DE SNELLE BLOEI EN DECADENTIE VAN de muzikal komedie De Bachweek in Ansbach Protestantse kerkmuziek aan Conservatorium in Utrecht ZATERDAG 19 AUGUSTUS 1961 jy. Erbij jf PAGINA TWEE Ortze tuin- en kamerplanten G. Kromdijk EEN EUROPEES CULTUUR MONUMENT M. van Doorninck deze tumultueuze aanstellerij, die zelf niet ontkomt aan de onzinnigheid waarmee de spot wordt gedreven. Misschien is het alle maal net iets te Amerikaans voor ons be grip, waarop overigens nauwelijks een be roep wordt gedaan. Tot de amerikanismen moet in elk geval ook gerekend worden het moedercomplex, waarvan men met vreugde een doorlopend dolle parodie, maar toch vermengd met sentimentaliteit, meemaakt. Dichter bij huis wanen wij ons bij de matineuze scène van telefonerende blokbewoners van minderjarige leeftijden, die bovendien een verrassend toneelbeeld oplevert, dat zich moeilijk beschrijven Iaat, vandaar dan ook de bijgaande af beelding. De handeling kan in een paar zinnen wor den weergegeven. Onderwerp is de „teen- ager"-verdwazing. Het onder de wapenen roepen vari Conrad Birdie, idool der rock- 'n-roll-liefhebbers, leidt tot razende uit barstingen van massahysterie. Deze zijn het gevolg van een „stunt" van zijn publi- citeitsmanager, die hem naar de kleine stad Sweet Apple in het midden-westen laat reizen om daar een symbolisch af scheid van zijn talloze bewonderaars te ne men door middel van een kus aan een dweepziek meisje onder de alziende ogen van de televisiecamera's. De nevenintrige dringt zich tussen deze bedrijvigheden door steeds op de voorgrond: De tweestrijd van opgemelde propagandist, die alsmaar niet kan kiezen tussen zijn hem oprecht DE BEZOEKER VAN HET CENTRUM van Londen heeft bepaald geen gebrek aan keuze, als hij zich wil trachten te amuseren met een „musical" welke naam zich inter nationaal handhaaft, alle pogingen tot het doen ingang vin den van equivalenten of benaderingen in eigen talen ten spijt. In „The Lyric" is de spirituele Engelse versie van „Irma la Douce" hard op weg het looprecord van „Salad days" te overtreffen: iedere maand wordt'het glimmend bruine bord met gouden cijfers verwisseld, een tot zorg dat u er ook over kunt meepraten" dwingende registratie van een aan houdende belangstelling. Langer dan een jaar handhaven zich verder reeds „Oliver!" en „Fings ain't wot they used t'be" met muziek van Lionel Bart, die men beide eigenlijk zou moeten rekenen tot de bastaardvormen indien zulks niet al te tautologisch ware, zijnde achtereenvolgens een operette achtige bewerking van een der meestgelezen romans van Dickens en een komedie met gezongen coupletten over het rossige leven aan de zelfkant. Een hoofdstuk apart vormt de geschiedenis van een zwaargewicht bokskampioen, die onder de titel „King Kong" met composities van Todd Matshikiza in het Princes Theatre wordt vertoont, een in alle opzichten authentiek aandoende Zuidafrikaanse onderneming. IN HET ROEMRUCHTE Her Maje sty's aan de Haymarket, waar ruim een eeuw geleden alle beroemde ballerina's van de romantiek zich letterlijk en fi guurlijk om strijd lieten bewonderen, is ,jWestside Story" van Jerome Robbins, Arthur Laurents en Leonard Rernstein in het begin van deze zomer opgevolgd door „Rye bye Rirdie" van eveneens Amerikaanse origine. Ook hier heeft een geroutineerde choreograaf met een veel zijdige staat van dienst in New York en Hollywood, in dit geval Gower Cham pion, de enscènering van bet gehele spektakel virtuoos geregeld. In hoofd zaak terwille van de volledigheid zij hieraan toegevoegd dat Michael Stewart, Lee Adams en Charles Strouse respec tievelijk de gesproken dialogen, de zang teksten en de luidruchtig benepen mu ziek leverden. Over dit merkwaardige produkt zal aanstonds nog iets meer worden gezegd. Per slot van rekening vormde het de aanleiding tot dit artikel. EERST ECHTER is het toch wel inter essant ons vluchtig te verdiepen in de vraag hoe de aanhoudende populariteit van dit genre, dat nu ook met „My fair lady" als van succes verzekerde eerste ling in ons land opgeld maakt, ver klaard zou kunnen worden. Nieuw is het zeer zeker niet. Zonder veel moeite kan men voorlopers in alle windstreken aan wijzen indien wij ons beperken tot de vorige eeuw, hoewel wij gemakkelijk veel verder kunnen teruggaan: de „burles ques" in de Verenigde Staten, de „pan tomimes" in Engeland, de „vaudevilles" in Frankrijk en de operettes van aanvan kelijk vooral Oostenrijkse en Duitse toon dichters. Elementen van «al dergelijke zangspelen zijn in de „musical" verenigd, met daarbij als direct opvallende winst en versteviging van de dramatische struc tuur, een hogere litteraire kwaliteit. Zelfs stukken van Shaw en Shakespeare (excu seer de door eerstgenoemde gepropageer de volgorde) werden in melodieuze trant omgewerkt. Voor wie het niet mocht we ten: „Kiss me, Kate!" is op „De getemde feeks" gebaseerd, waarbij de notenbalken door Cole Porter zijn ingevuld. DE EIGENLIJKE BLOEIPERIODE, met misschien onovertroffen men denkt daar bij vooral aan „Oklohoma!" van Oscar Hammerstein en mogelijk ook door de betrekkelijke noviteit overschatte toppres taties, begon kort na de tweede wereldoor log. Men kan ook tot de crisisjaren terug gaan en dan „De driestuiversopera" van Bertolt Brecht en Kurt Weill voorop stel len. Men kan in de eerste plaats denken aan een reactie op de neerdrukkende duis ternis van malaise en rampspoed. De be hoefte aan licht en vrolijkheid manifes teerde zich ook in het voorbijgaan zij gewezen op de toeristische feesten onder de titel „Son et lumière" in de tuinen van de mooiste Franse kastelen in de tal loze gekostumeerde optochten met praal wagens en stedelijke illuminaties van eeuwenoude gebouwen en pittoreske mo numenten. Iets dergelijks herkent men in de snelle wederopkomst van steeds meer sprookjesachtige openluchtspelen, zelfs in streken met een ongunstige voch tigheidsgraad. Daarbij komt dan de on- taxeerbare onvrede met de verbijzonderde redeneerzucht en ontoereikende emotiona liteit van het „gewone" toneel. Tenslotte bevredigen het veelkleurige en het groot scheepse verlangens, waaraan de televi sie niet kan voldoen. Wat dit laatste be treft, vergelijke men de bijna niet bij te houden experimenten met technicolor en cinerama in de bioscopen. IN ZIJN BEHARTENSW AARDIGt, boek „Hoe men een toneelstuk niet moet schrijven" heeft de Amerikaanse criti cus Walter Kerr ook aandacht aan het verschijnsel van de „musical" geschon ken. Hij schreef daarin onder meer: „Het is belangwekkend vast te stellen, dat de muzikale komedie de enige dra matische vorm van déze tijS' is, 'ivaarih gebruik gemaakt wordt van onrealisti sche achtergronden, snelle sprongen door tijd en ruimte, bonte contrasten, verhoogde en versnelde taal, ritme, dy namische beweging en directe gericht heid op het publiek. Alle conventies wor den erin toegepast met het doel om te behagen, maar toch zeker ook uit crea tieve vreugde. Daaraan is stellig mede de voor het hedendaagse theater opmer kelijke vitaliteit te danken". Deze pas sage, tamelijk vrij vertaald, laat toch wel uitkomen, dat ook de vakman, die de „musical" niet wenst te rekenen on der de echte toneelsoorten, erkent dat met artistieke energie daarin wordt tege moet gekomen aan een al dan bewuste behoefte van de uitgaande gemeente. HET VOORNAAMSTE is nog steeds niet genoemd. De „musical" is een typisch produkt van de vermaaksindustrie en be hoort dan ook in alle opzichten tot de ro mantiek: het uitvieren van excentrieke specialiteiten, verbazingwekkend, op basis van perfect vakmanschap. Er wordt een voortdurend prikkelende verwondering op geroepen in de sfeer van het onwaarschijn lijke en onbestaanbare. De positieve kant daarvan wordt onmiddellijk duidelijk, als men in aanmerking neemt dat de „musi cal" ,in.,de ware zin van het woord een melodrama is. Naar mijn mening heeft men daafSfim'een gezo'Hb verschijnsel. Het romantische is niet weg te denken uit een onrustige tijd, waarin de rede dagelijks met verbijstering wordt geslagen. De voorkeur voor het samengaan van het ver trouwde en het exotische, het buitenwer- kelijke en het zeer karakteristieke, is evenzeer uit de actualiteit te herleiden. Maar hoofdzaak is en blijft: de recht streekse openbaring van gevoel, het uit zingen van wat doorgaans onuitsprekelijk is. „Musical" zou men in het Nederlands moeten weergeven als: lyrische komedie. Dat het melodisch materiaal vaak vrij goedkoop is, behoeft aan het welkome be ginsel geen afbreuk te doen, hoe betreu renswaardig men deze concessie aan de massa ook mag vinden. WIE ZO TEGENOVER de „musical" staat, moet een lawaaierige revue als „Bye bye Birdie" radicaal afwijzen, waar mee niet gezegd wil zijn dat de vermake lijkheidsbelasting ten onrechte op de vertoning daarvan wordt geheven. Men kijkt en luistert een beetje onwennig naar De musical „Bye bye Birdie" levert een verrassend toneelbeeld op in de mati neuze scène van telefonerende blok bewoners van minderjarige leeftijden. beminnende secretaresse en zijn hem over al met haar apeliefde vervolgende mama. Deze laatste rol geeft de vermaarde Engel se blijspelactrice Angela Baddeley aanlei ding te over tot een creatie van heb-ik-jou daar. DE HOOFDROLLEN zijn van Ameri kaanse origine. Wat men aan waarlijk ple zierige opwinding beleeft, heeft men voor al te danken aan de fervente ster Chita Rivera, die met haar acrobatische dans- nummer in een tot radeloze verwarring gedoemde vrijgezellenclub voor een hoog tepunt van „show" zorgt en die ook overi gens met haar springlevende aanwezig heid meeslepend „werkt". Dit laatste woord staat hier tussen aanhalingstekens, omdat het een van de grondbeginselen van het romantische theater is, dat men zelfs bij de meeste inspanning eisende kracht toeren aan alles behalve aan arbeidspres-. taties mag denken.. De manager wordt vertolkt door Peter Marshall, die als be roepscharmeur net voldoende van een „en gerd" heeft om het niet gemakkelijk te maken partij te kiezen en toch verleidelijk genoeg is om althans au sérieux te wor den genomen. MAAR AL MET AL men moet wer kelijk niets beters te doen hebben om zich bij al dit gedaas niet te vervelen. Het is duidelijk, dat men de Elvis-Presley-cultus heeft willen hekelen. Maar de organisato ren van deze voorstelling zijn tussen twee stoelen gevallen toen zij de gevierde jon- gen-met-de-gitaar Marty Wilde uitnodig den de titelrol te vervullen. Wat doet deze namelijk? Hij stelt de show, zoals dat in het theaterjargon heet. Enerzijds is hij op en top de als „pop"-zanger gefêteerde fa voriet gebleven, anderzijds heeft hij ge noeg talent hij speelde nota bene een jonge minnaar bij de Old Vic om beter te beseffen. Men weet achteraf niet, waar men aan toe is geweest Doch één ding staat vast: de onhoudbaarheid van het op portunisme. Deze wilde persiflage van een modeverschijnsel verliest het van de werkelijkheid, die zich allang met andere dingen bezighoudt. David Koning DE GROTE INVLOED, die de kerkmu ziek heeft op de muzikale ontwikkeling van een belangrijk deel van het Neder landse volk, heeft het bestuur van het Utrechtse Conservatorium doen besluiten een speciale opleiding „Protestantse Kerk muziek" in het leven te roepen. De oplei ding heeft twee studierichtingen, die af zonderlijk, doch ook tegelijk gevolgd kun nen worden, namelijk die tot organist en die tot kerkelijk koorleider. Deze oplei ding voor het praktijkdiploma wordt door het rijk erkend en geniet tevens de be langstelling der Protestantse kerken, die meegewerkt hebben aan de totstandko ming van deze examenopleiding. HET LERARENCORPS voor deze op leiding kon worden samengesteld uit fi guren, die in de ontwikkeling van de Pro testantse kerkmuziek een belangrijke plaats innemen. De cursus duurt vier jaar. De vermoedelijke kosten bedragen voor elk der twee studierichtingen 330,- per jaar; voor beide gecombineerd 500,- per jaar. Voor toelating wordt het mulo diploma of tenminste enige jaren middel bare schoolstudie vereist. ALGEMENE EISEN voor organist en kerkelijk koorleider behelzen de theoreti sche vakken solfège, algemene muziek leer en harmonie-contrapunt. Leraren zijn de heren J. de Haan en J. Matter; wat het praktisch bijvak piano betreft leer krachten van het Conservatorium. Bij het doceren van de liturgische vakken wordt uitgegaan van de kerkelijke richting van de kandidaat. Voor de onderscheidene de nominaties fungeren verschillende docen ten. (Kerkmuziekgeschiedenis, geschiedenis en kennis van het kerklied; leraar W. Mudde). Mevrouw SybrandyTimmer, docent zang en stemvorming. Voorts wordt gedoceerd gemeentezang (leraren A. Schuurman en W. Mudde); orgel (leraar St. van Vliegen); kerkelijk orgelspel koraalspel en improvisatie van voorspelen (leraar C. Kee); orgelbouw (leraar C. Bloemenborders verlangen veel zorg; ze moeten regelmatig onderhouden wor den en men dient ook geregeld op te ruimen en bij te poten. Nu kan men nog allerlei eenjarigen, liefst in potjes ge kweekte planten poten; ze zullen de hele zomer nog kunnen bloeien; de bloemist heeft ze wel in voorraad en ze zijn niet zo kostbaar. Bovendien zal men vroeg de uitgebloeide bloemen dienen te verwij deren; dat wil zeggen: laat het niet zo ver komen dat ze al bezig zijn met het vor- men van zaad; dat put de planten der mate uit dat ze geen nieuwe bloemknop pen meer vormen en dat moet men dus zien te voorkomen. Hoogop groeiende vaste planten zullen op den duur beslist van een stevige stok moeten worden voorzien; de scheuten kunnen dan elk afzonderlijk vast gebonden worden en trek er niet zo maar een touw omheen; in dat geval gaat alles meer op een leven de takkebos gelijken en gaat de natuur lijke groeiwijze van de planten dus ge heel verloren. Uitgebloeide vaste planten en dat geldt vooral voor de zeer vroeg- bloeiende soorten kan men opnemen; ze kunnen dan elders bij elkaar op een bed je in de tuin gepoot worden; dus een beetje achteraf; in het najaar kunnen ze dan weer op hun plaats gezet worden; de lege plaatsen kan men dan nu nog benut ten voor de eenjarige zomerbloemen. kee); uitvoeringspraktijk en litteratuur kennis (leraar W. Mudde). DE BIJZONDERE EISEN voor kerke lijk koorleiden behelzen Liturgische vak ken, zang- en stemvorming; gemeentege zang; koorscholing en partituurspel (lera ren A. Schuurman en W. Mudde); Koor directie (leraar A. Schuurman); koorlit teratuur en uitvoeringspraktijk (leraar W. Mudde). Aan de opleiding voor het prak tijkdiploma kerkmuziek is een koorklasse verbonden. VOOR DE TWAALFDE MAAL heb ben dit jaar zij, die Bach tot een leids man in hun leven kozen, elkaar getroffen bij de Bachweek in het Beierse stadje Ansbach, dat zich dank zij zijn 18de- eeuvvse aspect andermaal een perfecte encadrering toonde voor deze geestelijke zowel als wereldse muziek. De oude markgrafelijke residentie bleef in de laatste wereldoorlog nagenoeg onbe schadigd. Reden waarom ze met haar kerken, pronkzaal en oranjerie het uit verkoren centrum werd voor een, uit velerlei oorlogsdepressies voortgekomen, nieuwe Bachcultuur. Een waarlijk niet te weidse titel voor deze zevendaagse kunstmanifestatie, die in 1947 op het slot Pommersfelden met enkele vrienden „onder elkaar" begonnen daarna is uitgedijd tot deze, aan de complete Raeh meer kansen biedende, omgeving. Waarbij nochtans het intieme karakter van de aanvang bleef behouden. De volgelingen van hen, die zo wijs waren het met Bach te wagen, vermeerderden daar ieder jaar. En vandaag is het dan zo, dat de vermaardste solisten en en sembles van de muzieklanden van Eu ropa het zich tot een eer rekenen voor deze jaarlijkse, rond Bachs sterfdag ge projecteerde. Bachweek als medewerker te worden aangezocht. IN DE ALLERWEGE zich uitbreidende „Festivalitis" heeft de Ansbachse Bach week zijn zeer speciale signatuur behou den. Behalve aan Bach is dit ook aan de opzet van het feest te danken. „Ansbach' is namelijk tot in bijzonderheden een par ticuliere aangelegenheid Want niet alleen is de geldelijke steun hetzij van „vrien den" of anderzins op individuele leest geschoeid: voorbereiding en uitwerking liggen van a tot z in handen van een Münchens echtpaar, dat overdag „in zaken" zijn avonden spendeert aan de ze culturele taak. Om van de dagen, dat hun privébelangen moeten wijken voor dit andere, dat bij gewijzigde omstandighe den telkens opnieuw moet worden opge bouwd, nu nog maar niet eens te spre ken. Geen wonder, dat in de loop der ja ren een persoonlijke band dit cordon om Bach nog kwam verstevigen. De onge veer zeshonderd aanwezigen, die de pronk zaal van het slot bevatten kan een li miet, welke zowel Bach's kamermuziek als de architectonische zaalafmetingen uit zijn dagen aan zijn nakomelingen stelt zijn vrijwel allen abonnees, de meesten al van de begindagen dezer onderneming af; steunpilaren, als waarop nauwelijks één Festival zich kan beroemen. Daar naast zijn dan natuurlijk rondom het kern programma voor deze onwankelbare ge trouwen meer en meer „Sonderkonzerte" nodig, om aan de stijgende aanvraag van gegadigden te voldoen. Terwijl de kerkcon- certen ook enkele losse entrees kunnen be vatten, die maken, dat een lid van de be volking of een muziekstudent als hij geluk heeft, toch nog aan zijn trekken komt. IS HET WONDER dat deze Bach-dagen een totaal ander publiek te zamen brengen De Pronkzaal in het Markgrafelijk slot te Ansbach gedurende een concert van de „Bach-Woche" dan op enig Europees festival wordt aan schouwd? Wie met Bach verkeert als met een vertrouwde vriend, die aan zijn leven inhoud heeft gegeven, wenst, als hij zich aangordt om diens muziek buiten zijn stil le binnenkamer te ondergaan, allereerst geen afglijden naar de show of de society- gebeurtenis. Zijn bagage is slechts een goede dosis ontvankelijkheid en de bereid heid om voor Bach zijn beste beentje voor te zetten (in ons, met sinecures volgepropt bestaan is dat nog niet zo vanzelfsprekend als men denkt). Al het overige is genade en deze wordt in Ansbach rijkelijk zijn deel. Misschien vindt dit publiek nog geestver wanten in Prades of Gstaad. Maar al zijn ook daar zuiverheid van sfeer en een enigs zins analoge concentratie, er is mede een wat al te nadrukkelijke belangstelling aan de orde rondom de twee captains-musici Menuhin en Casals, die tevens zelf organi satoren zijn. Ansbach stelt daar slechts een figuur achter de schermen tegenover. Maar die figuur heet dan ook Bach, naam voor een begrip of, zo men wil: affiche voor een geesteshouding. En houdt men het be zoekers-thema in het oog, dan is die naam ook te vertalen met: waarborg voor een achttien karaats gehalte. OOK HIER GELDT HET: soort zoekt soort. Want voor de „Solistengemein- schaft", in het naburige Neuendettelsau reeds weken tevoren in een repetitie-„te- huis" bijeen, komt alleen de topklasse in aanmerking. Sinds 1954 wordt deze aange voerd door een Bachkenner bij uitnemend heid in de persoon van Karl Richter. In zijn jeugd Richter is nog pas 35 jaar was deze lid van het befaamde „Dres- dner Kreuzchor", om later, naast organist in zijn kerk, leerling te worden van de Thomas Kantor Karl Straube. Toen Rich ter in 1956 de post, eertijds door Bach be kleed, werd aangeboden, wees hij deze af. Zijn positie was toen reeds vastgelegd aan de Hochschule te München, de stad, waar hij inmiddels zijn Bach-orkest had opge bouwd en ook zijn Bach-koor schiep on vergelijkelijk ensemble van louter jonge stemmen en basis thans voor de uitvoe ringen der Passionen, Kantate's en Motet ten, zonder welke de Bach-week zich niet denken laat. Niet alleen aan het feit, dat Richter naast zyn dirigentenwerk zich ook nog als cembalist en organist in Ansbach presen teert, heeft men zijn formaat te meten. Hier is een man, die niet praalt met we tenschap maar veeleer als een geboren pionier het Bach-universum exploreert. Aan een begenadigd inzicht in Bach's structuren, dat hij op zijn publiek over weet te brengen, paart deze voortreffelijke musicus een meeslepende „Spielfreudig- keit". Zijn vaak oorspronkelijke tempi, de tekstbehandeling, waartoe hij zijn zangers, solisten inbegrepen, heeft geïnspireerd; alles is even verantwoord, als overtuigend voorgedragen. Autoriteit, die al jong haar sporen heeft verdiend en de aangewezen persoonlijkheid tot het handhaven van een vaste lijn in deze weken; een lijn, waar men bij de telkens te maken keuze uit een dermate omvangrijk en veelsoortig oeuvre bezwaarlijk buiten kan. Speciaal in de „Hohe Messe" waarschijnlijk wel de hoogste top, die Richter tot nu toe in zijn Ansbachse jaren heeft beklommen 'oonde hij in dit milieu meer waard te zijn dan wie ook in zijn vak. NAAST RICHTER heeft de Bach-week :ijn vaste verschijningen in een télkens wisselend programma. Wij noemen van hen Pierre Fournier, wiens souvereine, naar binnen gekeerde voordracht van de cello suites alleen al een gang naar Ans bach loont, de violist Henryk Szeryng, technisch volmaakt, doch misschien daar door wat koel-uiterlijk in de solo-partita's en sonates, en reeds voor de zesde maal de Zwitser Aurèle Nicolet, meester-flui- tist en als zodanig lange jaren sieraad van de „Berliner Philharmoniker", de man, wiens ongeëvenaarde toon, gelijk een zil veren manestraal, een suite, aria of Bran- denburgs concertdeel opeens helder kan verlichten. Maar Ansbach begroet ook tel- kenjare „nieuwelingen" in deze entourage. Het Boccherini-quintet, dat vorig jaar in Haarlem zo'n succes had, met zijn sublie me aanvoerster Pina Carmirelli, stelde zich hier voor in „Die Kunst der Fuge". En wel in de te Ansbach ingeburgerde rang schikking van Dr. Carl Weymar, met zijn vijf, zich steeds inter^ifiërende fuga-gröe- pen, afgewisseld door de vier kanons, dienst doende als intermezzi. Hun interpre tatie, gespannen en van een zuidelijke warmte, culmineerde in een innig-voorge- dragen slot-fuga, het deel, dat door Bach's dood ontijdig afgebroken werd. Nieuw wa ren hier ook de zeven instrumentalisten, die „Das Musikalische Opfer" ten gehore brachten; meer correct-academisch, dan gedragen door een „spiritus rector", ge lijk in het geval van „Die Kunst der Fu ge". Ten slotte kwam een Berlijnse Bach- vertolker Hanns-Martin Schneidt zijn toe hoorders vergasten op enkele orgelwerken ten dele daarin gehandicapt door een nog onvoldoende ingespeeld instrument en op zijn solide clavecimbelspel in vier van de Partita's. „EEN ENIG JUISTE Bach-stijl is er niet", zo luidt een van de thema's, op de jaarlijkse vrienden-samenkomst van Ans bach door dr. Weymar aangevoerd. Wie zich aanmatigt deze te bezitten en dat bij gebrek aan zoveel aanwijzingen door de componist open vragen, die op vrijwel ieder punt bij onderscheiden Bach-werken zijn te stellen loopt gevaar zich een tikje belachelijk te maken. Want als er iets is, waarover deze Bachweek klaarheid brengt, dan is het, dat de dienst aan Bach langs zeer uiteenlopende wegen tot het doel kan leiden. Waarom ook niet? Mits men dit doel van de in Bach's notenbeeld be sloten geestelijke portuur, waarmee geen transigneren mogelijk is, niet uit het oog verliest. En dan dit beeld bij voorbeeld achter virtuositeit of ander-succes-belo- vend-effectbejag geheel of gedeeltelijk laat verdwijnen. OOK ONS LAND kent die strijd over stijl-begrip bij Bach maar al te goed. Zij het tegen een heel wat beperkter horizon dan Ansbach kan vertonen. Hoe vaak zijn de puristen al niet met hoge borst tegen de niet eens meer volbloed-romantici van vandaag in het strijdperk getreden? Om daarna zelf weer vanwege hun niet hele maal zuivere leer door anderen te zijn ge laakt! Men kan er niet koud of warm om worden. Het enige waarlijk efficiënte middel om „dat verre, onbegrensde Licht" een stapje naderbij te komen is zoals Ans bach het nu al jaren doet. Laat ons in eigen kring bescheiden zijn en toch vooral niet denken: gaat het over Bach, dan zijn we nog de minsten niet Natuurlijk: Tegen een Matthaeus-Passion verering behoeft geen zinnig mens te opponeren. Mits men ze maar niet identificeert met Bach-cul- tuur.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 12