NIEUW PATROON IN HET TOERISME „Tannhauser" verloor een eeuw geleden de veldslag tegen blazend en toeterend publiek Tagorebezoek aan Nederland leidde in bepaalde kringen tot een bizarre cultus "wr> DE NEDERLANDSE BIBLIOGRAFIE 1541-1600 :A^sssSi Meer privéreizen minder groepstochten - H ft - 1 Ï---MÏÏ NU HET OP 8 MEI honderd jaar geleden zal zijn, dat in Calcutta de dichter Rabindranath Tagore werd geboren, en men ter gelegenheid van deze her denking een Nederlands Tagore Comité heeft opgericht, is het misschien niet onaardig enkele herinneringen op te halen betreffende het bezoek, dat de Ben gaalse dichter in de zomer van 1920 aan ons land heeft gebracht. Hij heeft toen enkele van zijn gedichten voorgedragen en toespraken gehouden in het gebouw van de Vrije Gemeente te Amsterdam, in de Remonstrantse Kerk te Rotterdam, in het gebouw van de Theosofische Vereniging in Den Haag en in de Inter nationale School voor Wijsbegeerte bij Amersfoort. Uit de keuze van deze ver zamelplaatsen kan men reeds afleiden, in welke kringen de komst van deze oosterling welkom is geweest. Dat deze kringen iets gemeenschappelijks hadden, was op Hemelvaartsdag 1919 reeds gebleken door de stichting van een „federatie van vrije religieuze groepen en organisaties", welke zich ten doel stelde geestelijk contact te onderhouden tussen de kerkelijke en buitenkerkelijke religie en hierbij inzonderheid aandacht besteedde aan de wederzijdse invloed tussen Oost en West. IN DE NAOORLOGSE jaren heeft het buitenlandse toerisme zich zeer snel ontwikkeld. Aanvankelijk, tot voor enkele jaren, waren bovenal de groepsreizen buitengewoon in trek, omdat mensen, die voor het eerst naar het buitenland gingen, nog niet te veel op eigen benen wilden staan, dikwijls ook omdat ze geen vreemde talen spraken. In de laatste jaren echter en vooral in het vorige jaar heeft zich overal een sterke stijging voorgedaan in de sector der privéreizen, dus in het „individuele toerisme". In het algemeen ging daarmee gepaard een daling van de belangstelling voor de gezelschapsreizen en speciaal vobr die met een sleurkarakter. Een aantal reisorganisaties en -bureaus dreigen daardoor zelfs in moeilijkheden te geraken! DE HIER GENOEMDE ervaring is, naar ons bleek in een gesprek met de heer T. Tjebbes, directeur van de stichting De Vrije Wereld te Amsterdam een organi satie op het gebied van het sociale toerisme geen specifiek Nederlands verschijnsel; men heeft ook in het buitenland dezelfde tendens waargenomen. In ons land blijkt bovendien een sterk toegenomen belang stelling voor de familievakantie in zomer huisjes of vakantiewoningen in binnen- en buitenland en voor het kamperen, ook per auto-met-caravan. Daarbij kan men vooral psychologische oorzaken aanwijzen: de be hoefte om alleen te zijn met het eigen gezin. Er is, zo vertelde de heer Tjebbes voorts, ook een merkwaardige verandering waar te nemen in het individuele toerisme: ve len, die het vroeger zochten in de „kilo- metervreterij" en in enkele weken tijds vooral zoveel mogelijk gezien wilden heb ben (hetgeen dikwijls neerkwam op het wel zien. maar niet verwerken), blijven nu veelal langer op een vaste standplaats, in een hotel, pension of vakantiewoning, die dan uitgangspunt wordt voor tochtjes of wandelingen. Deze teruggang van de „kilometervreterij" betekent ook een te ruglopen van de belangstelling voor die dagtochten per toeringcar. waarbij men op één dag een zo groot mogelijk gebied be zoekt. Dat houdt in, dat de toeristische deskundigen nu zelfs bij algemene invoe ring van de vrije zaterdag geen toeneming van de dagtochten verwachten. DE HIER GESCHETSTE ontwikkeling doet zich voor bij vrijwel alle reisorgani saties en bureaus. Een aantal ervan echter, dat zich, evenals ook met De Vrije Wereld het geval is, speciaal richt tot de mensen met de wat smallere beurzen, heeft door de nog steeds toenemende stroom vakantie gangers uit juist die kringen zoveel toe vloed van nieuwe reizigers, dat ook bij de gezelschapsreizen de deelneming nog stijgt. Deze ontwikkeling kan misschien nog jaren doorgaan, want nog steeds zijn er massa's mensen, die nooit echt met vakan tie gaan, maar er in de toekomst waar schijnlijk wel toe zullen komen, mede door de voorlichting op toeristisch gebied in radio, televisie, pers. een stroom van boe kringen nieuwe reislustigen naar voren zullen blijven komen. Een deel van hen zal beginnen met het meemaken van groeps reizen. waarbij ze de steun hebben van een reisleider en leren zich in het buitenland verstaanbaar te maken, er aan wennen, in hotels of pensions te verblijven, er achter ken, enz. Enkele jaren geleden is bij een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek gebleken, dat inderdaad nog circa de helft van de mensen helemaal nooit vakantie nam en dat vele anderen onder vakantie verstonden het verblijf bij familie en kennissen, hetgeen overigens meestal helemaal geen vakantie voor moe- der-de-vrouw betekent. Die mensen leren nu, hoe ze hun vakantie kunnen gebruiken', er wordt bij hen belangstelling gewekt voor werkelijk toerisme in binnen- en buitenland. BIJ EEN VOORTDUREN van de wel vaart mag men er op rekenen, dat uit hun komen, wanneer ze wél en wanneer ze geen fooi moeten geven, enz., allemaal problemen dus. waarmee de „nieuwe toe risten" allengs geconfronteerd worden. Later zullen ze dan waarschijnlijk het ook zélf willen proberen en aldus tot het individuele toerisme overgaan. In elk geval is het duidelijk, dat de hele „toeristenmarkt" in beweging is. Het is verheugend, dat steeds nieuwe groepen werkelijk van.hun vakantie gebruik gaan maken en dat anderen, die reeds gewend waren met vakantie te gaan, het wat rus tiger gaan doen, in het besef, dat het er niet om gaat, zoveel mogelijk streken te bezoeken en er foto's van mee naar huis te brengen, maar dat wat de moeite waard is in de streek waar men verblijft, werke lijk te zien. DE PERSOONLIJKE kennismaking met de dichter van de door Frederik van Eeden vertaalde „Wijzangen", de door Tagore zelf in het Engels overgebrachte bundels „The Gardener", „The Home and the World" en „The Crescent Moon" werd voor velen een onvergetelijke gebeurtenis. Diepe indruk maakte de profetische ge stalte van de leraar, die op zijn landgoed Shantinikêtan de universele menselijke broederschap verkondigde en predikte te gen elke vorm van rassenhaat, die de ver werkelijking van deze broederschap in de weg staat. Men verheugde zich erover, dat ook door de toekenning van de Nobelprijs de bijzon dere waarde van zijn ideeën en van de vorm, waarin deze door hem werden ge bracht, in de Europese volkerengemeen schap officiële erkenning had gevonden. Wat de bezoekers van de aan hem ge wijde bijeenkomsten vooral heeft getrof fen, was de harmonie tussen de geestelij ke verkondiging en het lichamelijk uiter lijk van de profeet. Het roomkleurige ge waad, dat zijn majestueuze gestalte om hulde; het fijne, vergeestelijkte gelaat met de spierwitte baard en haardos; de zachte zangerige stem, waarmee hij zijn voordracht ten gehore bracht, alles werkte mee om zijn auditorium te over tuigen, dat hier iemand voor hen stond, die het erfgoed ener hoge, verfijnde beschaving paarde aan een waardige een voud en een oprechte ernst. DE ORGANISATOREN van al deze bij eenkomsten hadden hun best gedaan om de omgeving, waarin de oosterse gast werd ontvangen, in overeenstemming te brengen met zijn bijzondere figuur. De aankleding van de zaal en van het po dium was met witte bloemen en draperie- en in dezelfde stijl gehouden en mede door de aanwezigheid van een ontvanke lijk publiek ontstond overal de sfeer en stemming, welke deze bijeenkomsten zo harmonieus maakten. HET SPREEKT VANZELF, dat kriti sche naturen hun Hollandse nuchterheid hebben moeten overwinnen alvorens zij zich mede voelden opgenomen in deze eigenaardige sfeer. Alles wat vreemd is, doet zo licht aan als aanstellerij. Maar in dit geval week deze aanvankelijke te rughoudendheid spoedig voor de ontdek king, dat de waardigheid van de profeet, die daar van zijn oosterse divan tot de schare sprak, even natuurlijk en mense lijk was als de ongeveinsde verering bij zijn gehoor. Met een beminnelijke een voud, gepaard met de hoffelijkheid van een vorst aanvaardde Tagore steeds weer de hem toegebrachte hulde. Elke gedach te aan „pose" moest het afleggen tegen wat men als innerlijke oprechtheid er voer. De nog niet in zijn geestelijke wereld (Van onze correspondent) HONDERD JAAR GELEDEN, in de maand maart van 1861, heeft zich in de Parijs Opéra een dier veldslagen vol trokken die ook in de muziek historie maken. De première in Parijs, en sterker nog de tweede en derde en daarmee laatste voorstelling van de opera Tannhauser van Wagner, gaf toen aanleiding tot een rel waarvan het gejucht lang na zou klinken en de gevolgen voor de componist èn voor Frankrijk ingrijpend zouden blijken. Weliswaar trok Wag ner zelf zijn opera na de derde voorstelling terug. Maar met die verstandige beslissing was zijn rol in Frankrijk daarom niet uitgespeeld. Met de dichter Baudelaire voorop, trok de jonge Franse intelligentsia nu voor Wagner in het krijt, om eerst de litteratuur en daarna de schilderkunst en de filo sofie en tenslotte zelfs de muziek in de ban van de Duitse meester te slaan, een ban waaruit zo'n kleine halve eeuw later Debussy de Franse muziek eerst langzaamaan verlossen zou. En Wagner zelf? Hij trok uit zijn debacle in Parijs de slotsom dat het traditionele publiek der muziektheaters nog niet rijp was voor zijn kunst, zodat hij zich in Bayreuth een centrum stichtte het Festspielhaus ter ere van zijn eigen kunst en genie: een initiatief dat eveneens uniek in de his torie is gebleven. OP 15 SEPTEMBER 1859 was Richard Wagner, als politieke banneling tengevol ge van zijn medewerking aan de mislukte revolutie van Dresden, naar Parijs geko men om er zijn geluk te beproeven. Een geluk dat hem in alle domeinen van zijn leven juist verlaten leek te hebben. Zijn huwelijk ontwikkelde zich die dagen tot een drama, en om van honger niet te ster ven was hij genoodzaakt allerlei obscure baantjes als muziekkopiist en zelfs figu rant in een theater aan te nemen. De vrouw van de Oostenrijkse ambassadeur Prinses Pauline von Metternich bood zich echter aan als engel in de nood. En via haar invloedrijke echtgenoot werd er een forse pressie uitgeoefend op keizer Napo leon III, die tenslotte opdracht gaf aan Alphonse Royer, de directeur van de Grand-Opéra, Wagner's Tannhauser op het repertoire te plaatsen en om in de voor aanstaande theaters de beste artiesten weg te kopen. Net als nu voor de Carmen in hetzelfde theater, sloot men ook een contract met een Parijse manege af om voor de slotapotheose van de opera echte, levende paarden op de planken te kunnen brengen. Naast het eigen, zwaarbezette orkest, huurde de directeur, volgens het voorschrift van de componist, nóg zo'n kleine zeventig musici extra versterking, terwijl het ballet met meer dan negentig supplementaire krachten werd uitgebreid. Van zijn kant verklaarde Wagner zich echter tot de concessie bereid, een uitvoe rig ballet-intermezzo in te lassen het bacchanaal op de Venusberg waar niet ge gekscheerd werd en waar zonder het Parijse opera-publiek 't nu eenmaal niet stellen kon. ER WERDEN EEN tweehonderd gese pareerde repetities voor de zangers, de koren, het orkest en het ballet gehouden, waarvan het merendeel door Wagner zelf werd bijgewoond, zo niet geleid, want de officiële dirigent bleek tegen de moeilijk heden van de partituur niet te zijn opge wassen. Op het laatste moment eiste de componist nog een repetitie, omdat hij be merkt had dat een koppel honden dat ook tot de figuratie behoorde, net even tegen de toon aanblafte. Intussen hadden zich bij die repetities, en vooral achter de schermen al de nodige incidenten voorge daan waardoor de première zich onder een kwalijk gesternte aankondigde. De Duitse tenor Niemann, die met goud be hangen was om de hoofdrol van Siegfried te tolken, saboteerde wat hij saboteren kon en besteedde een ruim deel van zijn honorarium, naar men beweerde, om de Parijse critici tegen Wagner om te kopen. Daarentegen had Wagner de onvoorzich tigheid te veronderstellen dat hij 't wel buiten een betaalde claque zou kunnen, zodat bij de première de eerste tekenen van afkeuring niet beantwoord konden worden door een tegenmanifestatie. NIETTEMIN VIEL de Tannhauser, bij de première, toch ook weer niet als een baksteen. Alle passages en fragmenten, waaronder de hele ouverture en de mars in de tweede akte, die men nog wel in verband met Meyerbeer meende te kun nen brengen, werden met welwillendheid en soms zelfs met applaus ontvangen, en pas in het derde bedrijf deden zich, bij de terugkeer van de pelgrimvaarders, en kele incidenten met interrupties voor. De Rabindranath Tagore ingewijden luisterden verrast naar zijn „moderne" ideeën over de vrouw, over de opvoeding, over de maatschappelijke be trekkingen. De vaak uitdagende beeld spraak, die hij met oosterse fantasie be zigde, had overtuigingskracht. Zoals de sterk gespierde mammoets en dinosaurus sen het op den duur hebben moeten af leggen tegen de fijner bewerktuigde mens zal het „zwakke geslacht" der vrouwen eens zijn plaats innemen, die de mannelij ke kolossen, in wier schaduw het tot nog toe heeft geleefd, het zullen moeten af staan. Zo'n zin onthoudt men! EVEN VERBLUFFEND deed uit de mond van een oosterling aan wat hij ver telde over de vrije opvoeding van de jeugd op een bosrijk landgoed, ver van het stadsgewoel: zijn stichting Shatini- kêtan, het „huis van de vrede", waar de dichter-wijsgeer-pedagoog een zuivere harmonie tussen natuur en cultuur tracht te tot stand te brengen, en waar de kin deren onderling als een kleine zelfstandi ge gemeenschap zich aan maatschappelijk gedrag en aan de eisen van een waarlijk menselijke samenleving zouden kunnen ge wennen. „Onze plaats der aanbidding is daar waar natuur en ziel zich verenigen; onze enige riten en ceremoniën zijn goede werken van zelfopoffering", luidde het uit zijn mond. Niet overal is Rabindranath Tagore bij zijn bezoek aan Nederland verwelkomd met de eerbied en sympathie, die de krin gen, waarin hij optrad, hem toedroegen. Inzonderheid bij de rechtzinnige Christe nen heeft zijn komst aanleiding gegeven tot felle protesten. De destijds populaire predikant bij de Ned. Hervormde gemeen te te Amsterdam ds. H. Bakker noemde het in het weekblad „De Gereformeerde Kerk" „het oordeel Gods over ons ge slacht", dat een heiden tot onze gekersten de natie komt om ons wéér heiden te pers was al of niet gesubsidieerd de volgende dagen echter unaniem afwijzend. De machtige jockey club, het syndicaat van mondain en chauvinistisch Parijs, kwam nu ook in actie, en bij de volgende voorstelling die tot de laatste plaats was uitverkocht hadden de leden zich over alle loges en de zaal verspreid, voorzien van fluitjes, speelgoed trompetjes, ratels en zelfs een grote trom die de controle ^lijk baar allemaal ongestoord hadden kunnen passeren. Het sein van de tegenaanval werd in het tweede bedrijf gegeven, en zelfs het massaal-versterkte orkest bleek nu niet meer in staat het helse spektakel van de jockey-club te overstemmen. In haar ereloge sloeg prinses Pauline von Metternich in een wanhopige poging de orde te herstellen haar waaier in stukken, terwijl een Franse graaf zijn buurvrouw toevertrouwde dat de poging van Oosten rijk om de verloren veldslag van Solferi- no te wreken, als mislukt mocht worden beschouwd. In elk geval zag Wagner nu wel in, dat hij bij zijn offensief op dit bastion van de Franse en Europese dra matische kunst de zege niet zou boeken en na de volgende, derde en laatste voor stelling nam hij als gezegd zijn partituur weer terug. Een capitulatie? Nee, een strategische terugtocht om een beslissen de aanval te lanceren. Een aanval op het nieuwe front van zijn eigen-ontworpen operagebouw in Zuid-Duitsland. maken". Zijn ontboezeming besloot hij met te zeggen: „Tagore, reis terug naar uw land van de schaduwen des doods en laat ons in ons Christenland het licht op de kandelaar!" Waartegen op zijn beurt de toenmalige leider van de vrijzinnige Hervormden, dr. C. J. Niemeyer, protesteerde door te ver klaren, „dat wij ons aan Tagore heel wat meer verwant voelen dan aan de confes sionelen". Als zendeling zou hij onder hèn uitnemend werk kunnen doen!" Bij de opening van de bijeenkomst in de Remonstrantse Kerk te Rotterdam ge tuigde de voorzitter van het „gelukkig samentreffen" tussen Oost en West juist in een christelijke kerk. Hij noemde dit „een profetie van toekomstige eenheid". ZO HEEFT HET BEZOEK van Tagore aan ons land wel tegenstrijdige gevoelens gewekt. Dankbaarheid en bewondering enerzijds en anderzijds ergernis en mis noegen. Misnoegen het meest bij die men sen, die hem niet hebben willen ontmoe ten en die krachtens hun „geloof" het een „zonde" zouden hebben gevonden, naar deze „heiden" te luisteren. Zij oordeelden over wat zij niet kenden en niet zouden hebben begrepen. Ergernis toch óók bij menigeen van zijn bewonderaars, die het niet konden verdra gen, dat men ook deze man weer tot een „mode-profeet" verlaagde. Natuurlijk zijn er weer mensen geweest, die hun neiging naar het vreemde en bizarre uitleefden op dit voor hen zo welkom object. De over dreven Tagore-eultus in de dagen dat hij onder het bereik van dergelijke malloten is gekomen, mag niet aan zijn oprechte vereerders geweten worden; zoiets schijnt nu eenmaal bij zulke demonstraties te be horen. Wij hebben dames gezien, die na een lezing voor de profeet neerknielden en die in tranen van ontroering uitbarstten, toen zij hem een hand mochten geven. Het is een bekend verschijnsel; Tagore heeft in dit opzicht deel uitgemaakt van een hele reeks op zichzelf ernstige en waardige figuren, die door een dwaze cul tus hun optreden hier te lande is een be spottelijk licht zagen gesteld. Vooral als deze bezoekers uit het geheimzinnige Oos ten komen, worden zij al gauw de prooi van geestelijke snobs. Tagore heeft dit lot gedeeld met Krishnamurti, met Inayat Khan, met de Sadoe Sundar Sing.. Maar de nasmaak van dergelijke nare bijkomstigheden zal geen afbreuk doen aan de herdenking van de uren. die zijn be wonderaars tijdens het bezoek aan Neder land met Rabindranath Tagore hebben doorgebracht. H. G. Cannegieter DE NEDERLANDSE ORGANISATIE voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek heeft het Frederik Muller Fonds te Am sterdam een subsidie verleend ter voorbe reiding van de Nederlandse bibliografie van de jaren 1541-1600. Het Frederik Mul ler Fonds is genoemd naar zijn stichter, in leven boekhandelaar te Amsterdam en oprichter van het nog bestaande Frederik Muilerhuis, die bij zijn overlijden in 1881 een fonds naliet, waarvan de gelden moes ten dienen tot het uitgeven van bibliogra fische publikaties. Voorzitter van het Fre derik Muller Fonds is prof. dr. L. Brum- mel, bibliothecaris van de Koninklijke Bi bliotheek te 's Gravenhage en secretaris prof. mr. H. de la Fontaine Verwey, bibliothecaris van de Gemeentelijke Uni versiteitsbibliotheek te Amsterdam. In een onderhoud met prof. mr. de la Fontaine Verwey vernam het A.N.P. dat Nederland op het gebied van de nationale bibliografie inzake de oudste perioden op uitstekende prestaties kan bogen. Zo zijn de Nederlandse incunabelen dat zijn de drukken uit de vijftiende eeuw, beschreven in de „Annales de la Typographie Neér- landaise au XV Siècle" door dr. M.T.A.G. Campbell, destijds bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek. Dit werk kwam in 1874 van .de pers. Hierna begon de heer Wouter Nijhoff materiaal te verzamelen voor de daarop volgende periode, namelijk die van de post-incunabelen (1500-1540). De boeken uit dit tijdvak verschilden in menig opzicht van die uit het voorafgaan de, waarin de boekdrukkunst nog in de kinderschoenen stond en iedere drukker zijn eigen lettertype had. In de tijd der post-incunabelen verrezen lettergieterijen die de drukkers van letters voorzagen, het geen op den duur de massaproduktie ten gevolge had. Het door de heer Wouter Nij hoff bijeengebrachte materiaal is aange vuld en bewerkt door mejuffrouw dr. M. E. Kronenberg. Het eerste deel dezer bi bliografie verscheen in 1923, het tweede in 1940 en de laatste aflevering van het derde zal binnenkort van de pers komen. Volledigheidshalve zij hier vermeld, dat de bibliografieën van dr. Campbell en van Nijhoff-Kronenberg zowel de Noord als de Zuid-Nederlandse boeken omvatten. NA DE LAATSTGENOEMDE periode komen de jaren 1541-1600 aan de beurt, een bewogen tijdvak, niet het minst door de gevolgen van de hervorming, het voor spel van de tachtigjarige oorlog en onze strijd tegen Spanje. Dit alles weerspiegelt zich natuurlijk in allerlei boeken, pamflet ten enzovoorts. Nu is men in het begin van 1959 in België begonnen aan een bi bliografie van boeken, die tijdens deze jaren waren gedrukt binnen de grenzen van het tegenwoordige Koninkrijk België. Dit werk wordt gedaan op de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Vanzelfsprekend wil men hier te lande niet achterblijven. De samenstelling van de Nederlandse bi bliografie 1541-1600 is toevertrouwd aan de heer en mevrouw B. de Graaf-Luiks in Nieuwkoop. De heer De Graaf verdiende zijn sporen op bibliografisch gebied reeds met een publikatie over de bekende zes tiende eeuwse humanist Alardus van Am sterdam. De arbeid van de heer en me vrouw De Graaf, welke onder supervisie van prof. De la Fontaine Verwey zal ge schieden, voltrekt zich in twee fasen: pri mo het inventariseren van de in de litte ratuur vermeldde titels, hetgeen het door lezen van de catalogi der grote bibliothe ken vereist en secundo het opsporen van nog niet beschreven titels. In totaal zal het om minstens 3000 titels gaan. i

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 23