DE DODENLIJST VAN ADRIAN MESSENGER PRIEGELTJES GROTE REIS r PANDA EN DE MEEST ER-OPHEF EER meubelen fm 7 Polle, Pelli en PinMo Ons vervolgverhaal OPKOMST EN ONDERGANG VAN HET DERDE RIJK VASTGELEGD IN BEKLEMMEND FOTOBOEK Cineast Jan Boon trekt de Himalaya in Melkoorlog in een Zeeuws dorp VRIJDAG 18 AUGUSTUS 1961 PHILIP MACDONALD Oorspronkelijke titel: The list of Adrian Messenger Kom in Kempkes' Meubeltoonzalen te AmsterdamOude Schans 73-75-77of te Waddinxveen de prachtige collectie Formule meubelen bekijken. Ubenterhartelijkwelkoml Hij maakt een film over vluchtelingenvraagstuk Metselaar doorbreekt monopolie met gehuurde koe 6. Voorzichtig haalt Pingo de natte Polle aan zijn touw uit het kolkende water. „Die is ook weer in veiligheid", zegt hij tegen Pelli. „Goed zo", zegt Pelli, „ga jij nu weer in de stuurhut, dan geef ik Polle droge kleren aan, en dan komen we naar je toe". Terwijl hij Polle naar beneden helpt, zegt Pelli: „Jij komt geen avonturen tekort, baasje: eerst vliegen en nu klimmen! Allemaal goeie oefeningen!" 13) „Er is een naam die ik me herinner". Hij sprak hem langzaam lettergreep voor lettergreep uit: „Jo-ce-lyn. Is dat misschien uw.... uw voornaam, madame?" Ze zei: „Ja", en het was hem met een duidelijk dat hij het inderdaad beter niet had kunnen zeggen. Hij had zichzelf wel een pak slaag willen ge ven. Ze was niet op haar gemak, en dat was zijn fout. Nu wilde ze meer dan ooit weg. Hij wierp alle scrupules overboord en begon te liegen. Hij zei: «„Er wa ren ook andere namen, maar ik ben ze vergeten". Hij bracht zijn linker hand naar zijn voorhoofd met een be rouwvolle glimlach. „Ik heb ook een paar tikken op het hoofd gehad, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar ik zal mijn best doen ze me te binnen te brengen. Het werkte niet. Dit keer stond ze werkelijk op. „Ik wil u echt niet ver der lastig vallen", zei ze. „Ik ben al veel te lang gebleven". Hij stond ook op. De blauwe ogen waren bijna op gelijke hoogte met de zijne en ze waren ergerlijk onpersoon lijk. Hij zei snel: „O, maar ik ben nu niet ziek meer. Er mankeert me nu niets meer, alleen drie ribben die nog niet helemaal geheeld zijn.." Ook de waarheid hielp echter niet. Op onverklaarbare wijze was ze nu al dichter bij de deur zonder dat hij haar had zien bewegen. Ze zei: „Heus, mijnheer Saint-Denis, het is erg aar dig van u, maar ik wil u verder niet lastigvallen". De woorden waren vriendelijk ge noeg, maar ze waren zo nadrukkelijk uitgesproken dat hij begreep dat hij zich niet verder moest verzetten. Hij liep haar voorbij en stak zijn linker hand uit naar de deur en stopte dan, met zijn hand nog op de knop. Hij glimlachte plotseling, als iemand die het antwoord op een vraag gevonden heeft. „Weet u wat ik zal doen", zei hij. „Ik zal zien of ik me die namen nog te binnen kan brengen en dan zal ik ze aan u doorgeven". „Dank u", zei ze. „Dat is erg aar dig van u...." Ze keek naar de deur in afwachting, dat hij die zou open maken. „Kunt u me dan misschien zeggen waar ik een brief naartoe kan zenden?" Hij had nu de goede toon te pakken. „Of waarheen ik kan telefoneren?" Het werkte bijna. Ze begon haar tasje open te maken, maar sloot het dan weer met een klikkend geluid. Ze zei: „Eh. .maar. .de moeilijkheid is dat ik morgen wegga. Voor verschei dene weken. Hij geloofde er niets van. Maar hij zei niets, en ze moest doorgaan. Ze zei: „Maar ik verwacht dat som mige familieleden u zullen schrijven. Mary Messenger zeker. Als u daarop antwoordt kunt u misschien vermel den wat u zich herinnert". Hij kon niets anders meer zeggen dan: „Na tuurlijk!" Hij zei het en maakte de deur open. En ze was verdwenen. Er was een parkeerterrein tegenover het ziekenhuis en Anthony zette de Voisin daar neer. Toen hij uitstapte, keek hij op zijn horloge en zag tot zijn verbazing dat het drie uur was. Hij herinnerde zich in de drukte vergeten te hebben te lunchen en hij voelde zich plotseling hongerig. Maar hij kon er nu niets meer aan doen. Hij was te lang bij Flood ge weest, die hij had geïnstrueerd over de juiste benadering van J. Slattery, en daarna had hij nog meer tijd ver daan met het vergeefs bezoeken van het eerste adres dat Firth hem over de telefoon gegeven had. Toen hij de trap opging en op de bel voor de bezoekers wilde drukken ging de deur van binnen plotseling open en zag hij zich tot zijn grote verba zing geplaatst tegenover degene die hij vroeger op de dag vergeefs had geprobeerd te pakken te krijgen. Ze was nog langér dan hij zich van hun enige ontmoeting herinnerde en haar uiterlijk was nog edeler. Hij moest denken aan wat hij tegen Firth gezegd had: „Telegramadres Walhal la" en besefte toen hij zag hoe ze kennelijk in sombere gedachten ver zonken was dat er moeilijkheden in Asgard moesten zijn. Hij nam zijn hoed af en wilde iets zeggen toen hij zich realiseerde dat ze hem niet her kend of zelfs maar gezien had; ze was de trappen al af en liep in de kilte van Welbeck Street. Daar plaats, tijdstip en zijn stem ming niet geschikt waren voor een serie moeizame vragen en antwoor den verwierp hij de gedachte haar achterna te gaan en ging naar binnen in de saaie maar nette hal. Er zat een vrouw gevangen in een hokje en door een ongemakkelijk gat in de glazen kooi vroeg hij haar naar Saint-Denis. Ze keek hem aan en hij zei: „Hebben ze u mijn komst niet gemeld? Gethryn?" „O ja, mijnheer. Wilt u meteen door lopen of wilt u aangekondigd wor den?" Ze aarzelde. „Ik heb opdracht gehad niets tegen mijnheer Saint-De nis te zeggen voor u kwam". Anthony haalde een kaartje te voor schijn en schreef er iets op. „Wilt u hem dit geven?" vroeg hij. „Dan wacht ik wel even". Hij liep naar een stoel en ging erop zitten, terwijl hij de kansen afwoog dat Jocelyn Mes senger bij Saint-Denis wat geweest. Hij kwam tot de conclusie dat die kans heel groot was. In het glazen hokje drukte de vrouw op een bel, terwijl ze naar het kaartje van Anthony keek en naar wat hij on der zijn naam geschreven had. Het was echter niet in het Engels en ze gaf de poging het te ontcijferen op en wachtte op zuster Bottsford Deze onderbrak enige ogenblikken later Raouls zoeken in de telefoonboe ken op zijn schrijfbureau en gaf hem het kaartje met een blik die bijna schalks was. „Nog een bezoeker, m'sieur", zei ze. „Dit keer geen dame". Met ge fronst voorhoofd, omdat geen van de telefoonboeken de inlichting had opge leverd die hij zocht, keek Raoul naar het kaartje. Hij zag wat er onder de onuitspreekbare naam geschreven was en keek verbaasd. Het waren maar vier woorden, maar ze waren in zijn eigen taal, en hoewel het leek alsof ze niets te betekenen hadden, wekten ze herinneringen op. En grote nieuws gierigheid naar de schrijver ervan. „Le cochon est mort". Hij keek naar jde vreemde woorden en dan naar zuster Bottsford. Ze stond klaar om het hoofd in de nek te werpen onder een wellustige Gallische glimlach, maar werd teleurgesteld. Saint-Denis keek alsof hij zich nog nooit had ge realiseerd dat ze een vrouw was. Hij keek weer naar het kaartje. „Laat die mijnheer hierkomen, alsje blieft". zei hij Spoedig daarna werd hij dan ook geconfronteerd met een lange man met grijze slapen en een mager donker gezicht, waaruit groe ne ogen met een glimlach naar hem keken. Raoul glimlachte terug. Hij zei, na nog eens naar de naam gekeken te hebben: „Nu moet u mij toch eens vertellen, mijnheer.." „Gethryn" zei Anthony. Een vage herinnering, die hier niets mee te maken had, vormde zich in Raouls hoofd. Maar hij kon hem met achterhalen en concentreerde zich daarom op dit mysterie. „Zegt u mij eens, mijnheer Geth ryn", hij sprak de twee lettergre pen zorgvuldig apart uit „wat is dit allemaal over dat dode varken?" Anthony grinnikte. Er is een ant woord: „A bas le cochon!" „Gaat u dan maar zitten, mijnheer". Raoul lachte. „En vertelt u mij eens hoe het komt dat u deze code uit een ver verleden kent". Hij begreep nog steeds niet hoe deze man met die merk waardige naam, die man die hij nooit eerder gezien had, iets te maken ge had zou kunnen hebben met de actie waarbij in 1943 de grootste munitie opslagplaats van de nazi's in Frank rijk vernietigd werd. Anthony zei: „Hij werd gebruikt bij de overval in Lazanne". Hij noem de de tijd en de bijzonderheden. „Vijf tien uur voor de eerste explosie heb ik vanuit Engeland met u gesproken. Over de korte golf. Ik heette toen Polidor Twee. En u natuurlijk Ajax". (Wordt vervolgd) 53-54. Priegeltje voelde zich binnen korte tijd best op z'n gemak bij de professor. Hij kreeg lekker eten en snoeperij, waar aan hij zijn buikje rond at en mocht zich vrij in de grote studeerkamer van de pro fessor bewegen. Daar maakte hij vaak ontdekkingstocht jes, want er was zoveel vreemds te zien voor hem. Professor Wiedemors moest wel goed oppassenwant soms was Priegeltje ergens op de grond aan 't rondlopen. Ik mag wel goed uitkijken! zei de pro fessor. Je bent zo klein en zo zwart, dat ik op je zou trappen; en dat zou niet pret tig voor je zijn! Maar op een dag had Priegeltje een aquarium ontdekt, met allerlei vissen er in. En wat deed-ie? Hij maakte een hen geltje en zat op de rand ijverig te vis sen, de slimmerd (Van onze correspondent te Bonn) ER ZIJN NAUWELIJKS woorden te vinden om de er varing te beschrijven, die men bij het bekijken van het foto boek „Hitier, Aufstieg und Untergang des Dritten Reiches" ondergaat. Met zo veel gevoel voor nuance en zo veel inten siteit is dit „Dokument in Bildem" door de schrijver Robert Neumann, geassisteerd door Helga Koppel, samengesteld dat de hele ontwikkeling van kleinburgerlijk gebral tot puin en vlammen tot leven komt. Met trillende handen bekijkt men dit boek, dat als eerste foto het fiere gestap van de bruine horden laat zien en als laatste de troosteloze puinhopen van wat waarschijnlijk eens een deel van Dresden was. Tussen deze twee foto's ziet men de beelden van de jonge Adol Hitler, van zijn ideologische leermeesters zoals Mathilde von Ludendorff en de vreemde Lanz von Liebenfels, van de Fiihrer als korporaal in de eerste wereldoorlog, als op komend politicus en tenslotte als dictator van een rijk, waarin de grootste georganiseerde massamoord uit de wereldgeschiedenis werd gepleegd. HET GING ER NEUMANN bij de keuze van zijn foto's en zijn bondige teksten niet om een kleurloos, zuiver historisch werk samen te stellen. Niemand wordt in dit boek gespaard, nergens wordt een blad voor de mond genomen, als het Neumann er om gaat zijn afkeer van nazistische nei gingen te tonen. Zo ziet men foto's van de grote industriëlen van toén, die Hitler in het zadel hielpen, en die ook de grote in dustriëlen van nu zijn: Thyssen, Krupp, Siemens, enzovoort. „Mijn boek is een po litiek boek", schrijft Neumann in zijn voorwoord, „het veronderstelt bekendheid met vele van de getoonde foto's, met de parades, de gebaren, de naar het heroï ke omgeretoucheerde fratsen van de lei ders en de schuldigen." Zij worden echter zo getoond dat duidelijk wordt wat werke lijk gebeurde, wat propaganda en wat waarheid, wat rookgordijn en wat werke lijkheid was. Zo laat Neumann Hitler zien ten tijde van zijn gevangenschap in Lands berg, knus temidden van medegevange nen in een landelijk Zuidduits of Oosten rijks kostuum. Het Duitse volk kreeg later echter een foto van zijn Führer voorge schoteld, waarop Hitler met smachtende blik door kerkertralies naar buiten kijkt. Dat was de propaganda, die wilde doen geloven dat Hitler in de gevangenis slechts had gepeinsd over de toekomst van zijn „dierbaar Duits volk". HET BOEK verzuimt niet het troostelo ze geestelijke en economische klimaat, waarin Hitier zijn kansen kreeg te schet sen: de werkloosheid, de rijen voor de brooduitdeling, de ellende van kou en ar moede in de crisisjaren na 1929. Uit de tijd ziet men de stuitende beelden van de nazi-revolutionairen, die zich om redenen van tactiek plotseling gaan voordoen als solide burgers, van de brandende Rijksdag van Hitiers eerste optreden als kanselier, van de bijeenkomst van de Rijksdag op 23 maart 1933, toen Hitier onbeperkte vol machten vroeg en kreeg, terwijl rijksdag president Göring achter hem met een to neelkijker de gezichten van de afgevaar digden bestudeerde, enzovoorts. Maar ook ziet men foto's van hen, die het „andere Duitsland" symboliseerden: verzetsstrij ders, die in Auschwitz, Ravensbrück of el ders verdwenen, grote schrijvers en ande re kunstenaars die naar het buitenland moesten uitwijken: Thomas en Heinrich Mann, Brecht, Tucholsky, Freud, Otto Klemperer, Bruno Walter, Max Reinhardt. „ZO ONPRETTIG als maar mogelijk is willen we zijn", zo zegt Neumann in zijn voorwoord nog. En dat is hij dan ook met de beelden van de sluiting van het Rijks concordaat in 1933 tussen Pacelli, de late re paus Pius XII, en Franz von Papen en met de onthutsende teksten van de pas kort geleden afgetreden bisschop dr. Otto Dibelius, die destijds schreef: „De rege ring organiseert een boycot van Joodse bedrijven vanuit het juiste inzicht, dat door de internationale relaties van het Jo dendom de haatcampagne in het buiten land het eerst zal ophouden, wanneer de ze het Duitse Jodendom economisch ge vaar oplevert". Even gênant voor de sa menleving in de Bondsrepubliek van nu zijn de foto's uit 1951 van parachutisten- generaal Ranke op de schouders van oude kameraden en uit 1959 van een gezellige reünie van oud-SS-ers. EEN GROOT DEEL van het boek wordt in beslag genomen door beelden van de grote massamoord: mannen, vrouwen, kinderen op weg naar de gaskamer, ge vangen in concentratiekampen klaar staan de voor het dodelijke schot in de nek en zovoorts. Het zijn beelden, die niet alleen een on bedwingbare emotie teweeg érengen, maar die ook van grote documentaire waarde zijn. Vele van de hier gepubliceer de foto's zijn namelijk afkomstig van de SS-er Gerstein, die in het diepste geheim foto's maakte van de gruwelen die hij zag om deze schande, deze grove massamoord in al zijn onmenselijkheid aan de wereld te tonen. Deze foto's behoren tot de wei nige authentieke beelden die er van de mensen-uitroeiing in het Derde Rijk be staan. Zoals al gezegd: Neumanns boek is een politiek boek. Dat betekent ook dat hij par tij is, dat zijn opinies geregeld door de toch slechts spaarzame tekst heenbreken. Men merkt het al gauw: Neumann is een sterk emotionele, links gerichte intellectu eel, voor wie humanistische waarden een grote rol spelen. Deze instelling brengt wel eens met zich mee, dat hij de waarheid, die hem verder zo lief is, geweld aandoet. Zo doet hij, uit antipathie tegen het Duit se militairisme, de aanslag op Hitler van 20 juli 1944 af met de opmerking, dat „pa triottische officieren, die zagen dat de oor log verloren was en die wilden redden wat er nog te redden viel, tot de aanslag over gingen". Dat mag voor Von Witzleben en een aantal anderen opgaan, het gaat niet op voor de grote figuur achter de aanslag, generaal Beck, die al vóór de oorlog een tegenstander van Hitler was. Ook wordt vergeten dat de aanslag in juli 1944 vooraf werd gegaan door een aantal eveneens mislukte pogingen. EEN ANDER PUNT dat wat eenzijdig door Neumann wordt gecommentarieerd is wel het befaamde Duits-Russische niet- aanvalsverdrag in 1939. Bij een foto van Molotov, Von Ribbentrop en Stalin schrijft Neumann dat de Russen, „omdat het wes ten niet over zijn wantrouwen tegen de Sowjet-Unie heen kon komen, zich redden uit de isolering door een pact met hun doodsvijand". Dat mag waar zijn, de geheime clausule over de verdeling van Polen en het feit dat de Russen nog zitten aan de grens door Polen, die met Hitier werd overeengekomen, had Neumann toch wel aanleiding mogen geven ook hier een „onprettig" commentaar in te lassen. Datzelfde had men verwacht bij de foto's van de schilderijen, die Hitler in tegenstelling tot alles wat naar expressio nisme, kubisme, surrealisme neigde niet „ontaard" vond. Opvallend is namelijk dat deze voorbeelden van typisch „Duitse kunst" met hun voorstellingen als „De Vaandeldrager" en „De Boerebruid" vaak als twee druppels lijken op wat de Rus sische dictatuur voortbrengt en af en toe, zoals de Brusselse Wereldtentoonstelling, laat zien. Ook hier heeft men het gevoel dat Neumann uit antipathie tegen het reactionaire elke vergelijking met de dic taturen van links heeft willen vermijden. MAAR DIT ALLES neemt niet weg dat dit boek voor de hele Duitse bevolking ook en misschien wel juist voor de jonge ren die de barbarij niet bewust meemaak ten, een steen is, waaraan men zich wel moet stoten. Het boek klaagt immers niet alleen het verleden van het Derde Rijk aan, maar het richt zich tegen elke poging dit verleden te willen vergeten, laat staan goed te praten. Geen Westduitser zal dit boek kunnen bekijken zonder het benau wende besef te krijgen dat een deel van dit gruwelijk verleden nog voortleeft in de werkelijkheid van nu: Oberlander, Globke, prof. Heyde de euthanasie-arts die jaren onder een schuilnaam leefde, kampcom mandant Bar en al die anderen die er bij waren en er aan meewerkten. In dit ver band bedenke men dat van de 53.000 leden die de S.S. telde er slechts 600 voor hun daden ter verantwoording werden geroe pen. Over enkele dagen zal in Stock holm een merkwaardige tentoonstel ling van moderne, abstracte kunst worden geopend. Het merkwaardige van deze tentoonstelling is, dat de werken niet door een jury zijn uit gekozen, doch dat de enige restrictie voor inzending bestond uit het aantal te exposeren werkenNiet meen dan twee per kunstenaar. Op de foto zien we de tentoonstellingsdirecteur, Folke Edwards bij een groep van twee wer ken .Poging" genaamd. CO» MAITIN ToOKOet l- 60 24. „Welke onverlaat kan zich vergrepen hebben aan de juwelen van uw edele hand?" mijmerde de graaf. „Maar.ah! Ik zie licht! Toen ik de eer had uw vingers te kussen, droegen deze géén diamanten ft ri pen meer! Neen, neen; die zou ik hebben opgemerkt, on danks de stralende schoonheid van de hand zelf. En nogmaals; ah! Méér licht gaat schijnen! Waart gij niet juist vóór onze eerste ontmoeting verwikkeld in een le vendig gesprek met het onguur persoon, dat zich mo menteel onderhoudt met de decor-verhuurder?" Meer hoefde Graaf Bueno de Rothfeller al niet meer te zeg gen. De trouwe lezers weten, dat mevrouw Knokke- bies-Van Tutteren en Deurwaarder Wrongelsma nog kort geleden een heftig meningsverschil hadden; en zij waren maar al te zeer geneigd om het allerlaagste van elkaar te geloven. In de nu volgende gedachtenwisse- ling tussen hen, waarin zij elkaar van verregaande dief stallen beschuldigden, gaven beiden blijk van een in drukwekkende woordenschat. Maar Panda beviel dit al les niet goed, en hij vertrouwde het ook niet helemaal. Zachtjes vroeg hij aan zijn patroon, de heer Braus- wasser: „Wie is nu toch eigenlijk die graaf van hier- tot-ginder? Ik geloof niet dat hij is wie hij voorgeeft te zijn!" „Wat is er in een naam?" riep de oud-toneelspe- lèr opgewekt uit. „Misschien is hij hier wel incognito, maar wat deert dat? Hi] betoont zich een zegen voor het decor-verhuurbedrijf!" Advertentie FOR LE Op aanvrage zenden wij u graag een folder toe en een overzicht van onze voor re -Ihoudende dealers in uw omgeving. Jan Boon, de 52-jarige in Kitzbühel woonachtige Nederlandse cineast en oud- skikampioen, is in Noord-Nepal aangeko men en begonnen aan zijn expeditie door het hooggebergte van de Himalaya. Boon is, vergezeld van een vijftiental Sherpa dragers, de tot 8200 hoge bergmassieven van Daulagiri en Annapoera ingetrokken. In deze streek leven 3.000 Tibetaanse vluchtelingen, die van honger dreigen om te komen. Een tragische bijzonderheid is nog, dat ten zuiden van het gebied waar de vluchtelingen leven wel voldoende voed sel is. De Tibetanen, die in het hoogge bergte hebben geleefd, blijken echter geen weerstand te hebben tegen de infectie ziekten van de laagvlakte. De natte moes son maakt het voorts onmogelijk voedsel aan te voeren over land. Het internatio nale Rode Kruis wil nu met een luchtbrug levensmiddelen gaan vervoeren. Boon zal in dit gebied, waar nog nim mer een blanke heeft gefilmd, een film over het vluchtelingenvraagstuk maken. Hij kreeg hiervoor alle medewerking van de autoriteiten van Nepal. De Nederlandse expeditie-leider zal bij zijn tocht passen van boven de 6.000 meter te voet moeten passeren. De metselaar Van Dijke in Oud-Vosse- meer (Z.) heeft een koe gehuurd, omdat hij weigert klant te worden van de enige melkslijter van zijn dorp. Deze melkhan delaar, heeft in de loop van de jaren alle zeven melkzaken in Oud-Vossemeer ge kocht. Toen de laatste zaak in zijn handen overging, vormde zich een oppositie in het dorp. De metselaar, die klant was van deze laatste zaak, weigerde melk af te nemen van deze slijter. Hij wilde een melkhandelaar uit Tholen, A. S., naar Oud-Vossemeer laten komen om de con currentie levend te houden. Melkslijter B. had daar geen bezwaar tegen. Hij bood zijn Tholense collega de laatste melkzaak aan die hij had gekocht voor 900,-, de zelfde prijs als waarvoor hij zelf de klan tenkring had overgenomen. S. accepteerde dit aanbod niet, omdat hij, naar hij zei, „niet betaalde voor iets dat hij ook voor niets kon krijgen". Het is hem echter niet gelukt een klantenkring in Oud-Vossemeer voor niets te krijgen, B. legde de zaak voor aan de Tholense bond van melkslijters die hem gelijk gaf. Deze bond stelde aan de beide melkfabrieken in Bergen op Zoom een ultimatum. Wanneer deze fabrieken aan S. meer melk zouden leveren dan hij voor zijn klanten op Tholen nodig had, zou den de leden van de bond ergens anders hun melk gaan betrekken. S. kreeg niet voldoende melk om ook te verkopen en de metselaar kreeg geen andere melkslijter te zien dan B. In een request aan de mi nister van Landbouw, Visserij en Voed selvoorziening heeft hij zich daarvoor be klaagd. In afwachting van het antwoord van de minister heeft de metselaar een koe ge huurd. Twaalf liter melk per dag geeft het dier, genoeg voor het grote gezin. Al zijn vrienden en kennissen wil de metse laar ook aan koe helpen. Hij vindt dat de zaak in de Tweede Kamer moet komen. Het is dwang en chantage", meent hij. Bedrijfsgeneeskundige dienst. In een bericht over de verplichtstelling van 1 e- drijfsgeneeskundige diensten is vermeld, dat de besluiten omtrent aanwijzing en de te stellen eisen in werking treden op 1 september 1963. Het ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid deelt thans mede, dat dit m et zijn 1 september 1962.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 7