IK KOSTTE t>UlZEMt>
GULDEN
3ANEUIM
Drie eeuwen lang was het Meijerplein
het centrum van Joods Nederland
Bibina en de Bosmannetjes
PANDA EN BE GROTBOKSER
Polle
Pel l i en
De grote Sjoel heeft uitgediend
Examinatiestaking in
Frankrijk afgelast
Dr. Jaap Meijer schreef geschiedenis
van het Amsterdamse jodendom
Kerk van Heilig
Graf in verval?
Ons vervolgverhaal
De levensroman van een Chinees meisje
door
L:
r
MAANDAG 10 APRIL 1961
WÉ mmmm
lt
- -
6. Wat mankeert er aan die auto?, zegt Polle benieuwd. Hij rijdt niet,
zegt heer Kang met een benauwd gezicht, waarom weet ik niet. Laat me
eens zien: een motor zit erin en vier wielen zitten eronder, wat belet je
dan, om te rijden. Heer Kang verdwijnt tot aan zijn middel in de motorkap
en Pingo vindt dat maar een griezelig gezicht!
.1 5 - -i
,vv'
6) Moeder had intus
sen verwacht dat ik maar een uurtje
weg zou blijven en dan grootmoeder
mee zou brengen. Later vertelde ze
me dat ze van plan was geweest eerst
aan grootmoeder al het geld te geven
voor mijn onderhoud en daarna zelf
moord te plegen, maar terwijl ze zat
te wachten waren er twee grote vlin
ders komen aanvliegen. Net als zove
le dorpsmensen geloofde moeder dat
vlinders de vertegenwoordigers waren
van de dood en plotseling kreeg ze het
gevoel dat ze geen zelfmoord zou kun
nen plegen voor ze mij had terugge
zien. Toen ik weer thuiskwam was het
al nacht. Ik "was vuil en mijn gezicht
en ogen waren opgezwollen. Ik had de
hele dag nog niets gegeten en was
doodmoe.
Moeder was helemaal niet boos en
ze vroeg: „Waar ben je geweest, Chiu
Mei?"
Met mijn ogen vol tranen vertelde
ik haar: „Toen ik bij grootmoeder
kwam was de deur op slot. Ik heb
buiten gewacht en ben daarna in
slaap gevallen."
Zelfs grootmoeder heeft later on
danks al haar pogingen om de waar
heid van mij te horen, nooit kunnen
achterhalen wat er die middag is ge
beurd.
Ik was nog maar amper uitgespro
ken of ik viel flauw. Enige dagen
achtereen ben ik buiten bewustzijn
gebleven, al die tijd beklaagd door
de vele mensen die mij kwamen be
zoeken. In haar wanhoop ging moe
der naar een waarzegger die ver
klaarde dat ik nooit meer wakker
zou worden als ik op de eerste of
tweede dag van de zesde maan niet
bijkwam. Ik herinner mij dat ik, toen
ik mijn ogen weer open deed, zag
dat ik mijn mooiste Chinese kleer
tjes aanhad. Ik had het gevoel of ik
uit een droom was ontwaakt.
Geleidelijk aan kreeg ik mijn krach
ten terug maar toen ik weer naar
buiten mocht en mijn vriendinnetjes
opzocht wilde niemand met me spe
len. Ze waren bang voor me en zei
den dat ik, nu ik uit de dood was
opgestaan, een geest of een spook
moest zijn. Ik trok me er echter niets
van aan. Trouwens, ik had door alles
%wat ik had doorstaan, de lust in kin-
'derspelletjes verloren en vond dat ik
maar heel gauw volwassen moest
zijn. Zelfs moeder bemerkte de ver
andering in me.
Op de maanlichte zomeravonden za
ten de meeste mensen tot zeer laat
buiten. De kinderen speelden en zon
gen dan, maar ik deed hoogst zelden
mee. Ik bleef liever binnen en deed
alsof ik sliep zodat ik kon luisteren
naar de gesprekken die moeder voer
de. Op deze manier kwam ik achter
vele dingen.
Op een avond zei iemand tegen
moeder: „Je behandelt je dochter op
zo'n manier dat niemand gelooft dat
ze een kind van je is."
Ik voelde me warm worden van
dankbaarheid toen ik moeder hoorde
antwoorden: „Ik hou meer van Chiu
Mei dan jij van je zoon. Mijn liefde
voor haar lijkt op een parel diep in
de zee."
Ik wist niet wat ze bedoelde met die
parel diep in de zee, maar voor mij
was het genoeg dat moeder van mij
hield. Ik was altijd bang dat er iets
met haar zou gebeuren, want dan zou
ik alleen op de wereld staan, en zorg
de er steeds voor haar niet kwaad
te maken. Als ze soms niet goed was,
ging ik stil zitten bidden en riep va
der aan die mij geleerd had hoe ik
moest bidden. Mijn godsdienst was
nogal gemengd in die dagen. Moeder
was Boeddhiste en wanneer ik ziek
was wikkelde ze me in een zwart
kleed en stuurde mij naar een tempel
om daar aan Boeddha's grote voeten
te gaan zitten zodat de kwade geest
die mijn ziekte veroorzaakt had, mij
zou verlaten. Ik had een hevige angst
voor Boeddha want ik geloofde vast
dat hij mij zou kunnen slaan. Ook
zat ik uren achtereen in de tempel.
Op een dag begon moeder het een
en ander bij elkaar te pakken en op
die dag kwam er ook een man, die
een vriend van vader bleek te zijn.
Ik kreeg te horen dat we een lange
reis zouden gaan maken. Bijna on
troostbaar was ik toen mij bovendien
gezegd werd dat ik mijn poes niet
mee kon nemen. Wij aanvaardden die
lange reis, klommen over heuvels en
bergen, en staken rivieren over, en i
dat alles te voet. Ik werd op het j
laatst zo moe dat ik nauwelijks meer j
kon lopen. Ook moeder had erg pijn- j
lijke voeten. We sliepen in de open j
lucht. Het leek wel een nachtmerrie.
Ik weet niet hoe lang het heeft ge- i
duurd voor wij onze bestemming be- j
reikten, maar had de indruk dat het
jaren waren. Ik wist ook niet naar
welk district we gingen. Ik volgde j
maar en stelde geen vragen. Ten slot- j
te kwamen we in een grote plaats j
waar overal fruitbomen stonden. We
werden ondergebracht in een groot j
gebouw vol vrouwen en kinderen en j
ik kreeg nadrukkelijk de order dat ik j
niet alleen naar buiten mocht. Het
leven in dit gebouw was evenwel on- i
draaglijk en ik verlangde naar ver- j
trouwde gezichten dat van moe- j
der was me niet genoeg. Daarom
zocht ik een eenzaam plekje op, on
der een boom of dichtbij een rots,
waar ik stil kon denken aan mijn
vriendinnetjes, aan mijn vader en aan
mijn kat. Ik voelde me verloren en
overbodig. Op een avond vond moe
der me zo. Ze was erg opgewonden
en wilde weten waarom ik mij iedere
avond verstopte, maar ik kon het
haar niet uitleggen.
Op een morgen zag ik dat moeder
en al de andere vrouwen zich in hun
beste kleren gestoken hadden. Ze wan
delden twee keer de tuin rond en tot
mijn grote schrik bemerkte ik dat
dat enkele mannen naar hen stonden
te kijken. Er werd een feest gegeven
en later op die avond werd ik in ken
nis gebracht met een man. Iemand
vertelde me dat die man mijn vader
ging worden. Ik wist niet wat ik hoor
de. Hoe kon ik nu twee vaders heb
ben? Ik weigerde verder nog iets te
eten en huilde. Tijdens de eerste vier
maanden van haar tweede huwelijk
deelde moeder een kamer met mij.
Ik veronderstel dat de bedoeling hier
van was dat ik gewend zou raken aan
mijn stiefvader, die ik „oom" noem
de. We woonden bij de familie, die be
stond uit de vader van mijn stiefva
der, twee schoonzusters, die beiden
weduwen waren, twee neven en een
nicht. De oudste schoonzuster van
mijn stiefvader was een nare vrouw.
Ik vond dat ze een gezicht had als
van een paard en daarin stonden twe
doordringende ogen, waarmee ze me
altijd aankeek. Ik had een hevige af
keer van haar, maar durfde het niet
te laten blijken. De tweede schoonzus
ter had een tenger postuur en een
vriendelijk gezicht. Toch was ik over
stuur toen ik te horen kreeg dat ik de
ze vrouw „moeder" moest noemen.
Ik wist niet meer wat ik ervan denken
moest want niemand had mij uitge
legd waarom ik zo plotseling een nieu
we vader had gekregen en waarom ik
iemand anders zo maar „moeder"
moest noemen. Ik kreeg een hekel
aan iedereen in mijn omgeving. Dik
wijls dwaalde ik ver weg buiten de
stad op zoek naar een eenzaam plek
je, niet om er te huilen, maar om er
te denken, want ik had voor mezelf al
uitgemaakt dat ik een „volwassen
meisje" was en wilde niet huilen. Ik
zag de moeilijkheden die moeder als
een nieuwelinge in dit huis moest ver
duren en koesterde een wrok tegen
iedereen ook tegen mijn stiefvader.
Hij probeerde dikwijls goede maatjes
met me te worden, maar ik kon de
gedachte niet verdragen dat hij mijn
vaders plaats had ingenomen. Ik zei
hem zelfs dat we geen familie van el
kaar waren.
„We hebben allebei verschillende fa
milienamen. Hoe kunnen we dan
bloedverwanten van elkaar zijn?
vroeg ik hem.
In haar hoedanigheid van bruid
moest moeder bij de maaltijden ieder
een bedienen en volgens de oude ge
bruiken mocht ze gedurende vier
maanden bij haar eigen maaltijd niet
gaan zitten. Toen ik op een avond
weer eens tot buiten de stad was ge
lopen, zag ik opeens de jongste neef
van mijn stiefvader, die een bundel
brandhout droeg. Ik ging naar hem
toe om hem te helpen maar dat liet
hij niet toe en hij staarde me aan als
of ik een spookverschijning was. Ik
rende de hele weg naar huis terug en
vroeg aan moeder waarom iedereen
toch een hekel aan mij had. Op dat
moment begon ik te begrijpen dat de
ze jongen, die ongeveer even oud was
als ik, bestemd was om* mijn man te
worden. (Wordt vervolgd)
(Van onze Amsterdamse redacteur
In de hoofdstad staat het grote gebouw
op de hoek van het Jonas Daniël Meijer
plein en de Nieuwe Amstelstraat leeg. De
grote deuren zijn dichtgetimmerd en een
aantal ramen is gesneuveld. De grote sjoel
van de Asjkenazische (Hoogduitse) Ge
meente van Amsterdam heeft uitgediend
na ruim drie eeuwen het levende centrum
van het Amsterdamse Jodendom te zijn ge
weest.
Voor de meeste jongeren maakt die oude
synagoge, evenals de vele andere over
blijfselen van de Amsterdamse Jodenhoek,
de indruk van een blinde steenklomp. Zij
zijn onkundig van de geschiedenis, die
hier is gemaakt. Maar de oudere Amster
dammers hebben hun herinnering. Zij heb
ben het ghetto nog meegemaakt toen het
bruiste van leven. Zij kennen het Meijer
plein nog in die typische sfeer, die daar
op een mooie herfstmiddag kon heersen
uit het badhuis hoorde men de Joodse
diamantbewerkers onder de douches ope
ra-aria's zingen, bij de speeltuin voetbal
den de jongens, uit de sjoel klonk gezang.
Dat was in de tijd, dat het gewone leven
van alle dag, het leven van de Joden,
kleur gaf aan deze wijk. Toen nam dit
stukje Amsterdam zo'n belangrijke plaats
in in de harten van de Joodse burgers,
dat een in Parijs wonende Nederlandse
Jood zei: „ik woon buiten". Hij voelde
zich pas weer thuis als hij over de Blauw
brug kwam. Want dat ghetto in Amster
dam, het „Jerusalem van het noorden", is
nooit een gedwongen, afgesloten vreemde
lingenwij k geweest welke gedachte het
woord „ghetto" meestal oproept maar
een door de Joden zelf gekozen territo
rium, waar de Jood het contact zocht en
vond met zijn mede-Joden, waar hij een
compensatie vond voor het ontbreken van
zijn vaderland en waar hij de cultuur van
zijn volk kon beleven en verdiepen.
Historische documentatie
Het meeste, dat gezegd en geschreven
wordt over de oude, verdwenen Jodenhoek
en zijn bewoners, blijft beperkt tot een
min of meer sentimentele sfeertekening,
86-87. De Bosmannetjes keken rond.
Waar zou Gromgram Bibina verbor
gen hebben? zeiden ze. Als ze nog maar
hieT isl
We moeten haar roepen, misschien
horen we 't dan, zei de aanvoerder. Bibi
na! Bibina! Ben je hier?
Bibina, opgesloten in het hok, had al
les gehoord. De stemmen van de Bosman
netjes, het intrappen van de deur. Hoopvol
stond ze op van haar bankje en luisterde
in spanning naar wat er zou gebeuren.
Ja! riep ze terug. Hier ben ik.ik
zit opgesloten in het hok naast de keuken
PARIJS (Reuter) De Franse leraren
hebben zondag een nationale „examinatie-
staking" afgelast nadat zij regeringsvoor
stellen besproken hadden om hun salaris
sen met ingang van 1 mei te herzien. De
voorstellen worden nog onbevredigend ge
acht, maar anderzijds wordt toegegeven,
dat zij ook „positieve kanten" hebben.
die in feite weinig van doen heeft met
het werkelijke leven en werken van het
Joodse volk in Nederland. Daarom is het
verheugend, dat de litteratuur over de
Joodse geschiedenis in ons land thans is
uitgebreid met een bij J. H. de Bussy te
Amsterdam uitgegeven voortreffelijk boek
onder de titel „Het Jonas Daniël Meijer
plein bezinning op drie eeuwen Amster
dams Jodendom", een cultuurhistorisch
overzicht van de hand van de Haarlem
mer dr. Jaap Meijer. Het boek is ge
schreven in opdracht van de Nederlands-
Israelische Hoofdsynagoge naar aanlei
ding van het gedenkwaardige ogenblik in
1954, toen de synagogen en andere gebou
wen aan het J. D. Meijerplein aan de
gemeente Amsterdam werden overgedra
gen. In dit boek is voor het eerst een po
ging gedaan om te komen tot een weten
schappelijk verantwoorde analyse van het
wegen van de Amsterdamse Jodenhoek.
Desondanks heeft dr. Meijer met zijn bewo
gen stijl een ontroerend en boeiend beeld
van het oude Joodse Amsterdam geschetst.
Daarnaast is zijn boek een belangrijke his
torische documentatie.
Slechts tien percent in ghetto
Bij 't uitbreken van de Tweede Wereld
oorlog woonden er in het oude ghetto rond
het Meijerplein 7088 Joden, in de Weesper-
straat en omgeving 6590 en in de Plantage-
en Sarphatistraatbuurt 3434. Dat wil dus
zeggen, dat er van de 80.000 Joden, die
toen in Amsterdam woonden, slechts min
der dan tien percent in de oorspronkelij
ke Jodenbuurt woonde. Wat vele Amster
dammers zich als „de Jodenbuurt" herin
neren, was ten tijde van hun jeugd al niet
meer dè Jodenbuurt.
De verspreiding van de Joden over de
stad had reeds een eeuw geleden plaats.
Sanering van oude gedeelten van het ghet
to in het begin van de 20ste eeuw had
zelfs een massale „emigratie" tot gevolg.
De Joden streken neer in de nieuwe stads
wijken in oost en zuid en in de volksmond
werd wel gesproken van ghetto-oost en
ghetto-zuid, omdat de Joden zich samen
trokken rond de nieuwe synagogen, die
daar werden gebouwd en dus nieuwe jo
- v::
.V.i.,:.,
Dat ook de moderne (prille) jeugd in
deze tijd van raketten, kunstmanen en
straalvliegtuigen nog hevig geïnteres
seerd is in transportmiddelen als
trams en treinen, bewijst deze foto,
gemaakt op een hobbytentoonstelling
die op het ogenblik in Londen gehou
den wordt. Maar het zijn dan ook
modeltrams, die echt rijden en die
zijzelf bedienen mogen.
denwijken stichtten. De Joodse humor her
doopte het Daniël Willinkplein in zuid
(het huidige Victorieplein) zelfs in „Jo
nas" Daniël Willinkplein
„Joden-Keizersgracht"
De grote trek van de hoogduitse Joden
begon omstreeks 1635. In 1648 leidden pro
grams tot massale immigratie van Poolse
en Russische Joden naar Nederland, het
land van vrijheid en verdraagzaamheid.
Al in de tweede helft van de zeventiende
eeuw overschreden de Joden de grenzen
van de oude wijk, die tot op heden als de
eigenlijke Jodenhoek wordt gezien men
vestigde zich in de Weesperstraat, in de
stadsuitbreiding, die werd begrensd door
de latere Sarphatistraat en op de Nieuwe
Heerengracht, Nieuwe Keizersgracht en
Nieuwe Prinsengracht, die tot voor kort
nog vaak werden aangeduid als Joden-
Heerengracht, Joden-Keizersgracht en Jo
den-Prinsengracht.
Aan het einde van de negentiende eeuw
breidde de Joodse bevolking zich sterk uit,
mede als gevolg van de Jodenvervolging
in Oost-Europa en de aantrekkingskracht
van het diamantvak. De Joodse diamant
bewerkers trof men vooral aan in „De
Pijp", de omgeving van de Albert Cuyp-
straat, buiten de feitelijke Jodenbuurt dus
Centrum op „het plein'
Het'centrum van het Joodse gemeen
schapsleven ontstond 300 jaar geleden op
de Houtmarkt, die later genoemd zou wor
den naar de bekende 19de eeuwse jurist
Jonas Daniël Meijer. De architect Daniël
Stalpaert bouwde hier de grote synagoge,
de grote sjoel. In 1675 verrees aan de over
zijde van het plein de Portugese „esnoga",
en in 1730 werd er de nieuwe synagoge
ingewijd, die twintig jaar later een grote
uitbrefaing onderging
Synagogen zijn er sindsdien op vele
plaatsen van Amsterdam gesticht, zij het
dan van kleinere omvang. Maar „het
plein" bleef het centrum. Sinds eeuwen
waren hier de instituten gevestigd, die lei
ding gaven aan het Joodse beleid van Am
sterdam niet alleen, maar van geheel Ne
derland.
Hoewel dr. Meijer in zijn boek de ge
schiedenis van het Joodse Amsterdam be
schrijft, keert hij toch telkens terug naar
„het plein" met zijn rabbijnen, wier na
men nog voortleven onder de Joodse Am-
80. Na enige tijd bereikte de wagen met de slapende passa
giers en de wakkere bestuurder het stille stadspark, waar tal
loze banken tot rusten noodden. Joris stopte bij een van die
banken en tilde Panda van zijn zitplaats. „Een enkele blik op
onze toekomstige wereldkampioen overtuigt mij er van," zo
sprak hij tot zichzelf, „dat diens geestelijke training met succes
volbracht is. De enkele fijne puntjes die wellicht ontbreken, kan
ik persoonlijk nog wel even bijslijpen. Dus waarom zouden wij
onze geestelijke trainer nog langer van zijn andere bezigheden
afhouden?" Na Panda op de bank neergevlijd te hebben ging
hij terug naar de auto, terwijl hij vervolgde: „Bovendien heb
ik sterk de indruk gekregen, dat hij toch niet van het ware
sportvuur doorgloeid is. Het sterke „par athletica ad pecunia
dat ons, sportvrienden, in navolging der Klassieken steeds aan
vuurt, is hem vreemd. Wellicht voelt hij zich gelukkiger als hij
na wat gerust te hebben, een andere en kalmere betrekking
kiest. Zo is dus alles nu voor zijn eigen bestwil geregeld." Maar
toen Joris weg wilde rijden, werd hij door twijfel bevangen.
„Ben ik misschien te hard voor het ventje?" vroeg hij zich af.
Kan het me misschien later verwijten, dat ik het in de kou heb
laten staanof laten liggen? Dat zou me veel verdriet do en!
Zo staat de „grote sjoel", drie eeuwen
oud, op het J- D. Meyerplein te Am
sterdam, waar eens het centrum was
van het Joodse leven. Het gebouw is in
handen van de gemeente overgegaan.
Een nieuwe bestemming is nog niet
gevonden.
sterdammers, zijn feesten en hoogtepun
ten, het onderwijs en de aloude Joodse ge
bruiken, het kerkelijke leven en de oranje
gezindheid van de Joden, die in 1924 zijn
hoogtepunt vond in het bezoek van Konin
gin Wilhelmina aan de grote sjoel.
Voor het laatst
De verschrikkelijke gebeurtenissen tij
dens de bezetting hebben het definitieve
einde van het oorspronkelijke Amsterdam
se Jodendom ingeluid. Tijdens de grote
razzia's was het J. D. Meijerplein voor het
laatst het centrum van het Joodse gemeen
schapsleven. Op 28 september 1943 gingen
de deuren van de grote sjoel voor de laat
ste keer open. In de daaropvolgende nacht
werden de nog van deportatie vrijgestelde
Joden voor het merendeel weggevoerd.
Het is nu stil geworden op het Meijer
plein. In de verwaarloosde gebouwen van
de grote synagoge ligt thans de inboedel
opgeslagen van de Nieuwe Kerk, die wordt
gerestaureerd. Het gemeentebestuur van
Amsterdam heeft nog geen beslissing ge
nomen over een eventuele nieuwe func
tie van de gebouwen. Wel staat vast, dat
de grote sjoel een waardige plaats krijgt
in dit nieuwe deel van Amsterdam, dat zal
groeien uit de te saneren voormalige Jo
denbuurt. Het Meijerplein zal, althans
uiterlijk, blijven zoals het is met aan de
ene zijde de grote en aan de andere kant
de Portugese synagoge. En daartussenin
als bewijs van de onverbrekelijke verbon
denheid tussen de Amsterdammers en het
Amsterdamse Jodendom het beeld van de
dokwerker.
(„Het Jonas Daniël Meijerplein Be
zinning op drie eeuwen Amsterdams Jo
dendom" door dr. Jaap Meijer. Uitgave
De Bussy, Amsterdam).
Koning Hoessein van Jordanië heeft ge
zegd dat Jordanië gedwongen zal worden
noodherstellingen te verrichten aan de
kerk van het Heilig Graf in Jeruzalem,
indien de christelijke kerken die er de ver
antwoordelijkheid voor dragen, geen maat
regelen nemen. In de loop van een inter
view. met UPI, zei Koning Hoessein dat
de toestand van het gebouw hem „ernstig
zorg baart".
De kerk is gebouwd op de plaats waar
Jezus' lichaam na de kruisdood zou zijn
bijgezet. Zij wordt beheerd door verschei
dene christelijke kerkgenootschappen Al
vele jaren behoeft het gebouw restauratie,
maar men is het onderling niet eens kun
nen worden over wie dit zou moeten be
kostigen.
Enkele maanden geleden dwong de re
gering van Jordanië de kerkgenootschap
pen het eens te worden over noodrepara-
ties, maar de belangrijkste drie kerkge
nootschappen, rooms-katholieke, Grieks-
orthodoxe en Armeense kerk, zijn het er
niet over eens kunnen worden, hoeveel
elk zou moeten bijdragen. Zij zijn het alle
drie niet eens met de redenering dat zij
gelijke kosten moeten dragen omdat zij
elk meer dan een derde van de basiliek in
eigendom hebben.
Vertegenwoordigers van de drie kerken
hebben de vrees uitgesproken dat herstel
betalingen van de gezamenlijk beheerde
delen van het gebouw, later gebruikt zou
den kunnen worden als uitgangspunt voor
eisen omtrent eigendomsrechten.
'i
Copyright P I B Bo« 6 Cot*ohoge«
1