JEUGDIG NEDERLANDS ACTEUR WON BIJZONDERE TONEELPRIJS IN PARIJS 1 Mooie toekomst voor Arnold Gelderman I Prehistorische kunst in Europa Wekelijks toegevoegd aan alle edities van en iJmulder Courant Verhooging van stand verleidde hem geenszins tot dwaze hoovaardij; o neenhij was en bleef de nederigheid zelve 2 - J ■- v - 1 Slob Prof. Nervi in ons land i PARIJS. Hij heet Arnold Gelderman en zijn vader, mr. F. J. Gelderman, die vroeger het hoofd was van de Nederlandse missie in Parijs bij de Euro pese Organisatie voor Economische Samenwerking, is nu de „tweede man" op onze ambassade in Bonn. Maar ook zonder die antecedenten mag deze jonge landgenoot ruimschoots aanspraak maken op belang stelling in het vaderland, want Arnold Gelderman is als eerste buitenlander de Frangois Périerprijs toe gekend, een prijs die verbonden is aan het eind examen van de vermaarde toneelschool van René Simon die al zo vele film- en toneelspelers en -sters met nu klinkende namen als Michèle Morgan, Périer, Micheline Presle, heeft afgeleverd. Een zestig kandi daten en leerlingen waren voor dit concours aange treden in de hoop een der vijf prijzen in de wacht te kunnen slepen, waarvan de Prix Périer voor de manneijlke mededingers het hoogste stond genoteerd. HET WAREN GEEN kleine jongens en meisjes die in de jury hadden plaats genomen: imposante namen als Claude Génia en Marguérite Jamois, actrice-direc trice van twee grote Parijse theaters, de critici Gautier en Favalelli, blijspelschrijver Marcel Achard en nog ettelijke andere grootheden. Het was trouwens Achard, de vader van „Het dwaze Meisje" en van „Patate", die Arnold Gelderman zijn hoge onderscheiding heeft uitgereikt met een commentaar waarop hij, terecht, nog niet weinig trots is: „Dat hij óók acteert, wanneer hij niets heeft te zeggen"* Ook wanneer je hem nog nooit op het toneel hebt zien staan, is het wel duidelijk dat Arnold Gelderman in elk geval over één essentiële kwaliteit van de geboren ac teur beschikt: hij heeft „présence". We hadden een af spraakje gemaakt op het terras van een café, maar het traditionele herkenningsteken van een Nederlandse krant behoefde hij van zijn kant niet eens te etaleren, want ook zó stevende ik rechtstreeks op zijn tafeltje af. Dat mélange van losse nonchalance en zelfbewust heidde grijze ogen en de ironische blikhet blonde haar, de slanke handen. „ZO ZIT IK DAN OPEENS midden in het nieuws", zegt hij ongeveinsd voldaan, „en 't is soms net of ik een nieuwe rol reciteer wanneer ik wéér mijn levensverhaal moet vertellen. Een stuk, dat verhaal, met veel decor wisselingen, want mijn vader, die diplom'aat is heeft dus geen hokvast beroep. Ik was tien toen we naar Parijs kwamen en op mijn zestiende werd vader alweer naar Bonn overgeplaatst. Voor mij een streep door mijn rekening als kandidaat voor het Franse baccalauréat. Mijn eindexamen lyceum haalde ik daardoor pas twee jaar later in Den Haag, na ook nog een Frans college in Koblenz te hebben bezocht. En toen trok het hart dus weer terug naar Parijs? Ja, en nogal sterk. Het toneelspelen moet er al vrij vroeg hebben ingezeten, en vermoedelijk ben ik ook wel wat erfelijk belast. Mijn grootmoeder van vaders kant was een Weense operazangeres, Therese Lackner, die zelfs triomfen in Moskou moet hebben gevierd. Als kind zat ik altijd graag op zolder om me met oude kleren toe te takelen, en, later op het lyceum in Den Haag, gaf ik al voordrachten met Franse poëzie waar over óók in de krant werd geschreven. Bij een leer lingenuitvoering schreef een Haagse criticus in diezelf de tijd, dat 't hem niet zou verwonderen wanneer ik later van die liefhebberij nog eens een beroep ging rrraken. Het moment dat nu dus is aangebroken? Eerlijk gezegd héb ik al een paar bijrolletjes in Franse stukken gespeeld, maar nu lijkt 't ernst te zul len worden. Regisseur Paul Mesnier heeft me zelfs de hoofdrol aangeboden in zijn volgend produkt, „Au diable les Filles", en in augustus speel ik een Duitse officier in de grote film die naar Ryan's bestseller „De langste Dag" over de geallieerde invasie in Normandië zal worden opgenomen. Verder verschillende televisie bezigheden. En 't toneel? ARNOLD BIJT NU vinnig op een wijsvinger om zijn spijt en teleurstelling uit te drukken vanwege het feit dat Claude Rich in september tóch weer in Parijs zal opduiken. Hij had hem namelijk zullen vervangen in de mannelijke hoofdrol in Frangoise Sagan's „Chateau en Suède", en die vlieger gaat .nü dus niet op. Of hij, professioneel gesproken, ook nog wel eens terugdenkt aan het lieve vaderland? Het antwoord luidt positief, hoewel de jeune premier dan toch meer aan de film dan aan het toneel blijkt te denken. Vreemd misschien, zo verklaart hij zich nader, maar ofschoon in Parijs een enorm teveel is aan goede acteurs en in Holland eerder een te weinig, zie ik mijn toekomst toch liever hier dan daar op de planken. Wist u dat er in Parijs alleen al achtduizend toneelartiesten rondlopen? Eéntiende deel, een achthonderd, verdient goed tot heel veel geld, nóg een dikke duizend hebben tenminste werk, en de rest is bijna voortdurend om werk verlegen. Toch wil ik eerst hier mijn kansen wa gen. En de film? Als 't pedant klinkt dan spijt 't me erg, antwoordt hij nochtans ondeemoedig, maar de Ne derlandse film heeft, volgens mij, tot dusver zijn Ing- mar Bergmann gemist. Niet dat ik van zijn Scandina vische verhalen nu zo erg veel houd, maar voor mij ligt zijn kracht in de wijze waarop hij de noordelijke natuur en de landschappen steeds in zijn films weet te vangen. Waar zijn op de Nederlandse films de wolken over de velden, de winden die het landschap voort durend van kleur en beweging doen veranderen? Die natuur hoeft niet de hoofdrol te spelen, maar moet toch wél aanwezig zijn in het ritme. De grote namen van filmregisseurs zijn voor mij nog altijd Chaplin, René Clair en natuurlijk Eissenstein". AAN AMBITIES mankeert 't de jonge Arnold Gelder man, die ook de rol van Hamlet nog op zijn verlang lijstje heeft geschreven, dus zeker niet. Maar met de Prix Frangois Périer als maarschalkstaf in zijn ransel, wordt hij door moeilijkheden en obstakels die hij zeker nog wel op zijn levensweg en loopbaanontmoeten zal, helemaal niet afgeschrokken. En wie geeft hem onge lijk? NAAST HET IN 1955 VERSCHENEN en door Charles Wentinck vertaalde boek „Kunst van het oude Europa" van Her- bert Kühn beschikken we nu ook over een vertaling van de door Kühn verkorte tekst van „Die Felsbilder Europas" door D. P. Baas en J. P. D. Baas-van Dijk, uitgegeven door Het Spectrum N.V., Utrecht/Antwerpen als Pictura-boek (een pocketboek) onder de titel „Prehistorische kunst in Europa". In het laatste werk wordt dieper ingegaan op een deel van de in het eerstgenoemde werk behandelde stof. Gemeen hebben beide werken het be zien van bedoelde oude kunst in verband met hedendaagse kunst, die in vele geval len toch gevolg blijkt van oermenselijke beleving. Men moge veel van wat vandaag gemaakt wordt met enig wantrouwen ont moeten, het gaat niet aan bij voorbaat alles af te wijzen, daar toch aangenomen moet worden dat vele hedendaagse kunste naars bij het zoeken naar het algemeen menselijke zullen trtchten uit te gaan van „het oermenselijke". KÜHN SPREEKT van sensorische kunst, die uitgaat van de zinnen, van wat het oog ontmoet en van imaginatieve kunst, die uit de fantasie voortkomt, gevolg is van een beschouwelijke instelling en zich uitend in zinnebeelden en tekens. Wat betreft de sensorische kunst staan we verbaasd over het vermogen van de prehistorische mens, wiens picturale en grafische resultaten veelal verre van pri mitief genoemd kunnen worden. En daar mee is de knappe impressionist van van daag evenzeer verdedigd als de „abstract- werkende" kunstenaar dat zou kunnen zijn door wat we leerden van de imagina tieve kunst van de prehistorische mens. Nu moet gewezen worden op het fil in de prehistorie en later stééds te consta teren golven van het beeldend uiten tussen beide polen en zou aangenomen kun nen worden dat het impressionisme van daag als verouderd, als van een vroegere golf gezien moet worden en we nu zitten aan de meer imaginatieve kant. Maai* dan kan het toch ook zo zijn dat er vandaag vooruitvoelende kunstenaars bestaan, die al weer gaan in de richting van het sen sorische. De kunstenaar van vandaag weet teveel om daarbij in zijn ontwikkeling niet te steunen op wat al was, waardoor zijn werk zal herinneren aan een vroegere golf met de kans als ouderwets uitge maakt te worden. Een Kees Verwey zal zulke verwijten wel gehoord hebben en het is daarom dat bij de uitreiking van de Rembrandtprijs de kunstcriticus W. Jos de (Vervolg zie pag. 2) Whittington, idool van de Britse jeugd VOOR MI] LIGT EEN OUD BOEKJE „Whittington met zijne Kat". Het dateert van 1830, werd gedrukt te Rotterdam bij T. L. Thompson en heeft op de wat groezelige buitenomslag een prentje, dat een jongen laat zien met aan zijn rechterzijde een kat en aan zijn linker het wapen van Londen. Het boekje zélf kennelijk een kinderprentenboekje bevat de wederwaardigheden van den zekere Whittington en zijn poes. Niet alleen te lézen, maar ook te zien, want de tekst is verlucht met een vrij groot aan tal met de hand gekleurde prentjes. Het moet een kostbaar prentenboekje geweest zijn 130 jaar geleden. Het eerste prentje laat ons een jongetje zien, blijkbaar wandelend op een verkeers weg, want op de achtergrond zien we een enorme zware vracht wagen, bespannen met acht paarden. Dus zo'n bespanning als waarmede de kooplieden uit Midden-Europa vroeger vanuit het oosten langs de Hessenwegen ons land introkken. Dat prentje duidt dus ook op een gebeurtenis uit de Middeleeuwen. Rechts onder in de hoek staat een mijlpaal van steen waarop duidelijk te lezen staat: „1 uur van Londen" De toren van St. Mary-le-Bow, welks klokken de jonge Whittington terugriepen. DE INHOUD van dit oude boekje is als volgt: Een arme jongen, Richard Whitting ton ging te voet op stap naar Londen om daar zijn geluk te beproeven. Toen al zijn pogingen om werk te krijgen mislukten zeeg hij uitgeput neer op een stoep van een koopmanshuis. De dochter van koop man Fitzwarren, Emma geheten, liet haar papa uit en daar lag de arme knaap, die in dienst werd genomen, in de keuken werk kreeg en .slaag van de keukenmeid. Hij sliep op zolder en werd daar 's nachts door muizen en ratten geplaagd, zodat hij op middelen zinde om daar een einde aan te maken. Van enkele zuur verdiende stui vers kocht hij een kat, die het ongedierte verdreef of verorberde en Whittington rust gaf. Inmiddels groeide hij bij de uit stekende verzorging op tot „een schone jongeling". De heer Fitzwarren was reder en had de gewoonte om zijn personeel, telkens wanneer een schip van hem uit voer, in de gelegenheid te stellen iets mede te geven waarmede dan in verre landen handel gedreven kon worden. De winst werd hun bij terugkeer van het schip uit gekeerd. Zo vroeg hij ook aan Whittington iets mee te geven, maar de arme jongen had alleen maar zijn kleren en zijn kat. Toen de reder over de kat hoorde spreken, I beval hij dit dier onmiddellijk te brengen en onder trnaen nam Whittington afscheid van het diertje terwijl hij tevens al met angst aan de terugkerende ratten en mui zen dacht. HET SCHIP „De Eenhoorn" waarop de kat zich bevond, had namelijk last van muizen en ratten en de poes deed haar werk voortreffelijk. In Londen liet de keukenmeid zich eveneens niet onbetuigd en Whittington werd nogal ruw behandeld, wat hem deed besluiten Londen te ont vluchten. Het was juist Allerheiligen-morgen en de klokken begonnen te luiden toen hij op korte afstand van de grote stad even rustte. Whittington meende in de klokkenklanken de roepstem te horen: „Keer terug Whittington Lord Mayor van Londen". De verbeelding werkte zo sterk, dat hij terugkeerde en weer ongezien het ont vluchte huis binnentrad en aan zijn dage lijkse arbeid ging. NU WILDE het toeval, dat „De Een hoorn" strandde op een nimmer door een Europees schip aangedane kust, waar het goud „zo gemeen was als het lood in Europa". Er werd geruild en de koopman van het schip werd bij de negervorst aan tafel genodigd. Doch nauwelijks waren de gerechten opgediend of een grote zwerm muizen deed een aanval op de spijzen. Het bleek, dat muizen een nationale plaag wa ren en de vorst wilde wel de helft van zijn inkomsten geven om er van af te komen. En nu kwam Whittingtons kat op de proppen en zij werd voor grof goud door Whittington moet zich van zijne Kat scheiden (uit „Whittington met zijne Kat", T. L. Thompson, Rotterdam 1930). de vorst gekocht, waarbij zich nog de gun stige omstandigheid voordeed, dat de poes in blijde verwachting was. Toen het schip weer in Engeland terug was, bleek Whittington een vermogend man en zelfs rijker dan de heer Fitz warren. Hij gaf al het personeel zelfs de kwade keukenmeid kostbare ge schenken en trouwde juffrouw Emma, werd steeds rijker, werd benoemd tot she riff en vervolgens tot Alderman van Lon den. En tot besluit werd hij met algemene stemmen tot Lord Mayor uitgeroepen, zo dat de stemmen van die Allerheiligen morgen toch juist gebleken zijn. „Hij stierf in hoogen ouderdom, en door ieder, die hem kende, betreurd. De goede burgerij, die zijnen lijkstoet vergezelde, deed op zijn graf eene eerzuil plaatsen, waarop zijn naam en deugden met gouden letters prijkten". Aldus de inhoud van het kinderboekje van 1830 met pedagogische strekking. WAS IS DE wèrkelijkheid? Ik had toe vallig onlangs de gelegenheid die na te speuren. Richard Whittington werd ge boren in 1359 in Gloucestershire in een huis, dat de naam droeg „Pauntley Court" en dat nóg als boerderij bestaat in het ge bied tussen Ledbury en Dymock vlak bij de Gloucestershire-grens gelegen. Deze streek is beroemd om zijn wilde narcissen, welke in het voorjaar het landschap een zeldzame bekoring geven. Het huis is een zogenoemd vakwerk-huis, steen en hout, echt middeleeuws. Richards vader was echter helemaal niet arm en zijn moeder evenmin. Zij was de weduwe van Sir Thomas de Berkely, uit een voorname adellijke familie en men kan haar graftombe met daarop haar beeld nog zien in de kerk te Coberley nabij Cheltenham. Zoals in het kindervertelsel ging de échte Whittington echter wél naar Londen als een jongen van omstreeks twaalf jaar. En de kat? Daar is het spijt mij eigenlijk niet anders van bekend, dan dat Whittington of één kat heeft gehad, waaraan hij zeer gehecht was, óf dat hij in het algemeen veel voor katten voelde. Op het voor hem in Londen opgerichte gedenkteken in het oude Newgate staat hij met een kat aan zijn zijde afgebeeld en toen men eens een huis afbrak in de stad Gloucester, dat vroeger eigendom van de familie Whitting ton geweest was, vond men een schoor steenstuk waarop een jongen met een kat in zijn armen gebeeldhouwd stond. Dat is al wat men van het kattenverhaal af weet! Maar méér weet men van zijn loopbaan. Inderdaad begon hij als koopmansleer ling en werd later zelfstandig koopman. Een van de grootste van Londen. Hij werd zó vermogend, dat hij twee koningen geld kon lenen (Hendrik IV en Hendrik V). Aan laatstgenoemde deed hij zelf nog zestig duizend pond cadeau! Zijn loopbaan werd bekroond door zijn verkiezing tot Lord Mayor van Londen. Hij speelde een rol bij de bouw van de Westminder Abbey en de Guildhall. Ter herinnering aan zijn werk werd een raam in het bedehuis aange bracht. Hij moet in menig opzicht een wel doener voor Londen geweest zijn. Ook was hij zeer vooruitstrevend en stelde belang in alle nieuwe uitvindingen. AAN DE VOET van Highgate Hill in Noord-Londen kan men een steen zien, welke bekend staat als de „Whittington- stone". Hij is omringd door een ijzeren hekje en houdt de herinnering levend dat daar de plaats was waar eens Whittington, toen hij Londen ontvlucht was, de klanken van de Bow Bells hoorde, waarop hij terugkeerde. Die Bow Bells weet elke rechtgeaarde Cockney te vinden, hij kent haar klanken. Ze hangen in de toren van St. Mary-le-Bow. En op die steen staat, dat Whittington tot drie maal toe Lord Mayor van Londen was. Twee jaar ge leden, in 1959, werd tot vreugde van het De „Whittington Stone" in Londen. Britse volk de 600ste geboortedag gevierd van deze beroemdste Londenaar. En dat ging plechtstatig. De Lord Mayor van Londen kwam daartoe in hoogst eigen per soon naar Gloucester, waar in de Guild hall een lunch werd aangeboden, gevolgd door een dienst in de kerk van Pauntley, welke dienst geleid werd door de Bisschop van Gloucester. Daarna werd een her inneringsplaat onthuld in het geboortehuis van de weldoener. Zeer bijzonder was zeker ook de aanwezigheid van een regel rechte afstammeling van Robert, de broer van Richard Whittington. De grote populariteit, welke Whitting ton nog eeuwen later geniet is in de eerste plaats het gevolg van zijn karakter en ge drag. Daardoor werd hij tot drie keer toe gekozen tot het hoogste ambt van de City, maar zegt het kinderboekje „deze verhooging van stand verleidde hem ech ter geenszins tot dwaze hoovaardijo neen, hij was en bleef de nederigheid zelve". Het bouwcentrum in Rotterdam is deze week bezocht door prof. dr. ir. Pier Luigi Nervi, Italiaans constructeur en architect met internationale faam. Hij is naar Rotter dam gekomen om geïnformeerd te wor den over de stand van zaken bij de ont wikkeling van de Maasstad. Zijn bezoek aan Nederland geldt overigens een groot project in Den Haag. In het kader van de sanering van de Haagse binnenstad zal in het gebied dat begrensd wordt door de Houtmarkt en de Scheldeldoekshaven een bouwproject worden uitgevoerd, dat een schouwburg, een hotel, een kantoorge bouw, een warenhuis, winkelpanden en een parkeergarage zal omvatten. Het pro ject, dat opgezet is door de Landbank n.v. en uitgewerkt wordt door de architecten ir. J. A. Lucas en ir. H. E. Niemeyer uit Voorburg, zal 40 miljoen gulden gaan kos ten. Prof. Nervi zal bij de constructieve problemen van advies dienen en daartoe geregeld uit Italië naar Den Haag komen. Een zoon van de hoogleraar, de architect A. Nervi, zal assisteren. In een gesprek met een redacteur van het A.N.P. vertelde prof. Nervi zeer en thousiast te zijn over het sociale aspect van de woningbouw in Nederland,

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 13