DE MODERNE TIJD EN
DE MOOIE TIJD
aan alle edities van
Wekelijks
Haarlems Dag
'mulder Courant
GEEN ANGST VOOR DE LANDBOUWBESTRIJDINGSMIDDELEN (SLOT)
De spelbehandeling
van het
moeilijke kind
„ALS IK EEN ONGESCHILDE appel wil eten, spoel ik 'm in elk geval even
af. Niet omdat ik bang ben voor een giftig restje insecticide of zo,
maar met 't oog op de bacteriën. Zo'n appel gaat door zoveel handen".
Dat zegt zowel dr. K. Hartsuijker van de Plantenziektenkundige Dienst
te Wageningen als prof. dr. H. J. Hardon. Hun nuchter advies betekent
eigenlijk wie de normale regels van reinheid en hygiëne met redelijk
overleg betracht, heeft van de bestrijdingsmiddelen niets te duchten.
De warenwet en straks ook de bestrijdingsmiddelenwet kunnen de
consument de zekerheid geven dat zijn voedsel onschadelijk is, hoe
veel er ook aan chemische preparaten op is gespoten en verstoven,
verneveld en verrookt. De Plantenziektenkundige Dienst en de keu
ringsdiensten van waren hebben, in samenwerking met het Rijksinsti
tuut voor de Volksgezondheid te Utrecht, de boeren en kwekers be
paalde normen opgelegd, waardoor de hoeveelheden aan bestrij
dingsmiddelen, welke zich nog op de produkten bevinden wanneer
die de consument bereiken, verdwijnend klein zijn geworden. Dat
blijkt wel uit de microscopische maat welke voor dat doel wordt ge-
hateerd één deel per miljoen (ppm, part pro million, zoals de vak
term luidt) ofwel één milligram bestrijdingsmiddel per kilogram
groente of fruit.
William Cooper, Scenes from Married Life - Macmlllan, Londen
C. H. B. Kitchin, The Book of Life - Peter Davies, Londen
t
„Onnatuur" der bestrijdingsmiddelen: een natuurlijke
factor in het biologische evenwicht van deze tijd
(Van onze reportageredacteur)
De 18.000 ha. beslaande Haarlemmermeerpolder een der vruchtbaarste landbouw
gebieden van ons land.
WILLIAM COOPER is in Engeland een
romancier van een zeker aanzien sinds
de verschijning, tien jaar geleden, van zijn
Scenes from Provincial Life, dat nu in een
Penguin-editie is uitgekomen ongeveer te
gelijk met de verschijning van een soort
vervolg erop, Scenes from Married Life.
Dit laatste boek is niet precies chronolo
gisch een vervolg, maar de hoofdpersoon
is wel weer Joe Lunn die over zichzelf
vertelt, in de stemming die lezers van het
vorige boek van hem kennen. Hij was toen
schoolmeester in de provincie, en hield het
met een meisje genaamd Myrtle; nu is
hij ambtenaar in Londen, en ontmoet een
onderwijzeres genaamd Elspeth, met wie
hij na enige aarzeling een huwelijk aan
gaat.
DE VERKLARING voor de bijzondere
belangstelling die deze boeken in Engeland
gewekt hebben, is misschien dat zij amu
sante herkenningen verzekeren aan lezers
die zelf in zulke omstandigheden als Joe
Lunn geleefd hebben, en niet goed wisten
wat zij er ooit over zouden kunnen ver
tellen. Voor lezers met een andere erva
ring achter zich tellen zij als onthullingen
van de menselijke natuur eigenlijk niet
mee. De voornaamste merkwaardigheid in
Joe Lunn's gedrag is dat hij eerst een
ware affectie voelt voor Myrtle, en toch
onder geen beding met haar wil trouwen;
en dat hij vervolgens bij de eerste ont
moeting al weet dat hij in de persoon van
Elspeth zijn toekomstige vrouw heeft ge
vonden, en toch zijn huwelijksaanzoek, of
beter gezegd zijn voorstel om te trouwen,
zonder duidelijke reden lange tijd voor
zich houdt. Niet dat dit bepaald ongehoord
is in de geschiedenis van de liefde, -maar
het is in het verband van zijn verhalen het
meest voor de hand liggende onderwerp
voor William Cooper om<te benutten voor
ontdekkingen in het hart van Joe Lunn,
en hij maakt er zo goed als geen gebruik
van. Om ons te interesseren, weet hij niet
beter te doen dan eenvoudig te beschrij
ven hoe Joe zich gedraagt in de liefde, als
of wij daar nog door verrast konden wor
den, en hoe hij zich zorgen maakt over de
romans die hij evenals Cooper zelf aan
het schrijven is of al geschreven heeft.
In het Limburgse plaatsje Horst zal
een monument geplaatst worden ter
nagedachtenis aan de Nieuw-Guinea-
pionier J. van Eeckhout, die in dit
dorp geboren is. Het monument is een
schepping van de beeldhouwer R.
Stultiens uit Bunde, die hier met zijn
werk gefotografeerd is.
DE AUTEUR zet zijn tanden niet in zijn
materiaal, en de lezer krijgt er de zijne
ook niet in. De beste stemming om aan
een boek als Scenes from Married Life te
beginnen, is een sceptische, zonder enige
verwachting; wie deze bespreking ervan
gelezen en geloofd heeft, zal er wel plezier
aan kunnen beleven. De relaties van Joe
met zijn vriend en onmiddellijke superieur
Robert leveren een paar aardige situaties
op, in mindere mate ook die met een an
dere vriend van name Harry, en tenslotte
eveneens die met Elspeth zelf. Het verhaal
van de zorgen die Joe zich maakt wan
neer zijn nieuwe roman dreigt vervolgd te
zullen worden wegens obsceniteit, is bo
vendien lezenswaard als documentatie over
het Engelse litteraire leven. Men kan zich
met dit boek wel een tijdje lang goed
bezig houden, maar wanneer men belust
is op bijzondere en originele kwaliteiten
doet men beter met elders te gaan zoeken.
HET NIEUWE BOEK van C. H. B. Kit
chin, The Book of Life, is in sommige op
zichten verkieslijk boven dat van Cooper.
Het is evenmin een meesterwerk en nog
minder een prestatie van buitengewone
orginaliteit, maar het is een evenwichtige
en aannemelijke roman; dat de auteur
nogal eens een passage te lang maakt,
met overbodige dialogen of beschrijvingen,
moet hem dan maar vergeven worden, en
is sommige lezers misschien niet eens on
aangenaam. De hoofdpersoon, Francis is
een jongen van een jaar of tien, in de tijd
voor de eerste wereldoorlog. Het „book
of life", zoals de familie het noemt, is het
boek waarin zijn grootvader zijn testamen
taire beschikkingen heeft genoteerd. Fran
cis, die sinds de dood van zijn beide ouders
een groot deel van zijn vakanties bij groot
vader en de tantes doorbrengt, groeit op
in de verwachting van een aanzienlijke
erfenis, en vindt zichzelf nogal een su
perieur jongetje; en hij hoopt nog benij
denswaardiger te worden door de verle
ning van een adeltitel aan zijn grootva
der, die dan op hem als zoon van de oud
ste zoon zou overgaan. Zijn verwachtin
gen worden niet vervuld. De familie raakt
in een schandaal gewikkeld doordat een
van Francis' ooms zich encanailleert met
een verkeerd soort vrouw, en in bescha
mende omstandigheden zelfmoord pleegt;
de grootvader, hierdoor in een prikkelba
re staat gekomen, merkt bij die gelegen
heid dat Francis zich niet strikt aan een
bepaald verbod heeft gehouden, en scheurt
in indrukwekkende toorn diens pagina uit
het veelbelovende boek.
De betekenis hiervan zou in het verband
van het boek kunnen zijn dat dit, hoewel
vervelend voor de jonge Francis, toch
eigenlijk goed voor hem is omdat hij nu
niet als verwend rijk aapje het leven in
zal gaan. Kitchin is niet helemaal afke
rig van deze opvatting, maar maakt er
ook niet speciaal werk van. Zijn eerste
zorg is om de ondervinding van zijn hoofd
persoon te laten zien in een leesbaar ge
construeerd verhaal, en dat heeft hij be
kwaam gedaan. Wat hij er zelf van denkt,
had hij wel iets duidelijker kunnen ma
ken zonder de beschuldiging te verdienen
dat hij ons toepreekte; men krijgt eerder
de indruk dat hij zich op de vlakte houdt
dan dat hij een hoge objectiviteit in acht
neemt, maar wat hij weet te vertellen
is onderhoudend genoeg voor een aardi
ge roman, die in ieder geval als critiek
op de Edwardiaanse gegoede middenstand
een behoorlijke kracht heeft. S.M.
IN DE EERSTE JAREN van de op
komst van bestrijdingsmiddelen zijn er
ongetwijfeld vrij hoge resten aangetrof
fen, met name van kwikverbindingen.
De Plantenziektenkundige Dienst heeft
aan de toepassing van kwikpreparaten op
fruitbomen na de bloei echter al spoedig
een eind gemaakt. En een in de jaren
1954 en 1955 door de Amsterdamse keu
ringsdienst ondernomen intensief onder
zoek op monsters groente en fruit bracht
feitelijk slechts een gering aantal over
schrijdingen van de residu-toleranties
aan het licht. De bij proefdieren gevon
den toxische graad van het betrokken
middel wordt voor menselijk gebruik
dikwijls met een omrekeningsfactor van
één-honderdste behandeld, of er wordt
met andere factoren gewerkt welke met
een „veiligheidszone" van die omvang
overeenkomen. Wanneer de giftigheids
graad van een bepaald middel voor een
dier bij honderd milligram per kilogram
aan de tolerantiegrens zou zijn, kan die
limiet voor de mens op één milligram
worden bepaald.
HET PUBLIEK HEEFT er overigens
weinig weet van hoeveel tijd en dus ook
geld aan het onderzoek naar de werking
van en de controle op de bestrijdingsmid
delen wordt besteed. Met name de door het
Rijksinstituut in Utrecht ondernomen on
derzoekingen vergen als regel jaren. Het
gaat daarbij niet alleen om de acute, maar
vooral om de chronische giftigheid van een
middel op te sporen. Een middel als para-
thion bijvoorbeeld verdwijnt in het stof
wisselingsproces weer vrij spoedig uit het
lichaam, andere verbindingen, zoals kwik-
houdende fungiciden (die de schimmels be
strijden) en de gechloreerde koolwaterstof
fen hebben de eigenschap zich in het li
chaam op te hopen. Geleidelijk wordt dan
toch een toxische hoeveelheid bereikt.
Het toxicologisch onderzoek beperkt zich
dus niet tot de giftigheids verschijnselen,
maar het verbreedt en verdiept het inzicht
in het gehele stofwisselingsproces, terwijl
het tevens samenhangt met het weten
schappelijk onderzoek naar de kankerver
wekkende oorzaken. Een en ander vereist
niet alleen de volledige persoon van de on
derzoeker die zich met meer problemen
dan uitsluitend het onderzoek van bestrij
dingsmiddelen bezighoudt maar ook een
ruime laboratoriumcapaciteit welke uiter
aard begrensd wordt door wat Nederland
aan mensen en middelen voor deze taak
kan opbrengen. Ter beoordeling van de
tien tot twintig chemische entiteiten welke
jaarlijks als nieuwe preparaten op de
markt komen maakt het Rijksinstituut dan
ook vaak gebruik van de bij andere te
goeder naam en faam bekend staande in
stellingen versehenen rapporten.
WAT AAN EIGEN ACTIVITEIT wordt
gepresteerd is daarom niet minder indruk
wekkend. De honderden proefdieren, in
soort en grootte variërend van bananen-
vliegjes en tropische visjes tot ratten en
konijnen, waarop de toxische (en andere)
eigenschappen van de te analyseren mid
delen worden gedemonstreerd, vormen een
kostbare levende have. Kostbaar, omdat
het Rijksinstituut deze stal zelf fokt en
op peil houdt om zeker te zijn van een
bekende, constante fysieke kwaliteit der
proefdieren. Zo behoren de ratten tot een
van vóór de oorlog daterende stam. Daar
naast is er een uitgebreide en dure appa
ratuur, waarvan een der jongste aanwin
sten, een gas-chromatograaf, in staat is
de aanwezigheid van bepaalde stoffen tot
op een miljoenste gram vast te stellen.
Tegen deze achtergrond dient men het
artikel uit het ontwerp-Bestrijdingsmidde-
lenwet te zien, dat de fabrikanten die toe
lating van een nieuw preparaat vragen
in de kosten van het daaraan verbonden
onderzoek moeten bijdragen. Hetgeen, ge
zien de blijkbaar lucratieve produktie, nie
mand onredelijk zal vinden.
Het zal misschien nog wel even duren
vóór de Memorie van Antwoord van de re
gering op het door de Tweede Kamer uit
gebracht voorlopig verslag op het ontwerp-
Bestrijdingsmiddelen verschijnt. Dat komt
omdat vele geachte afgevaardigden zich
bij de 'beoordeling van de voorgestelde ber
palingen niet hebben beperkt tot de tech
nische en organisatorische aspecten van
een regeling welke zich ten doel stelt de
veiligheid van alle betrokkenen zoveel mo
gelijk te waarborgen, maar van de gele
genheid gebruik hebben gemaakt een veel
breder vraagstuk aan de orde te stellen.
Deze kamerleden vragen zich af of het
niet de voorkeur verdient de biologische
ontwikkeling niet langs chemische, maar
langs natuurlijke weg in de gewenste rich
ting te laten gaan. Zij vrezen een eenzij
dige verstoring van wat men wel „het bio-
totale verlies van de aardappeloogst en
daarmee hongersnood, armoede en emigra
tie, drie verschijnselen welke het gezicht
van Ierland tot op heden hebben getekend.
TEGEN DEGENEN die verontrust zijn
over sommige, overigens niet altijd be
wezen nadelige nevenverschijnselen van
het gebruik van chemische preparaten
zegt dr. Hartsuijker: „We vechten met de
rug tegen de muur en we hebben nog geen
betere wapens! Zonder de middelen
waarover we wel de beschikking hebben
en dat geldt evenzeer voor tal van far
maceutische produkten zou het niet
mogelijk zijn geweest dat de Nederlandse
bevolking in een eeuw tijd van tweeënhalf
miljoen tot bijna twaalf miljoen toenam.
Wanneer men beweert dat onze land- en
tuinbouw door al die meststoffen en be
strijdingsmiddelen een zeer kunstmatige
aangelegenheid is geworden, dan vergeet
men dat onze hele moderne samenleving
door middel van vérgaande ingrepen op
allerlei gebied in stand wordt gehouden en
daarmee ongetwijfeld ook op allerlei an
dere punten bijzonder kwetsbaar is ge
worden. .,'**1"^'
Andere argumenten welke vaak in stel
ling worcfen gebracht tégen het over
matig gebruik van chemische prepara
ten betreffen het gevaar van uitputting
van de grond en van het toenemen van
de weerstand van de te bestrijden insec
ten naarmate men meer en langer van be
paalde bestrijdingsmiddelen gebruik maakt
Nederland houdt echter niet voor niets in
Wageningen dure instituten in stand, wel
ker taak het is oplossingen te zoeken voor
dat soort problemen! De uitputting van de
grond bijvoorbeeld is nog lang niet aan de
De chemische ontwikkeling gaat thans in een even snel tempo als eertijds de
technische.
logische evenwicht" noemt: het vermogen
van de natuur om zichzelf in stand te hou
den door een reeks van elkaar corrigeren
de activiteiten.
Een van de deskundigen die met het on
derzoek naar de bestrijdingsmiddelen be
last zijn, dr K. H. Hartsuijker, stelde het
probleem heel nuchter toen hij opmerkte,
dat vanaf het ogenblik dat de mens de
wereld te zijnen behoeve ging exploite
ren dat biologisch evenwicht reeds ver
stoord werd. Het enige wat men daaruit
kan concluderen is, dat er in de natuur
niet van een statisch, maar ten hoogste
van een dynamisch evenwicht sprake is.
Wanneer, zoals een paar jaar geleden het
geval was, de konijnenstand door myxo-
mathose vrijwel wordt uitgeroeid, is dat
ook voor de vossen een bijzonder nare
zaak. De flora vaart er echter wel bij. En
wanneer men zo'n voorstander is van dit
natuurlijke herstel van het biologisch
evenwicht, zal men de mens zelf daarvan
moeilijk kunnen uitzonderen.
Uiteraard kunnen bepaalde ontwikkelin
gen wel door de natuur zelf tot staan wor
den gebracht. De biologen weten heel goed
dat bijvoorbeeld de bladluizenplaag op de
aardappelen- en bietenvelden door lieve
heersbeestjes en door zweefvliegen wordt
bestreden. De aardappel is tijdens dat pro
ces zo niet bezweken dan toch ernstig met
virus besmet, nog afgezien van het feit dat
het lieveheersbeestje bladluis vreet tot
het genoeg heeft en niet ten bate van de
mens dat proces voortzet. Het niet kunnen
tegengaan van een schimmelziekte bete
kende een eeuw geleden voor Ierland het
orde. Integendeel: de opbrengsten per
hectare worden nog steeds hoger, de va
riëteiten steeds beter. Dat is niet alleen
een kwestie van de toepassing van aller
lei soorten kunstmest en insecticiden, van
preparaten tegen schimmels en ziektekie
men, maar ook van een door de mechani
satie doeltreffender bewerking van de
grond, van een regelmatige ontwatering
en van de toepassing van goede vrucht-
wisseling.
WAT NU HET GEVAAR van de toxici
teit van de bestrijdingsmiddelen betreft:
dr. Hartsuijker herhaalt zijn reeds in het
eerste artikel (Erbij, 13 mei) weergegeven
mening, dat niemand die de gebruiksaan
wijzingen opvolgt en een normale voe-
dingshygiëne betracht enig gevaar behoeft
te vrezen. Gezond verstand is in dit geval
de beste raadsman.
Overigens streven de fabrikanten er in
tensief naar minder giftige preparaten op
de markt te brengen. In het bijzonder rich
ten zij zich op het vinden van meer selec
tieve verbindingen, welke bijvoorbeeld
wel dodelijk zijn voor koudbloedigen, maar
niet voor warmbloedigen. Deze selectivi
teit gaat echter meestal ten koste van de
werkzaamheid. En degenen die de re
search naar en de vervaardiging van der
gelijke selectieve middelen aanmoedigen
dienen wel te bedenken, dat hun verlan
gen naar een geringere giftigheid als re
gel niet te rijmen valt met een andere
wens, namelijk van een zo kort mogelijk
lijden van het te verdelgen dier.
Wanneer vrij onschuldige middelen wor
den gebruikt, kan met een eenvoudig en
dus niet kostbaar filtermasker worden
volstaan.
Wij moeten leren leven met de vin
dingen van de chemie, zo goed als we
dat met zoveel andere wetenschappe
lijke en technische verworvenheden van
deze eeuw moeten doen. De landbouw
gehoorzaamt in dat opzicht aan precies
dezelfde wetten als welke andere sector
van onze samenleving ook.
„DE SPELBEHANDELING VAN HET
MOEILIJKE KIND" door M. I. Morel, uit
gave De Toorts, Haarlem.
IN DIT KEURIG VERZORGDE boek
wordt eerst uiteengezet wat een moeilijk
kind is. De schrijfster merkt hierbij op
dat sommige kinderen moeilijk zijn omdat
zij te gemakkelijk zijn, dat wil zeggen:
deze kinderen uiten hun moeilijkheden
niet in een moeilijk gedrag.
Steeds meer opvoeders beseffen de be
tekenis van het vroegtijdig herkennen en
behandelen van psychische moeilijkheden
bij kinderen. Dat hiervoor een andere me
thode gebruikt moet worden dan bij vol
wassenen is duidelijk: het kind is niet in
staat, zoals de volwassene dat min of
meer vermag, zijn conflict onder woorden
te brengen. De methode, die de opsporing
en opheffing van deze moeilijkheden kan
geven, is de spelbehandeling. Men poogt in
het spel achter de moeilijkheden te komen
en die zo mogelijk op te lossen. Het spel
is geen doel maar middel. Het is bijna
vanzelfsprekend dat bij de behandeling
van het kind de ouders vaak mede behan
deld moeten worden en minstens mede
werking moeten verlenen.
HOE DE SPELLEIDSTER zichzelf bij
het kind hanteert, nu eens terughoudend
dan weer meer actief aanmoedigend, is
afhankelijk van de houding van het kind,
van het in staat zijn om in relatie te tre
den met de spelleidster, of het spelen kan
en of het een weerstand vertoont tegen
het samen-zijn met haar.
In de relatie tot de spelleidster worden
allerlei conflicten met de ouders, naar
aanleiding van het spel, opnieuw beleefd
en door de accepterende houding van de
spelleidster afgereageerd. We zien dan ook
voortdurend deze relatie van positief naar
negatief, en ook omgekeerd, omslaan en
het vereist van de spelleidster heel wat
stuurmanskunst en tact om het doel, het
opheffen van de relatiestoornis, te bewer
ken zonder ditmaal nadelige gevoelens op
te wekken. Van dit boeiend bedrijf geeft
dit boek een spannende beschrijving. We
zien ook de reacties buiten de spelkamer,
thuis en op school. Het kind wordt name
lijk door de behandeling anders, en de
ouders vinden soms dat het moeilijker
wordt. De speltherapie is bruikbaar tot de
leeftijd van elf jaar ongeveer. Dan name
lijk kan het kind moeilijker spelen, maar
ook is het nog niet in staat zijn probleem
onder woorden te brengen. Meestal wordt
dan begonnen met een of andere vorm
van creatief spel, knutselen of boetseren
en volgt toch een gesprek.
OVER HET SPELEN in een groep gaan
de slothoofdstukken. Vaak wordt deze
vorm gekozen om bepaalde moeilijkheden
op te lossen, vaak ook is het een vervolg
en langzame beëindiging van de indivi
duele speltherapie. Door een spelleidster
tesamen met een spelleider te laten op
treden kunnen situaties waarbij de autori
teit van de vader een rol speelt beleefd
en eventueel gecorrigeerd worden. Het los
laten van het kind na de behandeling is
ook een moeilijk punt. Het kind en waar
schijnlijk ook de spelleidster zijn zich gaan
hechten. De nazorg vereist dan ook een
zeer goed inzicht in deze relatie.
WE KRIJGEN UIT DIT BOEK de in
druk dat de spelleidster een vrij autonome
figuur is want zij blijkt tenslotte het thera
peutisch handelen te bepalen. Met de fi
guur van de spelleidster staat of valt
volgens deze beschrijving de therapie.
Moge dat een eenzijdige belichting zijn;
het boek is overigens voortreffelijk.