het verleden der
fameuze pretwijk
m
NIEUWE BOEKEN
OVER MUZIEK
pi
te..-
■f
m
officiële „pierementelogie" van mr. Romke de Waard
I
v^MhaÊÊÊM
Jos. de Klerk
MONTMARTRE
r u/c. JlU.
S-- XOMV T'
Xavier Privas, naar wie één van de
smalste straten van Parijs is genoemd,
onderscheidde zich vooral door z'n
romances, waarvan „La chanson des
heures" tegen de tand des tijds bestand
bleek. (Tekening van Jean Tild, 1006)
De al uit 1899 daterende uitspraak van
Georges Montorgueil „Montmartre's roem
is in zekere zin Montmartre's ondergang"
staat dan ook aan het begin en aan het
einde van deze kostelijk uitgegeven Ooie
vaar.
Niet alleen frivool
AFGEZIEN VAN DIE BEDENKINGEN
van secondaire betekenis kan het boekje
van Rits Kruissink slechts geprezen en
zijn verschijning toegejuicht worden.
Montmartre is immers voor heel wat
Nederlanders weliswaar meer dan een met
frivool synoniem begrip, de betekenis van
deze broedplaats van de Latijnse geest
voor de ontwikkeling van kleine en grote
kunst in het laatste geval uiteraardivoor-
namelijk de schilderkunst is hier te
lande vrijwel onbekend. Men mag van ge
luk spreken dat er nu eindelijk een be
gaafde amateur is ontdekt die de boeien
de geschiedenis van het achttiende arron
dissement van de Franse hoofdstad mee
slepend vertelt en dat de uitgever er blijk
baar zo door werd geanimeerd dat hij de
tekst met een overvloed van reprodukties
liet illustreren en desondanks deze fraaie
uitgave voor nog geen drie gulden op de
markt wierp. Voor Nederlanders is het
werkje trouwens dubbel interessant omdat
„MONTMARTRE IS NIET MEER
wat het geweest is. Ach, als je het échte
Montmartre gekend had, dat van Degas,
van Toulouse-Lautrec, van Renoir
Of dat van Le chat noir en Le Mirliton,
van Aristide Rruant en van Yvette Guil-
bertHet behoort al vele jaren tot
de goede toon om over de Parijse ver-
maakswijk bij uitnemendheid te spreken
als over een betreurde dode waarvan de
erfgenamen en opvolgers er maar niet
in kunnen slagen door eigen verdiensten
de dierbare herinnering te doen ver
vagen. Integendeel: die nakomelingen
zijn slechts bastaarden en renegaten die
niet in de schaduw kunnen staan van
hun voorgangers. Het enige bezwaar dat
wij te berde kunnen brengen tegen het
overigens alleraardigste boekje van Rits
Kruissink „Montmartre", Van Tempel tot
tingeltangel" (Ooievaarreeks, Bert Bak-
ker-Daamen, Den Haag) is dan ook, dat
het 't praatje over Montmartre's ver
slonzing verder vertelt alsof er geen
Theatre de Dix-Heures, geen Lune
Rousse, geen Deux-Anes, geen Patachou
bestaat.
VOOR KRUISSINK eindigt de historie
van Montmartre bij Utrillo. Het tekort
aan waardering voor de huidige marte
laarsberg wordt ruimschoots goedgemaakt
door het kennelijke plezier en wat belang
rijker is, de opmerkelijke kennis van za
ken, waarmee de auteur in het dage
lijks leven directeur van het Zuidermu
seum te Enkhuizen Montmartre's uit
bundige artiestenleven heeft beschreven.
Dat hij daarbij het accent op de negen
tiende en de eerste jaren van de twintig
ste eeuw legt heeft wellicht niet alleen iets
te maken met 's mans beroep, maar kan
eveneens worden toegeschreven aan vele
van de talrijke door hem bestudeerde en
geciteerde bronnen, waarin de weemoed
over een afgesloten tijdperk overheerst.
Kr
Lautrec's uitbeelding van Yvette Guil-
bert in haar befaamde „Linger longer
loo".
Steinlen en vooral over Poulbot, de grote
kindervriend. Hij heeft een zeer instruc
tief hoofdstuk gewijd aan Henri de Tou
louse-Lautrec en een aan Suzanne Vala-
don en Maurice Utrillo. Misschien dat hij
voor een Nederlands publiek wel wat te
diep is gedoken in de lotgevallen van som
mige cabarets en danstenten, maar dat
zullen de Francofielen en dat zijn toch
degenen die het meest aan deze uitgave
hebben nauwelijks een bezwaar vinden.
Daar staat tegenover dat figuren als Aris
tide Bruant en Yvette Guilbert wel dege
lijk een groter bekendheid bij het heden
daagse publiek verdienen dan thans het
geval is. Het is ook prettig dat er zoveel
teksten zijn opgenomen van bekende chan
sons, zoals „Le fiacre", „Madame Arthur"
en „La chanson des heures" en dat de ci
taten uit de geraadpleegde litteratuur
steeds duidelijk herkenbaar zijn.
Bovenal is Rits Kruissink erin geslaagd
in zijn gemakkelijk tot een onafzienbare
reeks detail-schetsen te versnipperen on
derwerp die eenheid van stijl en geest te
bewaren waardoor een bijzonder fascine
rend en levend tijdsbeeld kon ontstaan.
Achter de merkwaardige persoonlijkheden
en de curiositeiten van deze weinig vor
melijke samenleving bespeurt men steeds
de onvergankelijke Franse esprit welke
nog altijd sterker is gebleken dan de weer
barstigheden der materie.
J. H. Bartman
Het affiche dat Henri de Toulouse-Lautrec in 1895 voor de chansonnier
Aristide Bruant ontwierp.
SPEELDOOS TOT PIEREMENT"
Henri de Toulouse-Lautrec
de Montmartriaanse cabaretsfeer een tijd
lang tot in Amsterdam merkbaar was:
men denke aan Eduard Jacobs en aan
Jean-Louis Pisuisse.
MEN ZOU ER OVERIGENS verkeerd
aan doen te denken dat Kruissink alleen
oog heeft gehad voor de lichte zijde van
Montmartre's bestaan, al moet wel wor
den gezegd dat de wijk van arbeiders en
middenstanders die Montmartre óók is
vrijwel niet ter sprake is gekomen. Maar
de auteur heeft prachtige bladzijden ge
schreven over de tekenaars Willette,
Links: Yvette Guilbert ten tijde van haar
toneeldebuut.
Rechts: Een foto van de danseres
Jane Avril.
DE PIEREMENTÖLpGIE heeft
haar „codex" gekregen: èen hoek dot
aties omvat wat tot de genealogie, de
structuur, de verhouding tot de muziek
en, niet te vergeten, de rol in het maat
schappelijk bestel van het draaiorgel,
alias „pierement", behoort. Omgekeerd
kan men hiermee nu ook zeggen, dat de
wetenschappelijke term „pierementolo-
giedefinitief gelanceerd en verant
woord gemaakt is. De schrijver van deze
uitvoerige studie is niet enkel een lief
hebber en een kenner, maar men kan
hem zonder overdrijving een „minnaar"
van het pierement noemen. Er is niets
geveinsd in zijn geestdriftig betoog en
men zou hem tekort doen, de door hem
gevonden uitdrukking „pierementoiogie"
als een schertswoord op te vatten. Wij
kennen hem bovendien als „campano-
loog", als beiaardier en enthousiast ani-
1
r
v|f
m - -
mmmï
mater van het. klokkenspel in Nederland;
en wanneer ik bovendien vertel dat hij
in zijn onvrije tijd jurist is, dan is het
haast niet meer nodig te vermelden, dat
zijn naam is: mr. Romke de Waard, want
vjie onder de belangstellenden in deze
branche kent hem nietAan de veel
zijdigheid van mr. Romke de Waard
kunnen wij nu ook nog toevoegen, dat
hij een vlot stylist is; men leest zijn boek
(248 pagina's) „VAN SPEELDOOS TOT
PIEREMENT" als een boeiend verhaal,
zelfs waar het technische bijzonderheden
betreft, die voor iedereen verstaanbaar
uiteengezet en bovendien rijkelijk met
schetstekeningen, foto's enzovoorts ver
duidelijkt worden.
WAT PRIMAIR voor een goed leesbaar
boek geldt, namelijk dat de schrijver het
contact vindt en onderhoudt met zijn le
zers, is hier naar mijn mening bijzonder
goed geslaagd. Maar men merkt het, hij
zit er middenin, voelt zich één met zijn
onderwerp, één met de draaiorgelfabri
kanten, met het verhuurbedrijf, met de
exploitanten, de draaiers, de mansers. Hij
weet precies te vertellen hoe zo'n manser
het moet aanleggen om te trachten zoveel
mogelijk van het voorbijgaaande publiek
te „vangen". Misschien aldus de schrij
ver zou het net iets te veel gevraagd
zijn om van een goede manser te ver
wachten dat hij zoals het pierement
zelf dit zo goed kan doen! de luisteraars
onder een zekere hypnose kan brengen.
Maar wel moet hij op zijn minst een goed
psycholoog zijn. Hij moet, terwijl hij zich
minzaam langs het publiek voortbeweegt,
dadelijk opmerken, of de tinteling van de
ogen der voorbijgangers de ware zij
het wellicht nog onbewuste of door valse
schaamte verdrongen liefde (of passie?)
voor het pierement verraadt!"
IEMAND DIE zo goed. thuis is in het
draaiorgelwereldje is uiteraard ook ver
trouwd met haar bargoense en verfom
faaide termen, als bijvoorbeeld „de
overuren van Willem Tel" (de ouverture
Guillaume Teil), „Tante Cor van ome
Louis" (chante encore dans la nuit"),
„Sperziboon" (C'est si bon); en zo ver
neemt men dan ook dat het woord
„pierement" niet is afgeleid van de
eigennaam van een orgelman, Pierre
Amant, zoals men lang gemeend heeft,
maar van „pieren", dat ongeveer dezelf
de betekenis zou hebben als „zwieren"
en dat wij nog kennen in „pierewaaien".
DE LIEFDE van mr. Romke de Waard
voor het straatorgel en wat er mee ver
band houdt, dateert uit zijn jeugd. Hij ver
telt hoe hij in zijn gymnasiumjaren te
Groningen nauw betrokken was bij het
bedrijf va h een vergunning houdster; een
alleraardigste vrouw, „die ik min of meer
als een tweede moeder beschouwde", zegt
hij; en hoe hij van zijn zakgeld wekelijks
een daalder bijlegde, om een bepaald
pierement („de Pod") in Groningen's stra
ten te mogen beluisteren. Doch daar is
het niet bij gebleven. Hij heeft zich ver
diept in de techniek van het instrument,
studeerde muziek bij Frieso Molenaar en
bracht deze kennis en kunde te pas voor
het vervaardigen van geperforeerde orgel
boeken. Zo ontwikkelde hij zich, met con
stante hartstocht voor zijn onderwerp, tot
de bekende „pierementoloog", die in 1954
een der initiatiefnemers was tot de op
richting van de „Kring van draaiorgel
vrienden" en van het museum „Van speel
doos tot pierement" te Utrecht, naam die
hij nu ook gegeven heeft aan dit, door
MUZIEKWIJZER UT van Han Bos,
waarin geschreven wordt over muziek
voor de kleine zaai kamermuziek dus
is als pocket-boek verschenen, als nummer
121) van „Ooievaartjes" van Bert Bakker,
Daamen N.V., Den Haag.
Han Bos schrijft voor de doorsnee mu
ziekliefhebber, maar hij. doet het niet op
pervlakkig, zodat ook de vergevorderde
dilettant en zelfs de vakmusicus zijn be
togen zal weten te waarderen. Bij het be
handelen van het verloop van Schönberg's
carrière, geeft hij een interessante uiteen
zetting van diens techniek, die tot de
dodekafonie geleid heeft, zodat ook de
nieuwste verschijnselen (behoudens de ex
perimenten op elektronisch gebied) aan
bod komen. Volledigheid in het citeren en
karakteriseren van het gangbare reper
toire voor de „kleine zaal," is uiteraard in
het beknopte bestek van een pocket-boek
niet te verwachten; maar toch vind ik het
een tekort dat geen aandacht geschonken
is aan trio's en kwintetten van Mozart,
Beethoven en Schubert. Wellicht is dit iets
voor een herdruk, die, gezien de algemene
waarde van het werkje, wel niet op zich
zal laten wachten.
„De Toorts" te Haarlem keurig uitge
geven boek. Het spreekt haast vanzelf, dat
in het streven van mr. Romke de Waard
de ideële laat ik zeggen: de sociale
kant van het onderwerp een niet te onder
schatten rol speelt.
IK KAN MIJ intussen indenken, dat niet
iedereen met deze enthousiasteling door
dik en dun zal meegaan; maar dit neemt
niet weg, dat men zijn degelijke studie
van het onderwerp, als tijdverschijnsel en
goeddeels als reflex van een voorbije
periode, met vrucht zal lezen. Vooral de
voorgeschiedenis van het pierement, die,
gewijd aan allerhande soort automatische
muziekinstrumenten, zowat de eerste helft
van het boek inneemt, zal velen interes
seren.
Het pierement als symbool van het Neder
lands muziekleven. Caricatuur van Jordaan
in de Groene Amsterdammer ter gelegen
heid van het vijftigjarig bestaan van het
Concertgebouw te Amsterdam. Van links
naar rechts: Willem Mengelberg, Louis
Zimmerman, Eduard van Beinum,
Ferdinand Hélmann.
Willem van Otterloo. Willem van
Otterloo zal op woensdag 18 januari in het
gebouw voor Kunsten en Wetenschappen
in Den Haag zijn duizendste concert met
het Residentie-orkest dirigeren sinds hij
op 1 september 1949 tot eerste dirigent van
het orkest werd benoemd.