DE SNELLE BLOEI EN DECADENTIE VAN
de muzikal
komedie
De Bachweek in Ansbach
Protestantse kerkmuziek aan
Conservatorium in Utrecht
ZATERDAG 19 AUGUSTUS 1961
jy. Erbij jf
PAGINA TWEE
Ortze tuin- en kamerplanten
G. Kromdijk
EEN
EUROPEES
CULTUUR
MONUMENT
M. van Doorninck
deze tumultueuze aanstellerij, die zelf niet
ontkomt aan de onzinnigheid waarmee de
spot wordt gedreven. Misschien is het alle
maal net iets te Amerikaans voor ons be
grip, waarop overigens nauwelijks een be
roep wordt gedaan. Tot de amerikanismen
moet in elk geval ook gerekend worden
het moedercomplex, waarvan men met
vreugde een doorlopend dolle parodie,
maar toch vermengd met sentimentaliteit,
meemaakt. Dichter bij huis wanen wij ons
bij de matineuze scène van telefonerende
blokbewoners van minderjarige leeftijden,
die bovendien een verrassend toneelbeeld
oplevert, dat zich moeilijk beschrijven
Iaat, vandaar dan ook de bijgaande af
beelding.
De handeling kan in een paar zinnen wor
den weergegeven. Onderwerp is de „teen-
ager"-verdwazing. Het onder de wapenen
roepen vari Conrad Birdie, idool der rock-
'n-roll-liefhebbers, leidt tot razende uit
barstingen van massahysterie. Deze zijn
het gevolg van een „stunt" van zijn publi-
citeitsmanager, die hem naar de kleine
stad Sweet Apple in het midden-westen
laat reizen om daar een symbolisch af
scheid van zijn talloze bewonderaars te ne
men door middel van een kus aan een
dweepziek meisje onder de alziende ogen
van de televisiecamera's. De nevenintrige
dringt zich tussen deze bedrijvigheden
door steeds op de voorgrond: De tweestrijd
van opgemelde propagandist, die alsmaar
niet kan kiezen tussen zijn hem oprecht
DE BEZOEKER VAN HET CENTRUM van Londen
heeft bepaald geen gebrek aan keuze, als hij zich wil trachten
te amuseren met een „musical" welke naam zich inter
nationaal handhaaft, alle pogingen tot het doen ingang vin
den van equivalenten of benaderingen in eigen talen ten
spijt. In „The Lyric" is de spirituele Engelse versie van „Irma
la Douce" hard op weg het looprecord van „Salad days" te
overtreffen: iedere maand wordt'het glimmend bruine bord
met gouden cijfers verwisseld, een tot zorg dat u er ook
over kunt meepraten" dwingende registratie van een aan
houdende belangstelling. Langer dan een jaar handhaven
zich verder reeds „Oliver!" en „Fings ain't wot they used
t'be" met muziek van Lionel Bart, die men beide eigenlijk
zou moeten rekenen tot de bastaardvormen indien zulks niet
al te tautologisch ware, zijnde achtereenvolgens een operette
achtige bewerking van een der meestgelezen romans van
Dickens en een komedie met gezongen coupletten over het
rossige leven aan de zelfkant. Een hoofdstuk apart vormt de
geschiedenis van een zwaargewicht bokskampioen, die onder
de titel „King Kong" met composities van Todd Matshikiza
in het Princes Theatre wordt vertoont, een in alle opzichten
authentiek aandoende Zuidafrikaanse onderneming.
IN HET ROEMRUCHTE Her Maje
sty's aan de Haymarket, waar ruim een
eeuw geleden alle beroemde ballerina's
van de romantiek zich letterlijk en fi
guurlijk om strijd lieten bewonderen, is
,jWestside Story" van Jerome Robbins,
Arthur Laurents en Leonard Rernstein
in het begin van deze zomer opgevolgd
door „Rye bye Rirdie" van eveneens
Amerikaanse origine. Ook hier heeft een
geroutineerde choreograaf met een veel
zijdige staat van dienst in New York en
Hollywood, in dit geval Gower Cham
pion, de enscènering van bet gehele
spektakel virtuoos geregeld. In hoofd
zaak terwille van de volledigheid zij
hieraan toegevoegd dat Michael Stewart,
Lee Adams en Charles Strouse respec
tievelijk de gesproken dialogen, de zang
teksten en de luidruchtig benepen mu
ziek leverden. Over dit merkwaardige
produkt zal aanstonds nog iets meer
worden gezegd. Per slot van rekening
vormde het de aanleiding tot dit artikel.
EERST ECHTER is het toch wel inter
essant ons vluchtig te verdiepen in de
vraag hoe de aanhoudende populariteit
van dit genre, dat nu ook met „My fair
lady" als van succes verzekerde eerste
ling in ons land opgeld maakt, ver
klaard zou kunnen worden. Nieuw is het
zeer zeker niet. Zonder veel moeite kan
men voorlopers in alle windstreken aan
wijzen indien wij ons beperken tot de
vorige eeuw, hoewel wij gemakkelijk veel
verder kunnen teruggaan: de „burles
ques" in de Verenigde Staten, de „pan
tomimes" in Engeland, de „vaudevilles"
in Frankrijk en de operettes van aanvan
kelijk vooral Oostenrijkse en Duitse toon
dichters. Elementen van «al dergelijke
zangspelen zijn in de „musical" verenigd,
met daarbij als direct opvallende winst
en versteviging van de dramatische struc
tuur, een hogere litteraire kwaliteit. Zelfs
stukken van Shaw en Shakespeare (excu
seer de door eerstgenoemde gepropageer
de volgorde) werden in melodieuze trant
omgewerkt. Voor wie het niet mocht we
ten: „Kiss me, Kate!" is op „De getemde
feeks" gebaseerd, waarbij de notenbalken
door Cole Porter zijn ingevuld.
DE EIGENLIJKE BLOEIPERIODE, met
misschien onovertroffen men denkt daar
bij vooral aan „Oklohoma!" van Oscar
Hammerstein en mogelijk ook door de
betrekkelijke noviteit overschatte toppres
taties, begon kort na de tweede wereldoor
log. Men kan ook tot de crisisjaren terug
gaan en dan „De driestuiversopera" van
Bertolt Brecht en Kurt Weill voorop stel
len. Men kan in de eerste plaats denken
aan een reactie op de neerdrukkende duis
ternis van malaise en rampspoed. De be
hoefte aan licht en vrolijkheid manifes
teerde zich ook in het voorbijgaan zij
gewezen op de toeristische feesten onder
de titel „Son et lumière" in de tuinen van
de mooiste Franse kastelen in de tal
loze gekostumeerde optochten met praal
wagens en stedelijke illuminaties van
eeuwenoude gebouwen en pittoreske mo
numenten. Iets dergelijks herkent men
in de snelle wederopkomst van steeds
meer sprookjesachtige openluchtspelen,
zelfs in streken met een ongunstige voch
tigheidsgraad. Daarbij komt dan de on-
taxeerbare onvrede met de verbijzonderde
redeneerzucht en ontoereikende emotiona
liteit van het „gewone" toneel. Tenslotte
bevredigen het veelkleurige en het groot
scheepse verlangens, waaraan de televi
sie niet kan voldoen. Wat dit laatste be
treft, vergelijke men de bijna niet bij te
houden experimenten met technicolor en
cinerama in de bioscopen.
IN ZIJN BEHARTENSW AARDIGt,
boek „Hoe men een toneelstuk niet moet
schrijven" heeft de Amerikaanse criti
cus Walter Kerr ook aandacht aan het
verschijnsel van de „musical" geschon
ken. Hij schreef daarin onder meer:
„Het is belangwekkend vast te stellen,
dat de muzikale komedie de enige dra
matische vorm van déze tijS' is, 'ivaarih
gebruik gemaakt wordt van onrealisti
sche achtergronden, snelle sprongen
door tijd en ruimte, bonte contrasten,
verhoogde en versnelde taal, ritme, dy
namische beweging en directe gericht
heid op het publiek. Alle conventies wor
den erin toegepast met het doel om te
behagen, maar toch zeker ook uit crea
tieve vreugde. Daaraan is stellig mede
de voor het hedendaagse theater opmer
kelijke vitaliteit te danken". Deze pas
sage, tamelijk vrij vertaald, laat toch
wel uitkomen, dat ook de vakman, die
de „musical" niet wenst te rekenen on
der de echte toneelsoorten, erkent dat
met artistieke energie daarin wordt tege
moet gekomen aan een al dan bewuste
behoefte van de uitgaande gemeente.
HET VOORNAAMSTE is nog steeds niet
genoemd. De „musical" is een typisch
produkt van de vermaaksindustrie en be
hoort dan ook in alle opzichten tot de ro
mantiek: het uitvieren van excentrieke
specialiteiten, verbazingwekkend, op basis
van perfect vakmanschap. Er wordt een
voortdurend prikkelende verwondering op
geroepen in de sfeer van het onwaarschijn
lijke en onbestaanbare. De positieve kant
daarvan wordt onmiddellijk duidelijk, als
men in aanmerking neemt dat de „musi
cal" ,in.,de ware zin van het woord een
melodrama is. Naar mijn mening heeft
men daafSfim'een gezo'Hb verschijnsel. Het
romantische is niet weg te denken uit een
onrustige tijd, waarin de rede dagelijks
met verbijstering wordt geslagen. De
voorkeur voor het samengaan van het ver
trouwde en het exotische, het buitenwer-
kelijke en het zeer karakteristieke, is
evenzeer uit de actualiteit te herleiden.
Maar hoofdzaak is en blijft: de recht
streekse openbaring van gevoel, het uit
zingen van wat doorgaans onuitsprekelijk
is. „Musical" zou men in het Nederlands
moeten weergeven als: lyrische komedie.
Dat het melodisch materiaal vaak vrij
goedkoop is, behoeft aan het welkome be
ginsel geen afbreuk te doen, hoe betreu
renswaardig men deze concessie aan de
massa ook mag vinden.
WIE ZO TEGENOVER de „musical"
staat, moet een lawaaierige revue als
„Bye bye Birdie" radicaal afwijzen, waar
mee niet gezegd wil zijn dat de vermake
lijkheidsbelasting ten onrechte op de
vertoning daarvan wordt geheven. Men
kijkt en luistert een beetje onwennig naar
De musical „Bye bye Birdie" levert een
verrassend toneelbeeld op in de mati
neuze scène van telefonerende blok
bewoners van minderjarige leeftijden.
beminnende secretaresse en zijn hem over
al met haar apeliefde vervolgende mama.
Deze laatste rol geeft de vermaarde Engel
se blijspelactrice Angela Baddeley aanlei
ding te over tot een creatie van heb-ik-jou
daar.
DE HOOFDROLLEN zijn van Ameri
kaanse origine. Wat men aan waarlijk ple
zierige opwinding beleeft, heeft men voor
al te danken aan de fervente ster Chita
Rivera, die met haar acrobatische dans-
nummer in een tot radeloze verwarring
gedoemde vrijgezellenclub voor een hoog
tepunt van „show" zorgt en die ook overi
gens met haar springlevende aanwezig
heid meeslepend „werkt". Dit laatste
woord staat hier tussen aanhalingstekens,
omdat het een van de grondbeginselen van
het romantische theater is, dat men zelfs
bij de meeste inspanning eisende kracht
toeren aan alles behalve aan arbeidspres-.
taties mag denken.. De manager wordt
vertolkt door Peter Marshall, die als be
roepscharmeur net voldoende van een „en
gerd" heeft om het niet gemakkelijk te
maken partij te kiezen en toch verleidelijk
genoeg is om althans au sérieux te wor
den genomen.
MAAR AL MET AL men moet wer
kelijk niets beters te doen hebben om zich
bij al dit gedaas niet te vervelen. Het is
duidelijk, dat men de Elvis-Presley-cultus
heeft willen hekelen. Maar de organisato
ren van deze voorstelling zijn tussen twee
stoelen gevallen toen zij de gevierde jon-
gen-met-de-gitaar Marty Wilde uitnodig
den de titelrol te vervullen. Wat doet deze
namelijk? Hij stelt de show, zoals dat in
het theaterjargon heet. Enerzijds is hij op
en top de als „pop"-zanger gefêteerde fa
voriet gebleven, anderzijds heeft hij ge
noeg talent hij speelde nota bene een
jonge minnaar bij de Old Vic om beter
te beseffen. Men weet achteraf niet, waar
men aan toe is geweest Doch één ding
staat vast: de onhoudbaarheid van het op
portunisme. Deze wilde persiflage van
een modeverschijnsel verliest het van de
werkelijkheid, die zich allang met andere
dingen bezighoudt.
David Koning
DE GROTE INVLOED, die de kerkmu
ziek heeft op de muzikale ontwikkeling
van een belangrijk deel van het Neder
landse volk, heeft het bestuur van het
Utrechtse Conservatorium doen besluiten
een speciale opleiding „Protestantse Kerk
muziek" in het leven te roepen. De oplei
ding heeft twee studierichtingen, die af
zonderlijk, doch ook tegelijk gevolgd kun
nen worden, namelijk die tot organist en
die tot kerkelijk koorleider. Deze oplei
ding voor het praktijkdiploma wordt door
het rijk erkend en geniet tevens de be
langstelling der Protestantse kerken, die
meegewerkt hebben aan de totstandko
ming van deze examenopleiding.
HET LERARENCORPS voor deze op
leiding kon worden samengesteld uit fi
guren, die in de ontwikkeling van de Pro
testantse kerkmuziek een belangrijke
plaats innemen. De cursus duurt vier
jaar. De vermoedelijke kosten bedragen
voor elk der twee studierichtingen 330,-
per jaar; voor beide gecombineerd 500,-
per jaar. Voor toelating wordt het mulo
diploma of tenminste enige jaren middel
bare schoolstudie vereist.
ALGEMENE EISEN voor organist en
kerkelijk koorleider behelzen de theoreti
sche vakken solfège, algemene muziek
leer en harmonie-contrapunt. Leraren zijn
de heren J. de Haan en J. Matter; wat
het praktisch bijvak piano betreft leer
krachten van het Conservatorium. Bij het
doceren van de liturgische vakken wordt
uitgegaan van de kerkelijke richting van
de kandidaat. Voor de onderscheidene de
nominaties fungeren verschillende docen
ten. (Kerkmuziekgeschiedenis, geschiedenis
en kennis van het kerklied; leraar W.
Mudde). Mevrouw SybrandyTimmer,
docent zang en stemvorming. Voorts
wordt gedoceerd gemeentezang (leraren A.
Schuurman en W. Mudde); orgel (leraar
St. van Vliegen); kerkelijk orgelspel
koraalspel en improvisatie van voorspelen
(leraar C. Kee); orgelbouw (leraar C.
Bloemenborders verlangen veel zorg;
ze moeten regelmatig onderhouden wor
den en men dient ook geregeld op te
ruimen en bij te poten. Nu kan men nog
allerlei eenjarigen, liefst in potjes ge
kweekte planten poten; ze zullen de hele
zomer nog kunnen bloeien; de bloemist
heeft ze wel in voorraad en ze zijn niet
zo kostbaar. Bovendien zal men vroeg de
uitgebloeide bloemen dienen te verwij
deren; dat wil zeggen: laat het niet zo ver
komen dat ze al bezig zijn met het vor-
men van zaad; dat put de planten der
mate uit dat ze geen nieuwe bloemknop
pen meer vormen en dat moet men dus
zien te voorkomen. Hoogop groeiende
vaste planten zullen op den duur beslist
van een stevige stok moeten worden
voorzien; de scheuten kunnen dan elk
afzonderlijk vast gebonden worden en
trek er niet zo maar een touw omheen;
in dat geval gaat alles meer op een leven
de takkebos gelijken en gaat de natuur
lijke groeiwijze van de planten dus ge
heel verloren. Uitgebloeide vaste planten
en dat geldt vooral voor de zeer vroeg-
bloeiende soorten kan men opnemen; ze
kunnen dan elders bij elkaar op een bed
je in de tuin gepoot worden; dus een
beetje achteraf; in het najaar kunnen ze
dan weer op hun plaats gezet worden; de
lege plaatsen kan men dan nu nog benut
ten voor de eenjarige zomerbloemen.
kee); uitvoeringspraktijk en litteratuur
kennis (leraar W. Mudde).
DE BIJZONDERE EISEN voor kerke
lijk koorleiden behelzen Liturgische vak
ken, zang- en stemvorming; gemeentege
zang; koorscholing en partituurspel (lera
ren A. Schuurman en W. Mudde); Koor
directie (leraar A. Schuurman); koorlit
teratuur en uitvoeringspraktijk (leraar W.
Mudde). Aan de opleiding voor het prak
tijkdiploma kerkmuziek is een koorklasse
verbonden.
VOOR DE TWAALFDE MAAL heb
ben dit jaar zij, die Bach tot een leids
man in hun leven kozen, elkaar getroffen
bij de Bachweek in het Beierse stadje
Ansbach, dat zich dank zij zijn 18de-
eeuvvse aspect andermaal een perfecte
encadrering toonde voor deze geestelijke
zowel als wereldse muziek. De oude
markgrafelijke residentie bleef in de
laatste wereldoorlog nagenoeg onbe
schadigd. Reden waarom ze met haar
kerken, pronkzaal en oranjerie het uit
verkoren centrum werd voor een, uit
velerlei oorlogsdepressies voortgekomen,
nieuwe Bachcultuur. Een waarlijk niet
te weidse titel voor deze zevendaagse
kunstmanifestatie, die in 1947 op het
slot Pommersfelden met enkele vrienden
„onder elkaar" begonnen daarna is
uitgedijd tot deze, aan de complete
Raeh meer kansen biedende, omgeving.
Waarbij nochtans het intieme karakter
van de aanvang bleef behouden. De
volgelingen van hen, die zo wijs waren
het met Bach te wagen, vermeerderden
daar ieder jaar. En vandaag is het dan
zo, dat de vermaardste solisten en en
sembles van de muzieklanden van Eu
ropa het zich tot een eer rekenen voor
deze jaarlijkse, rond Bachs sterfdag ge
projecteerde. Bachweek als medewerker
te worden aangezocht.
IN DE ALLERWEGE zich uitbreidende
„Festivalitis" heeft de Ansbachse Bach
week zijn zeer speciale signatuur behou
den. Behalve aan Bach is dit ook aan de
opzet van het feest te danken. „Ansbach'
is namelijk tot in bijzonderheden een par
ticuliere aangelegenheid Want niet alleen
is de geldelijke steun hetzij van „vrien
den" of anderzins op individuele leest
geschoeid: voorbereiding en uitwerking
liggen van a tot z in handen van een
Münchens echtpaar, dat overdag „in
zaken" zijn avonden spendeert aan de
ze culturele taak. Om van de dagen, dat
hun privébelangen moeten wijken voor dit
andere, dat bij gewijzigde omstandighe
den telkens opnieuw moet worden opge
bouwd, nu nog maar niet eens te spre
ken. Geen wonder, dat in de loop der ja
ren een persoonlijke band dit cordon om
Bach nog kwam verstevigen. De onge
veer zeshonderd aanwezigen, die de pronk
zaal van het slot bevatten kan een li
miet, welke zowel Bach's kamermuziek
als de architectonische zaalafmetingen
uit zijn dagen aan zijn nakomelingen stelt
zijn vrijwel allen abonnees, de meesten
al van de begindagen dezer onderneming
af; steunpilaren, als waarop nauwelijks
één Festival zich kan beroemen. Daar
naast zijn dan natuurlijk rondom het kern
programma voor deze onwankelbare ge
trouwen meer en meer „Sonderkonzerte"
nodig, om aan de stijgende aanvraag van
gegadigden te voldoen. Terwijl de kerkcon-
certen ook enkele losse entrees kunnen be
vatten, die maken, dat een lid van de be
volking of een muziekstudent als hij geluk
heeft, toch nog aan zijn trekken komt.
IS HET WONDER dat deze Bach-dagen
een totaal ander publiek te zamen brengen
De Pronkzaal in het Markgrafelijk slot
te Ansbach gedurende een concert
van de „Bach-Woche"
dan op enig Europees festival wordt aan
schouwd? Wie met Bach verkeert als met
een vertrouwde vriend, die aan zijn leven
inhoud heeft gegeven, wenst, als hij zich
aangordt om diens muziek buiten zijn stil
le binnenkamer te ondergaan, allereerst
geen afglijden naar de show of de society-
gebeurtenis. Zijn bagage is slechts een
goede dosis ontvankelijkheid en de bereid
heid om voor Bach zijn beste beentje voor
te zetten (in ons, met sinecures volgepropt
bestaan is dat nog niet zo vanzelfsprekend
als men denkt). Al het overige is genade
en deze wordt in Ansbach rijkelijk zijn deel.
Misschien vindt dit publiek nog geestver
wanten in Prades of Gstaad. Maar al zijn
ook daar zuiverheid van sfeer en een enigs
zins analoge concentratie, er is mede een
wat al te nadrukkelijke belangstelling aan
de orde rondom de twee captains-musici
Menuhin en Casals, die tevens zelf organi
satoren zijn. Ansbach stelt daar slechts een
figuur achter de schermen tegenover. Maar
die figuur heet dan ook Bach, naam voor
een begrip of, zo men wil: affiche voor
een geesteshouding. En houdt men het be
zoekers-thema in het oog, dan is die naam
ook te vertalen met: waarborg voor een
achttien karaats gehalte.
OOK HIER GELDT HET: soort zoekt
soort. Want voor de „Solistengemein-
schaft", in het naburige Neuendettelsau
reeds weken tevoren in een repetitie-„te-
huis" bijeen, komt alleen de topklasse in
aanmerking. Sinds 1954 wordt deze aange
voerd door een Bachkenner bij uitnemend
heid in de persoon van Karl Richter. In
zijn jeugd Richter is nog pas 35 jaar
was deze lid van het befaamde „Dres-
dner Kreuzchor", om later, naast organist
in zijn kerk, leerling te worden van de
Thomas Kantor Karl Straube. Toen Rich
ter in 1956 de post, eertijds door Bach be
kleed, werd aangeboden, wees hij deze af.
Zijn positie was toen reeds vastgelegd aan
de Hochschule te München, de stad, waar
hij inmiddels zijn Bach-orkest had opge
bouwd en ook zijn Bach-koor schiep on
vergelijkelijk ensemble van louter jonge
stemmen en basis thans voor de uitvoe
ringen der Passionen, Kantate's en Motet
ten, zonder welke de Bach-week zich niet
denken laat.
Niet alleen aan het feit, dat Richter
naast zyn dirigentenwerk zich ook nog als
cembalist en organist in Ansbach presen
teert, heeft men zijn formaat te meten.
Hier is een man, die niet praalt met we
tenschap maar veeleer als een geboren
pionier het Bach-universum exploreert.
Aan een begenadigd inzicht in Bach's
structuren, dat hij op zijn publiek over
weet te brengen, paart deze voortreffelijke
musicus een meeslepende „Spielfreudig-
keit". Zijn vaak oorspronkelijke tempi, de
tekstbehandeling, waartoe hij zijn zangers,
solisten inbegrepen, heeft geïnspireerd;
alles is even verantwoord, als overtuigend
voorgedragen. Autoriteit, die al jong haar
sporen heeft verdiend en de aangewezen
persoonlijkheid tot het handhaven van een
vaste lijn in deze weken; een lijn, waar
men bij de telkens te maken keuze uit een
dermate omvangrijk en veelsoortig oeuvre
bezwaarlijk buiten kan. Speciaal in de
„Hohe Messe" waarschijnlijk wel de
hoogste top, die Richter tot nu toe in zijn
Ansbachse jaren heeft beklommen
'oonde hij in dit milieu meer waard te zijn
dan wie ook in zijn vak.
NAAST RICHTER heeft de Bach-week
:ijn vaste verschijningen in een télkens
wisselend programma. Wij noemen van
hen Pierre Fournier, wiens souvereine,
naar binnen gekeerde voordracht van de
cello suites alleen al een gang naar Ans
bach loont, de violist Henryk Szeryng,
technisch volmaakt, doch misschien daar
door wat koel-uiterlijk in de solo-partita's
en sonates, en reeds voor de zesde maal
de Zwitser Aurèle Nicolet, meester-flui-
tist en als zodanig lange jaren sieraad van
de „Berliner Philharmoniker", de man,
wiens ongeëvenaarde toon, gelijk een zil
veren manestraal, een suite, aria of Bran-
denburgs concertdeel opeens helder kan
verlichten. Maar Ansbach begroet ook tel-
kenjare „nieuwelingen" in deze entourage.
Het Boccherini-quintet, dat vorig jaar in
Haarlem zo'n succes had, met zijn sublie
me aanvoerster Pina Carmirelli, stelde zich
hier voor in „Die Kunst der Fuge". En
wel in de te Ansbach ingeburgerde rang
schikking van Dr. Carl Weymar, met zijn
vijf, zich steeds inter^ifiërende fuga-gröe-
pen, afgewisseld door de vier kanons,
dienst doende als intermezzi. Hun interpre
tatie, gespannen en van een zuidelijke
warmte, culmineerde in een innig-voorge-
dragen slot-fuga, het deel, dat door Bach's
dood ontijdig afgebroken werd. Nieuw wa
ren hier ook de zeven instrumentalisten,
die „Das Musikalische Opfer" ten gehore
brachten; meer correct-academisch, dan
gedragen door een „spiritus rector", ge
lijk in het geval van „Die Kunst der Fu
ge". Ten slotte kwam een Berlijnse Bach-
vertolker Hanns-Martin Schneidt zijn toe
hoorders vergasten op enkele orgelwerken
ten dele daarin gehandicapt door een
nog onvoldoende ingespeeld instrument
en op zijn solide clavecimbelspel in vier
van de Partita's.
„EEN ENIG JUISTE Bach-stijl is er
niet", zo luidt een van de thema's, op de
jaarlijkse vrienden-samenkomst van Ans
bach door dr. Weymar aangevoerd. Wie
zich aanmatigt deze te bezitten en dat bij
gebrek aan zoveel aanwijzingen door de
componist open vragen, die op vrijwel
ieder punt bij onderscheiden Bach-werken
zijn te stellen loopt gevaar zich een
tikje belachelijk te maken. Want als er
iets is, waarover deze Bachweek klaarheid
brengt, dan is het, dat de dienst aan Bach
langs zeer uiteenlopende wegen tot het doel
kan leiden. Waarom ook niet? Mits men
dit doel van de in Bach's notenbeeld be
sloten geestelijke portuur, waarmee geen
transigneren mogelijk is, niet uit het oog
verliest. En dan dit beeld bij voorbeeld
achter virtuositeit of ander-succes-belo-
vend-effectbejag geheel of gedeeltelijk laat
verdwijnen.
OOK ONS LAND kent die strijd over
stijl-begrip bij Bach maar al te goed. Zij
het tegen een heel wat beperkter horizon
dan Ansbach kan vertonen. Hoe vaak zijn
de puristen al niet met hoge borst tegen
de niet eens meer volbloed-romantici van
vandaag in het strijdperk getreden? Om
daarna zelf weer vanwege hun niet hele
maal zuivere leer door anderen te zijn ge
laakt! Men kan er niet koud of warm
om worden. Het enige waarlijk efficiënte
middel om „dat verre, onbegrensde Licht"
een stapje naderbij te komen is zoals Ans
bach het nu al jaren doet. Laat ons in
eigen kring bescheiden zijn en toch vooral
niet denken: gaat het over Bach, dan zijn
we nog de minsten niet Natuurlijk: Tegen
een Matthaeus-Passion verering behoeft
geen zinnig mens te opponeren. Mits men
ze maar niet identificeert met Bach-cul-
tuur.