u SIGNALEN WALSCHAP S TWEEDE HOUTEKIET Woord, waarheid en weten en altijd opnieuw leve Debs Expositie in Keulen's honderdjarige Wallraf-Richartzmuseum PREHISTORISCHE KUNST IN EUROPA ZATERDAG 22 JULI 1961 Erbij PAGINA TWEh Bob Buys GELEGEN IN EEN LAND dat door de zin voor schoonheid van keurvorst-bisschop Clemens August bezaaid is met lustsloten en pa leizen, heeft Keulen als grootste kunstmonument naast zijn Dom het Wallraf-Richartzmuseum, een van de vijf belangrijkste musea van West-Duitsland, dat door de vrijgevigheid en de burgertrots van koop man Johann Heinrich Richartz in 1861 tot stand kwam. Het waren geen artistieke motieven die Richartz er een eeuw geleden toe brachten grote sommen aan de stad Keulen ter beschikking te stellen voor de bouw van een museum. Het was de trots van de burger op zijn stad en het chauvinistische gevoel dat Keulen een waardig museum moest hebben die Richartz tot zijn grote schenking aanzetten. Kunstwerken bezat de man zelf niet. Zijn geld werd gebruikt voor het zetten van een neogotisch gebouw, waarin de schilderijen van de in het begin der negentiende eeuw hooggeachte hoogleraar en kanunnik Wallraf werden ondergebracht. Vandaar de naam: Wallraf-Richartzmuseum. Sinds 1861 zag men kans een aantal kunstwerken uit alle perioden bijeen te brengen, die de bekendheid van het museum alleszins recht vaardigen. Uiteraard vormt het bezit aan vroeg-Duitse meesters het zwaartepunt van de collectie (vooral zijn er belangrijke doeken van de Keulse schilder Stephan Lochner), maar daar naast treft men belangrijke werken van schilders als Pieter de Hooch, Albert Cuyp, Murillo, Rubens, Courbet, Utrillo, Edvard Munch, Frans Mare, Odilon Redon en anderen aan. Het Derde Rijk doorstond de collectie niet zonder kleerscheuren. Een „bruine" com missi^ bezocht in 1937 het museum en zocht bijna veertig schilderijen, 143 aquarellen en tekeningen en 295 etsen uit, die volgens de toen geldende nationaal-socialistische maatstaven tot de „ontaarde kunst" be hoorden. Doeken, die nu in het buitenland hoogtepunten van collecties uitmaken, gin gen bij die gelegenheid voor het Keulse museum verloren: werken van Picasso, Juan Gris,Gauguin, Van Gogh, Kirchner, Kokoschka, Otto Dix, Frans Marc en Paula Modersohn-Becker. Kortom, alles wat het museum aan be langrijke eigentijdse kunst bezat werd als minderwaardige, decadente rommel in be slag genomen en naar het buitenland ver kocht, nadat dan eerst nog die beroemde tentoonstelling „Entartete Kunst" in Mün- chen was gehouden, die, in lijnrechte tegenstelling tot wat de nazi's beoogden, een van de belangrijkste tentoonstellingen van moderne kunst was, die ooit werden gehouden. HET KEULSE MUSEUM schat het ver lies dat door de nazistische bemoeienissen werd geleden op ongeveer vijf a zes mil joen gulden. Dit verlies werd voornamelijk geleden omdat de bedragen die het mu- seum in 1937 van het nazibewind kreeg na de verkoop van dé schilderijen naar het buitenland nog slechs een klein deel dek ken van de waarde die deze schilderijen thans hebben. In 1943 ging het museumgebouw in Keulen bij een bombardement verloren. De kunst werken waren echter op dertien verschil lende plaatsen in veiligheid gebracht. In 1957 werd een nieuw museumgebouw ge opend en voor het publiek toegankelijk ge steld. Dat dit publiek niet terughoudend is met zijn belangstelling blijkt wel uit het feit dat in het seizoenjaar 1958/59 236.092 mensen aan het museum een bezoek brach ten. TER GELEGENHEID van het honderd jarig bestaan is nu een tentoonstelling in gericht van werken die speciaal ter ge legenheid van het eeuwfeest werden ver worven. De expositie is klein, maar de kwaliteit van het getoonde is hoog. Dat blijkt al onmiddellijk in de eerste zaal, waar een zeer mooie madonna met kind van Simone Martini hangt. In dezelfde zaal ziet men een mooie Salomon van Ruysdael: een verstild romantisch land schap. Zeer fijn van kleur is voorts een kleine Hercules Seghers, een van de be langrijkste aanwinsten voor het Wallraf- Richartz-museum, vooral als men bedenkt hoe schaars de werken van deze schilder zijn. „Vrouw in atelier", van Edouard Vuillard. Keulse burgers hebben reden trots te zijn op een museum, dat niet alleen in staat was zo veel slagen te boven te komen, maar dat ook nog kans ziet op de dure en krappe internationale kunstmarkt aan winsten bijeen te krijgen als op deze ten toonstelling te zien zijn. Een bezoek deze zomer aan het 100-jarig museum wordt met een aardige toespijs gehonoreerd: een kleine aquarellenten toonstelling, waar vooral mooie bladen te zien zijn van de hand van de Duitse ex pressionisten. „Madonna met het kind", van Simone Martini. Behalve een mooi zelfportret van Ru bens temidden van een groep schilders uit Mantua is er een Daubigny en een De- gas te bewonderen Heel mooi is wel een zittende vrouw van Vuillard. Tenslotte ziet men op de tentoonstelling nog werken van Monet, Gauguin, Pisarro, Léger en van dé in 1920 geboren Duitser Gerhard Höhme. Hoewel ook hier het een en ander te be wonderen valt is de kwaliteit van deze laatste doeken aanzienlijk minder dan van bovengenoemde. BIJ DE TEKENINGEN en lithografieën vallen mooie specimina van Hans Theo Richter op. Ook zijn er de penseelteke ningen met oostindische inkt van Picasso, die als illustraties voor het boek „Tauro- machie" van José Delgado, alias Pepe Illo, gepubliceerd zijn. De kleine tentoonstelling in Keulen is op zichzelf al zeer de moeite waard. Nog boeiender wordt de zaak als men bedènkt dat al deze werken eèn blijvende plaats in het museum krijgen. De (Vervolg van pag. 1) Gruyter terecht de werken van Verwey aanwees, die het moment markeren vanaf waar Verwey's oeuvre los van het Am sterdamse impressionisme gezien moet worden. Nu is overigens Kühns boek niet bepaald geschreven om ons te vertellen wat vandaag zou moeten gelden. Later zal wel blijken wat gegolden heeft. Ik sprak slechts van een les, die uit dit uitvoerige werk te putten valt en ook zo bedoeld is natuurlijk een les echter, die niet naar één kant toegepast mag worden. KüHN SCHRIJFT OOK over zijn per soonlijke ervaringen bij zijn onderzoekings tochten, hetgeen aan het boek ook weer iets levendigs toevoegt. Men zou in een boek als dit zo graag een register wensen van de vindplaatsen opdat het ook als gids dienstig is bij het hedendaagse toe risme. Eenzelfde wens koesterde ik eigen lijk al bij het onlangs door mij besproken pocketboek over Rubens, waarin een naam lijst van de musea met de door Burck- hardt besproken schilderijen zeker van be lang zou kunnen zijn voor de toerist, die bezig is met het uitstippelen van zijn va kantieroute. Dit boekje is namelijk niet alleen voor kunststuderenden, maar ook in het algemeen in kunst belangstellenden van belang. Het is gemakkelijk te voegen bij de bagage van dé vakantieganger en de prijs is laag. Van harte aanbevolen! „WIJ SPREKEN MAAR al te vaak om onze gedachten te verbergen." In een ver verleden heb ik deze woorden eens gelezen, ik weet niet meer waar, in welk verband of door wie zij werden gebezigd. Het zijn woorden die indruk op mij hebben gemaakt omdat zij zo eenvoudig en zo waar zijn. Het misbruik maken van het woord, van de taal, heeft onze samenleving op zo angstwekkend alomvattende wij ze doordrenkt, het is zo gewoon ge worden, dat wij het nauwelijks meer beseffen. En nu denk ik waarachtig niet in de eerste plaats aan onze hui chelachtige beleefdheidsvormen die van „aangenaam kennis met TJ te ma ken" tot „met de meeste hoogachting" gaan, want zij zijn tenslotte onmisbaar voor ieder die niet als een kluizenaar of een verstotene wil leven. Het kleinste torntje echter in de al gemeen aanvaarde omgangsvormen brengt onze gehele tempel der bescha ving aan het wankelen. OP EEN OFFICIëLE receptie vroeg mijn vrouw aan één der gastheren: „Hoe gaat het met U?" „Kan het U wat schelen?" klonk het meer verras sende dan beleefde antwoord. Mijn vrouw voelde zich, terecht, ge krenkt en tóch, het valt niet te ont kennen, hier was een „moment van waarheid" teweeg gebracht. De denkende mens, en dat is naar mijn overtuiging maar een tragisch klein gedeelte der mensheid, komt op een bepaald moment tot de slotsom dat hij, zo niet alle, dan toch wel de mees te antwoorden op het mysterie dat leven heet, weet. Dat hij dè waarheid heeft ontdekt. Hoe overtuigder hij is, hoe sterker in hem de drang leeft „zijn" waarheid aan anderen mede te delen, anderen te beïnvloeden, anderen ervan te overtuigen. HOE GELUKKIG schijnen mij deze mensen toe. Hoe zeker moeten zij we ten dat elk hunner woorden voor ieder ander hetzelfde betekent, door ieder ander begrepen wordt. Jaloers ben ik op dezulken. Jaloers op hunne rotsvaste overtuigingen, rotsvaste overtuigingen die bij mij maar al te vaak in het drijfzand van de twijfel verzinken. DE GEDACHTEN van dr. J. W. Schut te Nordholt, een tijd geleden in deze rubriek geplaatst, hebben mij veel ge zegd. Zijn eerste zin was die van So crates: „Wij weten dat wij niets we ten." Ik voel dat dit een fundamentele waarheid is, al kan mijn beperkt denk vermogen het niet beredeneren. Ge achte lezer, (daar heb je t' weer....), het feit dat ik hier gedachten neer schrijf is het bewijs dat ik geen wijs mens ben, dat ik U bewust of onbe wust wil beïnvloeden, U wil overtui gen van tenminste één waarheid, één zekerheid in het leven: De twijfel. Met moeizaam bij elkaar gezochte woorden. De ware wijze zou wel wijzer wezen. Mijn verstand zegt mij echter dat de mensheid niet bij negatieve waarhe den kan leven. Óm nogmaals Schulte Theo Olof naar een tekening van Paul Citroen. THEO OLOF werd op 5 mei 1924 te Bonn geboren. Zijn eerste lessen kreeg hij van zijn moeder. Op zijn 5de jaar reeds trad hij voor het eerst in het openbaar op. Met zijn moe de vluchtte hij in 1933 naar Nederland. Hij werd leerling van Oskar Back en op 11-jari- ge leeftijd werd hij als wonderkind aan het Nederlandse publiek voorgesteld. In 1935 trad hij voor het eerst met het Concertgebouw orkest o.l.v. Bruno Walter op. Hierna volgden vele concerten in binnen- en buitenland In 1950 werd hij met Herman Krebbers tot eer ste concertmeester van het Residentie Orkest benoemd. In 1958 werd zijn zilveren solisten jubileum gevierd Een jaar daarvoor had hij een uitnodiging afgeslagen concertmeester te worden van het Phiiharmonia Orkest in Lon den. Vorig jaar publiceerde Theo Olof het boekje „Daar sta je dan" waarin hij zijn er varingen op concertpodia bijzonder geestig prijs gaf. Nordholt te citeren: „Ik begin hoe langer hoe minder te geloven in de waarheden waarover men debatteren kan." ALS MEN Zó VER is dan blijft er nog maar een enkele, maar wél zeer positieve waarheid over. Voor Schulte Nordholt bevindt zij zich in de poëzie, want hij is dichter. En in de poëzie stijgt het woord boven zichzelf uit. „De dichters weten, wat zij niet weten," citeert hij Hans Andreus. Voor mij bevindt deze waarheid zich in de muziek. In de waarlijk grote, on vergankelijke muziek. De muziek die ontsproten is uit de ontembare drang van de mens het on zegbare tot uiting te brengen. Zij be helst een waarheid. Een waarheid die wij niet weten, die wij, gelukkig, niet onder woorden kunnen brengen. Een waarheid echter, die woordeloos tot ons allen spreekt. ft „U hebt gelijk, er zit geen mes in!" (The New Yorker) HOUTEKIET trok zich, zoals men weet, tijdens de mis terug in de toren, zijn to ren. Boven de dogma's uit, over de ob stakels van een wankelende cultuur heen, „au-dessus de la melée" mag men wel zeg gen, over de scheidingslijnen en vooroor delen, de benepenheden en zedeleren heen, zag hij vrijuit in de oneindigheid, over de velden van 't Vlaamse land, over de velen der zijnen die daar gingen: een Adelaide en een Carla, een Thijs Glorieus en een André d'Hertenfeldt, een Sibylle en een van Oepstal ronddolenden in de cirkel van dit bestaan, daarin verzinkend of er zich boven verheffend. De „donkere gladia tor" Jan Houtekiet, de aartsvader van de familiare gemeenschap Deps, de vrijheid zoeker, de bouwer, de eenzaat hij zat daar alleen in zijn toren, en in „Nieuw Deps" (onlangs verschenen bij Ad. Don ker, Rotterdam) sterft hij er alleen. Er bleef hem niets anders over dan de een zaamheid: hij werd slecht verstaan. Er bleef hem dlles over: in de oneindigheid zichzelf, het vrije mens-zijn gevonden, ont plooid, bewaard te hebben, zijn waarheid ontdekt en gediend te hebben. Er is en wie, die Walschaps oeuvre, van zijn jeugdige „Waldo" tot en met zijn bejaarde „Verloren zoon", kent, zou daaraan kun nen twijfelen? veel Houtekiet in Wal schap. En Houtekiet betekende een in vele toonaarden gesproken en herzegd „Salut et merci" een afscheid van de kerk, een ontmoeting van zichzelf. „Een ander mens te worden," dacht Gad in „De verloren zoon," is niet niets. Van de honderduizend één die het tot stand brengt en van het miljoen maar één die het gans alleen tot stand brengt op eigen kracht. Maar het is niet de helft van wat hij gedroomd heeft en was het helemaal zijn droom, wat zou het dan méér zijn?" Deps een droom? Er was te veel voor gestreden en zonder pathos gezegd geleden, om er zich in een fata morgana-roman in te verlustigen. Walschap, de weerspannige, de non-confor mist, die niets onverzoenlijker verwerpt en te lijf gaat dan „de skepsis, de berusting, de onledigheid met het banale, de huisbak kenheid en dorperigheid" en aan niets hartstochtelijker zijn hart heeft verpand dan aan een leven dat worstelen is om een menselijker menselijkheid, een waar achtiger, wezenlijker vrijheid, heeft roman na roman en dat wil zeggen: levensfase na levensfase getuigd van zijn verzet g en zijn liefde, zijn zekerheid en zijn twij fel. IN „HOUTEKIET" emigreerde hij uit zijn geestelijk land van herkomst, in Deps kwam hij aan als een nieuw mens op nieu we grond, waar hij een nieuw leven kon bouwde zichzelf in, het verstarde volgens ven woorden als beitels en hamers en za gen, neem zijn geladen taal als wil, als „de goede wil" en de onverschrokken moed om de natuurstaat voor een vrije mens heid bewoonbaar, leefbaar te maken en Deps verrijst mens voor mens, huis voor huis, als een teken van menselijke strijd baarheid, van evolutie. Deps, het oude, raakte in zichzelf verstrikt en verstikt. Het bouwde zichzelf in, het verstarte volgens de wet van leven en sterven in zijn be staansvorm. En Walschap duldt geen ver starring. Hij wendde zich tot Jacob Houte kiet, Jans oudste zoon, hij riep hem op om naast het oude Deps een nieuw te bou wen, een jonger, krachtiger, moderner Deps. beter in staat om op de grondslag van het menselijk kunnen het menselijk wèzen nader te brengen tot wat des men sen is: een vrije voornaamheid, een waar dige vrijheid. En de heer Jacob, „groot, sterk, schoon en goed," greep naar de bijl en de schop, hij velde bomen, legde een dam van het oude Deps naar het nieuwe, van overwonnen standpunten naar nieuwe levensstromen hij bouwde straten, richt te fabrieken op en hield daarbij stand, te gen de afgunst van de oud-Depsers, te gen de list van de „behendigaards" tegen het schisma van de afvalligen en de op standigheid van de misleiden zwijg zaam deed hij dat alles en ernstig en wee moedig, omdat ook hij misverstaan werd en er voor illusies geen plaats was in zijn Deps. TELKENS WEER HEEFT men zo ge bouwd. „Toen Adam spitte en Eva spon, waar was toen de edelman?" die strijd- roep van Wat Tylor werd door de eeuwen heen herhaald, telkens tegen andere obsta kels, andere belemmeringen van een vrij mens-zijn. Er is in het Deps-beginsel, in de Deps-creatie veel dat herinnert aan Max Stirner. aan John Henry Mackay, aan Ben jamin Tucker, die destijds bij gebrek aan beter benaming „individuele anarchisten" heetten. Hun namen zijn voor het ogenblik Gerard Walschap. zo goed als vergeten, maar hun geest bleef leven, niet als leer, niet als dogma, maar uit levensnoodzaak, die de mens bezielt met steeds nieuwe kracht om boven zich zelf uit te scheppen. Misschien is aan het einde van Walschaps boek de beer Jacob Houtekiet nog de enige ware Depser, de eenzame, die alleen wordt verstaan door zijn grafelijke vriendin Estrelle van het kasteel. De oude Deps-garde sterft uit: Lien, de grote moeder van de grote, jonge Houtekiet; Apostel, de pastoor van het oude Deps; Nard Baert vervolgens en ten slotte Jan Houtekiet, de aartsvader, die in zijn toren is geklommen om alleen te zijn met zijn dood, met zijn oneindigheid, met het „fijne raadsel" dat ons allen boei en blijft in dit aardse leven." Ook Nieuw- Deps zal oud worden en sterven aan krachtsverval. Walschap weet het: er is geen einde, er is alleen maar een steeds herbeginnen, zoals Jacob Houtekiet herbe gon om het met dezelfde deugden van zijn oervader, maar met meer ontwikkelde ver standsgaven, beter te doen, opdat men het later wéér beter zal kunnen doen dan in zijn „industrie-gemeenschap": „hij zag in overrompelend visioen hoeveel plaats er nog was op de wereld, hoeveel armoe, on wetendheid, nooddrift, behoeften die nog voldaan, nog gewekt moesten worden." HET IS GEEN IDYLLE in Nieuw Deps, het is er geen volmaaktheid. Maar er wordt iets gewonnen, er wordt iets gered een stukje meer vrijheid, een brokje meer men selijkheid en dat is op de lange baan winst. Men mag het op het stuk van geloof met Walschap wel of niet eens zijn, men zal eerbied moeten hebben voor zijn open strijdvaardigheid, zijn integere onvree met de staat die de mens voert, bewondering voor een werk, een levenswerk, dat met een zo weergaloze oprechtheid uitdrukking heeft gegeven aan een zo onverbiddelijke zelfstrijd, die alle levenskracht opeiste om hoe dan ook van een waar mens te kunnen getuigen. Walschaps dynamische schrijfwijze laat geen bespiegelingen toe, ze komen voor rekening van de lezer. Zijn woord, opstan dig of verterd, is een daad. En zijn daad is zonder haat, zonder rancune, ook dan en daar, waar hij verwachten kan niet begre pen te zullen worden in 't ultiemste van wat hij te zeggen heeft. In de jongste afleve ring van het Nieuw Vlaams Rijdschrift heeft. In de jongste aflevering van het Nieuw Vlaams Tijdschrift heeft hij zich, in een hernieuwde poging om het voort durend misverstand betreffende zijn vrij heidsstrijd op te helderen, nog eens na drukkelijk uitgesproken over zijn „non-con- formisme", in het bijzonder over zijn af scheid van kerk en geloof. „Van toen ik de nieuwe mens begon te worden," schrijft hij daar, „die triomfant uit een in het openbaar geleverde levensstrijd te voor schijn kwam, begon ik mij los te tomen van de rebel die met een lokale bekrom penheid in botsing was gekomen. Ik tracht te mijn levensopvatting eer aan te doen en ze niet te laten verklaren door een litterair incident. Zij is in haar geheel en in haar delen voortgekomen uit een ver late aanvulling van mijn wijsgerige docu mentatie en het is niet aan te nemen dat ik, bij het werk dat ik verrichtte, gegeven mijn geest en gemoed, daaraan ontsnap pen kon." MEN ZIET: Jan en Jacob Houtekiet, het oude en het nieuwe Deps, waren een inner lijke noodzaak. Het werk van Walschap is trouwens nooit uit andere drang tot stand gekomen dan uit noodzaak, uit integriteit. Als in een wervelwind stuwen de gebeur tenissen elkander op en zo zal het voort gaan, tot ook dit nieuwe Deps oud zal zijn geworden. Want ook dan, „nog eens, leve Deps en altijd opnieuw leve Deps'!" C. E. Dinaux

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 14