SIGNALEN
De tien
beste
bouwwerken
naar
Brazilië
Naamgeving in Ghana
Oedian datang, kambin lari
Keuze van kerk een ernstige misgreep
ms
ZATERDAG 29 JULI 1961
Erbij
DE NEDERLANDSE ARCHITECTUUR
zal voor het eerst op een Biennale
vertegenwoordigd zijn. Op die van
Sao Paulo in Brazilië, in het hol van
de leeuw nog wel, als men aan het
bouwkunstig huzarenstukje denkt
dat Brasilia heet. De samenstellers
van de Nederlandse inzending,
prof. ir. J. H. van den Broek, A. C
Nicolai en W. van Gelderen, die
ook de uitvoering in handen had,
hebben er dan ook terecht van af
gezien tegen dergelijk briljant ver
gelijkingsmateriaal, dat bovendien
het voordeel heeft in natura voor
handen te zijn, op te bieden. Geen
uitschieters, maar een afspiegeling
van het goede gemiddelde, luidde
hun parool. Een bescheiden voor
nemen dat intussen slechts gedeel-
- - -
telijk werd verwezenlijkt. Onwille
keurig wordt toch het beste brood
in de etalage gezet. Zeker wan
neer het erom gaat in elk der tien
categorieën één werk als repre
sentatief voor de architectonische
stand van zaken in Nederland aan
te wijzen.
Opera van Haydn in
Yale Universiteit ontdekt
?M
PAGINA DRIh
H' N
9 :-t
gemaakt. Met name laat men meer en
meer recht wedervaren aan de centrale
plaats van de liturgie. Gezien ook het feit
dat de protestantse kerkbouw zich sneller
en ingrijpender heeft ontwikkeld was er
alle aanleiding geweest een keuze te doen
uit de protestantse kerken.
Wij denken aan de Amstelveense Kruis
kerk van nrof. Duintjer, aan de Advents-
kerken van Loosduinen en Aerdenhout van
K. L. Sijmons die bovendien bij uitstek
kerkebouwer is of aan de Schiedamse
Opstandingskerk van Van den Broek en
Bakema. Professor Holt is op deze selec
tie samen met zijn compagnon ir. B.tfBij-
voet met de Nijmeegse schouwburg over
eenkomstig zijn begaafdheid present.
Nu maar afwachten of de jury te
midden van het zware geschut der grote
namen de specifiek Nederlandse ver
diensten voor het bouwkunstig scheppen
zal weten te onderkennen en waarderen.
H. Bartman
Fabriek „Gelderland" te Nijmegen van
ir. J. A. G. van der Steur, jhr. ir. A. P.
Wesselman van Helmond en ir. H. C.
Stadlander.
Een pas ontdekte opera van Haydn zal
waarschijnlijk volgende zomer zijn wereld
première krijgen in het 18de eeuwse Drott-
ningholmtheater te Stockholm. Het manu
script van de opera werd tussen een stapel
oud papier op de Yale Universiteit in
Amerika gevonden. De opera bestaat uit
twee delen en werd tussen 1776 en 1778
door Haydn geschreven, op verzoek van
prins Nikolaus Esternazy.
DE EERSTE CATEGORIE werd dan
ook meteen de beste. Rietveld's woonhuis
te Ilpendam vertegenwoordigt bepaald
geen gemiddeld Nederlands ééngezinshuis,
het is een uitschieter van de eerste rang.
In feite één van de schaarse uitingen der
Nederlandse architectuur van de laatste
tien jaar welke men met een gerust hart
mondiaal niveau kan toekennen. De zuivere
uitgangspunten van de Stijlgroep werden
in deze bungalow in de wijdheid van een
oer-Hollands polderlandschap geniaal be
vestigd. Uit een ogenschijnlijk moeiteloos
spel met ruimte, schaal, lijnen en gele
dingen, materialen en kleuren ontstond
een juweel, dat in zijn overrompelende
eenvoud al dadelijk aan het begin van de
selectie alle volgende onderdelen in de
schaduw stelt.
DAT IS IN ZEKERE ZIN onredelijk,
want de andere panelen zijn, op één uit
zondering na waarop wij nog terugkomen,
zeker niet aanvechtbaar. Dat wil niet zeg
gen dat er geen andere keus verdedigbaar
zou zijn geweest. Ter wille van de verde
lende rechtvaardigheid zouden wij in plaats
van het laboratorium van de Delftse T.H.
van Van den Broek en Bakema de Mon
tessorischool te Oegstgeest van de Haar
lemmer J. P. Kloos hebben willen zien
terwijl Merkelbach en Elling's aquarium
voor 't Gemeenschappelijk Administratie
kantoor in Amsterdam-west ons liever zou
zijn geweest dan het gebouw voor de Eer
ste Nederlandse te Rotterdam van het ar
chitectenbureau ir. J. P. van Bruggen c.s.
Die combinatie komt immers ook en
met reden met het RAI-gebouw aan
haar trekken. Overigens wekken de mees
te gekozen bouwwerken de indruk van een
door z'n massaliteit bijna griezelige onder
linge identificatie en assimilatie der vader
landse architectenbent met het gehumani
seerd functionalisme van de CIAM-groep.
„Iedereen bouwt tegenwoordig modern en
niet eens zo slecht," heeft een overtuigd
modernist gezegd en de juistheid van die
uitspraak wordt door deze inzending voor
de Biennale van Sao Paulo welsprekend
bewezen.
HET LIJKT ER trouwens op dat de Ne
derlandse architect wel weg weet met mo
derne materialen en constructies maar dat
hij door een soort ruimtevrees wordt be
vangen wanneer het erom gaat de daar
bij passende schaal te vinden. Men denkt
nog te vaak in baksteenmaten, zoals blijkt
uit sommige detailleringen van het RAI-
gebouw en van Vegter's Gelders provin
ciehuis, dat overigens door z'n uitbundige
praal en z'n geraffineerde licht-effecten
wellicht de meeste kans maakt bij het pu
bliek van het westelijk halfrond aan te
slaan. Wat ons betreft had in de groep
diversen het station van Heemstede of dat
van Eindhoven van ir. K. van der Gaast
een plaats mogen vinden. Zouden we uit
de tien geëxposeerde ontwerpen een twee
de moeten aanwijzen dat het tegen de in
ternationale concurrentie kan opnemen da
zou het de papierfabriek Gelderland te
Nijmegen rijn. De leden van het architec
tenbureau v.h. Van Hasselt en De Koning
schiepen uit de schijnbare chaos van een
dergelijk industrieel object een klare, scho
ne orde waarin het doel van het bouw
werk kiachug wordt vertolkt.
Het woonhuis te Ilpendam van Rietveld,
een geniale bevestiging van de uitgangs
punten van de Sijlgroep.
REST DE KEUZE van het kerkgebouw.
Wij aarzelen niet van een misgreep te
spreken. Geheel afgezien van de vraag of
het wel juist i« de hedendaagse kerkelijke
bouwkunst van ons land door een rooms-
katholieke kerk te laten vertegenwoordi
gen, dan toch in elk geval niet door de
Sint-Joseph in Amsterdam-west van prof.
G. H. M. Holt en K. P. Tholens. Tien jaar
geleden zou die keuze zonder enige twijfel
gerechtvaardigd zijn geweest. Wij hebben
in het verleden meer dan eens waarde
rend geschreven over deze kerk waarin
de tirannie van de baksteen voor het eerst
werd doorbroken. Sindsdien heeft zowel de
protestantse als de rooms-katholieke ker
kelijke bouwkunst belangrijke vorderingen
ALS IN GITANA een nieuwe wereld
burger is geboren volgt de ceremonie
van het naamgeven. Eerst wordt het
nieuws van familie tot familie verspreid:
„Adwoa heeft een meisje gebaard". Het
antwoord luidt dan: „Zeg haar dat wij
blij zijn en het kind zullen komen be
wonderen". De vader ook als hij bij
de geboorte aanwezig is geweest moet
volgens de traditie officieel worden in
gelicht. Dus wordt er een boodschap
naar hem gezonden: „Ga en vertel Bari-
ma Kobena dat Adwoa Daakowa het
leven aan een dochter heeft geschonken".
De bode gaat niet alleen, maar samen
met een afgevaardigde van de familie.
Bij Barima Kobena aangekomen zegt
hij: „De ouderen van Adwoa Daakowa's
familie hebben mij gezonden om het
goede nieuws te brengen dat Adwoa
Daakowa het leven aan een meisje heeft
geschonken". Het antwoord dat hij mee
terugneemt klinkt ongeveer zo: „Dat is
goed nieuws. Vertel haar en de ouderen
dat wij het gehoord hebben. Wij zullen
Sint Josephkerk in Amsterdam-West.
het kind verwelkomen en doen wat de
traditie voorschrijft".
DE TRADITIE schrijft voor dat op de
achtste dag na de geboorte de baby zijn
intrede in de buitenwereld doen en in het
bijzijn van getuigen door de vader een
naam krijgt toegewezen. In het vroege och
tendgloren op die dag neemt de moeder
een bad om zich te reinigen. Ze kleedt
zich in frisse witte kleding om het feest
te vieren. Ze draagt witte versierselen in
haar oren, rond haar hals en armen Ook
de baby gaat in het wit gekleed. Vandaag
wordt hij officieel opgenomen in de fa
milie; hij zal de reeks van zijn voorvaderen
voortzetten. Op deze dag eert de vader de
moeder van het kind officieel in het bij
zijn van getuigen door het kind een naam
te geven. Aardappelstamp, aangemaakt
met palmolie en versierd met hard ge
kookte eieren, is een ceremonieel voedsel.
Oto wordt het in de Akan-taal genoemd.
Nadat eerst de moeder van het voedsel
heeft gegeten, gaat een vrouwelijk lid van
de familie het hele erf rond en strooit het
in iedere hoek om de zegen af te smeken
van de geesten van de voorvaderen.
MOEDER EN KIND komen het erf op
Dit is het intreden in de buitenwereld. De
baby is geïntroduceerd en in de familie
opgenomen. Nu volgt de belangrijke ge
beurtenis, de naamgeving zelf. De familie
zit in een grote cirkel. De hoofdkleur in
hun kleding is wit. De centrale figuren zijn
de ouderen van de familie van de vrouw,
een assistent en de vader. De moeder komt
in de kring. De oudere neemt de baby in
zijn armen .„Laat de familie niets dan
goeds wensen", verzoekt hij. „Laat alleen
het goede komen", antwoorden ze in koor.
Dan vervolgt de oudere: „Dat wij allen
vandaag bij elkaar zijn gekomen, heeft
geen ander doel dan dat wij een naam
wensen voor het kind, dat ik in mijn
armen draag".
In dit stadium voeren de oudere en zijn
assistent de ceremonie van het plengoffer
uit, waarbij gebeden wordt tot God en de
voorvaderen en gesmeekt om zegen voor
het kind en zijn ouders. Vóór hen op een
schaal staat water en een sterke drank,
voornamelijk genever. „Welke naam zullen
wij het kind geven?", vraagt de oudere.
De vader antwoordt: „Haar naam zal Esi
Amonoowa zijn". De oudere doopt zijn
vinger eerst in het water en zegt: „Esi
Amonoowa, als je „water" zegt, laat het
dan ook water zijn". Drie maal herhaalt
hij dit en iedere keer doopt hij zijn vinger
in het water om daarna de tong van de
baby aan te raken. Dan wordt de vinger
in de sterke drank gedoopt. „Esi Amonoo
wa", zegt de oudere weer, terwijl hij drie
keer zijn vinger in de sterke drank doopt
en daarmee de tong van het kind aan
raakt, „als je „sterke drank" zegt, laat het
dan ook sterke drank zijn".
DIT ALLES HEEFT slechts één beteke
nis, namelijk dat van het kind verlangd
wordt dat het oprecht en eerlijk door het
leven zal gaan. De ceremonie is voorbij;
het feest begint. Van iedereen die aan
wezig is wordt verwacht dat hij het glas
met de genoemde dranken leeg drinkt;
de sterke drank wordt geschonken door
de vader. De vrouwen helpen elkaar met
het verzorgen van de baby zij neurieën
een traditioneel slaapliedje zoals:
Deze kleine baby in mijn armen,
Waar zal ik hem brengen?
Het is de baby van Adwoa Daakowa.
Waar zal ik hem brengen?
Niet waar doornen hem zullen prikken
Waar zal ik hem dan brengen?
Niet waar twijgen van de bomen hem
zullen verwonden
„ALS DE REGEN KOMT, vluchten
de geiten"; het is de eerste regel van
een Maleis liedje dat ik als kind van
Néneh Tidjah leerde, mijn oude lijf
meid gedurende jaren. Er volgt nog
een tweede regel op een vers moei
immers rijmen! die minder stichte
lijk klinkt en die over een matroos gaat
die acht dagen dronken is. Maar hier
gaat het mij niet om, het gaat mij al
leen om die eerste regel. Ik kan het
niet helpen, dat ik telkens als ik dit
simpele regeltje uit mijn achterhoofd
opdiep, overrompeld word door herin
neringen. Het is ook een bijzonder
dichterlijke regel, vind ik, die een lich
te schok geeft en iets openstoot, zoals
eigenlijk elke goede versregel dat doen
moet.
HET IS IN DE namiddag. Mijn
ouders zijn in hun slaapkamer en doen
hun siësta, zoals elke middag. Ik loop
in mijn tjelana monjet (hansop) op blo
te voeten langs de rawahs (moerassen)
achter ons huis. Eigenlijk moet ik ook
in mijn kamer zijn en „rusten", maar
ik ben ongehoorzaam. Het is drukkend
warm, straks gaat het regenen en daar
wil ik bij zijn. Verderop zijn de tegal-
lans (droge velden) die zoals altijd af
gesloten worden door een donkergroene
zoom: een rij bomen en wat bamboe
struiken, waartussen je enige kampong
huizen kunt vermoeden. Daarboven is
een lucht met grijze wolken; van boven
soms nog wit, maar van onder al lei
kleurig, alsof ze een last dragen. Ze
komen in grote drommen opzetten en
plotseling laten ze in de verte een re
gensluier vallen, een witachtige sluier.
Op dat ogenblik gaat het ook waaien,
een koele wind die van de bergen komt
en die de geuren meevoert van aarde,
van gras, van hout en groen. En dan
het gevoel dat daarbij past! Een heer
lijk gevoel van verademing en ver
wachting. Ik ren naar huis, naar de
bijgebouwen en daar wacht ik de regen
af en Nènèh Tidjah staat naast me. Bij
ons regent het nog niet, maar we ho
ren het ruisen naderkomen, meer en
meer; het wordt een zwaar gonzen. Als
de eerste druppels op de dakpannen en
pisangbladen tikken, behoef ik niet lang
te wachten of ik hoor haar al prevelen:
Oedjan datang, kambing lari,
Matroos mabok, deXapan hari.
Het klonk als een toverformule die
bij de regen hoorde en die ik nooit ver
geten zal, zolang Nènèh Tidjah in mijn
herinnering blijft en daar is ze niet
meer uit weg te denken. Ze is voor
mij onverbrekelijk aan mijn kindertijd
verbonden.
ZE WAS EEN JAVAANSE en kwam
uit Semarang waar ik ook geboren ben.
Ze moet gekomen zijn toen ik zeven
maanden was; toen ik zeven jaar werd
was ze er nog. Kort daarop is ze over
leden. Ze was een merkwaardige
vrouw, die in ieder geval niet het klas
sieke voorbeeld is geweest van de ge
dweeë baboe die met onuitputtelijk ge
duld haar sinjo verzorgde en het in
alles toegaf. Ze was het beslist niet,
want ik herinner me haar vaak moppe
rend, knorrig en chagrijnig en ze was
dikwijls boos, meestal op mijn moeder,
maar ook op mij. Ze sloeg me nooit
zo verwesterd was ze niet maar ze
kon me wel venijnig in mijn arm knij
pen of haar nagels in mijn oorlel druk
ken. „Anak sétan" (duivelskind) zei ze
dan. En hiermee logenstraft ze de me
ning van sommige Hollanders, dat In
donesiërs hun kinderen nooit zullen pij
nigen. Overigens ben ik er dankbaar
voor, dat zij althans niet aan de pro
gressieve mythe van de zachtzinnige
Indonesiër beantwoordde Ik ben daar
door niet helemaal kunnen uitgroeien
tot het verwende Indische tongetje, het
typische „baboekind", dat ik zelfs nu
nog weieens in sommige volwassenen
herken.
Ik was erg aan Nènèh Tidjah gehecht
en zij waarschijnlijk ook aan mij, maar
ik kan nu aan deze gehechtheid denken
zonder al teveel vertedering en zonder
sentimentaliteit; daar heeft ze zelf voor
gezorgd. Ik begin alleen maar hier in
Holland hoe langer hoe meer haar in
vloed in mijn leven te beseffen; deze
is beslissend geweest vooral voor mijn
latere verhouding tot de natuur. Door
altijd om me heen te zijn met haar
nukken en zorgen, met haar bedreigin
gen en bezweringen, heeft ze me ge
vormd. Ze heeft me op een leeftijd, dat
ik daar blijkbaar ontvankelijk voor
was, ingeleid in haar wereld en in deze
wereld waren de goede en boze geesten
in een voortdurende strijd gewikkeld,
die soms in een geweldig onweer kon
losbreken. Als het in de westmoesson
bliksemde en donderde, was ik ervan
overtuigd, dat daarboven de aardse en
hemelse krachten verwoed aan het
vechten waren. Als het gerommel van
de donder naderbij kwam en weer in
de verte verklonk, wist ik dat het he
melse leger voorbij was getrokken, met
krijgers gezeten op reusachtige wonder
vogels die het luchtruim doorkruisten.
ALS MIJN OUDERS naar de opera
waren of op visite gingen, bleef Nènèh
Tidjah op mij passen en terwijl ik in
mijn bed lag, ging zij op een matje
zitten, haar sirïhstel naast zich. Dan
kwamen de eindeloze, adembenemende
verhalen over hemelnimfen en demo
nen, over versteningen, gedaanteverwis
selingen en geesten. Vooral de geesten
hebben mij bijzonder verontrust, want
ik werd ermee bedreigd, om mij tot
gehoorzaamheid en lijdzaamheid te
dwingen. „Naaaaah mömók
w
Rob Nieuwenhuys werd ln 1908 te Sema
rang geboren. Zijn vader was een „totok",
een volbloed Hollander; zijn moeder was een
Indische. Op zijn twintigste jaar ging hij voor
de eerste keer naar Holland om letteren te
studeren. Acht jaar later keerde hij terug In
Indië was hij eerst leraar bij het middelbaar
onderwijs, later docent aan de Litteraire Fa
culteit. Na zijn krijgsgevangenschap ging hij
met verlof naar Nederland om ln 1947 weer
terug te gaan als hoofd van de afdeling Cul
turele Zaken van het Departement van On
derwijs Hij repatrieerde in 1952 en is nu leraar
Nederlands aan de Gemeentelijke M.M.S te
Amsterdam
Onder het pseudoniem E. Breton de NDs
schreef Nieuwenhuys de roman „Vergeelde
Portretten uit een Indisch familie-album"
(4de druk als Salamander-pocket); onder zijn
eigen naam stelde hij een bloemlezing uit de
Indische bellettrie samen:; „Bij het scheiden
van de markt" (1960); zijn essays werden ge
bundeld onder de titel „Tussen twee vader
landen" (1959). Binnenkort verschijnt er een
door hem samengesteld en toegelicht fotoboek
op groot formaat over het oude Indië van 1870
tot 1914, „Tempo Doeloe" geheten.
(Daar heb je 't al, geestenik
hoor het nog zeggen, op onheilspellen
de toon.
Ook als het 's avonds ging regenen,
werd ik door angst overvallen, want ik
wist ook alweer van Nènèh Tidjah dat
de geesten dan uit de bomen zouden
treden en dat de pontianaks krijsend
door de lucht zouden vliegen. Het ge
roep van een nachtvogel deed me dan
huiveren. In hen huisden de geesten van
afgestorven kinderloze vrouwen die des
nachts op kinderroof uitgingen. Ze had
den wapperende, loshangende haren en
gezichten die ik me voorstelde als die
van sommige Balische demonenmas
kers, met uitpuilende ogen en slagtan
den. En het ergste was wel, dat voor
ons huis een reusachtige waringinboom
stond, bestaande uit duizenden lucht
wortels die tot één stam waren ver
groeid van enige meters dik. Een wa-
ringin borg een eigen, kleine wereld in
zich, een vreemde wereld met hoogten
en laagten, verten en diepten, hoogten
en meren, met wegen en zijwegen. Een
uitverkoren woonplaats voor geesten, in
derdaad! Zo bang was ik soms, dat ik
het laken lostrok en eronder ging liggen
soms riep ik zelfs mijn moeder en vroeg
haar dan het licht aan te steken. „Er
bestaan geen geesten," zei ze dan,
maar ik wist wel beter. Ik geloofde Nè
nèh Tidjah meer dan mijn moeder.
Eerst door zich in mijn wereld te ver
plaatsen en deze te rationaliseren,
slaagde zij er langzamerhand in, mij
aan de dreiging te onttrekken. Ze nam
mij op een dag mee naar de waringin,
en waar ik bij was, het zij de tuinjongen
spijkers in de boom slaan. Nu konden
de pontianaks niet meer uittreden; ze
zouden met hun lange haren in de spij
kers verward raken! Zo bezwoer ze
mijn angst. Maar het kon ook alleen
maar de vondst van een Indische dame
zijn, zelf vertrouwd met die wereld.
DE INDISCHE NATUUR is voor mij
altijd bezield geweest, bewoond door
geesten, goden en godinnen, die heer
sers waren in een eigen rijk. Als men
hun gebied betrad, waren offers nodig.
Heuvels konden hijgen en bossen kon
den ademen, zoals ik dat ook later bij
de dichter Resink gevonden heb, de eni
ge belangrijke „Indische dichter" die
wij hebben. De Indische natuur is voor
mij altijd veel méér geweest dan mooi
of lelijk; ze was „angker". Dit „ma
gisch besef" (om het maar zo eens uit
te drukken) is met het ouder worden
uiteraard verzwakt, het was allang niet
meer acuut, het was iets dat onder
gronds werkzaam scheen en dat nog
maar zwak zijn werking uitoefende,
maar dat „iets" was voldoende om een
bijzondere relatie te bewerkstelligen. En
deze mis ik in Holland pijnlijk. Ik sta
anders tegenover de Hollandse natuur
dan tegenover de Indische. De polders
zijn wijd en groen, de bossen koel en
misschien zelfs geheimzinnig, maar ze
zijn voor mij niet levend. Als ik iets
als een heimwee mag voelen naar mijn
geboorteland en kinderland, dan is het
aar de natuur, naar die bijzondere
„magische" relatie die ik van mijn
oude baboe overkreeg, de eigenlijk toch
wel onvergetelijke Nènèh Tidjah.
En mijn baby zullen bezeren;
Zullen pijnigen
Slaap kindje slaap,
Slaap kindje slaap.
„AMONOOWA" betekent belangrijkheid
Het is de naam van een der voorvaderen
In het dagelijks leven wordt het kind
„Esi" genoemd. Dat is „Zondagskind" in
de Akan-taal. Als het een jongen geweest
was, zou zijn naam „Kwesi' geweest zijn
Er is een grote keus van namen Een kind
kan naai een bepaalde dag in de week ge
noemd worden, namelijk de dag waarop
het geboren is; naar een familielid; men
mag het ook twee namen geven zoals „Ata
Atakuma"; een gelegenheidsnaam als
Donko (slaaf), Avatofo (tijdens de oorlog
geboren), Lave (geboren in rampspoed),
Agblesi (op de boerderij geboren), om die
genen uit te dagen die hun ouders slecht
of goed gewenst hebben; ook kan het kind
een naam gegeven worden gebaseerd op
kwaliteiten zoals Fafa (vrede), Adika
(krans)' of naar rang van zijn aanzienlijk
heid Man»;< \1 j,'-r L kind).