de rand van Bremen
Moderne tuinstad aan
DE DODENLIJST VAN
ADRIAN MESSENGER
wsm
Polle,
Pelli en
Pingo
Het Ëeheïrn van de vuurtoren
Ons vervolgverhaal
PANDA EN DE MEESTER-OPHEFFER Verband tussen polio-
„golven" en daglengte?
MAANDAG 2 OKTOBER 1961
PHILIP MACDONALD
Oorspronkelijke titel:
The list of Adrian Messenger
Hapje natuur
Geen plaats voor privacy
'U
CO». MAtlfl
x+
2021 Weet u wie dat kan zijn? vroeg
Ben.
De vuurtorenwachter keek naar bene
den.
O, die? zei hij nadenkend. Tja hij
is mij ook al opgevallen. De man met de
zwarte baard!
Kent u hem, meneer Blok? vroeg
Dolf.
Nee Ik zou niet weten wat dat
voor 'n rare sinjeur is. Hij loopt hier veel
in de omtrek, maar wat hij er eigenlijk
voorheeft weet ik niet.
Ik vind 'm een griezelige vent! zei
Ben. Hij groet nooit, maar hij kijkt je tel
kens aan met die scherpe ogen, als hij
voorbijgaat!
Ik vind 't ook een vreemd soort man,
gaf meneer Blok toe. Zou 't eigenlijk wel
een Hollander zijn?
(Van onze correspondent)
50)
„En daar had je volkomen gelijk
in," zei Anthony. „Volkomen." Hij
glimlachte tegen de jongen. „En ik
11 zou je willen vragen er ook verder
met niemand over te praten." Hij
I hield de blik van de jongen vast. „Niet
tot we iets zeker weten. Niet tot ik je
er toestemming voor gegeven heb."
Hij pauzeerde om dit te laten bezin-
ken. „Begrepen?"
„Natuurlijk meneer!"
„Goed," zei Anthony. „Dan moet
ie me «u eens vertellen hoe ik bij
die oude steengroeve moet komen."
„Het is geen steengroeve, mijnheer.
Alleen maar een oude grintkuil, die
niemand meer gebruikt."
„Die grintkuil dan. Kan ik er met
de auto heen?"
„Heel gemakkelijk, mijnheer." De
jongen gaf hem helder en bondig uit
leg.
„Dank je wel," zei Anthony. „Dat
is prachtig." Hij draaide zich weer
om naar het huis. „Ga je mee terug?"
Lord Saltmarche liep kordaat met
hem mee. Hij zei: „Maar., maar,
gaat u dan niet naar Straker, mijn
heer?"
„Dat hoeft niet meer." Anthony
schudde zijn hoofd. „Die moeite heb
je me bespaard.
Ze bereikten het huis, renden het
bordes op en stonden even later drui-
pend in de grote hal. Lord Saltmar
che trok zijn jas uit en deed zijn muts
I af, maar Anthony volgde zijn voor-
beeld niet. In plaats daarvan keek hij
I naar de jongen en zei: „Zou je nog
wat voor me willen doen?"
„Graag, mijnheer." De grote ogen
keken weer naar hem op.
„Om te beginnen dit," zei Anthony,
vraag Raoul Saint-Denis even of hij
hier bij me wil komen." Hij pauzeer
de. „Het tweede betreft jezelf. Zou je
me, zonder vragen te stellen, willen
beloven dat je vanavond niet buitens
huis komt?"
„Goed mijnheer." De ogen van de
jongen waren nog steeds op hem ge
richt, en ze deden hem onweerstaan-
baar aan zijn eigen zoon denken
Het was half zeven toen hoofdre
chercheur Glidden van de politie in
i Medeshire op de stoep voor het poli-
1 tiebureau in Deyming stond en zich
klaarmaakte om vlug naar de Red
Lion aan de overkant te gaan voor een
snel maal. Met ergernis keek hij toe
hoe de regen op de zwarte weg sloeg.
Hij trok zijn hoed naar beneden en
knoopte zijn jas dicht, toen juist een
grote lage Voisin voor het bureau
verscheen.
Twee natte mannen, met modder
spatten bedekt, klommen eruit en
plasten over het trottoir. De eerste,
die lang en mager was, zei tegen
hem: „U ziet er uit als hoofdrecher
cheur Glidden. Ik ben Gethryn." Hij
maakte een gebaar in de richting van
zijn reusachtige metgezet: „Mijn
vriend, Saint-Denis."
Glidden nam ze mee naar een klein
kantoor aan de achterkant van het bu
reau, waar Anthony Gethryn zichzelf
identificeerde terwijl de grote Frans
man zich bij het kleine vuur wat ging
drogen.
Anthony zei: „We zijn juist in die
grintgroeve geweest om naar het lijk
van het paard van lord Gleneyre te
kijken."
„Ja mijnheer?" Gliddens toon was
voorzichtig vragend.
„Ik ben rechtstreeks hierheen ge-
komen om u opheldering te geven."
i Anthony ging op een hoek van het le-
ge bureau zitten. „Ik had heel erg het
j gevoel dat u en uw mensen konden
j denken dat het idee dat er sprake zou
zijn van moord fantasie van Sir Eg-
bert Lucas was. Daarom heb ik wat
bewijsmateriaal voor u meegebracht."
„Bewijsmateriaal, mijnheer?" Er
gens achter de pummelachtige uit-
drukking die hij zich in de loop der
j jaren had aangewend, was Glidden
gespannen.
Anthony maakte zijn doorweekte
I met modder besmeurde jas open. Hij
zocht in zijn zakken en haalde een
witte enveloppe te voorschijn. „Hierin
zit het," zei hij en pauzeerde. „Maar
voor ik het laat zien, moet u me eerst
eens vertellen of u niet gedacht hebt
dat het knallen van die auto de oor-
zaak is geweest van het schrikken en
uitglijden van het paard."
Glidden veroorloofde zichzelf een
glimlach. „U zult moeten toegeven,
meneer, dat dat waarschijnlijk lijkt."
Anthony opende de enveloppe, boog
zich over het bureau en schudde twee
harde kristalachtige korreltjes op het
vloeiblad. Hij zei:
„Wat zijn dat volgens u?"
Glidden keek ernaar en voelde er
aan met zijn vinger. Ze zagen eruit
alsof ze oorspronkelijk wit waren ge
weest, maar naderhand verkleurd
waren, niet alleen door vuil, maar
ook door onderdompeling in een rood
achtige vloeistof. Hij zei, meer op zijn
hoede dan ooit: „Een soort kristal
len?"
„Stellig." Anthony deed ze weer in
de enveloppe, die hij daarop sloot. Hij
haalde een potlood uit zijn zak en
schreef iets op de enveloppe. Hij zei:
„Kristallen klipzout. Verwijderd uit
de opperhuid van het voormalige lie
velingspaard van lord Gleneyre, Pad-
bury." Hij schoof de enveloppe over
het bureau. „De opperhuid dicht bij
de staart. Ik heb nog meer gevonden,
maar de korreltjes waren bijna opge
lost. Waar ze dieper doorgedrongen
waren had de lichaamswarmte ze
doen smelten voor het bloed koud
werd. Mijnheer Saint-Denis is er ge
tuige van geweest dat ik ze vond."
Hij wees op de enveloppe. „Dit is een
zaak van Medeshire, en u kunt dat
dus beter nagaan. Maar zonder veel
ruchtbaarheid, als u begrijpt wat ik
bedoel."
Glidden had zijn wenkbrauwen ge
fronst. „Klipzout?" Het was duidelijk
dat hij nog niet begreep wat er aan
de hand was.
Anthony zei: „Een oude truc van
boeren, Glidden. Ze maken er ge
bruik van om te voorkomen dat hun
boomgaard geplunderd wordt. Ze
schieten er mee in plaats van met ha
gel. Het is betrekkelijk ongevaarlijk,
maar doet extra veel pijn."
„Het was dus die sportauto!" Glid
dens verbazing werd vervangen door
een andere.
„Ja. En de knallen van de motor
dienden om het schot onhoorbaar te
maken." Anthony ging bij Raoul bij
het haardvuur staan. „Een schot," zo
voegde hij er langzaam aan toe, „dat
werd afgevuurd door iemand die heel
wat moeite moet hebben gedaan om
precies achter de gewoonten van Gle
neyre te komen, en dat nog wel kort
geleden."
Glidden sloeg met een vuist in de
palm van zijn andere hand. „Bronson!'
zei hij. „D. Bronson uit Vancouver."
Hij toonde meer opwinding dan hij
zichzelf doorgaans veroorloofde. „U
weet dat de Yard ons gevraagd heeft
inlichtingen in te winnen over vreem
delingen die de laatste tijd in de buurt
geweest zijn, mijnheer? Wel, de eni
ge die we konden vinden is een week
geleden vertrokken. Maar ik heb alle
gegevens over hem. Ik heb alles wat
ik te weten kon komen over hem een
half uur geleden al doorgebeld aan
commissaris Pike op de Yard. Ik zal
het u nu ook vertellen. Die man heeft
van woensdagavond twee weken gele
de, tot afgelopen maandag in de
„Gleneyre Arms" gelogeerd. Hij had
zijn kamer eerst telefonisch bespro
ken voor de zondag daaraan vooraf
gaande. Hij belde toen op vanuit het
Gainsborough Hotel in Birmingham.
Maar daarna belde hij weer vanuit
Londen om te zeggen dat hij intussen
nog iets af te wikkelen had gekregen
en dat hij in plaats daarvan woens
dag wilde komen."
Op dit ogenblik zweeg hoofdrecher
cheur Glidden, plotseling, geschrok
ken van een krachtige vloek van zijn
geachte bezoeker, generaal Gethryn.
Hij zei onzeker: „Is er iets?"
„Nee," zei Anthony, „ga verder."
De vloek was een verwensing ge
weest gericht aan het adres van Ma
deleine Bixby van het persknipselbu
reau Updyke en Wallace. Want nu zag
hij hoe het gegaan moest zijn. Vanuit
Birmingham was George-Swaab-Smith
Brown-Jones, na zichzelf de rol ge
geven te hebben van D. Bronson uit
Vancouver, op weg getogen naar Dey
ming voor zijn actie tegen Gleneyre.
(Wordt vervolgd)
„Ben jij ook Vahraoon?", zo vragen sinds enige tijd
de burgers van Bremen elkaar. En daarmee maken ze
geen toespeling op het lidmaatschap van een geheime
sekte, maar op de nieuwe stadwijk Neue Vahr. In vier
jaar is deze nieuwe wijk met zijn 10.000 woningen,
woonruimte biedend aan 40.000 mensen, uit de grond
gestampt. Bremen, de kleinste deelstaat van de West-
duitse Bondsrepubliek, heeft daarmee het grootste ge
sloten stedebouwkundige project tussen Rijn en Elbe
verwezenlijkt. Ongeveer 400 miljoen mark heeft de
realisatie gekost. Dit bedrag is niet alleen uit de Bre-
mense gemeentekas gekomen. Hypotheekbanken, ver
zekeringsmaatschappijen en spaarkassen hebben vele
steentjes aan de bouw bijgedragen. Uitgevoerd is het
hele project door de „Gewoba" (Gemeinnützige Woh-
nungsbaugesellschaft), die in Bremen een bouwmono-
polie bezit. Grote man in de Gewoba is de vakvereni
gingsleider Richard Boljahn, voorzitter van de socialis
tische fractie in de Bremense gemeenteraad.
Prof. J. J. van Loghem sr. oud-hoogle
raar in de hygiëne aan de universiteit van
Amsterdam, heeft in het Engelse medische
weekblad „The Lancet" mededelingen ge
daan over het mogelijke verband tussen de
seizoenschommeling van poliomyelitis (kin
derverlamming) en de periodiciteit van de
daglengte. Uit zijn studie blijkt dat het
jaarlijkse epidemische begin van de polio
zich over een groot gedeelte van beide
halfronden ongeveer gelijktijdig openbaart,
namelijk in de periode waarin de dagen
langer beginnen te worden dan de nachten.
Na de verdere epidemische ontwikkeling
in de zomer, neemt de ziekte in de loop
van de winter geleidelijk af en bereikt te
gen het begin van de volgende lente op
nieuw een laagtepunt, dat tevens het be
gin van de volgende seizoens-epidemie
markeert.
De veronderstelling dat er verband zou
zijn tussen de seizoenschommeling van de
kinderverlamming en de daglengte wordt
gesteund door prof. Van Loghem's studie
van poliomyelitis-cijfers uit landen bij de
evenaar. Binnen de keerkringen, waar het
lengteverschil tussen dag en nacht gering
is, komen periodieke seizoenschommelingen
van poliomyelitis niet voor.
62. Nu moeten we intussen wel eens even gaan zien,
hoe het staat met de heer Archibald Brauswasser, de
bekwame decorverhuurder. Wel, het doet ons genoegen
vast te stellen dat hij zich nu eindelijk die zwak-opwek-
kende drank heeft verschaft waar hij zoveel over heeft
gesproken en dat hij zich deze goed laat smaken. „En,"
zo vroeg zijn gastheer. „Hoe gaat het tegenwoordig met
de decorverhuurderij„Niet slecht," antwoordde de
kunstenaar. „De zaak is nogal levendig." Nu, dat was
hij inderdaad. Deurwaarder Wrongelsma en de inspec
teur waren namelijk van mening, dat ze genoeg bewijs
materiaal in handen hadden om tot een arrestatie over
te gaan, en zij kozen daartoe de kortste weg. De heer
Nagelbeen volhardde in zijn somber lachen, maar Joris
zag hun binnenkomst niet graag. „Ik hoop," zei hij be
leefd, „dat de heren me willen verontschuldigen, maar
ik herinner me zojuist dat ik elders nog een dringende
afspraak heb. Zo sprekend draafde hij, de geld-tas
stevig vastgrijpend, de hal in maar ookdaar doem
den onwelkome bezoekers op. De deur had het name
lijk onder de aandrang der dienders begeven. „Ei, ei,"
mompelde Joris bezorgd. „Laten we hopen dat de heer
Brauswasser zijn handelswaar verstandig verzekerd
heeft!"
44. „Wees niet boos, Polle", zegt de slokop, „maar ik heb die klei op
gegeten; ik had honger!" „Hoor eens eventjes", bromt Polle, „honger of
niet, je moet geen huismuren opeten! Dat is slechtgemanierd, weet je dat?"
„En nu uit onze ogen! Je houdt ons niet alleen van het werk, maar je eet
ons werk nog op ook!"
NEUE VAHR heeft niet alleen een so
cialistische maar ook een sociale achter
grond. Alle burgers van Bremen dragen er
namelijk toe bij om de huren in de nieu
we wijk laag te houden. Dertig miljoen
mark moet het land Bremen jaarlijks op
brengen om de huren op 1,18 mark per
vierkante meter vast te leggen. Voor elek
triciteit en verwarming komt daar nog 20
pfennig per vierkante meter bij.
Een paar cijfers om de omvang van het
nieuwe stadsdeel te schetsen: er zijn 786
eengezinshuizen gebouwd, 5800 flatwonin
gen in gebouwen met drie tot vijf verdie
pingen, 2454 in achtverdiepingenflats en
717 woningen in woontorens van veertien
verdiepingen.
Het profiel van Neue Vahr wordt tenslot
te bepaald door een wolkenkrabber van 22
verdiepingen, waarin 189 een-kamerwonin
gen zijn. Dit 67 meter hoge gebouw is een
ontwerp van de Finse architect Alvar Aal-
to. Het gebouw heeft een rondlopende ge
vel, die gericht is naar het westen en het
zuidwesten. Op deze manier kunnen de wol
kenkrabberbewoners na afloop van hun
werk op het balkon van het avondzonnetje
genieten.
In vier jaar tijd heeft Bremen, de
kleinste deelstaat van de Bondsrepu
bliek, de nieuwe stadswijk Neue Vahr
uit de grond gestampt. De foto geeft
een overzicht van de 10.000 woningen,
waarin 40.000 mensen een onderdak
vinden.
Ongeveer 400 miljoen mark heeft dit
grootste stedebouwkundige project van
de Bondsrepubliek gekost. Resultaat:
ultra-moderne gebouwen in een hap
je natuur", gevormd door brede groen
stroken.
NIET ALLEEN aan het zonnetje is ge
dacht. Op alle mogelijke manieren heeft
men gepoogd het dagelijkse leven van de
40.000 „Vahraonen" zo prettig mogelijk te
maken. Er zijn speelplaatsen voor de kin
deren, centraal gelegen winkelwijken, ker
ken van alle religies, bioscopen en ont
spanningscentra. Daar alleen de 786 een
gezinshuizen een klein tuintje hebben heeft
men voor de flatbewoners voor een hapje
natuur gezorgd door overal brede groen
stroken aan te leggen. Het hoogtepunt in
deze vrije natuur-cultuur is gevonden in
een kunstmatig aangelegd meertje.
Het verschil tussen Neue Vahr en de
tuinsteden uit de dertiger jaren is groot.
Vijfentwintig jaar geleden legden de archi
tecten zich toe op het bouwen van gezel
lige villawijken. Door bomen omzoomde
laantjes met van elkaar verschillende vil
laatjes waren het ideaal. Men bouwde in
de eerste plaats een wijk, waarin geleefd
kon worden.
Neue Vahr daarentegen is een woon- en
slaapstad. De afwisselend hoge en lage hui
zen geven de wijk een typisch stedelijk
profiel. Niet langer is het ideaal elk ge
zin een eigen woning en een eigen leven te
bezorgen,-TtTaar-tfe-'bt-.l-aiigi ijkste- ttoelstel---
van een 40.000-koppige
familie. Een familie van werkbijen, die
's morgens uitzwermen om 's avond terug
te keren in de veilige gemeenschapskorf
er is iets benauwends aan deze nieuwe
stad. Huxley's ..Brave new world" lijkt
al half werkelijkheid geworden, ook al
komen de kinderen nog ter wereld in het
plaatselijke ziekenhuis en niet uit flessen in
het laboratorium. Voor privé-leven, een
eigen smaak, eigen ideeën lijkt nauwe
lijks meer plaats.
DIT NEGATIEVE aspect heeft de stad
echter alleen voor die ouderwetse en ro
mantische zielen die zich maar moeilijk
weten aan te passen aan de eisen van de
moderne samenleving. Voor de twintigste
eeuwer, die zich heeft afgewend van het
romantisch individualisme moet Neue
Vahr een paradijs zijn. De wijk is licht
en zonnig, zakelijk koel en uitnodigend te
gelijk. Aan comfort is ^literaard geen ge
brek. De verwarming is gemeenschappe
lijk geregeld. Een enorme lelijke schoor
steen neemt de plaats in van duizenden
onpraktische, maar vaak toch ook pitto
reske dakruiters. Voor Sinterklaas is er
weinig werk aan de winkel..
DE NIEUWE TUINSTAD is zonder twij
fel een reden tot trots voor de stad Bre
men. Zowel uit architectonisch als sociolo
gisch oogpunt is de bouw van Neue Vahr
een unicum. De burgers van Bremen heb
ben daarmee bewezen dat zij nog steeds
tot de meest vooruitstrevende van Duits
land gerekend moeten worden. Het is aan
de andere kant niet verwonderlijk dat een
moderne, onromantische Duitse mens in
de eerste plaats gevonden wordt in een
Hansest.ad, waar middeleeuws mysticisme
en negentiende-eeuwse romantiek allang
verdreven zijn door een koel en zakelijk
koopmansschap. Toch moeten wij er niet
aan denken dat deze koele zakelijkheid
zich zo ver door zou kunnen zetten dat zij
het historische Duitsland gaan verdringen.
Gelukkig heeft ook Bremen nog zijn stads
kern vol oude gebouwen. Voorlopig ziet
het er naar uit dat de nieuwe, kleurige
woonparadijzen nog verbannen zullen blij
ven naar de buitenwijken. Een binnenstad
stelt immers andere architectonische en
sociologische eisen dan die waaraan de
woon- en slaapwijken als Neue Vahr kun
nen beantwoorden. Dat betekent echter
ook dat velen elke dag een lange tocht
moeten maken naar elders gelegen werk.
Voor de Vahraonen is dat inderdaad al een
probleem, want de haven en de industrie-
en van Bremen liggen juist aan de andere
kant van de stad.
EEN GEDACHTE die bij ons tijdens
een wandeling door Neue Vahr opkwam,
was dat hier nu het arbeidersparadijs
was, waarover zo veel wordt gesproken
aan de andere zijde van het ijzeren gor
dijn. Alle materiële eisen die een mens
maar kan hebben, leken hier in vervul
ling te zijn gegaan. Als enige keerzijde,
maar het is sterk de vraag of de mensen
aan gene zijde van dat gordijn dat zo
zouden zien, ervoeren wij dat. echt wan
delen in deze stad, waar alles is toege
spitst op praktische resultaten, niet mo
gelijk was. In dit collectivistische para
dijs, waarin iedereen zijn taak en functie
had, verlangden wij, eerlijk gezegd, naar
de zondeval.
44-19