In het Palingoproer uitte zich vijfenzeventig jaar geleden de haat van de bezitlozen Zesentwintig doden in bloedige Jordaanstrijd Een tweedimensionale roman Wekelijks toegevoegd aan alle edities van Haarlems Dagblad/Oprechte Haarlemsche Courant en IJ mui der Courant C. E. Dinaux DE NOG JONGE schrijver Libera ear lier hij werd in 1926 geboren is ri- vierloods eerste klasse van beroep. Water en wind en het verre zicht zijn hem ver trouwd, hij kent de kracht van de elemen ten en de nietigheid van de mens in het onmetelijke. Hij weet dus wat standhou den betekent. Enkele jaren geleden heeft hij als matroos bij de koopvaardij geva ren, enkele jaren daarvoor weer nam hij deel aan het Belgische verzet. Hij weet dus ook wat het wil zeggen zich te wagen, zich in te zetten voor een zaak die een mensenleven waard is, mits de mens dat waard is. Aan de mens, deze in zijn doen en laten zo jammerlijk ontgoochelende mens, is hem alles gelegen. Carlier is geen humanist. Hij is een man van de daad. „Geloof" laat hij een van zijn personages in zijn voorlaatste roman „Ac tion Station Go!" zeggen, „geloof in uzelf, in uw werk, in het grote doel dat ge uzelf gesteld hebt." Dat is de positieve slotsom van een man, die door de ervaring ge leerd heeft dat men bedrogen uitkomt als men uit een vaag idealisme in de mens gelooft: „hoe kunt ge in de mens geloven wanneer zijn wandaden zo worden uitge stald?" Dat is geen défaitisme, geen ni hilisme, maar een sceptisch realisme, voortgekomen uit een moedige erkenning van de werkelijkheid zoals deze zich tij dens en na de tweede wereldoorlog als onvermijdelijk gevolg van de geestelijke, morele en politieke catastrofe heeft ont popt. Carlier is er niet de man naar om terug te deinzen. Op zestienjarige leeftijd ontvluchtte hij het bezette België in de hoop Engeland te kunnen bereiken en voor vrijheid en democratie te kunnen strijden. Het lukte hem niet, hij werd in het onbezette Frankrijk weer op transport naar zijn vaderland gesteld. Wat hém on mogelijk werd gemaakt liet hij de held van zijn „Action Station Go!" verwerke lijken: te ontkomen aan de onderdrukking, te vechten voor de bevrijding, niet uit spectaculaire heldhaftigheid, maar gedre ven door een saamhorigheidsbesef, ook al wordt dit door de realiteit van het mense lijk samenleven niet beantwoord. Carlier put daaruit een moraal van de daad: heb de moed om de fatale verdeeldheid, het failliet van normen en vormen te erken nen en uit die erkenning de kracht te put ten voor een zedelijk „desondanks". OOK CARLIER en met hem vrijwel de gehele schrijversgeneratie waartoe hij behoort staat alleen in een ontredderde wereld. Maar hij zoekt de gemeenzaam heid, want ze leeft in hem, ze is „het grote doel" dat hij zich heeft gesteld, zijn „werk". In zijn litteraire werk zal men dan ook steeds de tendens vinden door de impasse heen te breken, de verscheurd heid te boven te komen en zoals ik het noemde stand te houden. Hij laboreert niet aan heldenverering. Maar wel gaat zijn sympathie uit levensovertuiging uit naar het menstype dat als laatste man op het laatste schip de wacht betrekt, een vergeefse wacht misschien, maar beter, menselijker, moediger dan een overhaast abandon ALS MAN VAN de daad schreef Carlier zijn jongste boek „Het kanaal" (N.V. De Sikkel, Antwerpen/n.v. Heynis, Amster dam) dan ook in de onvoltooid tegenwoor dige tijd. Zijn verhaal „gebeurt" als een stuk dynamica van het leven. Handelin gen volgen elkaar op, zonder onderbreken de beschouwingen en beschrijvingen. Tel kens richt hij zijn lens met de bewege- zenuwzieke vrouw ontgoochelde ploegbaas, een blinde harmonikaspeler, een door de oorlogs-ellende verdwaasde man, een meisje, de eigenaar van de werf, diens vrouw, een eenvoudige chauffeur. HET ZIJN „TYPEN", die Carlier in de plaats stelt van problematisch-verbijzon- derde personen. Het is hem niet om het in dividuele geval te doen, maar om het al gemene in het bijzondere, om het alge meen-menselijke in het persoonlijke, om het accidentele, maar beslissende in de menselijke verhoudingen. Dat alles is zijn kracht: de versobering, de zakelijke con statering, de scherpe waarneming, de wel overwogen nuancering in het spel van be geerte en deernis, zelfzucht en toenade ring, berusting en verzet, liefde en haat, onverschilligheid en gevoeligheid. Ieder staat op zichzelf, werkt vóór zichzelf, be- lijkheid van de film op andere persona ges, andere situaties. Hij ontrafelt geen psychische verwikkelingen, maar stelt ze als het ware ten toon. Dat is zijn kracht en tevens de kwetsbaarheid van zijn wijze van schrijven. De beelden die hij flits na flits oproept zijn scherp omlijnd. Ze stem men wonderwel overeen met de illustra ties van Erik Rosier. Rosier heeft name lijk de leegte van het witte vlak doorbro ken met strakke contourlijnen, die het om- slotene van de getekende gestalten zonder enig détail wit men kan zeggen: leeg laten CARLIER LAAT zijn verhaal vooraf gaan door een korte introductie, die het thema aankondigt: tussen een korte, vre- dig-stille nacht en de volgende stil-vredige nacht ligt een levensdag, gedurende welke de zon opgaat en met verblindende stra len de mechanisch-verstramde wereld be schijnt; een schrale oostenwind gaat waaien, „nergens vandaan, die de zenu wen kwelt van mens en dier en materiaal. Met de wind groeit de hartstocht. De woede. De begeerte, 's Avonds zal de zon weer ondergaan, onbekommerd om de schade die hij heeft aangericht". En dan begint de vertelling, de snel-voorbijschie- tende beeldenreeks: een betonwerf, zwoe gende arbeiders, een door een tragisch- geert, verlangt, bezwijkt in zichzelf, en al len tesamen worden door het staatsmecha- nisme bijeengehouden in een wetenschap- pelijk-technisch ontzielde machine-wereld, een bloedeloos raderwerk. De blind-gebo- rene en de oorlogsgek zijn door het leven aan kant gezet, broederlijk vereend door hun maatschappelijke onbruikbaarheid; maar ook de anderen zijn slachtoffers, „omdat" zegt een der figurerende per sonen „we in niets anders meer gelo ven dan in een vooruitgang door weten schap en techniek". Carlier is geen exis tentialist, maar het existentie-gevoel, het bewustzijn in dit leven geplaatst te zijn zonder zekerheid te kunnen verkrijgen om trent de zin daarvan, is hem stellig niet vreemd. Dwars tegenover die leegte, die angst voor het mogelijk zin-loze, plaatst hij zijn persoonlijk gevoel van verantwoorde lijkheid, zijn plichtsbesef, zijn „mensen- dienst". Niet dat hij dat betoogt. Hij be toont het, en alweer: dat is zijn kracht. ZIJN KWETSBAARHEID is gelegen in de door hem aangewende verhaal-techniek een „vormprobleem" dus. Door afwis selend de lens van zijn waarneming op zijn verschillende personages te richten anders gezegd: het voortschrijdende ver haal in stukken te knippen en in opeen volgende fragmenten te synchroniseren wint zijn verteltrant weliswaar aan dyna mische spanning, aan dramatische leven digheid, maar verliest het aan diepte. De roman speelt zich twee-dimensionaal af, op het platte vlak dus, evenals de film. De nawerking ervan zal de derde dimen sie moeten aanbrengen als reactie van de lezer. Dit naast en door elkander van de ze intermitterende compositiewijze heeft in de Amerikaanse roman en, in navol ging daarvan, ook in Europa (o.a. bij Heinrich Böll) een soms schokkende verlevendiging teweeg gebracht, waar het als aan de inhoud meeschrijvende agens door een meesterhand werd toegepast. Maar Carlier is voorlopig nog geen mees ter en wekt bij zijn lezer, die hij ver plicht tot een vermoeiende aaneenschake ling van het verbrokkelde, weerstanden op die aan een volledige identificatie van de lezer met de schrijver in de weg staan. Het pleit niet in het nadeel van een auteur als een lezer zich moeite moet geven om hem te verstaan. Integendeel: voor de he dendaagse litteratuur is wil ze nog een andere functie verrichten dan verpozing in dezelfde mate van kracht wat een door gewinterd muziek-analyticus als Adorno kenmerkend achtte voor de toonkunst. „Bij Schönberg", schrijft hij, „houdt de gemoe delijkheid op; Schönberg weigert gebruik te maken van de gebruikelijke krukken van een luisteren, dat altijd al weet wat gaat komen. De luisteraar moet mee-com- poneren, mee-werken, inplaats van passief te contempleren. Voor de moderne poëzie en voor een goed deel van het proza is dat niet anders en dat verklaart aan de ene kant het snobistisch gedweep ermee en aan de andere kant de geërgerde af wijzing. De compositie van Carlier is ech ter niet „moeilijk", maar vermoeiend, no deloos hinderlijk en eerder een navolging van een modernistisch vertelprocédé dan een strikt persoonlijke expressie-wij ze. CARLIER STAAT, dunkt me, op een kruispunt. Hij kan op de oude weg voort gaan en loopt dan gevaar een der velen te worden die tegen de achtergrond van een nu niet bepaald opwekkende realiteit variaties aanbrengen in het technische ro manprocédé van overrompelende „close- ups", dat door het platte vlak wordt be grensd. Vindt hij daarentegen de derde dimensie van hetgeen ik de innerlijke op tiek zou willen noemen, dan zal hij met zijn dynamische ontvankelijkheid aan diep te winnen. Huzaren en artilleristen kwamen de Amsterdamse politie te hulp in de strijd tegen de oproerige Jordaners. De bevol king had de straten opgebroken en van de straatstenen barricaden opgeworpen, vanwaar de soldaten werden bekogeld. (Foto Gem. Archiefdienst Amsterdam). De 47-jarige Jan Benning, een bewoner van de Raamgracht, die met een rode vlag op een van de barricaden stond, was een der eersten, die door een kogel dodelijk werd getroffen. Toen de strijd dinsdags morgens tegen vier uur was geluwd, wa ren er in het Binnengasthuis 16 doden, 43 (Van onze Amsterdamse redacteur) DE 25STE JULI was een rustige dag in de Amsterdamse Jordaan, het stadsdeel vol hardwerkende mensen, die op zijn tijd eens graag de bloemetjes buiten zetten. Achter de schermen bereidt een aantal comitéleden het in september te houden jaarlijkse Jordaanfestival voor. Tijdens die feesten treedt de Jordaanbevolking altijd naar voren als een grote familie van rondborstige lieden met een groot gevoel voor humor, mensen ook, die in hoge mate individualist zijn maar, waar het hun buurtgemeenschap betreft, een grote saamhorigheid ten toon spreiden. Deze eigenschappen Libera Carlier op zoek naar de mens ernstig gewonden en bijna 100 lichtgewon den binnengebracht. Door het overlijden van een aantal ernstig gewonden steeg het dodencijfer van het oproer tot 26. Op die dinsdagmorgen capituleerde de Jordaan voor de overmacht. Inmiddels was bekend geworden, dat in het paleis op De Dam en in de Noorderkerk nog honderden militai ren als versterking waren aangekomen en dat 3000 man in omliggende plaatsen zich gereed moesten houden. IIIIHIIIIIIIIIIIllllllllllllllllllllllllllllHlllllllinillllllllllllHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIH hebben de Jordaners in het verleden nogal eens in conflict gebracht met het gezag. Op die 25ste juli 1886 was er zo'n conflict, dat echter door een diepere achtergrond aanwak kerde tot een rel, die in de geschiedenis de naam Paling oproer heeft gekregen, dat destijds tot ver in het buitenland de aandacht trok en waarvan een kroniekschrijver heeft gezegd: „De gruwelen van deze dagen zijn onuitwischbaar uit de geschiedenis van Amsterdam". Gruwelen, jazeker, zo kan men deze bloedige strijd in het Amsterdam van die dagen toen het bolwerk van het opkomende socialisme wel noemen: het oproer had een trieste balans van 26 doden en meer dan 100 gewonden Thans, driekwart eeuw later, kan men in alle objectiviteit vaststellen, dat het opstootje weliswaar zijn directe aanleiding had in een verboden ver- maakspel, maar tevens onlosmakelijk is verbonden met de rumoerige sfeer, die het gevolg was van de malaise in de tachtiger jaren en de als gevolg van de armoede en rechteloosheid van de ar beiders tot leven gekomen socialistische beweging. stok en sabel de orde zouden herstellen. Men verzette zich wel, probeerde de agen ten te ontwapenen en waar dit gelukte wer den de sabels in de gracht geworpen. Op het politiebureau Noordermarkt werd alarm geslagen en omliggende afdelings bureaus zonden Versterking. Maar hoe sterker de politiemacht werd, hoe groter werd ook de menigte. OP 25 juli 1886 was er feest op de Lin dengracht. Een week tevoren was op de toen nog niet gedempte gracht met groot succes een wedstrijd zaklopen georgani seerd. Op deze zomerse zondag zouden de bewoners van de Lindengracht en om geving het feest voortzetten, zij het niet met zaklopen, doch met palingtrekken, een geliefkoosd spel, dat echter sinds 1870 bij de wet was verboden. Er werd een lang touw over de gracht gespannen. Boven de gracht hing aan dat touw een dikke, leven de paling. De deelnemers aan de wedstrijd voeren in bootjes onder de paling door en moesten het dier van het touw zien te trek ken. Op de gracht stonden een paar duizend mensen de wedstrijd te volgen. Het feest begon die zondag om half vijf. Men had reeds driemaal getrokken, toen twee agen ten de palingtrekkers gelastten het spel te staken. Er werd geen gevolg aan het bevel gegeven. De beide agenten stonden in een moeilijke positie. Zij besloten tot een ingrijpen, dat het sein was tot de tra gische gebeurtenissen: een hunner begaf zich naar het huis Lindengracht nummer 119 om het daar aan het raam v«n de eer ste verdieping gebonden touw door te snij den, terwijl de ander naar het politiebu reau op de Noordermarkt ging om hulp te halen. IN EEN PAMFLET zou iemand een dag later schrijven: „De een wierp de vonk in het kruitmagazijn, terwijl de ander de brandweer ging roepen". Het touw is niet doorgesneden. Vóór de agent de eerste verdieping van het huis kon bereiken, werd hij door woedende viskopers beetgepakt en afgeranseld. Tenslotte werd hij in de kelder van het huis opgesloten. Op dat ogen blik was het opstootje al een feit, maar zelfs de politie kon niet vermoeden, dat de feestvierders zich zouden verzetten te gen de twintig agenten, die met gummi- DIT LAATSTE was verklaarbaar. Op het moment, dat de beide agenten het stopzetten van het palingtrekken bevalen, werden de toeschouwers van de wedstrijd verrijkt met enkele honderden mensen, die juist terugkeerden van een in het Volks park gehouden vergadering van de sociaal democratische bond, waar zoals gewoon lijk met veel hartstocht was betoogd, dat het gezag de arbeiders rechten onthield. Het ging er vaak heet toe in dat Volkspark, een oude uitspanning, die aan de sociaal democratische bond was verhuurd. Vooral wanneer Domela Nieuwenhuis, een be zielend redenaar, de arbeiders tep. strijde riep. Op de 14de juli werd in dit Volks- ptrk zelfs een schot gelost op de commis saris van politie Stork. Zonder de toeval lige omstandigheid van die vergadering zou de sfeer op de Lindengracht minder broeie rig zijn geweest en zou het optreden van de beide agenten wellicht met een sis ser zijn afgelopen. TOEN DE DUISTERNIS inviel was de strijd op die zondagavond echter op zijn hevigst. De Amsterdamse politie vocht met enkele honderden agenten tegen de woe dende menigte, die als wapens straatste nen en dakpannen gebruikte. Terwijl de mannen al gooiende de agenten op een af stand probeerden te houden, droegen vrou wen in hun boezelaars nieuwe voorraden keien en stenen aan. Er waren vrouwen, die hun potten geraniums begeleid door een regen van scheldwoorden vanuit de bo venhuizen naar de agenten smeten en in de Anjelierstraat smeet iemand zelfs een kachel van het dak midden in een groep politiemensen. In een socialistische brochu re stond: „Het hartje van de Jordaan stond in één grote vlam, terwijl het sedert lang doortrokken was van de olie van de haat", zondagavond tientallen gewonden binnen gebracht, onder wie vele agenten. Op de Lindengracht dreigden opgewonden „re bellen" de inspecteur van politie J.M. Boas in het water te smijten en te ver drinken. Deze poging werd verhinderd door Christine van der Wouden, een grote zware vrouw uit de Goudsbloemstraat, die bij menigeen een grotere vrees inboezem de dan een zwaar-bewapende politieagent. Dit optreden van „moedige Chrisje" werd na het oproer door Koning Willem III ge waardeerd met een bronzen medaille en een loffelijk getuigschrift. De wanordelijkheden duurden tot diep in de nacht voort. Inmiddels was er een diepgaand overleg gaande tussen burge meester Van Tienhoven en de regering in Den Haag. Besloten werd de Amsterdam se politie te versterken met militairen, waartoe de staat van beleg in de hoofdstad werd afgekondigd. 's Maandagmorgens ,de 26ste juli, was het rustig in de Jordaan maar tegen de middag, toen een afdeling huzaren en 200 man artillerie naar dit stadsdeel oprukten, kwam de bevolking tot leven. Men brak de straten op en wierp hoge barricaden op en bij het verschijnen van de eerste sol daat brak de strijd los. .-T&VN-, DE MILITAIREN werden vanuit de ra men, vanaf de daken en vanachter de bar ricaden dusdanig met stenen en ijzeren voorwerpen bekogeld, dat zij zich op en kele punten, onder andere in de Eerste Boomdwarsstraat, moesten terugtrekken. Maar daarna ging het hard tegen hard: met sabels, bajonetten en geweren werd de bevolking in de avonduren aangevallen. DE OPSTAND WAS VOORBIJ, maar nog dagenlang hielden de militairen een twin tigtal strategische punten bezet en werd er patrouille gelopen om ieder begin van hernieuwd oproer onmiddellijk de kop te kunnen indrukken. Op die dinsdag schreef de „Nieuwe Rotterdamsche Courant": „De geest van tuchteloosheid en weerspanning- heid, die den laatsten tijd den boventoon voert onder de uit alle oorden naar de hoofdstad stroomende en met hare bevol king zich vermengende menigte werk- en fortuinzoekers, kan niet aan ons bestuur en wetgeving worden geweten". De pers uit die dagen keerde zich trouwens una niem tegen de bevolking in de Jordaan. Het optreden van politie en militairen werd hogelijk geprezen en in het Utrechts Dagblad werd zelfs opgewekt tot een geld inzameling, niet ten behoeve van de na bestaanden van de slachtoffers, maar voor de Amsterdamse politiemannen. DE SOCIALISTISCHE PERS bestond vrijwel uitsluitend uit pamfletten en bulle tins, waarin onder meer werd gezegd: „Het palingtrekken is een ruw en ongeoorloofd volksvermaak, hoewel lang niet zoo afkeu renswaardig als de genoegens der rijken". De katholieke drukker Dumee uit de Gouds bloemstraat hield zijn buurtgenoten met kleine pamfletjes op de hoogte van het ver loop van de strijd en zond een telegram naar de Koning met de woorden: „Sire! Uwe onderdanen worden ter neer gescho ten, er zijn reeds dooden en gewonden. Ge last den burgemeester van Amsterdam dat hij op laat houden met scherp te schieten op zijne medeburgers". De sociaal-demo craat J. A. Fortuijn zei in een vlugschrift: „Rustig huiswaartsgaande arbeiders, vrou wen, kinderen, een briefbesteller, jonge meisjes, zij allen vielen wreede moordlust ten offer. Vereenigt u! In plaats van brood krijgt gij lood. Gij ziet wat gij van de re gerende klasse te wachten hebt!" Hij werd de volgende dag gearresteerd en naar de gevangenis overgebracht. In de dagbladen werd over de slachtoffers onder de burgers slechts met een enkel cijfer gewag gemaakt. UITVOERIG ECHTER werd geschreven hoe een politieagent, die op weg was naar zijn bureau, door enige mannen met een stuk hout in de nek werd geslagen. De man Het palingtrekken op de Lindengracht, zoals een tekenaar het zag. Het wrede spel werd reeds in 1870 verboden en was in 1886 de onmiddellijke aanleiding tot de bloedige strijd in de Jordaan. (Foto Gem. Archiefdienst Amsterdam). werd in zorgwekkende toestand naar een ziekenhuis gebracht. In de lijst van slacht offers, opgesteld door de politie, lazen wij in de kolom „opmerkingen", dat een aan tal doden weliswaar gunstig bekend stond, maar waar het leden van de sociaal-demo cratische bond betrof, stond steevast ver meld: „Een groot opruijer, was trouw be zoeker van sociaal-democratische vergade ringen en van tapperijen". Waar de politie moest toegeven, dat het slachtoffer een so cialist was, werd prompt toegevoegd, dat de man „een groote dronkaard" was, in een enkel geval ook „leefde sedert jaren gescheiden van zijne vrouw". In één geval werd simpel opgemerkt: „was idioot". Dat zich onder de door ar moede en werkloosheid getroffen lieden, die tenslotte een uitweg zochten in een nieuwe maatschappijvorm, die door de so ciaal-democratische bond werd nagestreefd ook normale mensen konden bevinden, was voor de politie van die dagen kenne lijk onbestaanbaar. HET PALINGOPROER trok zelfs be langstelling van de buitenlandse pers. Soms waren de berichten weinig serieus, zoals die in het Franse blad „Le Matin", dat meende te weten, dat Amsterdam in Denemarken lag, of zoals het „Neues Wie ner Tagesblatt", dat de strijd liet afspelen op De Dam en in de Kalverstraat. Het Engelse blad „The Times" schreef in een commentaar, dat het hier een oproer be trof, „ontstaan doordat een bij het volk geliefkoosd spel werd verboden." Hierin werd een bewijs gezien van de vrijheids lievende geest van het Nederlandse volk. „Deze moet men niet op onbekookte wijze trachten te knotten, want dan volgen er dingen, die erger zijn dan een ruw volks vermaak." De „Neue Freie Presse" schreef: „Er was tevoren reeds een zekere agitatie. Het zo beperkte kiesrecht in Nederland is on houdbaar. Een algemeen stemrecht zou vooral daar het socialisme veel van zijn kracht ontnemen." Het Parijse blad „Fi garo" zag in het oproer een bewijs van de ruwe zeden van het Nederlandse volk en noemde de Nederlanders dan ook „woest en bloeddorstig." HET PALINGOPROER had uiteraard een staartje. Van de ongeveer 200 arres tanten, die van zondags tot dinsdags de politiebureaus waren binnengebracht werd tegen 23 een gerechtelijke vervolging in gesteld. De meesten werden wegens „we- derspannigheid en gewelddadige handelin gen" in november 1886 tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. De meesten kregen binnen het jaar gratie. Een ander staartje van het Palingoproer was, dat de sociaal-democratische bond de ongeregeld heden dankbaar uitbuitte om de rechte loosheid van de arbeiders te onderstrepen. Reeds op de 27ste juli vermeldden de dag bladen, dat Domela Nieuwenhuis na op een drukbezochte vergadering te Haarlem te hebben gesproken door een joelende me nigte naar het station werd geleid. De op stand was onderdrukt, maar de opmars van de „rooien" was niet tegen te hou den. De strijdvaardigheid van de Amster dammers is sinds 1886 nog diverse malen aan de dag getreden, onder andere tijdens de spoorwegstaking van 1903 en bij de rel letjes in 1934, toen opnieuw de nadruk lag op de Jordaan. En zelfs kan men zich af vragen of de Februaristaking van 1941 in een andere stad had kunnen ontstaan dan in Amsterdam.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 11