In het Palingoproer uitte zich vijfenzeventig
jaar geleden de haat van de bezitlozen
Zesentwintig doden in
bloedige Jordaanstrijd
Een tweedimensionale roman
Wekelijks toegevoegd aan alle edities van
Haarlems Dagblad/Oprechte Haarlemsche Courant
en IJ mui der Courant
C. E. Dinaux
DE NOG JONGE schrijver Libera ear
lier hij werd in 1926 geboren is ri-
vierloods eerste klasse van beroep. Water
en wind en het verre zicht zijn hem ver
trouwd, hij kent de kracht van de elemen
ten en de nietigheid van de mens in het
onmetelijke. Hij weet dus wat standhou
den betekent. Enkele jaren geleden heeft
hij als matroos bij de koopvaardij geva
ren, enkele jaren daarvoor weer nam hij
deel aan het Belgische verzet. Hij weet
dus ook wat het wil zeggen zich te wagen,
zich in te zetten voor een zaak die een
mensenleven waard is, mits de mens dat
waard is. Aan de mens, deze in zijn doen
en laten zo jammerlijk ontgoochelende
mens, is hem alles gelegen. Carlier is
geen humanist. Hij is een man van de
daad. „Geloof" laat hij een van zijn
personages in zijn voorlaatste roman „Ac
tion Station Go!" zeggen, „geloof in uzelf,
in uw werk, in het grote doel dat ge uzelf
gesteld hebt." Dat is de positieve slotsom
van een man, die door de ervaring ge
leerd heeft dat men bedrogen uitkomt als
men uit een vaag idealisme in de mens
gelooft: „hoe kunt ge in de mens geloven
wanneer zijn wandaden zo worden uitge
stald?" Dat is geen défaitisme, geen ni
hilisme, maar een sceptisch realisme,
voortgekomen uit een moedige erkenning
van de werkelijkheid zoals deze zich tij
dens en na de tweede wereldoorlog als
onvermijdelijk gevolg van de geestelijke,
morele en politieke catastrofe heeft ont
popt. Carlier is er niet de man naar om
terug te deinzen. Op zestienjarige leeftijd
ontvluchtte hij het bezette België in de
hoop Engeland te kunnen bereiken en
voor vrijheid en democratie te kunnen
strijden. Het lukte hem niet, hij werd in
het onbezette Frankrijk weer op transport
naar zijn vaderland gesteld. Wat hém on
mogelijk werd gemaakt liet hij de held
van zijn „Action Station Go!" verwerke
lijken: te ontkomen aan de onderdrukking,
te vechten voor de bevrijding, niet uit
spectaculaire heldhaftigheid, maar gedre
ven door een saamhorigheidsbesef, ook al
wordt dit door de realiteit van het mense
lijk samenleven niet beantwoord. Carlier
put daaruit een moraal van de daad: heb
de moed om de fatale verdeeldheid, het
failliet van normen en vormen te erken
nen en uit die erkenning de kracht te put
ten voor een zedelijk „desondanks".
OOK CARLIER en met hem vrijwel
de gehele schrijversgeneratie waartoe hij
behoort staat alleen in een ontredderde
wereld. Maar hij zoekt de gemeenzaam
heid, want ze leeft in hem, ze is „het
grote doel" dat hij zich heeft gesteld, zijn
„werk". In zijn litteraire werk zal men
dan ook steeds de tendens vinden door de
impasse heen te breken, de verscheurd
heid te boven te komen en zoals ik het
noemde stand te houden. Hij laboreert
niet aan heldenverering. Maar wel gaat
zijn sympathie uit levensovertuiging uit
naar het menstype dat als laatste man
op het laatste schip de wacht betrekt, een
vergeefse wacht misschien, maar beter,
menselijker, moediger dan een overhaast
abandon
ALS MAN VAN de daad schreef Carlier
zijn jongste boek „Het kanaal" (N.V. De
Sikkel, Antwerpen/n.v. Heynis, Amster
dam) dan ook in de onvoltooid tegenwoor
dige tijd. Zijn verhaal „gebeurt" als een
stuk dynamica van het leven. Handelin
gen volgen elkaar op, zonder onderbreken
de beschouwingen en beschrijvingen. Tel
kens richt hij zijn lens met de bewege-
zenuwzieke vrouw ontgoochelde ploegbaas,
een blinde harmonikaspeler, een door de
oorlogs-ellende verdwaasde man, een
meisje, de eigenaar van de werf, diens
vrouw, een eenvoudige chauffeur.
HET ZIJN „TYPEN", die Carlier in de
plaats stelt van problematisch-verbijzon-
derde personen. Het is hem niet om het in
dividuele geval te doen, maar om het al
gemene in het bijzondere, om het alge
meen-menselijke in het persoonlijke, om
het accidentele, maar beslissende in de
menselijke verhoudingen. Dat alles is zijn
kracht: de versobering, de zakelijke con
statering, de scherpe waarneming, de wel
overwogen nuancering in het spel van be
geerte en deernis, zelfzucht en toenade
ring, berusting en verzet, liefde en haat,
onverschilligheid en gevoeligheid. Ieder
staat op zichzelf, werkt vóór zichzelf, be-
lijkheid van de film op andere persona
ges, andere situaties. Hij ontrafelt geen
psychische verwikkelingen, maar stelt ze
als het ware ten toon. Dat is zijn kracht
en tevens de kwetsbaarheid van zijn wijze
van schrijven. De beelden die hij flits na
flits oproept zijn scherp omlijnd. Ze stem
men wonderwel overeen met de illustra
ties van Erik Rosier. Rosier heeft name
lijk de leegte van het witte vlak doorbro
ken met strakke contourlijnen, die het om-
slotene van de getekende gestalten zonder
enig détail wit men kan zeggen: leeg
laten
CARLIER LAAT zijn verhaal vooraf
gaan door een korte introductie, die het
thema aankondigt: tussen een korte, vre-
dig-stille nacht en de volgende stil-vredige
nacht ligt een levensdag, gedurende welke
de zon opgaat en met verblindende stra
len de mechanisch-verstramde wereld be
schijnt; een schrale oostenwind gaat
waaien, „nergens vandaan, die de zenu
wen kwelt van mens en dier en materiaal.
Met de wind groeit de hartstocht. De
woede. De begeerte, 's Avonds zal de zon
weer ondergaan, onbekommerd om de
schade die hij heeft aangericht". En dan
begint de vertelling, de snel-voorbijschie-
tende beeldenreeks: een betonwerf, zwoe
gende arbeiders, een door een tragisch-
geert, verlangt, bezwijkt in zichzelf, en al
len tesamen worden door het staatsmecha-
nisme bijeengehouden in een wetenschap-
pelijk-technisch ontzielde machine-wereld,
een bloedeloos raderwerk. De blind-gebo-
rene en de oorlogsgek zijn door het leven
aan kant gezet, broederlijk vereend door
hun maatschappelijke onbruikbaarheid;
maar ook de anderen zijn slachtoffers,
„omdat" zegt een der figurerende per
sonen „we in niets anders meer gelo
ven dan in een vooruitgang door weten
schap en techniek". Carlier is geen exis
tentialist, maar het existentie-gevoel, het
bewustzijn in dit leven geplaatst te zijn
zonder zekerheid te kunnen verkrijgen om
trent de zin daarvan, is hem stellig niet
vreemd. Dwars tegenover die leegte, die
angst voor het mogelijk zin-loze, plaatst hij
zijn persoonlijk gevoel van verantwoorde
lijkheid, zijn plichtsbesef, zijn „mensen-
dienst". Niet dat hij dat betoogt. Hij be
toont het, en alweer: dat is zijn kracht.
ZIJN KWETSBAARHEID is gelegen in
de door hem aangewende verhaal-techniek
een „vormprobleem" dus. Door afwis
selend de lens van zijn waarneming op
zijn verschillende personages te richten
anders gezegd: het voortschrijdende ver
haal in stukken te knippen en in opeen
volgende fragmenten te synchroniseren
wint zijn verteltrant weliswaar aan dyna
mische spanning, aan dramatische leven
digheid, maar verliest het aan diepte.
De roman speelt zich twee-dimensionaal
af, op het platte vlak dus, evenals de film.
De nawerking ervan zal de derde dimen
sie moeten aanbrengen als reactie van de
lezer. Dit naast en door elkander van de
ze intermitterende compositiewijze heeft in
de Amerikaanse roman en, in navol
ging daarvan, ook in Europa (o.a. bij
Heinrich Böll) een soms schokkende
verlevendiging teweeg gebracht, waar het
als aan de inhoud meeschrijvende agens
door een meesterhand werd toegepast.
Maar Carlier is voorlopig nog geen mees
ter en wekt bij zijn lezer, die hij ver
plicht tot een vermoeiende aaneenschake
ling van het verbrokkelde, weerstanden op
die aan een volledige identificatie van de
lezer met de schrijver in de weg staan.
Het pleit niet in het nadeel van een auteur
als een lezer zich moeite moet geven om
hem te verstaan. Integendeel: voor de he
dendaagse litteratuur is wil ze nog een
andere functie verrichten dan verpozing
in dezelfde mate van kracht wat een door
gewinterd muziek-analyticus als Adorno
kenmerkend achtte voor de toonkunst. „Bij
Schönberg", schrijft hij, „houdt de gemoe
delijkheid op; Schönberg weigert gebruik
te maken van de gebruikelijke krukken
van een luisteren, dat altijd al weet wat
gaat komen. De luisteraar moet mee-com-
poneren, mee-werken, inplaats van passief
te contempleren. Voor de moderne poëzie
en voor een goed deel van het proza is
dat niet anders en dat verklaart aan de
ene kant het snobistisch gedweep ermee
en aan de andere kant de geërgerde af
wijzing. De compositie van Carlier is ech
ter niet „moeilijk", maar vermoeiend, no
deloos hinderlijk en eerder een navolging
van een modernistisch vertelprocédé dan
een strikt persoonlijke expressie-wij ze.
CARLIER STAAT, dunkt me, op een
kruispunt. Hij kan op de oude weg voort
gaan en loopt dan gevaar een der velen
te worden die tegen de achtergrond van
een nu niet bepaald opwekkende realiteit
variaties aanbrengen in het technische ro
manprocédé van overrompelende „close-
ups", dat door het platte vlak wordt be
grensd. Vindt hij daarentegen de derde
dimensie van hetgeen ik de innerlijke op
tiek zou willen noemen, dan zal hij met
zijn dynamische ontvankelijkheid aan diep
te winnen.
Huzaren en artilleristen kwamen de
Amsterdamse politie te hulp in de strijd
tegen de oproerige Jordaners. De bevol
king had de straten opgebroken en van
de straatstenen barricaden opgeworpen,
vanwaar de soldaten werden bekogeld.
(Foto Gem. Archiefdienst Amsterdam).
De 47-jarige Jan Benning, een bewoner van
de Raamgracht, die met een rode vlag
op een van de barricaden stond, was een
der eersten, die door een kogel dodelijk
werd getroffen. Toen de strijd dinsdags
morgens tegen vier uur was geluwd, wa
ren er in het Binnengasthuis 16 doden, 43
(Van onze Amsterdamse redacteur)
DE 25STE JULI was een rustige dag in de Amsterdamse
Jordaan, het stadsdeel vol hardwerkende mensen, die op
zijn tijd eens graag de bloemetjes buiten zetten. Achter de
schermen bereidt een aantal comitéleden het in september
te houden jaarlijkse Jordaanfestival voor. Tijdens die feesten
treedt de Jordaanbevolking altijd naar voren als een grote
familie van rondborstige lieden met een groot gevoel voor
humor, mensen ook, die in hoge mate individualist zijn
maar, waar het hun buurtgemeenschap betreft, een grote
saamhorigheid ten toon spreiden. Deze eigenschappen
Libera Carlier op zoek naar de mens
ernstig gewonden en bijna 100 lichtgewon
den binnengebracht. Door het overlijden
van een aantal ernstig gewonden steeg het
dodencijfer van het oproer tot 26. Op die
dinsdagmorgen capituleerde de Jordaan
voor de overmacht. Inmiddels was bekend
geworden, dat in het paleis op De Dam en
in de Noorderkerk nog honderden militai
ren als versterking waren aangekomen en
dat 3000 man in omliggende plaatsen zich
gereed moesten houden.
IIIIHIIIIIIIIIIIllllllllllllllllllllllllllllHlllllllinillllllllllllHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIH
hebben de Jordaners in het verleden nogal eens in conflict
gebracht met het gezag. Op die 25ste juli 1886 was er zo'n
conflict, dat echter door een diepere achtergrond aanwak
kerde tot een rel, die in de geschiedenis de naam Paling
oproer heeft gekregen, dat destijds tot ver in het buitenland
de aandacht trok en waarvan een kroniekschrijver heeft
gezegd: „De gruwelen van deze dagen zijn onuitwischbaar
uit de geschiedenis van Amsterdam". Gruwelen, jazeker, zo
kan men deze bloedige strijd in het Amsterdam van die
dagen toen het bolwerk van het opkomende socialisme
wel noemen: het oproer had een trieste balans van 26 doden
en meer dan 100 gewonden Thans, driekwart eeuw later,
kan men in alle objectiviteit vaststellen,
dat het opstootje weliswaar zijn directe
aanleiding had in een verboden ver-
maakspel, maar tevens onlosmakelijk is
verbonden met de rumoerige sfeer, die
het gevolg was van de malaise in de
tachtiger jaren en de als gevolg van de
armoede en rechteloosheid van de ar
beiders tot leven gekomen socialistische
beweging.
stok en sabel de orde zouden herstellen.
Men verzette zich wel, probeerde de agen
ten te ontwapenen en waar dit gelukte wer
den de sabels in de gracht geworpen. Op
het politiebureau Noordermarkt werd
alarm geslagen en omliggende afdelings
bureaus zonden Versterking. Maar hoe
sterker de politiemacht werd, hoe groter
werd ook de menigte.
OP 25 juli 1886 was er feest op de Lin
dengracht. Een week tevoren was op de
toen nog niet gedempte gracht met groot
succes een wedstrijd zaklopen georgani
seerd. Op deze zomerse zondag zouden
de bewoners van de Lindengracht en om
geving het feest voortzetten, zij het niet
met zaklopen, doch met palingtrekken, een
geliefkoosd spel, dat echter sinds 1870 bij
de wet was verboden. Er werd een lang
touw over de gracht gespannen. Boven de
gracht hing aan dat touw een dikke, leven
de paling. De deelnemers aan de wedstrijd
voeren in bootjes onder de paling door en
moesten het dier van het touw zien te trek
ken. Op de gracht stonden een paar duizend
mensen de wedstrijd te volgen. Het feest
begon die zondag om half vijf. Men had
reeds driemaal getrokken, toen twee agen
ten de palingtrekkers gelastten het spel
te staken. Er werd geen gevolg aan het
bevel gegeven. De beide agenten stonden
in een moeilijke positie. Zij besloten tot
een ingrijpen, dat het sein was tot de tra
gische gebeurtenissen: een hunner begaf
zich naar het huis Lindengracht nummer
119 om het daar aan het raam v«n de eer
ste verdieping gebonden touw door te snij
den, terwijl de ander naar het politiebu
reau op de Noordermarkt ging om hulp
te halen.
IN EEN PAMFLET zou iemand een dag
later schrijven: „De een wierp de vonk
in het kruitmagazijn, terwijl de ander de
brandweer ging roepen". Het touw is niet
doorgesneden. Vóór de agent de eerste
verdieping van het huis kon bereiken, werd
hij door woedende viskopers beetgepakt
en afgeranseld. Tenslotte werd hij in de
kelder van het huis opgesloten. Op dat ogen
blik was het opstootje al een feit, maar
zelfs de politie kon niet vermoeden, dat
de feestvierders zich zouden verzetten te
gen de twintig agenten, die met gummi-
DIT LAATSTE was verklaarbaar. Op
het moment, dat de beide agenten het
stopzetten van het palingtrekken bevalen,
werden de toeschouwers van de wedstrijd
verrijkt met enkele honderden mensen, die
juist terugkeerden van een in het Volks
park gehouden vergadering van de sociaal
democratische bond, waar zoals gewoon
lijk met veel hartstocht was betoogd, dat
het gezag de arbeiders rechten onthield. Het
ging er vaak heet toe in dat Volkspark,
een oude uitspanning, die aan de sociaal
democratische bond was verhuurd. Vooral
wanneer Domela Nieuwenhuis, een be
zielend redenaar, de arbeiders tep. strijde
riep. Op de 14de juli werd in dit Volks-
ptrk zelfs een schot gelost op de commis
saris van politie Stork. Zonder de toeval
lige omstandigheid van die vergadering zou
de sfeer op de Lindengracht minder broeie
rig zijn geweest en zou het optreden van
de beide agenten wellicht met een sis
ser zijn afgelopen.
TOEN DE DUISTERNIS inviel was de
strijd op die zondagavond echter op zijn
hevigst. De Amsterdamse politie vocht met
enkele honderden agenten tegen de woe
dende menigte, die als wapens straatste
nen en dakpannen gebruikte. Terwijl de
mannen al gooiende de agenten op een af
stand probeerden te houden, droegen vrou
wen in hun boezelaars nieuwe voorraden
keien en stenen aan. Er waren vrouwen,
die hun potten geraniums begeleid door
een regen van scheldwoorden vanuit de bo
venhuizen naar de agenten smeten en in
de Anjelierstraat smeet iemand zelfs een
kachel van het dak midden in een groep
politiemensen. In een socialistische brochu
re stond: „Het hartje van de Jordaan stond
in één grote vlam, terwijl het sedert lang
doortrokken was van de olie van de haat",
zondagavond tientallen gewonden binnen
gebracht, onder wie vele agenten. Op de
Lindengracht dreigden opgewonden „re
bellen" de inspecteur van politie J.M.
Boas in het water te smijten en te ver
drinken. Deze poging werd verhinderd
door Christine van der Wouden, een grote
zware vrouw uit de Goudsbloemstraat, die
bij menigeen een grotere vrees inboezem
de dan een zwaar-bewapende politieagent.
Dit optreden van „moedige Chrisje" werd
na het oproer door Koning Willem III ge
waardeerd met een bronzen medaille en
een loffelijk getuigschrift.
De wanordelijkheden duurden tot diep
in de nacht voort. Inmiddels was er een
diepgaand overleg gaande tussen burge
meester Van Tienhoven en de regering in
Den Haag. Besloten werd de Amsterdam
se politie te versterken met militairen,
waartoe de staat van beleg in de hoofdstad
werd afgekondigd.
's Maandagmorgens ,de 26ste juli, was
het rustig in de Jordaan maar tegen de
middag, toen een afdeling huzaren en 200
man artillerie naar dit stadsdeel oprukten,
kwam de bevolking tot leven. Men brak
de straten op en wierp hoge barricaden op
en bij het verschijnen van de eerste sol
daat brak de strijd los.
.-T&VN-,
DE MILITAIREN werden vanuit de ra
men, vanaf de daken en vanachter de bar
ricaden dusdanig met stenen en ijzeren
voorwerpen bekogeld, dat zij zich op en
kele punten, onder andere in de Eerste
Boomdwarsstraat, moesten terugtrekken.
Maar daarna ging het hard tegen hard:
met sabels, bajonetten en geweren werd
de bevolking in de avonduren aangevallen.
DE OPSTAND WAS VOORBIJ, maar nog
dagenlang hielden de militairen een twin
tigtal strategische punten bezet en werd
er patrouille gelopen om ieder begin van
hernieuwd oproer onmiddellijk de kop te
kunnen indrukken. Op die dinsdag schreef
de „Nieuwe Rotterdamsche Courant": „De
geest van tuchteloosheid en weerspanning-
heid, die den laatsten tijd den boventoon
voert onder de uit alle oorden naar de
hoofdstad stroomende en met hare bevol
king zich vermengende menigte werk- en
fortuinzoekers, kan niet aan ons bestuur
en wetgeving worden geweten". De pers
uit die dagen keerde zich trouwens una
niem tegen de bevolking in de Jordaan.
Het optreden van politie en militairen
werd hogelijk geprezen en in het Utrechts
Dagblad werd zelfs opgewekt tot een geld
inzameling, niet ten behoeve van de na
bestaanden van de slachtoffers, maar voor
de Amsterdamse politiemannen.
DE SOCIALISTISCHE PERS bestond
vrijwel uitsluitend uit pamfletten en bulle
tins, waarin onder meer werd gezegd: „Het
palingtrekken is een ruw en ongeoorloofd
volksvermaak, hoewel lang niet zoo afkeu
renswaardig als de genoegens der rijken".
De katholieke drukker Dumee uit de Gouds
bloemstraat hield zijn buurtgenoten met
kleine pamfletjes op de hoogte van het ver
loop van de strijd en zond een telegram
naar de Koning met de woorden: „Sire!
Uwe onderdanen worden ter neer gescho
ten, er zijn reeds dooden en gewonden. Ge
last den burgemeester van Amsterdam dat
hij op laat houden met scherp te schieten
op zijne medeburgers". De sociaal-demo
craat J. A. Fortuijn zei in een vlugschrift:
„Rustig huiswaartsgaande arbeiders, vrou
wen, kinderen, een briefbesteller, jonge
meisjes, zij allen vielen wreede moordlust
ten offer. Vereenigt u! In plaats van brood
krijgt gij lood. Gij ziet wat gij van de re
gerende klasse te wachten hebt!"
Hij werd de volgende dag gearresteerd
en naar de gevangenis overgebracht. In de
dagbladen werd over de slachtoffers onder
de burgers slechts met een enkel cijfer
gewag gemaakt.
UITVOERIG ECHTER werd geschreven
hoe een politieagent, die op weg was naar
zijn bureau, door enige mannen met een
stuk hout in de nek werd geslagen. De man
Het palingtrekken op de Lindengracht,
zoals een tekenaar het zag. Het wrede spel
werd reeds in 1870 verboden en was in
1886 de onmiddellijke aanleiding tot de
bloedige strijd in de Jordaan. (Foto Gem.
Archiefdienst Amsterdam).
werd in zorgwekkende toestand naar een
ziekenhuis gebracht. In de lijst van slacht
offers, opgesteld door de politie, lazen wij
in de kolom „opmerkingen", dat een aan
tal doden weliswaar gunstig bekend stond,
maar waar het leden van de sociaal-demo
cratische bond betrof, stond steevast ver
meld: „Een groot opruijer, was trouw be
zoeker van sociaal-democratische vergade
ringen en van tapperijen". Waar de politie
moest toegeven, dat het slachtoffer een so
cialist was, werd prompt toegevoegd, dat
de man „een groote dronkaard" was, in
een enkel geval ook „leefde sedert jaren
gescheiden van zijne vrouw".
In één geval werd simpel opgemerkt:
„was idioot". Dat zich onder de door ar
moede en werkloosheid getroffen lieden,
die tenslotte een uitweg zochten in een
nieuwe maatschappijvorm, die door de so
ciaal-democratische bond werd nagestreefd
ook normale mensen konden bevinden,
was voor de politie van die dagen kenne
lijk onbestaanbaar.
HET PALINGOPROER trok zelfs be
langstelling van de buitenlandse pers.
Soms waren de berichten weinig serieus,
zoals die in het Franse blad „Le Matin",
dat meende te weten, dat Amsterdam in
Denemarken lag, of zoals het „Neues Wie
ner Tagesblatt", dat de strijd liet afspelen
op De Dam en in de Kalverstraat. Het
Engelse blad „The Times" schreef in een
commentaar, dat het hier een oproer be
trof, „ontstaan doordat een bij het volk
geliefkoosd spel werd verboden." Hierin
werd een bewijs gezien van de vrijheids
lievende geest van het Nederlandse volk.
„Deze moet men niet op onbekookte wijze
trachten te knotten, want dan volgen er
dingen, die erger zijn dan een ruw volks
vermaak."
De „Neue Freie Presse" schreef: „Er
was tevoren reeds een zekere agitatie. Het
zo beperkte kiesrecht in Nederland is on
houdbaar. Een algemeen stemrecht zou
vooral daar het socialisme veel van zijn
kracht ontnemen." Het Parijse blad „Fi
garo" zag in het oproer een bewijs van
de ruwe zeden van het Nederlandse volk
en noemde de Nederlanders dan ook
„woest en bloeddorstig."
HET PALINGOPROER had uiteraard
een staartje. Van de ongeveer 200 arres
tanten, die van zondags tot dinsdags de
politiebureaus waren binnengebracht werd
tegen 23 een gerechtelijke vervolging in
gesteld. De meesten werden wegens „we-
derspannigheid en gewelddadige handelin
gen" in november 1886 tot anderhalf jaar
gevangenisstraf veroordeeld. De meesten
kregen binnen het jaar gratie. Een ander
staartje van het Palingoproer was, dat de
sociaal-democratische bond de ongeregeld
heden dankbaar uitbuitte om de rechte
loosheid van de arbeiders te onderstrepen.
Reeds op de 27ste juli vermeldden de dag
bladen, dat Domela Nieuwenhuis na op een
drukbezochte vergadering te Haarlem te
hebben gesproken door een joelende me
nigte naar het station werd geleid. De op
stand was onderdrukt, maar de opmars
van de „rooien" was niet tegen te hou
den. De strijdvaardigheid van de Amster
dammers is sinds 1886 nog diverse malen
aan de dag getreden, onder andere tijdens
de spoorwegstaking van 1903 en bij de rel
letjes in 1934, toen opnieuw de nadruk lag
op de Jordaan. En zelfs kan men zich af
vragen of de Februaristaking van 1941 in
een andere stad had kunnen ontstaan dan
in Amsterdam.