EXPOSITIE VAN COLLECTIE THOMPSON
IN HET HAAGSE GEMEENTEMUSEUM
discoacs
Het geheim van de Weense acteerkunst
maakt van elk stuk een belevenis
Brussel wil een
semi-métro
ZATERDAG 4 MAART 1961
Erbij
PAGINA DRIE
Onze tuin- en kamerplanten
G. Kromdijk
Zwitsers ter stembus
over benzineprijs
Sas Bunge
Wim Kan in Prisma
M. van Doorninck
TOT 9 APRIL IS IN het Haagse Gemeentemuseum een expositie te zien van
werken uit de collectie van G. David Thompson uit Pittsburgh. Het is de laatste
maal dat dit deel van Thompsons bezit bijeen is. Thompson gaat verkopen. Maar
hij blijft doorgaan met verzamelen. Hij moet iets hebben van een jager op groot
wild, die niet bij en met zijn jachttrofeeën kan blijven zitten. Misschien valt
aan te nemen dat het voor andere liefhebbers binnenkort beschikbare bezit hem
voldoende in de kop is komen te zitten, zodat een dagelijkse confrontatie daar
mee niet meer nodig is. Het bezit van kunstwerken kan de dagelijkse omgang
met een aantal persoonlijkheden gaan betekenen. Men heeft niet altijd de be
hoefte dagelijks zijn vrienden en kennissen te ontmoeten. Dat kan zelfs ver
moeiend worden. Thompson is er kennelijk op uit geweest zijn kennismakingen
te verdiepen, want hij verzamelde van enkele figuren hele reeksen werk. En dat
maakt deze expositie zo interessant voor ons. Bovendien getuigt deze collectie
van een goed gevoel voor kwaliteit.
HET IS PAS op deze expositie dat ik de
schoonheid van de collage's van Schwitters
ontdekte. Al eerder mocht ik in het Stede
lijk Museum te Amsterdam werk van
Schwitters ontmoeten. Maar het daar bij
eengebrachte vermocht me nog niet zo te
overtuigen van Schwitters' werkelijke kun
stenaarschap. Schwitters kan tot de Da
daïsten gerekend worden en wilde dit zelf
ook. Zijn uit tramkaartjes, entreebiljetten
en andere op verschillend kleurig papier
gezette drukwerkjes samengestelde colla
ge's zijn echter vaak juweeltjes van ku
bistisch te noemen kunst. Den Haag ver
toont er een grote collectie van.
Er is ook een grote collectie van werken
van Klee, die naar kleur nergens de kracht
heeft van de collectie van Schwitters. Hoe
bleek wordt het werk van Klee naast dat
van de eveneens ruim en kwalitatief zo
goed vertegenwoordigde Picasso. Men kan
op deze expositie zelfs enigszins de ont
wikkeling van Picasso volgen. Kwalitatief
goed maar iets minder ruim is ook verte
genwoordigd Braque. Slechts zijn land
schap uit zijn Fauve-tijd kon mij minder
bekoren. Het schijnt trouwens dat Thomp
son voor de Fauves iets minder gevoel
had. Van Matisse kennen we beter werk
dan het hier vertoonde. Overdreven aan
dacht is besteed aan Matisse's collage's,
beslist toch wel het werk van een oude
versleten man. Bijna onbenullig te noemen
is een pointillistisch geschilderde Derain.
Goed daarentegen toch weer een landschap
uit de tijd dat Derain Fauve te noemen
was.
MET BONNARD kan men bijna niet mis
lopen. Van Vuillard is er een prachtig
schilderij, evenals van Utrillo. De mooiste
hier aanwezige Soutine leerden we al ken
nen in de collectie Regnault. Jammer dat
de gemeente Amsterdam dit schilderij niet
wist te behouden. De expositie begint met
een Degas, een vertrouwde Van Gogh, twee
prachtige Cézanne's en een tweetal Monets
van een voor mij te rauwe kleur, maar
vermoedelijk wel gewaardeerd door hen,
die in deze werken een aankondiging van
abstracte kunst willen zien. In het begin,
maar helemaal geïsoleerd hangt een Kan-
dinsky. Had men in Den Haag zo'n last met
het betrekken van dit werk in deze expo
sitie? Het zou me niet verwonderen. Be
keken op kleur is Kandinsky nooit een
groot schilder geweest.
Wat betreft de schilderkunst noemde ik
mijn sterkste, zij het niet altijd positieve
indrukken. Van de beeldhouwwerken her
inner ik me in de eerste plaats werk van
Renoir en van Marino Marini. Maar deze
voor Den Haag uitzonderlijk grote exposi
tie omvat veel meer. Ik geloof dat het noe
men van enkele namen voldoende kan zijn
voor een opwekking tot een bezoek aan
deze expositie.
Er is werk van Arp. Bazaine is geen on
bekende door exposities in het Stedelijk
Museum. Er is een aantrekkelijke Dufy.
Er is veel van Dubuffet, voor wie struc-
tuurtjes zo sterk gelden. Ruim vertegen
woordigd is de schilder-beeldhouwer Al
berto Giacometti. We ontmoeten Gris, Lau
rens, Léger, Miro, Mondriaan, een buiten
gewoon mooie Modigliani, de onvermijde
lijke verfspatter Pollock, Rouault, De Staël,
Calder, Chadwick, Lipchitz, Despiau, Mail
lol, Moore, Richier en Rodin. En dit is nog
maar een deel van de namen, die wij in de
catalogus tegenkomen, een catalogus die
ongelooflijk mooi is uitgevoerd en een bezit
voor het leven is.
Portret van zijn vrouw door Paul Cézanne
Ruiter van Marino Marini.
Orchideeën zijn beslist niet gemakkelijk
te kweken, doch mooi en zeldzaam zijn ze
ongetwijfeld. Een van onze meest bekende
kwekers heeft nu een Pleione Limprichtii
aan te bieden; dat is een mooie plant die
zowel in de kamer als in de tuin gekweekt
kan worden. Men dient nu te bestellen;
lang niet elke kweker zal ze kunnen leve
ren, doch ze zijn wel in ons land te koop.
De plant moet opgepot worden in een
mengsel van verteerde beukenbosgrond,
wat gehakt veenmos en wat oude koemest
en onder in de pot moeten wat scherven
worden gedaan; het afvoergaatje mag men
ook wat groter maken. Bescherm de plant
tegen felle zon. In mei-juni kan men dan
de wonderschone bloemen verwachten en
na de bloei kan men de plant eventueel
ook in de volle grond van de tuin poten,
doch dan dient men wel voor een licht
schaduwplekje te zorgen en zal men ook
tegen het invallen van de winter een wei
nig moeten afdekken, liefst met groene
sparretakken.
Brussel wil, in navolging van Parijs,
Bob Buys Berlijn, Hamburg en ook Rotterdam en
Zürich (waar men binnenkort een van de
traditionele volksstemmingen over dit pro
bleem zal houden) thans ook wel een mé
tro hebben, zij het van bescheiden aard.
De plannen gaan uit naar een soort on
dergrondse tram van moderne makelij
die op verscheidene plaatsen door tunnels
zal rijden zoals dat reeds thans het ge
val is rondom het Zuidstation. Men wil
daarbij gebruik maken van de bestaande
tunnels onder de grote boulevards tussen
dit station en het noordstation. Deze dien
den ter overkluizing van de Zenne, een
stroompje dat eens een soort Brusselse
Seine is geweest. Een tiental jaren gele
den heeft men die ondergrondse Zenne
echter een andere, eveneens onderaardse
bedding gegeven. De tunnels onder de
Adolphe Maxboulevard en het Brouckère-
plein staan sedertdien droog. Zulke gan
gen zijn heel goed voor een métro te ge
bruiken. Brussel is in dat opzicht trouwens
in goed gezelschap, want de eerste Pa-
rij se métro-lijn heeft zo gebruik gemaakt
van twee oude riolen onder de Rue de
Rivoli.
De plannen zijn reeds ver gevorderd.
Men wil een soort centrum van onder
grondse trams maken onder het Munt
plein bij de opera. Vandaar zullen lijnen
in verscheidene richtingen worden aange
legd. Vooral het verkeer in de richting
van de zogeheten ringboulevard hoopt men
hiermee te ontlasten.
Zondagavond wordt in Zwitserland ge
stemd over het regeringsvoorstel, de be
lasting op benzine met 7 centimes per li
ter te verhogen. De regering wil op deze
wijze een wegenbouwprogramma van 18
jaar financieren doch de tegenstanders
hebben 124.000 handtekeningen ingezameld
en daarmee een referendum geëist.
Alleen de mannen in Zwitserland heb
ben stemrecht, hoewel een op de vijf Zwit
serse vrouwen een auto bezit.
De Zwitserse autobond is van oordeel
dat de voorgestelde belastingverhoging te
groot is 3, hoogstens 5 centimes is vol
gens de bond ruim voldoende. Bovendien,
aldus deze bond, mag men de huidige ge
neratie niet alleen laten betalen voor een
wegennet dat ook toekomstige generaties
zal dienen, en de bond heeft nog meer
pijlen op zijn boog.
WIE DE NEKHAREN overeind gaan
staan bij het luisteren naar twaalftoons-
muziek, zal misschien geneigd zijn ze
weer enigszins glad te strijken bij het
geen Decca biedt op LXT 5588. De Eer
ste Symfonie opus 23 van de Engelse
componist Humphrey Searle is, zo men
wil, een brok romantiek, zij het dan ge
vormd in de smeltoven der dodekafonie.
Searle (geboren 1915) is een leerling ge
weest van Anton von Webern die zelf
weer een leerling was van de schepper
van „het systeem", Arnold Schönberg
en tevens is hij de auteur van een dege
lijke musicologische studie over de wer
ken van Liszt. Deze twee feiten zeggen
wel iets, wanneer men wil weten waar
bij hem de klok luidt. Zijn Symfonie heeft
de verbetenheid die zo kenmerkend is
voor het expressionisme dat eigenlijk
een renaissance van de romantiek is, met
de angst als grondtoon. Het duistere, het
schrille en het gekwelde dat meer aan
1925 dan aan 1952 (het jaar van ontstaan
van dit werk) doet denken, hebben er hun
plaats in. Deze exuberantie in het sombe
re gamma is de vrucht van de strengste
zelfbeperking; het hele werk is op een
reeks van twaalf, nee eigenlijk van vier
tonen gebouwd. De vier zijn de met de
notennamen B A C H overeenko
mende tonen, een oud en eerbiedwaardig
uitgangspunt. Door omkering en transpo
sitie heeft de componist er een reeks van
twaalf uit gewonnen. De boekhouding sluit
dus. Bijzonder opmerkelijk is de orkestra
le fantasie, vooral in razend-flitsende pas
sages in een hol timbre, met flarden van
huiverende kreten doorschoten. Misschien
is het bekend dat Liszt een Faust-symfo-
nie heeft geschreven, die is dan nu in
het Twaalftoons vertaald.
DAT HET ER MAAR om gaat welke
persoon een „systeem" uitoefent, is een
bekend argument bij de voorstanders der
dwangmatigheid. Voor de muziek gaat het
nog wel op ook. Keer de plaat om, en u
Op Decca LXT 5588 vindt men moderne
Engelse muziek in twaalftoonstechniek, van
de hand van Humphrey Searle, gespeeld door
het London Philharmonic onder leiding van
Sir Adrian Boult, en van Matyas Seiber, uit
gevoerd door het Melos Ensemble en de Do
rian Singers o.l.v. de componist.
hoort de fixatie aan het heilige getal
twaalf weer op een heel andere manier
vertoond. Het gaat nu om een Kamer
cantate van Matyas Seiber, eveneens een
Engels componist, maar van Hongaarse
afkomst (1905-1960). De teksten, fragmen
ten uit „Portrait of the artist as a young
man" van Joyce, worden gezegd door een
spreekstem, de orkestrale kleur is verijld,
met die wat stereotype inslag van glij
den, verwaaien en overslaan-van-de-stem
die de erfenis is van Webern. Het is hier
mee als met het snijden van een stem
pel; eerst heeft iemand de letters uitge
sneden, daarna behoeft men ze alleen nog
maar met inkt te bevochtigen. Hiermee
wil niet gezegd zijn dat Seiber de kopiist
van zijn grote voorganger is geweest. Hij
weet diens toon weer tot een eigen „im
pressionisme" wat is het beschrijvende
muziek jargon toch beperkt om te vor
men. De typerende kleur wordt vooral
bepaald door een koor dat op vocalen
zingt en met gesloten mond zoemt, als
mede door de piano en Ondes Martenot,
een instrument dat langs elektronische
weg zachte geluiden van een zwevend, ver
af, „kosmisch" karakter voortbrengt; het
geen op sommigen nog steeds de indruk
maakt van een geheel nieuwe expressie.
DEZE PLAATZIJDE wordt aangevuld
met de Elegie voor altviool en klein or
kest, eveneens van Matyas Seiber. Dit
werk, op tonale basis, spreekt direct aan
en geeft wat de titel doet vermoeden.
Zij nog vermeld dat de uitvoeringen op
hoog peil staan en aan de geest van de
opgenomen werken recht doen. In Searle's
Symfonie speelt het London Philharmonic
onder leiding van Sir Adrian Boult, in
Seiber's cantate heeft de componist zelf
het Melos Ensemble en de Dorian Singers
aangevoerd (Peter Pears is de spreker),
Cecil Aronowitz is de solist in de Elegie.
Ook de klank van de opname is voortref-
feiijk.
TTVTVTTVTWVTW1
Het N.C.R.V.-programma „Prisma" van
vrijdag 10 maart begint met een kort on
derdeel, dat getiteld is: „Kanttekeningen".
Hierin worden flitsen verwerkt van het
optreden van Wim Kan tijdens de openings
avond van de Boekenweek in het Concert
gebouw in Amsterdam. Wim Kan heeft de
N.C.R.V. toestemming gegeven, deze flit
sen uit te zenden en de gedeelten, waarop
deze toestemming betrekking had. werden
in overleg met de heer Kan uitgekozen.
HET ZOU DE MOEITE LONEN een
aantal vreemdelingen die, onafhankelijk
van elkaar, een week in Wenen toeven en
zich daar op de hoogte stellen van het
toneel, te vragen wat hun bij hun theater
bezoek het meest is opgevallen. Tien tegen
een dat zij misschien in een enkel kel
dertheater uitgezonderd geen nieuwe
vondsten deden bij het ook overal elders
gangbare repertoire, maar dat zij steeds
meer komen te spreken over het hun ge
boden spel. En dit dan nog niet allereerst
individueel, als wel in het bijzonder van
elk van de hier werkende ensembles. De
gemiddelde Wener heeft geduld en is vol
strekt niet nieuwsgierig naar de laatste
stukken. Hij vertrouwt dat, als de toneel
schrijver iets te vertellen heeft, zijn pro-
dukt hier vroeg of laat wel een podium zal
vinden. Maar hij moet, bij alles wat hem
zal worden voorgezet, kunnen bouwen op
zijn spelers, die hij aanhangt met een bijna
kinderlijke genegenheid. Het „beidt uw
tijd" geldt in alle facetten der Weense
samenleving, niet het minst bij het theater.
Eenmaal zullen toch „Burg" of „Jozef -
stadt", een op dat moment uitverkoren
werkje, dat de beschikbare regisseur ner
gens zo liefdevol beziet en tot op de bodem
peilt als hier, precies tot in zijn kleinste
rol kunnen bezetten. Waneer het dan goed
gaat en het gaat hier dikwijls goed
dan is men getuige van de reinste vreugde
van het spel. Een spel, dat leeft bij de
gratie van onmerkbare overgangen en in
elkaar verglijdende gebaren; van soms
maar half voltooide en elders weer opge
vangen zinnen, verstandhoudingen in het
kleine en een atmosferische „clarté".
Kwaliteiten, die tezamen een ensemble
definiëren en die speciaal het geheim van
de Weners zijn.
WIJ MOESTEN HIER WEER aan den
ken bij onze jongste ervaringen van een
week Weens toneel met stukken toeval
lig stamden ze ditmaal alle van Engelse of
Amerikaanse bodem die elders, onder
andere ook in Nederland, veel korter na
hun verschijnen al van zich deden spre
ken. Het zuiverst op elkaar afgestemd
kwam daarbij in de „Jozefstadt" O'Neill's
„O Wildnis" voor het voetlicht, het enige
bekende blijspel van deze auteur. Het
draagt de sporen van het werk „Aus einem
Gusz", een divertissement tussen de arbeid
aan z'n drama's en men kan zich voorstellen
dat hij zelf wie de arbeid nooit bepaald
licht is gevallen verbaasd moet zijn ge
weest, dat het in één worp, zonder één ver
betering of herschrijving was gelukt. Het
is hem te doen naar O'Neills eigen woor
den zijn publiek een blik te gunnen in
het familieleven van een middenstands
gezin omstreeks 1900 in een provinciestad.
Met zijn lief en leed op een klein bestek,
zijn op de proef gestelde saamhorigheid
van de ouders en de kinderen, zijn wrijving
en toenadering van inwonende verwanten.
„Een familie", zoals de auteur beschrijft,
„die het ware Amerika vertegenwoordigt,
levend krachtens simpele gevoelswaarden
en uit wier schoot zo velen van zijn gene
ratie van kinderen tot mannen zijn gerijpt".
WIE O'NEILL'S autobiografische „Long
day's journey in to the Night" nog eens
voor de geest wil halen, voelt zijn bewon
dering stijgen voor het vermogen tot objec
tivering van een verwante stof in dit „O
Wildnis", waarin familieverhoudingen,
met hun aan alcohol en uitspatting toebe
deelde rol, onder zulk een totaal andere
belichting zijn gezien. Hier schijnt een
mild-zachte humor over puberteitsproble-
men, aangepakt en tegelijk omzeild door
de onhandige verlegenheid van een goed
willend ouderpaar; problemen, die in het
drama onder de druk van een gedegene
reerd gezinsleven al in bedorven levens
werden omgezet. Is deze „O Wildnis" even
een heimwee naar een nauwelijks gekend
en voor altijd verloren paradijs? Het stuk,
dat zijn glimlach drie akte's lang weet te
bewaren, ligt deze Jozefstadters na aan
het hart. Met de ontwapenende argeloos
heid van een Erik Frey en Vilma Degischer
als het ouderpaar en de even eerlijk als
spontaan reagerende jeugd, vertolkt door
Matthias Fuchs een veelbelovende
kracht zijn slechts de voornaamsten der
acteurs geëerd.
ER IS NOG EEN ANDER STUK, dat in
de Jozefstadt al weken volle zalen trekt.
Van een auteur, die zich tegenover het
dramatische handwerk en zijn auditorium
niet minder verantwoordelijk acht dan
O'Neill: „Cue for Passion" (vertaald als
„Spur der Leidenschaft"), het laatste werk
van Elmer Rice, dat in 1958 op Broadway
werd ten doop gehouden. Hoofdpersoon is
een gekwetste en ontgoochelde jonge man
een moderne Hamlet zich stotend
aan een zinnen- en zedeloze samenleving.
Zonder dat hem evenwel met een zeker
Amerikaans aandoend optimisme uit
zicht op verbetering of een gunstige wen
ding van het lot door de schrijver wordt
onthouden. Het stuk is in zijn paralellen
met Hamlet ook verder consequent, al is
het dan misschien wel mede door de
vertaling naar vereenvoudigde „Oosten
rijkse" harmoniën getransponeerd, gelijk
de muziekleer dit zou noemen. De muziek
is trouwens niet zo vreemd aan het werk
van Rice. Zijn „Street scene", een tragedie
van het leven in de Newyorkse huur
kazerne' s, werd in 1947 door Kurt Weill
getoonzet en als zodanig door de Düssel-
dorpse Opera in 1955 opgevoerd. Voor het
overige was Rice gedurende al meer dan
dertig jaren een produktief auteur, wiens
„Playwrights Producing Company" in
Amerika een begrip kon worden.
DEZE „SPUR DER LEIDENSCHAFT"
houdt ons van a tot z geboeid. Maar is die
belangstelling voor Rice tot Shakespeare te
herleiden? Er is een Ophelia en een Clau
dius, een Horatio hier crimineel-psycho
loog en een huisarts als Polonius. Daar
enboven een kinderjuffrouw-huishoudster,
om de toehoorder over de voorgeschiedenis
van deze pseudo-Hamlet in te lichten Mid
delpunt is de verhouding moederzoon;
de laatste van haat vervuld jegens de
moordenaar van z'n vader, zijn moeder's
tweede man: Men ziet: de overeenstem
ming is compleet. Intussen graaft de
psycho-analyse diep in de complexen van
de moderne jeugd, al blijft de indruk, dat
juist in zake „Oedipus" en de moederbin
ding de Weense versie zich wat wist te
matigen. Maar wie maakt er uit bij welk
punt precies de kunst van de vertaler, ge
steund door de glimlachende wijsheid van
regisseur en spelers èn de naar het happy
end neigende tendens van Elmer Rice
elkaar gevonden hebben? Bij dit alles al
weer een naam, in en door het ensemble
van de Jozefstadt gemaakt: Helmuth
Lohner, die de hedendaagse Hamlet op de
noemer van de klassieke Hamlet wist te
brengen.
TENSLOTTE een paar goede beken
den die, voor wie O'Neill en Rice toch nog
te modern mochten lijken, onze in de aan
hef uitgesproken bewering mogen staven
over de „oudjes, die het in Wenen nog
altijd doen". Daartoe behoort zeker ook
„Blithe Spirit" van Noel Coward, destijds
door „Comoedia" in Nederland gegeven.
Engeland kreeg het voorgezet in de tijd,
toen het met de Duitse invasie werd be
dreigd, wat niet belette dat men er storm
voor liep. Nu is men daar voor spookge
schiedenissen en geesten, die de Engelse
letterkunde nooit versmaadde, misschien
ontvankelijker dan in Wenen. Maar voor
zulk een goed gebouwd blijspel net niet
te licht op het gewicht geeft de Wener
de Engelsman voortreffelijk partij. Wan
neer dan een Hans Jaray de door een spi
ritistische seance gedupeerde echtgenoot
mag spelen en er als zijn successieve
lijke welbespraakte echtgenoten twee
waarlijk lichtvaardige schimmen over de
scene zweven, kan het stuk ook nu nog
boeien. Susanne Almassy treedt hier op als
de tweede gezellin en dat betekent ieders
erkentelijkheid jegens de auteur, dat hij
Ruth nog twee acte's in haar aardse ge
daante laat verschijnen. Slechts de som
nambule Madame Arcati bleek weinig
fascinerend. Voor ons geestesoog riep zij
de gestalte van Rika Hopper op, een bij
uitzondering niet „vorstelijke" rol uit
haar carrière, die nog allerminst ver
vaagde.
VAN DE JOZEFSTADT verhuizende
naar het ensemble van de „Burg", kwamen
wij nogmaals bij een goede bekende op
Helmuth Lohner in „Spur der Leiden
schaft" („Cue for Passion") van Elmer Rice.
bezoek. Want „Mein Freund Harvey", die
onzichtbare witte haas van menselijke af
metingen, de beste vriend van het
onverstoorbaar-vergenoegde mannetje El-
wood Dowd bleef door de jaren heen
een dankbaar speelstuk. Zijn capriolen in
de psychiatrische kliniek, waar de bin
nengebrachte patiënt in een voort
durend consult met de onafscheidelijke
Harvey weldra de leiding op zich neemt
en doktoren, familieleden en wie niet al
aan touwtjes heeft, vormen een kostelijk
amusement. Het kenmerkt Wenen, dat de
wereldvermaarde film-komiek Heinz Rüh-
mann met dit genoeglijke komedietje zijn
entree maakte bij het Burgtheater. Dat bij
dit „debuut" aanstonds de onvergelijkelijke
Adrienne Gessner als Dowd's zorgzame
zuster aan zijn zijde bracht. Zo werd het
een „twee-sterren" stuk, gedragen door de
charme en typisch Weense humor, die al
weer tezamen en als in een perpetuele
beurtzang de hele avond werden opge
bracht. Bedriegelijk quasi-nonchalant, als
een aaneenschakeling van „terzijde's", vol
trekt zich ongemerkt „spelender
wijs" dit lesje in de hogeschool van het
Toneel. Na een vreugdevolle herkenning
van Rühmann's uit de film bekende kwali
teiten (die het op de planken zeker niet
minder „doen"!) waarbij zijn vlugheid,
stemgeluid, gebaartjes en olijke mimiek
niet meer zijn dan de uiterlijke hulpmid
delen voor deze unieke kunstenaar
wacht men thans met de grootste span
ning af, wat hij in ander werk gaat doen.
De vader in „De dood van een Handels
reiziger" en de nar uit „Koning Lear"
brengen dit weldra aan het licht.