GEHEUGEN VERLOOR
PRIEGELTJES GROTE REIS
Guus Cellofaan
f
PANDA EN DE MEESTER-OPHEFFER
sm
Polle»
Pelli en
ontharing
depilan
'"Hoe is het ontstaan?"^
m
m
Ons vervolgverhaal
NAAR HET DUITS DOOR LILIAN AYE
ZATERDAG 22 JULI 1961
11
KORT VERHAAL
DOOR
J. VAN MOORSEL
Honderd jaar fietsen
Dit woord: PIMPELEN
43- Goeie reis, en behouden vaart, Zeerob, zegt Polle, haal maar gauw onze
„Mary op, je bent zeeman, of niet! Zorgen jullie dan eens voor een
beetje wind!, roept Zeerob, als hij van de kant afgaat, dat scheelt! Dat
laat de olifant zich niet zeggen! Hij maakt meteen zoveel wind, dat het
wel een storm lijkt! Pas op!, zegt Polle, je springt zo nog uit elkaar!
1
26)
„Gelooft U, dat een vrouw, omdat
ze zich ongelukkig voelt, een lichtzin
nig spelletje kan gaan spelen? Maar.
misschien hield ik ook wel echt van
hem
„Je bedoeltdie ander?" vroeg
mevrouw Hausier zacht. Karin knikte.
„Merkwaardig, hoe een moeder
meestal voelt, als er met haar kind
iets aan de hand is. Ze weet niet pre
cies wat 't is, maar ze vermoedt 't.
Ze begon opnieuw Karin's. handen te
strelen. Het was alsof dit strelen Ka
rin rustiger maakte en haar hielp
alles, van het begin tot het einde, aan
haar moeder te vertellen. Haar woor
den kwamen eerst aarzelend, maar
langzamerhand vloeiden ze moeite
loos over haar lippen.
De oudere vrouw luisterde zwij
gend.
„En was je dit keer voor het eerst
helemaal gelukkig met Herbert?" Ka
rin knikte.
Die idioot, dacht haar moeder; na
tuurlijk: hij heeft afschuwelijke din
gen te verwerken gekregen, maar hij
kan er nu toch maar niet zo tussen
uit rennen! 4
Je moet handelend optreden, hield
ze zichzelf het volgende ogenblik voor,
piekeren helpt niets, je moet iets
doén!
Vastberaden stond ze op. „Luister
nu eens goed naar mij, liefje", zei ze,
„weet jij eigenlijk wel hoe je een man
moet boeien?" En voordat Karin een
verwonderd antwoord kon geven, ver
volgde ze: „Nee, ik geloof, dat je dat
niet weet. Denk je, dat je Herbert
terug kunt winnen door hier met een
behuild gezicht in bed te blijven lig
gen? Met slordig haar en zonder
make-up? Lieve kind, wat moet jij
nog veel leren! Vandaag mag je uit
rusten, vanzelfsprekend, maar voor
morgen maak ik een afspraak bij de
kapper voor je!"
Karin's moeder scheen opeens gro
te haast te hebben. Ze nam snel af
scheid en riep haar dochter bij het
verlaten van de kamer toe: ,Je hoort
nog wel van mij, liefje! Ik moet er
nu vandoor, maar vertrouw op je
moeder! Zij was niet voor niets vele
jaren met een heel moeilijke man ge
trouwd! Bij hem vergeleken, is jouw
Herbert een lam!"
Toen mevrouw Hausier thuis kwam.
nam ze niet de tijd om haar mantel
uit te doen, doch liep regelrecht naar
de telefoon. Ze belde Herbert op zijn
kantoor op.
„Ja, Mama?" zei hij mat.
X 1L Li. •'•1
De oudere vrouw was zo wijs. hem
op dat moment niet te interpelleren
over de plotselinge terugkeer, maar
op de bazige toon, die hij van haar
kende, zei ze: „Ik verwacht je over
een kwartier hier, voor de thee".
„Maar mama, ik heb erg weinig
tijd".
„Onzin! Je moet bovendien mijn
nieuwe tropische plant nog bewonde
ren. Je kunt er best even tussen uit
breken
Ze legde de hoorn weer op de haak.
Mannen moest je overrompelen, dacht
ze triomfantelijk. Ze liep naar de keu
ken en zette een ketel water op. Her
bert's voorstel om een dienstmeisje te
nemen, had ze telkens weer energiek
van de hand gewezen. Ze was van
mening, dat je, als je gezond was,
altijd bezig moest zijn om niet te ver
roesten. En zo verzorgde ze met de
hulp van een werkster, die drie maal
per week kwam, haar flat tot in de
puntjes.
Toen Herbert twintig minuten later
belde, was alles klaar voor een ge
zellige theedrinkerij. De zilveren trek
pot stond op een lichtje en de kamer
had een intieme, vertrouwelijke sfeer.
Mevrouw Hausier opende de voor
deur. „Heb je het op je knopen zitten
aftellen, of je zou komen of niet?
vroeg ze glimlachend. „Je bent vijf
minuten te laat!"
„Het spijt me!"
„Hindert niet!" mompelde ze groot
moedig. Toen Herbert zich in een
comfortabele stoel had geïnstalleerd,
viel ze meteen met de deur in huis:
„Je kon zeker geen beter excuus be
denken hè?"
„Wat bedoelt U?"
„Stel je voor, tegen Karin te zeg
gen, dat jullie onmiddellijk terug
moest, omdat er een belangrijke za
kenrelatie was komen opdagen. Jullie
mannen zijn soms net niet wijs en.
„Mama, ik geloof, dat u de situatie
niet goed begrijpt," onderbrak Her-
bert haar met enige heftigheid.
De oudere vrouw trok haar wenk
brauwen op. „Sinds wanneer val je
me in de rede? Waar zijn je goede
manieren?"
„Er zijn momenten, mama, dat goe
de manieren geen zin hebben."
„Laten we daar niet over filosofe
ren," merkte ze op, „maar laten wij
liever samen eens overleggen, hoe we
die geschiedenis weer in het reine
kunnen brengen."
„Hebt u wel eens een stukje ijzer-
draad eerst naar de ene kant, en daar
na de andere kant omgebogen?"
„Nee, waarom zou ik?" vroeg ze
verwonderd.
„Dan zou u namelijk weten, dat dat
één keer, of misschien twee keer goed
gaat, maar bij de derde keer breekt
't plotseling af en dan is 't niet meer
te gebruiken."
„Nee, zei ze langzaam," dat is niet
juist! Het kan gelast worden.."
Ze keken elkaar recht in de ogen.
Herbert voelde iets van irritatie maar
hij kon de rustige blik van zijn schoon
moeder niet weerstaan. Er ging een
grote kracht van uit en een diep ver
trouwen en daarnaast een ondefinieer
bare charme. Er kwam een vage
glimlach om zijn mond.
„Krijg ik eigenlijk nog een kopje
thee?" vroeg hij.
„Ik zhl 't inschenken."
Even was er iets van verlegenheid
tussen hen. Karin's moeder was bang,
dat ze Herbert te robuust had aange
pakt, en Herbert voelde zich ook niet
op zijn gemak. Maar dat moment ging
voorbij en even later zei hij glim
lachend: „Weet u, dat ik met het vas
te besluit hierheen kwam, om me niet
door u te laten beïnvloeden? En ik
ben nog geen minuut hier, of ik ben
al als was in uw handen! Hoe krijgt
u 't toch voor elkaar?"
„Dat vroeg Karin's vader mij ook
altijd," zei mevrouw Hausier.
„En wil je wel geloven, dat ik hem
nooit op die vraag een antwoord heb
kunnen geven? Ik weet 't zelf niet!"
Ze maakte even een grimas, maar
voordat Herbert weer iets kon zeggen,
ging ze verder: „Weet je wat ik ge
loof? Ik geloof, dat twee mensen, als
ze dat werkelijk willen, dingen uit
kunnen praten, of in andere gevallen
iets kunnen afremmen. In het begin
moet je wel eens op de tast werken,
het terrein als het ware verkennen,
om er achter te komen, wat de beste
weg is, maar als de wil aanwezig is
Begrijp je wat ik bedoel?"
„U zegt het duidelijk genoeg, ma
ma, ik zou wel erg imbeciel moeten
zijn, als ik 't niet kon volgen."
Toen Herbert enige tijd later de flat
van zijn schoonmoeder verliet, was
hij zich ervan bewust dat hij zich had
- laten'ompraten, «tj-was voor haar
redenering en charmante, levenswijze
manier van filosoferen gezwicht. Hij
had het gevoel, dat hij de dingen weer
beter aan kon. De incidenten in Stam-
berg en München deden hem nog wel
pijn, doch leken toch onbelangrijk ge
worden. Opnieuw was er in hem de
wil om met Karin gelukkig te wor
den.
„Mijn dank, Liesbeth," zei Hélène
Maertens door de telefoon. Ze scheen
haast te hebben en voegde er alleen
aan toe: „Dat is alles, wat ik weten
wilde."
Ze legde de hoorn neer en voelde
haar hart bonzen. Datgene, wat ze zo
juist van Liesbeth had vernomen, be
trof het kernpunt van haar opzet. Lies-
beth's mededeling had met één slag
de laatste moeilijkheden uit de weg
geruimd.
Hélène's hand trilde, toen ze een si
garet opstak. Deze mededeling kon het
keerpunt betekenen in het leven van
haarzelf, en in dat van Herbert, Ka
rin en Sven Toren. Het levenslot van
vier mensen stond thans op het spel.
Hélène draaide het nummer van ho
tel „Breitenbacher Hof."
„Wilt U mij met meneer Toren ver
hinden?" vroeg ze, toen de verbinding
doorkwam.
Even later hoorde ze de stem van
Sven Toren.
„Met Hélène Maertens," zei ze, en
na even wachten ging ze verder:
„Karin gaat morgen om 11 uur
naar de kapper!"
„Ik zal zorgen, dat ik er ben," ant
woordde Sven.
Het reiswekkertje op Sven's nacht
kastje tikte nauwelijks hoorbaar, maar
Sven had het gevoel, dat de kamer
vervuld was van dit eeuwige getik.
Het was 7 uur 's morgens. In het
asbakje naast zijn bed lag een grote
verzameling sigarettenpeukjes. Door de
geopende balkondeur kwam de frisse
morgenlucht de hotelkamer binnen.
Sven stond op en keek uit het raam.
Hij keek naar de ontwakende dag, de
ze dag, die beslissend voor zijn ver
dere leven zou zijn.
(Wordt vervolgd)
7-8. Na een praatje met hoofdman N'goe-
magoema over alles en nog wat, kwam
professor Wiedemors met de vraag, die
hem op het hart lag: wist N'goemagoema,
of er misschien in deze streek een bij
zondere dwergstam leefde?
Die vraag had de professor ai vele ma
len gesteld, maar tot nu toe zonder re
sultaat. Maar nu.nu scheen het toch,
dat hun reis niet voor niets was geweest;
want het opperhoofd knikte en wees met
zijn duim naar het woud.
Jaja! zei hij. Mannetjesheel klei
ne mannetjes wonen daar. Wij noemen ze
Kakoewoebimi. Héél, héél klein!
IK STOND OP het punt om weg te
gaan, toen er werd gebeld. Het was Guus.
Natuurlijk was het Guus, dat had ik op
m'n vingers kunnen natellen.
"Gaat u naar Rotterdam?" vroeg hij,
zoals gewoonlijk langs me heen kijkend
met die gespannen uitdrukking op zijn ge
zicht, waardoor ik steeds weer het grie
zelige gevoel kreeg dat er nog iemand
achter me stond. Ik knikte alleen. Meer
enthousiasme kon ik echt niet opbrengen.
Het is niet dat ik Guus niet mag. Het
is veel sterker: die jongen werkt op m'n
zenuwen. Hij praat niet. Hij beweegt niet.
Hij zit urenlang zwijgend naast je, spe
lend met een stukje cellofaan. Daarom
noem ik hem ook Guus Cellofaan. Het was
het eerste wat hij deed, zodra we op de
buitenweg waren. Iedere keer weer. Hij
haalde knisperend het cellofaan van een
pakje sigaretten, streek het glad op z'n
knie en begon het vervolgens stijf op te
rollen. Nee, niet nerveus en gehaast. Ter
gend langzaam ging het, zeker en secuur.
Daarna rolde hij het weer uit en begorj
opnieuw, uren achtereen. Eerst ging ei
een zekere rust van uit. De eerste keren
dat hij met me meereed, maakte hij de
indruk ijzig kalm en beheerst te zijn, een
onverstoorbaar evenwicht te bezitten.
Maar langzamerhand ging ik de waarheid
zien. Die voortdurend bewegende vingers
begonnen me te obsederen. Er leek een
kille dreiging, een wereld van angstwek-
kende onzekerheid achter het onophoude
lijk beweeg van zijn handen te schuilen.
Soms kreeg ik het gevoel, dat hij op de
rand van de waanzin balanceerde en dat
het stijve rolletje cellofaan zijn enige
hulpmiddel was om in evenwicht te blij
ven. Ik begon te letten op zijn ogen, zijn
gedragingen, zijn gebaren, het werken
van z'n gelaatspieren. Hoe meer ik hem
observeerde, hoe meer ik er van over-
Dit zijn twee modellen in de -„Knic
kerbocker-lijn" uit de collectie voor
de komende herfst en winter van
de Britse ontwerper Angeje Delanghe,
welke in Londen is getoond. Het ge-
materiaal.
val links, gedragen door Lois James,
is van groene wollen chenille. Denise
Justin (rechts) draagt een ensemble
met een soort broekrok van goud
laken en een sleep van hetzelfde
tuigd raakte, dat het binnenin hem kookte
en gistte, dat er onder de as een fel vuur
brandde, dat ieder ogenblik vernietigend
naar buiten kon slaan. Eerst leek het ab
surd, maar langzamerhand werd ik er
steeds zekerder van, dat alleen het vlies
dunne cellofaan t hem geestelijk overeind
hield, hem van 'de afgrond scheidde
"MAG IK meerijden?", vroeg Guus Cel
lofaan, nog steeds over mijn schouder
starend.
"Ik kom er aan", zei ik.
Even later reden we weg. Ik voelde
me nerveus en gespannen, iets waar ik
de laatste tijd meer last van had als Guus
meereed. Ik betrapte er mezelf op, dat
ik bochten veel te krap nam en vergat
terug te schakelen. Ik zwenkte de buiten
weg op en verwachtte nu ieder ogenblik
het geknisper van cellofaan te horen,
maar er 2gebeurde niets. Ik keek opzij.
Guus zat doodstil, de ogen half gesloten,
de handen bewegingloos op de knieën.
Haastig keek ik weer voor me op de weg.
"Fijn wagentje anders zei Guus
opeens met z'n vlakke, toonloze stem.
Ik probeerde me te bedwingen en niet
naar hem te kijken, maar het was ster
ker dan ik. Guus keek me van opzij aan,
een scheve grijns op z'n gezicht.
"Ik zou er alles, alles, alles voor over
hebben om zo'n wagen als deze te heb
ben zei hij en keek me nu recht
en strak aan. "Dan ging ik er meteen
vandoor. Naar Frankrijk. Naar Spanje.
Misschien wel naar Afrika. Dan kunnen
ze hier naar me fluiten. Dan zien ze me
voorlopig hier niet meer terug
HIJ ZAT stijf rechtop nu, het hele bo
venlijf naar mij toe gekeerd. Hij leek op
gewonden, agressief en zijn stem klonk
nerveus. Ik voelde hoe een huivering over
mijn rug liep. M'n blik gleed af naar zijn
handen, die nog steeds roerloos op zijn
knieën lagen en terwijl ik gefascineerd
naar die ongewoon lege, dode handen
staarde begonnen de vingers ineens te le
ven, wriemelend te bewegen. Wat ik nu
voelde was paniek, niet meer en niet min
der. Met moeite maakte ik mijn blik los
van die hypnotiserende handen en staarde
op de weg, strak en gespannen. Ik probeer
de me te herinneren wat ik had geleerd
over dergelijke patiënten en de behande
ling daarvan, maar alles wat me te binnen
schoot waren onsamenhangende en onzin
nige fragmenten uit een EHBO-boekje.
Waneer je in het water valt moet je kort
en krachtig roepen in de richting vanwaar
je hulp verwacht. Wanneer je op het ijs
krijpt, moet je een touw om je middel doen
en het andere einde in handen geven van
een let wel vertrouwd persoon. De
dood kun je maar in één geval onmiddel
lijk constateren: dat is wanneer het hoofd
blijvend van de romp is gescheiden. Hoe
kom ik verd.. aan dat waanzinnige „blij
vend"' En wat, wat in vredesnaam, doe
je in een geval als dit? In een reflex tastte
ik naar het pakje sigaretten in mijn jaszak
en op datzelfde moment voelde ik dat
Guus in beweging kwam. Vanuit mijn oog
hoek zag ik dat hij snel naar me toeschoof,
COP. MA!TEN TÖOStKi
1. Op eenHkwade dag kwam Panda tot de ontdekking,
dat zijn zaken er bitter slecht voor stonden. De bedrij
vigheid om zich heen opmerkend, dacht hij verdrietig:
„Kijk ze toch allemaal eens flink aan het werk zijn!
Allemaal lieden die een doél in hun leven hebben, die
een vak kennen, die flink werken en iets bereiken! En
wat doe ik nu eigenlijk? Ik zwerf maar van de ene
slechte betrekking naar de andere en ik bereik niets en
ik leer ook nooit een vak, wat mijn verstandige vader
me toch zó op het hart heeft gedrukt. Daar moet nu
maar eens verandering in komen!" En hij nam onmid
dellijk maatregelen. Dat wil zeggen dat hij naar het
bureau van een vooraanstaand dagblad ging en daar
naar het loket stapte waar men advertenties op kon
geven. „Dag dame," zei hij beleefd, „ik heb eens na
gedacht en ik heb besloten iets te gaan bereiken in de
wereld; en daarvoor leek het me dan het verstandigste
om eerst maar eens een advertentie in uw veelgelezen
blad te plaatsen." Hij had verwacht dat de dame dit
allemaal heel prettig zou vinden, maar als dit dan al het
geval was liet zij het niet merken. „Dicteert u maar",
was alles wat ze zei.
zijn rechterhand schoot uit Ik wou rem
men, maar gaf gas zodat we met een ruk
vooruit sprongen. Ik hief mijn rechterarm
op om de slag af te weren, maar er kwam
geen slag. Voorzichtig liet ik mijn arm
zakken in de rechterhand had ik nog
steeds het pakje sigaretten en zag Guus
zitten, vlakbij, z'n hand in een bedelend ge
baar opgeheven, een verlegen grijns op zijn
gezicht.
„Mag ik het cellofaan?" vroeg hij..
Honderd jaar geleden deed een vin
dingrijke Fransman met advies van zijn
gemakzuchtige zoon, een uitvinding, die
het leven voor miljoenen vergemakkelijkt
heeft: de fiets.
De Fransen houden tenminste vol, dat
in 1861 ene vader en zoon Michaux dit
voertuig construeerden.
Een Parijzenaar, Brunei genaamd, kwam
bij Michaux die een werkplaats had voor
koetsen. Hij had een apparaat bij zich,
waaraan twee wielen zaten en waarop
zoiets als een zadel was geplaatst. Het
ding deed het niet, maar de historie ver
meldt niet wat het ding niet deed en
waarom niet.
Papa Michaux moest er maar iets aan
doen, vond Brunei en dat gebeurde. Het
apparaat bleek te kunnen rijden als men
er op ging zitten en met de voeten nogal
lachwekkende loopbewegingen maakte.
Het ging iets vlugger dan lopen. Zoonlief
Ernest kreeg toen van Pierre Michaux
opdracht, het toestel te beproeven. Bij zijn
thuiskomst verklaarde Ernest, dat alles
goed was, maar dat hij er moe van werd,
zijn benen omhoog te houden, als hij een
helling afrolde.
„Mais alors", zei papa en plaatste er
voetensteuntjes op en toen plotseling:
„Tiens: een idee!" Dat idee kwam neer
op pedalen en een ketting.
Ernest bekwaamde zich toen in het ge
bruik van de „volicifère" en peddelde er
grandioos mee over de Parijse Place de la
Concorde. Daar kwam toen juist keizer
Napoleon in zijn koets voorbij. De keizer
liet zijn wagen stoppen en keek met on
verholen bewondering naar de rondjes die
zijn onderdaan draaide.
Kort daarop nam de keizer les in het
besturen van deze volicifère en werd al
dus de eerste regerende fietser van de
wereld.
Advertentie
Modem, snel en mild,
veilig en reukloos:
van Ha mol uit Zwitserland
tube 1.50—2.95
Voor de verklaring van het woord
pimpelen zal men moeten uitgaan van
het woord pimpel dat op iets kleins
duidt. Wij kennen nog pimpelmees
voor een zekere kleine mees. Ook werd
vroeger een zwak vrouwtje dat nergens
tegen kon. een pimpeltje genoemd-
Vooral bekend werd het woord als de
benaming van een klein glas, ter groot
te van een kwart mutsje. Een mutsje
was l1/: dL. (vandaar dat men een
glaasje sterke drank vóór het slapen
gaan nog wel een nachtmutsje noemt).
Pimpelen wil dus zeggen: pimpeltjes
leeg drinken, dus: bij kleine hoeveel
heden. doch aanhoudend drinken.
Moeilijk te verklaren is pimpel
paars. Het lijkt wat vergezocht in dit
woord de kleur te zien die het gelaat
en in het bijzonder de neus van drin
kers soms aanneemt. Men zegt immers
vooral dat iets pimpelpaars is van
koude. Misschien is het eerste deel
alleen een versterking.
i—-S
43-f8
Copyright