare te verbannen, haar op te vullen als ze angstig leeg was". Ze is door Dolf ontledigd, ze draagt de dood in zich, zij is geraakt „door het lij- kenlicht op de heuvels bij Rome". „Leo, de domste onder de dommen, moest nu voor haar beslissen, hij die door het toe val binnen haar bereik was. Zelf kon ze niets ondernemen". Zij gebruikt hem, die op zijn beurt denkt haar te gebruiken met het dreigement: „Anders breek ik je poten". Ze heeft macht over deze „huf- ter" en denkt: „Wie breekt nu eigenlijk wiens poten?". Ze maakt een hele toe stand a La Dolce Vita mee: souteneurs, prostituées, homosexuelen, lesbische vrou wen, de hele erotiek-commercie waarin decadente rijkdom en verpauperd uitschot elkaar vinden. De gealarmeerde, want „afgeschreven" Dolf komt vrij haastig na drie dagen Parijs over. In Rome weet hij een wezenlijke menselijke betrok kenheid bij haar situatie weer te ontdui ken, door haar toestand terstond te ana lyseren en te begrijpen, om vervolgens weer gewoon en prettig als een echte toe rist met haar zijn „Roman Holidays" te gaan hebben. Maar Leo komt Ida's ka mertje binnen en stampt en ranselt Dolf naar buiten, die nog roept: „Jezus, man, laat het me uitleggen, het is allemaal een misverstand". „Zijn stem klonk gejaagd ren zijn, heeft de orde zich ingesteld op hulp aan slachtoffers van rampen en aan zieken. Over de hele wereld bezit zij zie kenhuizen en klinieken en opleidingsinsti tuten voor haar verplegend personeel. Het is hierom dat de Smom een luchtvloot on derhoudt: voor het overbrengen van zie ken, slachtoffers van rampen en verple gend personeel. De toestellen zijn te her kennen aan het Maltezer kruis op de romp. De grootmeester van de tylaltezer Orde, een ambt dat sinds de doodvan prins Chigi Albani della Rovere vacant is, mag aanspraak maken op de titels eminentie en prins van het Heilige Roomse Rijk. Hij staat in rang gelijk met een kardinaal. en beschaafd, die van de intellectueel wie onmogelijke dingen overkomen". IDA ZOEKT nu een overbeschaafde Hol landse toerist op, die zij enkele dagen ge leden in een K.L.M.-kantoor heeft ontmoet. Dolf is verdwenen, hij heeft een briefje geschreven: „Je hebt me erin laten lopen, je begreep wat er zou gebeuren, je wist het vantevoren". Dolf, altijd „godsgruwe- lijk stinkend van begrip", faalt nu hij zou moeten begrijpen dat de door hem uitgeholde Ida niéts van tevoren wil of ziet. De redder faalt als hij redden moet. Hij is de man die weet dat het de mensen eigen is leed te moeten verduren, hij kent de menselijke onmacht, weet dat er niets te gen te beginnen is, maar hij begrijpt niet hoe die onmacht en dat leed gelééfd moe ten worden; hoe alle begrip voor en inzicht in hef menselijke tekort de bestaanswer kelijkheid niet kunnen neutraliseren. Ida zal door haar rijke toerist gekoesterd en beschermd onaangeraakt naar Hol land worden teruggebracht. Hij is een man van de daad; door hem zit Leo al achter slot en grendel. Ida huilt in de vertroos tende armen van haar redder, „maar ze wist niet waarom en om wie; het kon toch niet om Leo zijn". Met deze woorden ein digt het boek. Ida huilt om Leo omdat deze domme bruut van haar hield en haar bestaansleeg- te heeft gevuld. Hij is de enige die niet „deed alsof", daar was hij te stom voor. Zijn simpelheid heeft de authenciteit van zijn gevoelens onaangetast gelaten. Dit is dan in het kort het verhaal van de bijna 200 dichtbedrukte pagina's. De ro man is genuanceerd verteld. De perso nen worden in deze rolprent psychologisch fijn vertakt weergegeven. De auteur Dolf, die zich afvraagt of er iets in de werke lijkheid bestaat dat méér dan materiaal voor hem is en in de roes leeft van trots om zijn waarheidsliefde, het meisje Ida dat zich overgeeft aan de vertwijfelingsroes van haar bestaansleegte, de roes van het dolce vita van de Romeinse decadentie, de roes van overbeschaafde doortastend heid van de redder, de Hollandse toerist zij zijn allen mensen die doen alsof. Zo als Ida zegt: „Ik doe alsof, het zijn alle maal maar gebaren die ik maak". Tot Dolf zegt ze: „En dan zeg jij dat ik mijn leven niet moet verpesten. Dat moet ik dan eerst hebben om te verpesten". HET VERHAAL IS DUS een beschrij ving van menselijke onmacht, een voor treffelijke registrering, scherp uitgewogen, goed verteld. Maar het betreft niet de menselijke onmacht waar alle kunst de bezwering of de verheffing van is. „Doen alsof" betreft menselijke onmacht in ver momming, verdubbeld in onnatuurlijke projectie, een onmacht die zélf „doet als of" omdat zij een schijngestalte is van die welke de mens „een paradijslijke or de" (Van der Veen) verhindert. Van der Veen toont ons enkele mensen die op hun specifieke wijze onecht leven. Men kan ontelbaar veel gevallen uit de psycholo gische of psychiatrische casuïstiek er naast zetten, even boeiende, modieuze en uitvoe- (Vervolg zie pag. 4)

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 13