DE DODENLIJST VAN
ADRIAN MESSENGER
PRIEGELTJES GROTE REIS
r
PANDA EN DE MEEST ER-OPHEF EER
meubelen
fm
7
Polle,
Pelli en
PinMo
Ons vervolgverhaal
OPKOMST EN ONDERGANG VAN HET DERDE RIJK
VASTGELEGD IN BEKLEMMEND FOTOBOEK
Cineast Jan Boon trekt
de Himalaya in
Melkoorlog in een
Zeeuws dorp
VRIJDAG 18 AUGUSTUS 1961
PHILIP MACDONALD
Oorspronkelijke titel:
The list of Adrian Messenger
Kom in Kempkes' Meubeltoonzalen
te AmsterdamOude Schans
73-75-77of te Waddinxveen de
prachtige collectie Formule meubelen
bekijken. Ubenterhartelijkwelkoml
Hij maakt een film over
vluchtelingenvraagstuk
Metselaar doorbreekt
monopolie met
gehuurde koe
6. Voorzichtig haalt Pingo de natte Polle aan zijn touw uit het kolkende
water. „Die is ook weer in veiligheid", zegt hij tegen Pelli. „Goed zo", zegt
Pelli, „ga jij nu weer in de stuurhut, dan geef ik Polle droge kleren aan, en
dan komen we naar je toe". Terwijl hij Polle naar beneden helpt, zegt Pelli:
„Jij komt geen avonturen tekort, baasje: eerst vliegen en nu klimmen!
Allemaal goeie oefeningen!"
13)
„Er is een naam die ik me herinner".
Hij sprak hem langzaam lettergreep
voor lettergreep uit: „Jo-ce-lyn. Is
dat misschien uw.... uw voornaam,
madame?"
Ze zei: „Ja", en het was hem met
een duidelijk dat hij het inderdaad
beter niet had kunnen zeggen. Hij had
zichzelf wel een pak slaag willen ge
ven.
Ze was niet op haar gemak, en dat
was zijn fout. Nu wilde ze meer dan
ooit weg.
Hij wierp alle scrupules overboord
en begon te liegen. Hij zei: «„Er wa
ren ook andere namen, maar ik ben
ze vergeten". Hij bracht zijn linker
hand naar zijn voorhoofd met een be
rouwvolle glimlach. „Ik heb ook een
paar tikken op het hoofd gehad, als
u begrijpt wat ik bedoel. Maar ik zal
mijn best doen ze me te binnen te
brengen.
Het werkte niet. Dit keer stond ze
werkelijk op. „Ik wil u echt niet ver
der lastig vallen", zei ze. „Ik ben al
veel te lang gebleven".
Hij stond ook op. De blauwe ogen
waren bijna op gelijke hoogte met de
zijne en ze waren ergerlijk onpersoon
lijk. Hij zei snel: „O, maar ik ben nu
niet ziek meer. Er mankeert me nu
niets meer, alleen drie ribben die nog
niet helemaal geheeld zijn.."
Ook de waarheid hielp echter niet.
Op onverklaarbare wijze was ze nu
al dichter bij de deur zonder dat hij
haar had zien bewegen. Ze zei: „Heus,
mijnheer Saint-Denis, het is erg aar
dig van u, maar ik wil u verder niet
lastigvallen".
De woorden waren vriendelijk ge
noeg, maar ze waren zo nadrukkelijk
uitgesproken dat hij begreep dat hij
zich niet verder moest verzetten. Hij
liep haar voorbij en stak zijn linker
hand uit naar de deur en stopte dan,
met zijn hand nog op de knop. Hij
glimlachte plotseling, als iemand die
het antwoord op een vraag gevonden
heeft.
„Weet u wat ik zal doen", zei hij.
„Ik zal zien of ik me die namen nog te
binnen kan brengen en dan zal ik ze
aan u doorgeven".
„Dank u", zei ze. „Dat is erg aar
dig van u...." Ze keek naar de deur
in afwachting, dat hij die zou open
maken.
„Kunt u me dan misschien zeggen
waar ik een brief naartoe kan zenden?"
Hij had nu de goede toon te pakken.
„Of waarheen ik kan telefoneren?"
Het werkte bijna. Ze begon haar
tasje open te maken, maar sloot het
dan weer met een klikkend geluid. Ze
zei: „Eh. .maar. .de moeilijkheid is
dat ik morgen wegga. Voor verschei
dene weken.
Hij geloofde er niets van. Maar hij
zei niets, en ze moest doorgaan.
Ze zei: „Maar ik verwacht dat som
mige familieleden u zullen schrijven.
Mary Messenger zeker. Als u daarop
antwoordt kunt u misschien vermel
den wat u zich herinnert". Hij kon
niets anders meer zeggen dan: „Na
tuurlijk!" Hij zei het en maakte de
deur open.
En ze was verdwenen.
Er was een parkeerterrein tegenover
het ziekenhuis en Anthony zette de
Voisin daar neer.
Toen hij uitstapte, keek hij op zijn
horloge en zag tot zijn verbazing dat
het drie uur was.
Hij herinnerde zich in de drukte
vergeten te hebben te lunchen en
hij voelde zich plotseling hongerig.
Maar hij kon er nu niets meer aan
doen. Hij was te lang bij Flood ge
weest, die hij had geïnstrueerd over
de juiste benadering van J. Slattery,
en daarna had hij nog meer tijd ver
daan met het vergeefs bezoeken van
het eerste adres dat Firth hem over
de telefoon gegeven had.
Toen hij de trap opging en op de bel
voor de bezoekers wilde drukken ging
de deur van binnen plotseling open
en zag hij zich tot zijn grote verba
zing geplaatst tegenover degene die
hij vroeger op de dag vergeefs had
geprobeerd te pakken te krijgen.
Ze was nog langér dan hij zich van
hun enige ontmoeting herinnerde en
haar uiterlijk was nog edeler. Hij
moest denken aan wat hij tegen Firth
gezegd had: „Telegramadres Walhal
la" en besefte toen hij zag hoe ze
kennelijk in sombere gedachten ver
zonken was dat er moeilijkheden in
Asgard moesten zijn. Hij nam zijn
hoed af en wilde iets zeggen toen hij
zich realiseerde dat ze hem niet her
kend of zelfs maar gezien had; ze was
de trappen al af en liep in de kilte van
Welbeck Street.
Daar plaats, tijdstip en zijn stem
ming niet geschikt waren voor een
serie moeizame vragen en antwoor
den verwierp hij de gedachte haar
achterna te gaan en ging naar binnen
in de saaie maar nette hal.
Er zat een vrouw gevangen in een
hokje en door een ongemakkelijk gat
in de glazen kooi vroeg hij haar naar
Saint-Denis. Ze keek hem aan en hij
zei: „Hebben ze u mijn komst niet
gemeld? Gethryn?"
„O ja, mijnheer. Wilt u meteen door
lopen of wilt u aangekondigd wor
den?" Ze aarzelde. „Ik heb opdracht
gehad niets tegen mijnheer Saint-De
nis te zeggen voor u kwam".
Anthony haalde een kaartje te voor
schijn en schreef er iets op. „Wilt u
hem dit geven?" vroeg hij. „Dan
wacht ik wel even". Hij liep naar een
stoel en ging erop zitten, terwijl hij
de kansen afwoog dat Jocelyn Mes
senger bij Saint-Denis wat geweest.
Hij kwam tot de conclusie dat die kans
heel groot was.
In het glazen hokje drukte de vrouw
op een bel, terwijl ze naar het kaartje
van Anthony keek en naar wat hij on
der zijn naam geschreven had. Het
was echter niet in het Engels en ze
gaf de poging het te ontcijferen op en
wachtte op zuster Bottsford
Deze onderbrak enige ogenblikken
later Raouls zoeken in de telefoonboe
ken op zijn schrijfbureau en gaf hem
het kaartje met een blik die bijna
schalks was.
„Nog een bezoeker, m'sieur", zei
ze. „Dit keer geen dame". Met ge
fronst voorhoofd, omdat geen van de
telefoonboeken de inlichting had opge
leverd die hij zocht, keek Raoul naar
het kaartje. Hij zag wat er onder de
onuitspreekbare naam geschreven was
en keek verbaasd. Het waren maar
vier woorden, maar ze waren in zijn
eigen taal, en hoewel het leek alsof
ze niets te betekenen hadden, wekten
ze herinneringen op. En grote nieuws
gierigheid naar de schrijver ervan.
„Le cochon est mort". Hij keek
naar jde vreemde woorden en dan naar
zuster Bottsford. Ze stond klaar om
het hoofd in de nek te werpen onder
een wellustige Gallische glimlach,
maar werd teleurgesteld. Saint-Denis
keek alsof hij zich nog nooit had ge
realiseerd dat ze een vrouw was.
Hij keek weer naar het kaartje.
„Laat die mijnheer hierkomen, alsje
blieft". zei hij Spoedig daarna werd
hij dan ook geconfronteerd met een
lange man met grijze slapen en een
mager donker gezicht, waaruit groe
ne ogen met een glimlach naar hem
keken.
Raoul glimlachte terug. Hij zei, na
nog eens naar de naam gekeken te
hebben: „Nu moet u mij toch eens
vertellen, mijnheer.."
„Gethryn" zei Anthony.
Een vage herinnering, die hier niets
mee te maken had, vormde zich in
Raouls hoofd. Maar hij kon hem met
achterhalen en concentreerde zich
daarom op dit mysterie.
„Zegt u mij eens, mijnheer Geth
ryn", hij sprak de twee lettergre
pen zorgvuldig apart uit „wat is
dit allemaal over dat dode varken?"
Anthony grinnikte. Er is een ant
woord: „A bas le cochon!"
„Gaat u dan maar zitten, mijnheer".
Raoul lachte. „En vertelt u mij eens
hoe het komt dat u deze code uit een
ver verleden kent". Hij begreep nog
steeds niet hoe deze man met die merk
waardige naam, die man die hij nooit
eerder gezien had, iets te maken ge
had zou kunnen hebben met de actie
waarbij in 1943 de grootste munitie
opslagplaats van de nazi's in Frank
rijk vernietigd werd.
Anthony zei: „Hij werd gebruikt
bij de overval in Lazanne". Hij noem
de de tijd en de bijzonderheden. „Vijf
tien uur voor de eerste explosie heb
ik vanuit Engeland met u gesproken.
Over de korte golf. Ik heette toen
Polidor Twee. En u natuurlijk Ajax".
(Wordt vervolgd)
53-54. Priegeltje voelde zich binnen korte
tijd best op z'n gemak bij de professor.
Hij kreeg lekker eten en snoeperij, waar
aan hij zijn buikje rond at en mocht zich
vrij in de grote studeerkamer van de pro
fessor bewegen.
Daar maakte hij vaak ontdekkingstocht
jes, want er was zoveel vreemds te zien
voor hem. Professor Wiedemors moest wel
goed oppassenwant soms was Priegeltje
ergens op de grond aan 't rondlopen.
Ik mag wel goed uitkijken! zei de pro
fessor. Je bent zo klein en zo zwart, dat
ik op je zou trappen; en dat zou niet pret
tig voor je zijn!
Maar op een dag had Priegeltje een
aquarium ontdekt, met allerlei vissen er
in. En wat deed-ie? Hij maakte een hen
geltje en zat op de rand ijverig te vis
sen, de slimmerd
(Van onze correspondent te Bonn)
ER ZIJN NAUWELIJKS woorden te vinden om de er
varing te beschrijven, die men bij het bekijken van het foto
boek „Hitier, Aufstieg und Untergang des Dritten Reiches"
ondergaat. Met zo veel gevoel voor nuance en zo veel inten
siteit is dit „Dokument in Bildem" door de schrijver Robert
Neumann, geassisteerd door Helga Koppel, samengesteld dat
de hele ontwikkeling van kleinburgerlijk gebral tot puin en
vlammen tot leven komt. Met trillende handen bekijkt men
dit boek, dat als eerste foto het fiere gestap van de bruine
horden laat zien en als laatste de troosteloze puinhopen van
wat waarschijnlijk eens een deel van Dresden was. Tussen
deze twee foto's ziet men de beelden van de jonge Adol
Hitler, van zijn ideologische leermeesters zoals Mathilde von
Ludendorff en de vreemde Lanz von Liebenfels, van de
Fiihrer als korporaal in de eerste wereldoorlog, als op
komend politicus en tenslotte als dictator van een rijk,
waarin de grootste georganiseerde massamoord uit de
wereldgeschiedenis werd gepleegd.
HET GING ER NEUMANN bij de keuze
van zijn foto's en zijn bondige teksten niet
om een kleurloos, zuiver historisch werk
samen te stellen. Niemand wordt in dit
boek gespaard, nergens wordt een blad
voor de mond genomen, als het Neumann
er om gaat zijn afkeer van nazistische nei
gingen te tonen. Zo ziet men foto's van de
grote industriëlen van toén, die Hitler in
het zadel hielpen, en die ook de grote in
dustriëlen van nu zijn: Thyssen, Krupp,
Siemens, enzovoort. „Mijn boek is een po
litiek boek", schrijft Neumann in zijn
voorwoord, „het veronderstelt bekendheid
met vele van de getoonde foto's, met de
parades, de gebaren, de naar het heroï
ke omgeretoucheerde fratsen van de lei
ders en de schuldigen." Zij worden echter
zo getoond dat duidelijk wordt wat werke
lijk gebeurde, wat propaganda en wat
waarheid, wat rookgordijn en wat werke
lijkheid was. Zo laat Neumann Hitler zien
ten tijde van zijn gevangenschap in Lands
berg, knus temidden van medegevange
nen in een landelijk Zuidduits of Oosten
rijks kostuum. Het Duitse volk kreeg later
echter een foto van zijn Führer voorge
schoteld, waarop Hitler met smachtende
blik door kerkertralies naar buiten kijkt.
Dat was de propaganda, die wilde doen
geloven dat Hitler in de gevangenis slechts
had gepeinsd over de toekomst van zijn
„dierbaar Duits volk".
HET BOEK verzuimt niet het troostelo
ze geestelijke en economische klimaat,
waarin Hitier zijn kansen kreeg te schet
sen: de werkloosheid, de rijen voor de
brooduitdeling, de ellende van kou en ar
moede in de crisisjaren na 1929. Uit de
tijd ziet men de stuitende beelden van de
nazi-revolutionairen, die zich om redenen
van tactiek plotseling gaan voordoen als
solide burgers, van de brandende Rijksdag
van Hitiers eerste optreden als kanselier,
van de bijeenkomst van de Rijksdag op 23
maart 1933, toen Hitier onbeperkte vol
machten vroeg en kreeg, terwijl rijksdag
president Göring achter hem met een to
neelkijker de gezichten van de afgevaar
digden bestudeerde, enzovoorts. Maar ook
ziet men foto's van hen, die het „andere
Duitsland" symboliseerden: verzetsstrij
ders, die in Auschwitz, Ravensbrück of el
ders verdwenen, grote schrijvers en ande
re kunstenaars die naar het buitenland
moesten uitwijken: Thomas en Heinrich
Mann, Brecht, Tucholsky, Freud, Otto
Klemperer, Bruno Walter, Max Reinhardt.
„ZO ONPRETTIG als maar mogelijk is
willen we zijn", zo zegt Neumann in zijn
voorwoord nog. En dat is hij dan ook met
de beelden van de sluiting van het Rijks
concordaat in 1933 tussen Pacelli, de late
re paus Pius XII, en Franz von Papen en
met de onthutsende teksten van de pas
kort geleden afgetreden bisschop dr. Otto
Dibelius, die destijds schreef: „De rege
ring organiseert een boycot van Joodse
bedrijven vanuit het juiste inzicht, dat
door de internationale relaties van het Jo
dendom de haatcampagne in het buiten
land het eerst zal ophouden, wanneer de
ze het Duitse Jodendom economisch ge
vaar oplevert". Even gênant voor de sa
menleving in de Bondsrepubliek van nu
zijn de foto's uit 1951 van parachutisten-
generaal Ranke op de schouders van oude
kameraden en uit 1959 van een gezellige
reünie van oud-SS-ers.
EEN GROOT DEEL van het boek wordt
in beslag genomen door beelden van de
grote massamoord: mannen, vrouwen,
kinderen op weg naar de gaskamer, ge
vangen in concentratiekampen klaar staan
de voor het dodelijke schot in de nek en
zovoorts.
Het zijn beelden, die niet alleen een on
bedwingbare emotie teweeg érengen,
maar die ook van grote documentaire
waarde zijn. Vele van de hier gepubliceer
de foto's zijn namelijk afkomstig van de
SS-er Gerstein, die in het diepste geheim
foto's maakte van de gruwelen die hij zag
om deze schande, deze grove massamoord
in al zijn onmenselijkheid aan de wereld
te tonen. Deze foto's behoren tot de wei
nige authentieke beelden die er van de
mensen-uitroeiing in het Derde Rijk be
staan.
Zoals al gezegd: Neumanns boek is een
politiek boek. Dat betekent ook dat hij par
tij is, dat zijn opinies geregeld door de
toch slechts spaarzame tekst heenbreken.
Men merkt het al gauw: Neumann is een
sterk emotionele, links gerichte intellectu
eel, voor wie humanistische waarden een
grote rol spelen. Deze instelling brengt wel
eens met zich mee, dat hij de waarheid,
die hem verder zo lief is, geweld aandoet.
Zo doet hij, uit antipathie tegen het Duit
se militairisme, de aanslag op Hitler van
20 juli 1944 af met de opmerking, dat „pa
triottische officieren, die zagen dat de oor
log verloren was en die wilden redden wat
er nog te redden viel, tot de aanslag over
gingen". Dat mag voor Von Witzleben en
een aantal anderen opgaan, het gaat niet
op voor de grote figuur achter de aanslag,
generaal Beck, die al vóór de oorlog een
tegenstander van Hitler was. Ook wordt
vergeten dat de aanslag in juli 1944 vooraf
werd gegaan door een aantal eveneens
mislukte pogingen.
EEN ANDER PUNT dat wat eenzijdig
door Neumann wordt gecommentarieerd
is wel het befaamde Duits-Russische niet-
aanvalsverdrag in 1939. Bij een foto van
Molotov, Von Ribbentrop en Stalin schrijft
Neumann dat de Russen, „omdat het wes
ten niet over zijn wantrouwen tegen de
Sowjet-Unie heen kon komen, zich redden
uit de isolering door een pact met hun
doodsvijand". Dat mag waar zijn, de
geheime clausule over de verdeling van
Polen en het feit dat de Russen nog zitten
aan de grens door Polen, die met Hitier
werd overeengekomen, had Neumann toch
wel aanleiding mogen geven ook hier een
„onprettig" commentaar in te lassen.
Datzelfde had men verwacht bij de
foto's van de schilderijen, die Hitler in
tegenstelling tot alles wat naar expressio
nisme, kubisme, surrealisme neigde niet
„ontaard" vond. Opvallend is namelijk
dat deze voorbeelden van typisch „Duitse
kunst" met hun voorstellingen als „De
Vaandeldrager" en „De Boerebruid" vaak
als twee druppels lijken op wat de Rus
sische dictatuur voortbrengt en af en toe,
zoals de Brusselse Wereldtentoonstelling,
laat zien. Ook hier heeft men het gevoel
dat Neumann uit antipathie tegen het
reactionaire elke vergelijking met de dic
taturen van links heeft willen vermijden.
MAAR DIT ALLES neemt niet weg dat
dit boek voor de hele Duitse bevolking
ook en misschien wel juist voor de jonge
ren die de barbarij niet bewust meemaak
ten, een steen is, waaraan men zich wel
moet stoten. Het boek klaagt immers niet
alleen het verleden van het Derde Rijk
aan, maar het richt zich tegen elke poging
dit verleden te willen vergeten, laat staan
goed te praten. Geen Westduitser zal dit
boek kunnen bekijken zonder het benau
wende besef te krijgen dat een deel van
dit gruwelijk verleden nog voortleeft in de
werkelijkheid van nu: Oberlander, Globke,
prof. Heyde de euthanasie-arts die jaren
onder een schuilnaam leefde, kampcom
mandant Bar en al die anderen die er bij
waren en er aan meewerkten. In dit ver
band bedenke men dat van de 53.000 leden
die de S.S. telde er slechts 600 voor hun
daden ter verantwoording werden geroe
pen.
Over enkele dagen zal in Stock
holm een merkwaardige tentoonstel
ling van moderne, abstracte kunst
worden geopend. Het merkwaardige
van deze tentoonstelling is, dat de
werken niet door een jury zijn uit
gekozen, doch dat de enige restrictie
voor inzending bestond uit het aantal
te exposeren werkenNiet meen dan
twee per kunstenaar. Op de foto zien
we de tentoonstellingsdirecteur, Folke
Edwards bij een groep van twee wer
ken .Poging" genaamd.
CO» MAITIN ToOKOet
l- 60
24. „Welke onverlaat kan zich vergrepen hebben aan
de juwelen van uw edele hand?" mijmerde de graaf.
„Maar.ah! Ik zie licht! Toen ik de eer had uw
vingers te kussen, droegen deze géén diamanten ft ri
pen meer! Neen, neen; die zou ik hebben opgemerkt, on
danks de stralende schoonheid van de hand zelf. En
nogmaals; ah! Méér licht gaat schijnen! Waart gij niet
juist vóór onze eerste ontmoeting verwikkeld in een le
vendig gesprek met het onguur persoon, dat zich mo
menteel onderhoudt met de decor-verhuurder?" Meer
hoefde Graaf Bueno de Rothfeller al niet meer te zeg
gen. De trouwe lezers weten, dat mevrouw Knokke-
bies-Van Tutteren en Deurwaarder Wrongelsma nog
kort geleden een heftig meningsverschil hadden; en zij
waren maar al te zeer geneigd om het allerlaagste van
elkaar te geloven. In de nu volgende gedachtenwisse-
ling tussen hen, waarin zij elkaar van verregaande dief
stallen beschuldigden, gaven beiden blijk van een in
drukwekkende woordenschat. Maar Panda beviel dit al
les niet goed, en hij vertrouwde het ook niet helemaal.
Zachtjes vroeg hij aan zijn patroon, de heer Braus-
wasser: „Wie is nu toch eigenlijk die graaf van hier-
tot-ginder? Ik geloof niet dat hij is wie hij voorgeeft te
zijn!" „Wat is er in een naam?" riep de oud-toneelspe-
lèr opgewekt uit. „Misschien is hij hier wel incognito,
maar wat deert dat? Hi] betoont zich een zegen voor
het decor-verhuurbedrijf!"
Advertentie
FOR
LE
Op aanvrage zenden wij u graag een
folder toe en een overzicht van onze voor
re -Ihoudende dealers in uw omgeving.
Jan Boon, de 52-jarige in Kitzbühel
woonachtige Nederlandse cineast en oud-
skikampioen, is in Noord-Nepal aangeko
men en begonnen aan zijn expeditie door
het hooggebergte van de Himalaya. Boon
is, vergezeld van een vijftiental Sherpa
dragers, de tot 8200 hoge bergmassieven
van Daulagiri en Annapoera ingetrokken.
In deze streek leven 3.000 Tibetaanse
vluchtelingen, die van honger dreigen om
te komen. Een tragische bijzonderheid is
nog, dat ten zuiden van het gebied waar
de vluchtelingen leven wel voldoende voed
sel is. De Tibetanen, die in het hoogge
bergte hebben geleefd, blijken echter geen
weerstand te hebben tegen de infectie
ziekten van de laagvlakte. De natte moes
son maakt het voorts onmogelijk voedsel
aan te voeren over land. Het internatio
nale Rode Kruis wil nu met een luchtbrug
levensmiddelen gaan vervoeren.
Boon zal in dit gebied, waar nog nim
mer een blanke heeft gefilmd, een film
over het vluchtelingenvraagstuk maken.
Hij kreeg hiervoor alle medewerking van
de autoriteiten van Nepal. De Nederlandse
expeditie-leider zal bij zijn tocht passen
van boven de 6.000 meter te voet moeten
passeren.
De metselaar Van Dijke in Oud-Vosse-
meer (Z.) heeft een koe gehuurd, omdat
hij weigert klant te worden van de enige
melkslijter van zijn dorp. Deze melkhan
delaar, heeft in de loop van de jaren alle
zeven melkzaken in Oud-Vossemeer ge
kocht. Toen de laatste zaak in zijn handen
overging, vormde zich een oppositie in
het dorp. De metselaar, die klant was van
deze laatste zaak, weigerde melk af te
nemen van deze slijter. Hij wilde een
melkhandelaar uit Tholen, A. S., naar
Oud-Vossemeer laten komen om de con
currentie levend te houden. Melkslijter
B. had daar geen bezwaar tegen. Hij bood
zijn Tholense collega de laatste melkzaak
aan die hij had gekocht voor 900,-, de
zelfde prijs als waarvoor hij zelf de klan
tenkring had overgenomen. S. accepteerde
dit aanbod niet, omdat hij, naar hij zei,
„niet betaalde voor iets dat hij ook voor
niets kon krijgen". Het is hem echter niet
gelukt een klantenkring in Oud-Vossemeer
voor niets te krijgen, B. legde de zaak voor
aan de Tholense bond van melkslijters
die hem gelijk gaf. Deze bond stelde aan
de beide melkfabrieken in Bergen op Zoom
een ultimatum. Wanneer deze fabrieken
aan S. meer melk zouden leveren dan hij
voor zijn klanten op Tholen nodig had, zou
den de leden van de bond ergens anders
hun melk gaan betrekken. S. kreeg niet
voldoende melk om ook te verkopen en de
metselaar kreeg geen andere melkslijter
te zien dan B. In een request aan de mi
nister van Landbouw, Visserij en Voed
selvoorziening heeft hij zich daarvoor be
klaagd.
In afwachting van het antwoord van de
minister heeft de metselaar een koe ge
huurd. Twaalf liter melk per dag geeft
het dier, genoeg voor het grote gezin. Al
zijn vrienden en kennissen wil de metse
laar ook aan koe helpen. Hij vindt dat
de zaak in de Tweede Kamer moet komen.
Het is dwang en chantage", meent hij.
Bedrijfsgeneeskundige dienst. In een
bericht over de verplichtstelling van 1 e-
drijfsgeneeskundige diensten is vermeld,
dat de besluiten omtrent aanwijzing en de
te stellen eisen in werking treden op 1
september 1963. Het ministerie van Sociale
Zaken en Volksgezondheid deelt thans
mede, dat dit m et zijn 1 september 1962.