SIGNALEN VERZAMELDE WERKEN VAN DIRK COSTER DE ATOOMBOM EN HET DILEMMA Brieven Het Dagboek van de Heer van der Putten Litteraire Kanttekeningen ZATERDAG 19 AUGUSTUS 1961 Erbij PAGINA DRIE Bob Buys „EEN VOLKOMEN NIEUWE SITUATIE IS DOOR DE ATOOMBOM GESCHAPEN: DE GEHELE MENSHEID ZAL FYSIEK TEN ONDER GAAN, OF DE MENS ZAL ZIJN EIGEN ZEDELIJK-POLITIEKE TOESTAND VERANDEREN" Prof. Bernard Delfgaauw C. E. Dinaux verhevigen. De wereld die hij mint ligt in Parijs, in de parken daar en voor de etalages, en verder in het Zuiden, dat hij, nog kan zien als het mij niet altijd meer mogelijk is in een drukte als langs de Bou levard des Anglais te Nice. Dat laatste komt zekei ook omdat hij uiterst gevoe lig is voor het licht en het kleurenspel der badenden daaronder. Kleine aquarellen uit Nice trokken mij trouwens meer dan ge lijk werk van het Hollandse strand, dat hij toch meer in het voorbijgaan en in een toch nuchterder aandoend klimaat zag. Bijna had ik geschreven „harder" klimaat. Maar verscheidene zijner aquarellen doen verslag van een grote hitte en een bijna teveel aan licht, dat zijn figuurtjes derma te overstraalt, dat ze geestige kleurpuntjes in een geheel worden. KLEIN KAN een onderwerp lang uit putten, te lang soms en dan raakt zijn intensiteit uitgeput. Zo was het wel eens met zijn paardjes, verbeeldingen uit het circus maar niet van het circus voor op dit gebied meer deskundigen. Wanneer men zo als schrijver dezes wel van die kleine openluchtvoorstellingen 's avonds op een dorpsplein in Frankrijk meemaakte voelt men toch wel waar de aanleiding voor dergelijk werk kon liggen. Stranden met baders is een ander onderwerp dat typisch voor Klein is. We ontmoeten een werk van ouder datum, of in de geest van ouder werk, waarvan de tere kleur zo bijzonder kon zijn. Daarnaast blijkt uit aquarellen enigszins en uit kleinere olie verfjes iets duidelijker een vernieuwing, te danken aan een zich opnieuw bezinnen op de natuur. Kort na de oorlog mocht ik het meemaken dat Klein enthousiast bezig was met parken, waartoe de tuin van het Luxembourg hem de aanleiding was. Ook hiervan vinden we iets en ook met dit onderwerp zocht hij vernieuwing, die on der meer resulteerde in vijvers, waardoor men even aan Monet moet denken. En dan is er het onderwerp etalages, meestal van groenten- en fruitwinkels of bloemenwin kels. Klein werkt behalve in water- en olie verf ook in pastel en met tekenkrijt. Het zijn enkele kleine tekeningen, die ons dan even aan Seurat doen denken. WIE DEZE WOORDEN van Karl Jaspers kent, heeft er mogelijk aan gedacht, nu de wereld-situatie de laatste weken zo sterke en dreigende spanningen vertoont. Wij kunnen dit citaat in drie stukken knippen en ons dan af vragen, wat wij van de verschillende door Jaspers gefor muleerde stellingen moeten denken. „Een volkomen nieuwe situatie is door de atoombom geschapen." Wij zijn geneigd daarop te antwoorden met ja en neen. Ja, de atoombom is nieuw en daarmee is de militaire situatie van de wereld veranderd en daardoor weer de politieke situatie. Neen, want de atoombom is niet nieuw, voorzover zij een „verworvenheid" is van de natuur wetenschap, die in haar moderne vorm tot de zeventiende eeuw teruggaat. En het verschijnsel oorlog, waarin de atoombom haar rol heeft gespeeld en eventueel voorbestemd is opnieuw te spelen, is evenmin nieuw. Maar aldus praten wij met opzet langs Jaspers' bedoe ling heen. Zijn bedoeling blijkt uit het dilemma, dat hij laat volgen: fysieke ondergang van de gehele mensheid ofwel verandering van haar zedelijk-politieke toestand. Het is inderdaad nieuw, dat de mensheid voor een der gelijk dilemma wordt gesteld. Tot nu toe zijn in oorlogen talloze mensen omgekomen, in vele gevallen zijn zelfs volkeren geheel of gedeeltelijk uitgemoord. De nationaal- socialisten hebben een dergelijke moord tijdens de jong ste oorlog op het Joodse volk willen plegen en hun toeleg is tot op grote hoogte geslaagd. Maar toch blijft nieuw de situatie dat de mensheid zichzelf geheel of, laten wij zeggen, bijna geheel te gronde richt. Dit zal het gevolg zijn van een atoom-oorlog. De tijd vermindert hier het gevaar niet, maar vergroot het, doordat steeds vernietigender atoombommen vervaardigd worden. DIT IS DE ENE ZIJDE van het dilemma. Men kan vast stellen dat de mensheid tot nu toe haar fysieke ondergang niet gewild heeft. Daarmee komen wij aan de tweede zijde van het dilemma: de mens zal zijn eigen zedelijk-politieke toestand veranderen. Wat is de betekenis van deze stel ling? Het dilemma kan zo geformuleerd worden: Als de mensheid niet ten onder wil gaan, zal zij haar zedelijk- politieke toestand moeten veranderen. De aandachtige lezer merkt, dat Jaspers hier een zeer nauwe band legt tussen zedelijkheid en politiek, evenals de overigens door hem zo fel bestreden Marx dit doet. Wij kunnen nu zeggen: wij merken, dat de mensheid nog niet aan de atoombom ten onder is gegaan. Maar merken wij ook, dat de zedelijk-politieke toestand der mensheid verandert? En wij zijn geneigd hierop met een volmondig neen te antwoorden. Is er een andere, laat staan een hogere, verhouding te bespeuren tussen zedelijkheid en politiek dan vroeger? Is het niet steeds eigenbelang, dat de politiek drijft? Het eigenbelang van de natie, in veel gevallen zelfs dat van de kaste, de klasse, de groep of het naakte ik? Wij zouden daar tegenover willen stellen, dat men zich niet op een zijspoor moet laten brengen door de term eigenbelang. Er zyn vele vormen van eigenbelang: kortzichtige en verzichtige en tenslotte heeft ieder mens en derhalve ook iedere gemeenschap belang bij zichzelf, d.i. eigenbèlang. MISSCHIEN MAG hier even herinnerd worden aan een bekende passage uit het Matthaeus-evangelie: „En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om hem op de proef te stellen: Leraar, welk gebod is het grootste in de xget? En Jesus antwoordde hem: Gij zult de Heer uw God beminnen mét heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand. Dit is het grootste en eerste gebod. Maar het tweede is daaraan gelijk: Gij zult uw naaste beminnen zoals uzelf. In deze twee ge boden liggen de hele wet en de profeten besloten" (Matth. 22, 35-40). Het Christendom is bij uitstek de godsdienst van de mensenliefde. Maar men kan zich afvragen, of men niet dikwijls heeft heengelezen over de twee laatste woorden van het gebod: „Gij zult uw naaste beminnen zoals uzelf." Er is daardoor veelal een zekere tweeslachtigheid ontstaan. Men wil zichzelf vergeten omwille van de medemens, maar men kan tegelijkertijd zichzelf niet vergeten. Voorwaarde voor het beminnen van de ander is dat men zichzelf weet te beminnen. Het eigen ik komt niet n a het ik van de ander, maar het christelijk gebod schrijft voor er naar te streven, dat het andere ik zoveel mogelijk tegelijk met het mijne in mijn zorg deelt. KOMEN WIJ NU TERUG op de politiek, dan kan aan een concrete situatie duidelijk gemaakt worden, dat het geen hier gezegd wordt over de verhouding tussen indivi duele personen ook van de verhouding tussen gemeen schappen geldt. Wie Jaspers' boek over de atoombom leest, ziet zonder moeite, dat ons citaat uit dat boek op de zeer concrete politieke situatie slaat, waarin wij ons bevinden. Jaspers doelt op de actuele wereld-situatie, waarin twee vijandige blokken tegenover elkaar staan. Wat volgt nu, ten opzichte van deze vijandige verhouding, uit boven gegeven interpretatie van het evangelie-woord? Onbekend maakt onbemind. Dit geldt van de gewone tussen-menselijke relaties, maar het geldt ook van de rela ties tussen gemeenschappen. Er is het feit van de vijan dige houding tussen twee wereldblokken, maar neemt men het evangelie-woord ernstig, dan mag men in deze feitelijke situatie niet berusten, maar moet men trachten haar te boven te komen. Het evangelie-woord „gij zult uw naaste beminnen" legt ons de plicht op naar vermogen ervan ken nis te nemen, wat het andere wereldblok drijft, te trachten dit te begrijpen, te trachten tot een objectief oordeel over deze drijfveren te komen. Wij weten allen zeer goed, dat hier zelden sprake van is. Al wat „aan de andere kant" gezegd of gedaan wordt, is bij voorbaat al veroordeeld. Het beminnen van de naaste legt ons hier de positieve plicht óp te trachten tot begrip te komen. Maar er is ook het „zoals uzelf". Wij moeten ook trachten onze eigen diepste drijfveren te begrijpen, te begrijpen, waarom er ook van ons uit gezien een vijandige houding is, die in zekere zin onophefbaar is: Want onze drijfveren zijn nu eenmaal tot op zekere hoogte andere dan die van het communistisch blok. Zolang er ten aanzien van deze drijfveren tussen de beide wereld-blokken geen fun damentele overeenstemming mogelijk is, blijft de vijandige houding voor ons voortvloeien uit de noodzaak onszelf te blijven, onszelf lief te hebben. Bernardus Maria Ignatius Delfgaauw werd 24 november 1912 in Amsterdam geboren. Na de gymnasium-afdeling van het Ignatius- College aldaar te hebben doorlopen, studeerde hij Nederlands aan de Stedelijke Universiteit te Amsterdam met als bijvakken geschie denis en thomistische wijsbegeerte. In september 1939 deed hij doc toraal examen. Van 1939 tot 1952 was hij leraar Nederlands aan het Triniteitslyceum in Haarlem, van 1939 tot 1952 leraar Hebreeuws aldaar. In mei 1947 promoveerde hij op de dissertatie ,,Het spiri tualistisch existentialisme van Louis Lavelle". In november 1947 volgde zijn toelating als privaat-docent aan de Stedelijke Univer siteit te Amsterdam. Van 1948 tot 1952 was hij docent voor wijs begeerte aan het N.O.I.B. te Breukelen. Van 1952 tot '53 bestudeerde hij de fenomenologie, daartoe in staat gesteld door een stipendium van Z w.o. Van 1953 tot '61 was hij lid van de staf van de psychia trische inrichting Sint Willibrord te Heilo voor de vraagstukken der wijsgerige anthropologic. In juni 1955 deed hij doctoraal-examen wijsbegeerte met als bijvakken Nederlands en Hebreeuws. Van 1955 tot 1960 was hij hoofdassistent aan de Stedelijke Universiteit te Amsterdam, van 1960 tot 1961 wetenschappelijk ambtenaar aldaar. In mei van dit jaar werd dr. Delfgaauw bij K.B. benoemd tot gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte en de geschiedenis van de wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Behalve zijn bij de Noord-Hollandse Uitgeversmij. te Amsterdam in 1947 gepubli ceerde dissertatie, verschenen van zijn hand ,,Wat is existentialis me?" (1948, zelfde uitgever, 5e druk '59); „Beknopte geschiedenis der wijsbegeerte" (Het Wereldvenster, Baarneerste deel „Oud heid en middeleeuwen" (1950, derde druk 1956); tweede deel „De moderne wijsbegeerte" (1951. derde druk I960); derde deel „De hedendaagse wijsbegeerte"; voorts „Waarom filosofie?" (uitg. Van der Peet., A'dam 1953, derde druk '56); „De wijsbegeerte van de XXe eeuw" (vervangt Geschiedenis deel III - 1957, tweede druk 1961); Bewerking van prof. dr. F Sassen' „Wijsbegeerte van onze tijd" (vierde druk. Standaard-Boekhandel. Antwerpen 1957); „La philosophie hollandaise au XX-ième siècle in Les grands courants de la philosophie contemporaine" (Carlo Marzorati, Milaan 1959); „Teilhard de Chardin" (tweede druk, 1961); „Geschiedenis en Voor uitgang"' deel I ..Het ontstaan van de mens" (1961). De belang stelling van prof dr B M. I. Delfgaauw gaat vooral uit naar de filosofie der geschiedenis. DOCH MEN MAG op grond van het gebod der naasten liefde nooit bij een vijandige verhouding als zodanig blijven staan. De poging tot begrip kan in beginsel leiden tot begrip en begrip tot waardering van de ander of de andere ge meenschap. Een dergelijke beweging naar begrip en waar dering zal steeds tweezijdig moeten zijn, maar de weten schap ontslaat ons niet van de plicht aan onze zijde alles te doen wat mogelijk is, ook al zou men de indruk hebben, dat er aan de andere zijde geen enkele poging in die rich ting wordt gedaan. Het hier gestelde impliceert tenslotte, dat alle streven naar ontwapening gesteund moet worden, maar eenzijdige ontwapening irreëel is, ontkenning van een werkelijk be staande vijandschap en daarmee onbedoelde uitlokking van oorlog. Wat valt er na deze ogenschijnlijke omweg te zeggen over de opgeworpen vraag, of de zedelijk-poli-ieke toe stand der mensheid verandert? In eerste instantie waren wij geneigd hierop met neen te antwoorden. Wij hebben gemerkt, dat wij voorzichtiger moeten zijn. Eigenbelang is als zodanig immers niet onzedelijk. Dat iedere gemeen schap voor haar eigen belang opkomt, i- derhalve redelijk en zedelijk. Het gaat er slechts om, of het belang van de ander in dit eigenbelang ook een plaats kan krijgen. Nu is het waarschijnlijk, dat het de doorsnee-Westerse poli. ticus de individuele Rus of Chinees even weinig interes seert als het omgekeerde het geval zal zijn. Vermoedelijk hadden wij reeds lang een verdelgingsoorlog meegemaakt als één van beide partijen de mening was toegedaan, dat hij de andere partij zonder beslissende schade voor zichzelf kon elimineren. De wereldsituatie is nu echter zo gewijzigd, dat geen van beide partijen de andere partij kan elimi neren zonder tegelijk zichzelf te liquideren. MET DE ZEDELIJKHEID heeft dit het volgende te maken: het eigenbelang is voorzichtiger geworden. Men heeft in de geschiedenis nooit geschroomd een ander volk te verdelgen, wanneer men daartoe de mogelijkheid had. Er zou geen verschil, laat staan vooruitgang in politieke zedelijkheid zijn, als de zedelijkheid enkel een kwestie van bedoeling, van intentie, zou zijn, zoals Kant heeft gesteld. De zedelijkheid is echter evenzeer een zaak van feitelijke situatie en feitelijk handelen. Jaspers heeft het dilemma gesteld, dat het gaat om de fysieke ondergang van de mens heid ofwel om verandering (vooruitgang) van haar politiek- zedelijke toestand. In het bovenstaande ligt een aanwijzing, dat de mensheid haar eigen ondergang afwijst en de weg kiest van verandering van haar politiek-zedelijke toestand. aan het idealisme (in de beste zin van het woord) dat hem letterlijk bezielde. Maar terwijl Just Havelaar, zijn zeven jaar ou dere mede-redacteur, dieper geworteld in de geestesgesteldheid van betrekkelijk hoopvolle jaren, nog harmonieus, nog on verdeeld in zichzelf kon zijn, moest de pro blematische Coster zich strijdend hand haven in een al meer ontredderde wereld, die een humanisme als door hèm beleden nauwelijks nog duldde of wars bestreed. Vandaar zijn isolement, zijn kwetsbaar heid, zijn krampachtigheid, zijn zelfstrijd, zijn standvastigheid ook. Hij week niet, Coster, en dat was zijn kracht en tevens zijn eenzijdigheid, waarvan de brieven uit zijn levensjaren onmiskenbaar blijk geven. Van de jongere „harde" generatie ontging hem ten enen male de dringende en baanbrekende noodzaak van hun an ders-zijn, in de toenmalige jongsten (van 't Reve, Hermans) zag hij niets dan moed willige ontluisteraars. Alleen ten aanzien van Anna Blaman heeft hij betrekkelijk kort voor zijn heengaan ridderlijk zijn standpunt herzien. MOEST IK NA MIJN lectuur van „Het Dagboek van de Heer van der Putten kie zen tussen Du Perron en Coster, dan zou ik hoewel niet onvoorwaardelijk aan de kant van de eerste staan. Maar er is van keuze geen sprake indien men Cos- ter het volle recht geeft om Coster te zijn en de waarde erkent die zijn werk als per soonlijk en eerlijk getuigenis hoe dan ook vertegenwoordigt. Coster was in het ge heel van stroming en tegenstroming een verzet uitlokkende, maar ook een mede bepalende kracht, een vernieuwer ln die zin dat hij als eerste zich wei-gefundeerd kant te tegen de schoonheidsverheerlijking van de Tachtigers, waarin hij in Ter Braak een medestander gevonden zou hebben als zijn levensovertuiging hem niet (conse quent trouwens) een ethisch estheticisme had doen aanhangen dat voor het Forum- radicalisme in beginsel onaanvaardbaar was. AAN EEN LATERE tijd zal het gege ven zijn onbevooroordeeld Gerard Bruning de Forum-groep en wie zich verder tegen Coster keerde, af te wegen tegen de man die was die hij was, schreef zoals hij was en er in zijn waarachtigheid voor paste om een onwaarachtig compromis aan te gaan. De bezwaren, die ik tegen de volgor de van verschijnen aanvoerde zullen dan niet meer van kracht zijn. En wat de on bevredigende publicatie van de „Brieven" aangaat: een aanvulling van het ontbre kende en eentekstverklaring alwaar no dig zullen dan, mag men hopen, wel hun beslag hebben gekregen. miskend zijn, hij mag zijn bestreden om alleszins verklaarbare redenen maar op lang niet altijd aanvaardbare wijzen, zijn - - eer bleef onaangetast, want Coster was, tV D[ J^\| I t- V/ A |\J LU k L [\l hoe men ook over zijn „humanisme" LAlV^/OI I I L. V I N I l\ I I l\LLI I denkt, een integer man, even onbuigzaam achter zijn menselijke en litteraire over tuiging staande als zijn tegenstanders met name Du Perron en Ter Braak achter de hunne. Deze noodzakelijke re valuatie van zijn ware betekenis als ge tuigend schrijver en van de plaast die hij als zodanig in onze letteren inneemt wordt door de gekozen volgorde van verschijnen niet in die mate bevorderd als een ob jectief beoordelaar gewenst had. Het beeld van Coster, dat men veelal voor ogen heeft, werd voor een niet gering deel be paald door het stempel dat de Forum mannen om van de napratende Forum epigonen maar te zwijgen als een merk teken op hem gedrukt hadden: Coster gold als de exponent van ik citeer Du Perron „de Aanstellerij, de Dikdoenerij, die zo dikwijls Kunst heet"; van de hoog gestemde schrijftoon, de ethische zwaar wichtigheid, de zedeprekende mooischrij verij kortom: hij stond te boek als de „overschatte litterator met de ziel van een heilsoldaat". Dat deze weinig elegante kwalificatie van de kant van de Forum mannen begrijpelijk was, dat Du Perron en Ter Braak krachtens hun overtuiging stelling namen tegen het ethisch-estheti cisme, het ondogmatisch-religieus en hu manistisch-sociaal humanisme van Coster, is echter niet beslissend voor de plaats, die Coster in het gehéél van onze letteren inneemt. De criticus-essayist Coster, de schrijver van de „Marginalia", de inlei der van „Nieuwe Geluiden", was éven zeer een ferment van een gistende tijd, een overgangstijd, waarin de ja's en neens op elkaar móésten botsen in een onvermijde lijke krachtmeting. DES TE VERHEUGENDER zou het ge weest zijn als de eerst-verschijnende de len van Costers levenswerk waren inge leid met een litterair-historische, zakelijke verkenning van de stromingen die het „lit teraire aangezicht" sinds het catastro- faal-beslissende jaar 1914 bepaalden, èn als de inhoud van deze vier delen represen tatief was geweest voor de creatieve bij drage daartoe, die op rekening van Cos- ter moet worden gesteld, zodat al dade lijk een einde was gemaakt aan de gru- wel-legende van de Du Perronse „moord" en de Ter Braakse „uithongering". Wat het eerste betreft: de inleidster van de „Brieven", Henriëtte L. T. de Beaufort, heeft gemeend te kunnen volstaan met een lofzang, die aan de karakteristiek nauwe lijks, en aan een objectief-litteraire plaats bepaling in het geheel niet toekomt, en voldoende wordt aangevuld door de rede die Anthonie Donker (Prof. dr. N. A. Don kersloot) bij Costers erepromotie aan de Amsterdamse Universiteit uitsprak en uiteraard in de niets dan lovende toon gesteld was. En wat het verzameld brief- materiaal zelf aangaat: al ontbreekt iede re verantwoording van het bij de schif ting aangelegde criterium, het feit alleen al dat de correspondentie wie weet in welke mate onvolledig is en dat er in de wèl-opgenomen brieven coupures aan gebracht zijn („nog geen twaalf regels", verklaart de inleidster, zonder nadere aan duiding), laat alle ruimte voor een twij fel aan een volstrekt authentieke gelijke nis van het aldus opgeroepen „beeld" met het origineel-Coster. DE BRIEVEN van de corresponderen de „wederpartijen" werden niet opgeno men, zodat talrijke briefpassages in het VIJF JAAR NA HET overlijden van Dirk Coster zijn bij A. W. Sijthoff de eer ste vier delen verschenen van zijn twaalf delige Verzamelde Werken, die worden uit gegeven onder toezicht van Henriëtte L. T. de Beaufort, Mevrouw M. C. Coster-Van Kranendonk, Prof. dr. N. A. Donkersloot, prof. dr. P. Minderaa en dr. P. H. Ritter jr. Drie ervan zijn gewijd aan door Coster in de jaren 1905-1956 geschreven brieven, het vierde omvat het nog onuitgegeven „Dagboek van de Heer van der Putten", door de auteur als „het werk van zijn le ven" beschouwd. Het zal wel op goedge meende gronden berusten dat de volgor de van publikatie aldus is bepaald: de correspondentie als „ingang" (zoals het prospectus het wat minder gelukkig for muleert), het Dagboek als een bezonnen samenvatting van Costers levensbeschou welijke overtuiging een rekenschap van zichzelf aan zichzelf. De delen zijn niet ge nummerd, een ieder zal ze dus mettertijd kunnen rangschikken zoals het hem goed dunkt. Maar de eerste indruk van een herverschijnend oeuvre, dat zoveel jaren door een samenloop van tragische omstan digheden gedoemd was om buiten de cir culatie te blijven, van een oeuvre dat zo buiten proporties geprezen en zo buiten proporties bestreden werd, wordt onvermij delijk beïnvloed door hetgeen daarvan het eerst weer het licht ziet. Coster verdient, en dat is mijn stellige overtuiging, meer dan enig ander van zijn 'generatiegenoten een herwaardering. Ik wil niet van een eerherstel spreken hij mag ten dele vage blijven en soms in het geheel niet te begrijpen zijn en, wie weet, tot „mis verstanden" kunnen leiden, waaraan het Dirk Coster allesbehalve heeft ontbroken. Samenvattende voetnoten zouden de nodi ge opheldering hebben kunnen geven. Lang niet alle brieven zijn bovendien van vol doende betekenis voor een „ingang" tot het werk en de persoon van Dirk Coster: de overmaat van „huishoudelijke atmos feer" is nu juist niet datgene, waaraan een objectief beoordeelaar van Costers even achtenswaardige als belangrijke fi guur behoefte voelt. Conclusie: de keuze viel enerzijds te beperkt, anderzijds te om vangrijk uit. Maar men zal het er voor onafzienbare tijd mee moeten doen dat is nog het begrotelijkste van al! HET BEGELEIDENDE prospectus is nu ook niet bepaald geschikt om de door de Forum-aanvallen gekweekte geprikkeldheid weg te nemen en anderzijds te rechtvaar digen. De anonieme steller van de aanbe velende tekst, die toch geen onbevoegd- de geweest kan zijn, zal moeilijk kunnen ontkennen dat hij de litteraire historie ge weld aandoet met de verklaring dat „on ze letterkunde zou zijn verstard tot een epigonistisch esthetisme en tot een uit zichtloos realisme" als hij, Coster, niet was gekomen! Zelfs voor een oppervlak kig kenner van onze letteren sinds 1910 het jaar waarin Coster het tegen Kloos opnam behoeft een dergelijke onhoud bare uitspraak geen weerleggend commen taar. En dat Coster „onze leidsman" ge weest zou zijn „bij het begrijpen der (sic!) klassieke Franse en Russische werken der letterkunde" is een bewering, die in haar stelligheid voor zeer weinigen aanvaard baar zal zijn. Over Flaubert en Stend hal, over Tolstoi en Dostojewski zal men aan Coster een onderlegde en slagvaar dige gesprekspartner kunnen hebben, te genover wiens interpretatie van de uitver koren klassieken men gaarne de zijne stelt; maar een leidsman neen, daar voor was Coster, waar het op interpreteren aankwam, te persoonlijk-eenzijdig, hetgeen alleen maar de een- en ondeelbaarheid van zijn levensbeschouwing bevestigt. IN OUDERKERK vindt men langs de Amstel een trits terrassen met heerlijk uitzicht op het oude dorp, dat in de vorm van vandaag nog model zou kunnen zijn voor Rembrandt's tekeningen. Verscheide ne restaurants maken het ons mogelijk eens elders te eten dan „in de stad". In een dier restaurants leidt de te Ouder kerk gevestigde tekenaar Bantzinger nu sinds enige maanden een kunstzaal op de eerste verdieping; buiten de drukte van café en restaurant. Hij begon zelf met een expositie in „De Paardenburg", die helaas aan mijn aandacht ontsnapte. Na hem traden daar op de door mij wel meer besproken schilders Sierk Schroder en Matthieu Wiegman. Het begint daar een Een in 1935 door Otto B. de Kat geschil derd portret van Dirk Coster, die in dat jaar van Bennebroek waar hij geruime tijd had gewoond terugkeerde naar zijn geboorteplaats Delft. LEIDER, UITDAGER van een idee, rich ting-gever, was hij als redacteur van „De Stem", en als zodanig alleen naar volle waarde te schatten als men het historisch moment in aanmerking neemt, dat zijn levensbeginselen beslissend beïnvloedde: het tijdperk tussen twee oorlogen, dat aan vankelijk nog een kans scheen te geven TOT 10 SEPTEMBER exposeert in „De Paardenburg" de Parijse Nederlander Frits Klein, in Parijs ook wel Fred Klein genoemd. Men komt zijn werk hier niet zo IK BEVEEL sommige werken van Klein met overtuiging aan. Want een „Klein" kan een goed bezit zijn, kan onze prettig ste herinneringen symboliseren en weer „Jardin Albert Prince te Nice" van Frits Klein. beetje te lijken op een artistiek centrum. De Nederlandse Pen-Club heeft ook zekere voorkeuren voor Ouderkerk, voor een deel liggend in de gemeente Ouder-Amstel, voor het nu voor ons belangrijke deel in de gemeente Nieuwer-Amstel, de laatste ja ren uitblinkend door een voorbeeldige be langstelling voor beeldende kunst. bar vaak tegen. De laatste keer exposeer de hij in Amsterdam; eerder zag ik zijn werk in Den Haag, waar veel me wat te genviel, hetgeen ik vermoed te moeten wij ten aan persoonlijke moeilijkheden van de ze hardwerkende schilder, die het in de Parijse artistieke leeuwenkuil echter toch nog wonderwel weet uit te houden. Als men zijn werk enigszins wil situeren dan denkt men aan namen als Seurat, Bon- nard, Redon en thans ook Monet. Men zie dit niet als een vergelijking verder, die misschien wat te flatteus zou zijn. Klein heeft trouwens zoveel eigenheid en is be langrijk door een uitzonderlijkheid op ni veau. Zijn werk kenmerkt zich door een grote gevoeligheid in kleur en materiaal behandeling. Hij loopt bij het vele produ ceren dan wel eens het gevaar iets te mo dieus te worden in zijn voordracht, het geen bij de lieve charme, die hem eigen is, iets salonachtigs aan sommige zijner produkten meegeeft.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 13