SIGNALEN
FRIDTJOF NANSI
IS GOED
Het gebeurde tussen 1938 en 1940
toen de tijd al zijn muil had geopend
DE MENS
werd honderd jaar geleden geboren
ZATERDAG 7 OKTOBER 1961
Erbij
naar aanleiding van Siegfried E. van Praag: JERUZALEM VAN HET WESTEN.
PAGINA fVV tb
MAAR ER IS NOG IETS! Van Praags
visie, ontsproten uit het Joodse Amsterdam,
reikt naar groot-Joodse maatstaven
niet altijd verder dan de milieu's en de
straten, die hem liggen. Noch de oorspron
kelijke Joodse cultuur (én het Hebreeuws)
noch de wezenlijke renaissance van het
Joodse volk zijn geïntegreerd in zijn
scheppingskracht.
Het heeft geen zin hier de discussie te
openen over zulke essentiële vraagstukken.
Maar wij zouden in onze taak tekort schie
ten, indien wij niet de vinger legden op
de talloze ontsporingen van de auteur, zelfs
op het eenvoudige gebied van de Joodse
traditie-van-alledag, de Hebreeuwse ter
men en alles, wat om een koel woord te
gebruiken met de simpele techniek van
het Jodendom te maken heeft. Moge de
schrijver de hier geconstateerde Schön-
heitsfehler bij een herdruk, die wij hem
volgaarne toewensen, weten weg te wer
ken door de controle vanwege een vak
man. Dat de woordenlijst (om één voor
beeld te noemen) wemelt van onjuisthe
den, was toch werkelijk niet nodig ge
weest. Ook de symboliek van het Loofhut
tenfeest, de formulering van het doodsge
bed, etc., dit alles ware toch zeer een
voudig te corrigeren naar bestaande vak
litteratuur. Hetzelfde geldt voor het mo
dern-Hebreeuws
OOK KAN VAN PRAAG dan enkele com
positiefouten ongedaan maken. De meest
touchante vond ik wel, dat Jitschak Par-
si, het in Israel geboren flinke jongetje,
dat in 1939 zijn Amsterdamse grootouders
bezocht, nog voordat de Duitsers kwamen
Nederland wist te verlaten, via Portugal
naar Engeland ontkwam en geen gelegen
heid vond in vijf jaar zijn ouders één en
kel woordje te sturen....
Ongeacht deze bezwaren, moet echter
ook het recente boek van Siegfried E. van
Praag beschouwd worden als een aan
winst voor de cultuurgeschiedenis van het
ondergegane Amsterdamse Jodendom.
Dr. Jaap Meyer
MEN KAN DEZE na-oorlogse Joden-litte
ratuur dan ook niet vergelijken met vroe
gere boeken over het Amsterdamse of ook
wel provinciale Jodendom, zoals deze van
ongeveer 1900 af regelmatig verschenen.
Trefzeker is de formulering van Van Praag
(pag. 17): „De tijden van Heijermans en
Querido (en wij voegen vooral ook Carry
van Bruggen toe) zijn voorbij." Het is
daarom interessant, dat de laatste der
„klassieke" auteurs uit de periode van voor
de oorlog nu ook voor het voetlicht treedt
met zijn visie. Hij maakte om het naar
Joodse formulering te zeggen de Verwoes
ting van de Eerste Tempel mee en het
begin van de herbouw der Tweede Tus
sen 1900 de grote catastrofe en het
ontstaan van de staat Israel voltrekt zich
de ontwikkeling, waaraan de Jood Sieg
fried van Praag zeer bewust deel had.
IN DEZE LEVENSGANG ligt Van Praags
kracht én zijn beperking. Geboren in 1899
in de Sarphatistraat te Amsterdam, onder
ging hij de laatste rest van de negentiende
eeuw. Dit werd bepalend voor zijn gehele
leven. Er is ten onzent niemand meer, die
het Amsterdamse Jodendom en dan spe
ciaal het burgerlijk deel, zo voortreffelijk
kent als Siegfried van Praag. De fragmen
ten in dit boek, waarin hij om slechts
enkele voorbeelden te noemen de Kaap
se Tijd typeert de perifere straten van
het Ghetto rondom het Weesperplein de
ietwat decadente milieu's uit de rijk ge
worden diamantbewerkerswereld en wij
zouden lang zo kunnen doorgaan zijn ju
weeltjes van sfeertekening. Er wordt na
de oorlog dikwijls geschermd met het be
grip Joodse humor. Door alle weemoed om
wat verloren ging voelen wij in het proza
van deze schrijver vaak onopzettelijke,
werkelijke humor, zoals Joden deze waarde
ren. Geen grappig bedoelde conférence,
zoals deze ten onrechte populair is ge
worden en voor typisch Joods doorgaat.bij
niet-Joden. Wil men Joden uit de vorige
generatie horen spreken, typisch Neder
lands horen spreken, lees dan dit boek.
HAD SIEGFRIED VAN PRAAG zich op
dit terrein teruggetrokken en had hij in ste
de van een roman, die geen roman is, een
aantal verhalen geschreven over dit Jood
se Amsterdam tussen 1880 en 1940, wij
zijn ervan overtuigd, dat hij een arbeid
zou hebben verricht, waaraan de cultuuur-
historie der Joden in Nederland dringend
behoefte heeft. Ja, hij had zelfs kunnen
volstaan met het bundelen van enige voor
treffelijke essays, die nu ppgeborgen lig
gen in vergeelde, schaars geworden jaar
gangen van HA'ISCHA, het vroegere
maandblad der Joodse Vrouwenraad in Ne-
Siegfried van Praag
kenners is het helemaal niet moeilijk his
torische, zelfs een enkele nog levende, per
soonlijkheden te ontdekken) treden aller
lei denkbeeldige figuranten op, die ons niet
alleen niet overtuigen, doch wier existen
tie ons binnen het historische beeld niet
reëel voorkomt. Juist omdat dit boek zich
als zodanig moet onttrekken aan litteraire
maatstaven, weegt dit bezwaar ernstig.
HONDERD JAAR GELEDEN, op 10 oktober 1861,
werd in de buurt van Christiania, het huidige Oslo,
een knaap geboren die als jongen reeds een grote
liefde ontwikkelde voor de natuur en voor de sport; als
jonkman de aandacht trok door zijn reis dwars door
Groenland en enige jaren later naar de Poolstreken;
die als geleerde een uitnemende naam had in Noor
wegen en daarbuiten; wiens wetenschappelijke werken
en reisverhalen in tal van talen zijn vertaald; die als
staatsman zijn land en als Hoge Commissaris van de
Volkenbond de wereld onschatbare diensten heeft be
wezen, waarvoor hem de Nobelprijs is toegekend. Over
al deze aspecten van een rijk mensenleven zal hier
onder een en ander worden verhaald. Nansen de sports
man: in zijn tijd was skiën nog geen sport, maar op
Nansens voorbeeld ging zelfs zijn jonge vrouw lange
tochten maken op de glijdende latten die men toen
nog „sneeuwschoenen" noemde. Toen zijn moeder dat
in zijn kinderjaren had gedaan, werd zij
door de buurt voor een onfatsoenlijke
vrouw versleten! Maar ook als schaatsen
rijder, als zwemmer, als jager en visser
muntte Nansen uit en zijn lichaam was
door talloze zware inspanningen zó ge
oefend dat hij gedurende lange tijd de
grootste ontberingen kon doorstaan.
Uren en dagen zwierf hij rond in het
onherbergzame gebied tussen Bergen en
Christiania en natuurlijk was hij het die
als zestienjarige de eerste skiclub ter
wereld stichtte. Want ski-lopen hebben
zelfs de Zwitsers van de Scandinaviërs
geleerd.
van Christiania. En in hetzelfde jaar
trouwde hij met Eva Sars. Men hoort
zo weinig dat de moeite waard is over
de vrouwen van beroemde mannen,
maar hier is toch wel een opmerking
die voor haar evenwichtige, ja laconi-
sche aard tekenend is. Toen haar man
op zijn Poolreis zó lang wegbleef dat
velen, ongerust geworden, een hulp
expeditie wilden uitrusten en daarover
Eva raadpleegden, zei zij rustig: „Och,
Fridtjof heeft zich altijd zelf gered
NANSEN DE POOLVORSER: Men kan
zich nog slechts met moeite voorstellen
hoe een tocht als die dwars door Groen
land of die naar de Noordpool zo'n 75 jaar
geleden werd georganiseerd. Er is in die
tijd op technisch gebied zo ontzaglijk veel
veranderd. Nansen was de eerste die het
waagde op ski's het Groenlandse landijs
te doorkruisen van oost naar west. Het
doel? Een onderzoek naar de bodemge
steldheid van Groenland, maar tevens on
getwijfeld, schoon onuitgesproken: een
generale repetitie voor een veel grotere en
grootsere onderneming: de ontdekking van
de Noordpool. Men kan zich denken dat
de roekeloosheid der expeditie de spot
zucht van velen wekte. Nansen gaat een
cursus in vèrspringen op ski's geven op
het landijs van Groenland, zei men. Zijn
ideaal is er in één sprong overheen te
komen. Maar de 27-jarige student liet de
spotters spotten. Op 2 mei 1888 reisde hij
over Schotland naar IJsland en vandaar
met een walvisvaarder naar Groenlands
oostkust. Daar ging het moedige vijftal
dat Nansen om zich had verzameld met
hem aan wal met 600 kg. bagage, verdeeld
over vijf sleden. Op 6 oktober bereikten zij
na ontzaglijke ontberingen Godthaab aan
de westkust, nog juist op tijd om brieven
te kunnen meegeven aan twee snelle
kajakvaarders die ze prompt bezorgden
aan boord van een 70 km. zuidelijker ge
legen schip. Zo hoorde Europa van deze
expeditie, terwijl de helden van de tocht
de Poolwinter leerden kennen. Nansens
twee boeken over zijn ervaringen: Op
sneeuwschoenen door Groenland en Eski
moleven zijn nog altijd het lezen over
waard.
In het jaar 1889, het jaar van zijn
terugkeer en feestelijke ontvangst in
Denemarken en Noorwegen, werd
Nansen benoemd tot conservator aan
het instituut voor ontleedkundig
onderzoek van dieren der Universiteit
„Polhögda", het grote stenen huis dat
Nansen op het Forneboland bij Lysa-
ker liet bouwen naar eigen ontwerp
en tekening. Het werd op 5 september
1930 door Noorse burgers gekocht en
aan de Academie van Wetenschappen
overgedragen. Op 10 oktober aanstaan
de wordt in dit huis, waar Nansen in
begraven ligt, een herdenkingsplechtig
heid gehouden. In de universiteit van
Oslo zal het woord worden gevoerd
door de voorzitter van het parlement
Nils Langhelle, professor dr. Olaf Hol-
tedahl en professor dr. Jac. S. Worm-
Mueller. Koning Olaf zal uit handen
van Felix Schnyder, de Hoge Commis
saris van de UNO voor de Vluchtelin
gen, de Nansen-medaille ontvangen als
blijk van waardering voor zijn persoon
lijke bijdrage tot de internationale hulp
verlening aan vluchtelingen en voor
hetgeen van Noorse zijde in dit opzicht
is gedaan, 's Avonds geeft de Noorse
regering een banket in kasteel Akers-
hus. Op 11 oktober geeft de Noorse
Academie van Wetenschappen een lunch
voor genodigden en des avonds spreekt
heti Britse parlementslid Philip Noel-
Baker in de universiteit over „Nansen's
plaats in de geschiedenis." Er wordt
een bibliographie van de werken van
Nansen uitgegeven en ook een verza
meling „Brieven van Nansen".
DE TOCHT VAN NANSEN naar het
Noordpoolgebied (1893-1896) is eveneens
door de leider boeiend beschreven in zijn
lijvige boek Met de Frara. over de Poolzee.
De Fram (de naam betekent: Voorwaarts)
was een op aanwijzingen van Nansen ge
bouwd schip dat door ijspersingen niet
werd platgedrukt, maar omhóóggedrukt.
Halverwege de reis verliet Nansen met
één metgezel het schip en trok met drie
sleden, elk met negen honden bespannen,
Poolwaarts. De achtste april 1895 bereikten
zij het noordelijkste punt ooit door mensen
betreden: 86° 14'. Toen Nansen daar op een
hoge ijsmuur klom en „tot de horizon niets
zag dan opgestapelde ijsblokken als een
verstijfde branding", besloten de mannen
terug te keren. In augustus bereikten zij
Franz Josephsland waar zij tezamen over
winterden. Pas in juni van het volgende
jaar hoorde Nansen plotseling honden
geblaf. Hij klom op een ijsschots en
schreeuwde met alle kracht van zijn lon
gen over de ijswoestijn. En van verre
kwam antwoord. Hij zag iets zwarts be
wegen en een poos later stond hij tegen
over een vreemde, even vies en onooglijk
als hijzelf. Luister naar de conversatie
tussen Nansen en de man, die later bleek
de Engelse poolvorser Jackson te zijn.
Jackson zei:
I am glad to see you.
Thank you, I also.
Have you a ship here?
No, my ship is not here.
How many are there of you?
I have one corppanion
Aren't you Nanseh?
Yes, I am.
By Jupiter, I am glad to see you.
Lijkt het niet op Stanley's beroemde: Mr.
Livingstone, I presume?
Enige weken later keerden Nansen en
Johansen met Jacksons schip huiswaarts.
Het is de moeite waard het verhaal over
hun aankomst in Vardö te herlezen en
daarna de ervaringen van de „Fram", die
eindigde in een triomftocht langs geheel
de Noorse kust en in een ontvangst zo aan
grijpend als zelden aan mannen van de
wetenschap ten deel is gevallen.
NANSEN DE STAATSMAN: Na het tijd
vak van Napoleon vormden Zweden en
Noorwegen een personele unie onder het
Huis Bernadotte. De Noren voelden zich
in vele opzichten achtergesteld en vooral
de Noorse democraten ijverden voor gro
tere autonomie. Op een gegeven ogenblik
nam de Noorse volksvertegenwoordiging
aan dat Koning Oscar II afstand van de
Noorse troon had gedaan en dat de unie
met Zweden verbroken was. Geruime tijd
dreigde een oorlog en het is in deze periode
dat Nansen door een reeks artikelen, door
publikaties óók in de Times, in Le Temps
en in de Kölnische Zeitung op krachtige en
verstandige wijze de rechten van Noor
wegen bepleitte zonder Zweden te prik
kelen. Toen evenwel Zweden slechting van
de Noorse vestingen eiste, ontstond in
Noorwegen een opgewonden stemming die
gemakkelijk tot een uitbarsting had kunr
nen leiden. Opnieuw was het Nansen die
kalmerende en wijze woorden sprak en
zijn bemiddelingspogingen herhaalde, toen
Zweden opnieuw recalcitrant werd en mo
biliseerde. En ditmaal met succes. Het ge
schil is in der minne bijgelegd. Het is te
begrijpen dat het vrijgeworden Noor
wegen Nansen tot gezant in Londen be
noemde. Ofschoon hij hier slechts een jaar
vertoefde, was dit toch een tijd die hem
later vruchten zou opleveren. Nu had hij
gelegenheid iets van de Europese politiek
te leren kennen!
NANSEN DE HOGE COMMISSARIS
ten slotte, het minst bekende en meest be
tekenende aspect van deze veelzijdige man.
Prof. dr. Nieolaas Anthonie Donkersloot
(Anthonie Donker) werd 8 september 1902 in
Rotterdam geboren. Hij studeerde aan de
universiteiten van Leiden en Utrecht Neder
landse letteren. Hij promoveerde te Utrecht
in 1929. Hij werd leraar aan het Rotterdams
Lyceum. In 1930 werd hij redacteur van het
Critisch Bulletin bij De Stem. Tot 1936 was
hij leraar aan het Lyceum Alpinum Zuoz
(Engadin, Zwitserland). In 1936 volgde zijn
benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse
letterkunde aan de Gemeente Universiteit van
Amsterdam. Van 1945 tot 1949 was hij lid van
de Eerste Kamer voor de Partij van den Ar
beid. Prof. Donkersloot was gedurende tien
jaren voorzitter van de Vereniging van Let
terkundigen. Hij is redacteur van De nieuwe
Stem. Van zijn gedichtenbundels noemen wij:
„Acheron" 1926: „Grenzen" 1928 (prijs van de
Maatschappij der Nederlandse Letteren);
„Kruistochten" 1929 (Dom-prijs voor poëzie);
„De draad van Ariadne" 1930: „Gebroken
licht" 1934: „Onvoltooide symphonie" 1938:
„Orcus en Orpheus" 1941; Orpheus en Eury-
dice" 1945; „Het sterrenbeeld" 1946; „Tralie
venster" 1946; „De einder" 1947; „Tondalus'
visioen" 1948; „De bevreemding" 1953. Voorts
publiceerde hij de essays „De episode van de
vernieuwing onzer poëzie (1880—1894)" (dis
sertatie); „Fausten en faunen" 1930; „De
schichtige Pegasus" 1932; „Ter Zake" 1932;
„De gestalten van Tachtig" 1936; „Penibel
journaal" 1937; „Hannibal over den Helicon"
1940; „Karaktertrekken der Nederlandsche
Letterkunde" 1946; „De vrijheid van den
dichter en de dichterlijke vrijheid" 1946;
„Beeld van Tachtig" 1952; „Emanuel Querido"
1955; „Louis Couperus" 1952: „Nijhoff, de le
vensreiziger" 1954. Voorts de roman „Scha
duw der bergen" (vijfde druk 1953). In 1956
verscheen zijn studie „Eva en de dichters",
in 1959 gevolgd door „Het Schip dat gij bou
wen zult" en in 1960 door „Ben ik mijn broe
ders hoeder". Zo juist is bij Querido versche
nen „De groene wandeling" (poëzie).
wereldgeweten er bestaat dan toch zo
iets in beweging komt, in scholen,
bedrijven, kantoren, en een ogenblik de
televisie uitschakelt, de lopende band
stopzet, de bromfiets overstemt (daar
is wat voor nodig) om een gemeen
schappelijk beseft mensenrecht, een te
zwaar, met een geëlectrificeerde bloed
wraak gestraft kindermisdrijf. Zelf
Eichmanns leven wordt nog, terecht,
met de grootste zorg gewogen! Maar
het is een kwaad teken dat géén wereld
geweten het opbrengt zich op werkelijk
grote schaal te verzetten tegen de tech
nische voorbereiding en perfectionering
van ons aller vernietiging! De duurste
proeven ter wereld ooit genomen wor
den, wederom, in het werk gesteld om
straks de vernietiging van het mensdom
te doen slagen, om in wereldvernietiging
niet te kort te schieten.
VANWAAR DIE GELATENHEID!
Waar blijft de dagelijkse stroom van
protesten uit alle werelddelen, uit alle
lagen der maatschappij, het aanhou
dend, onafgebroken appèl aan de twee
staatshoofden der wereldmachtblokken,
dat hen onder blijvende druk zet om
van het uiterste destructiemiddel af te
laten! Het appèl dat de mens goed ge-
noêg is om te leven. Langs het gemeente
bord van het vriendelijk dorp Moor
drecht komend, moet ik altijd denken:
dat leze men toch niet als Moord
recht?
HET MENSELIJK GEWETEN, aan
individu noch mensdom te ontzeggen,
werkt zuiver maar op kleine schaal.
De mens is incidenteel goed, maar niet
fundamenteel goed genoeg om een groot
kwaad te kunnen keren. De mens is
goed bij incidenten. Goed genoeg om
een hond uit het water te halen, een
drenkeling na te springen met eigen le
vensgevaar (ook een moordenaar kan
even spontaan mensenredder worden als
hij impulsief moordenaar werd). Goed
genoeg om zich met een reddingsboot
in winternachten uit het warme bed in
de moorddadige zee te wagen om de
doodsnood van onbekenden. Goed ge
noeg om een loonpercentage op een
noodgiro te storten, bij een overstro
ming, een aardbeving of een typhoon, in
een werelddeel waar men zich geen voor
stelling van kan vormen, op een plaats
waar men nooit van had gehoord, Tol-
tèn bijvoorbeeld. Goed genoeg om Pres
ton Cobb te redden, een weinig belo
vend negerkind dat zich aan zijn baas
vergreep maar waar een veelbelovende
blanke rassenrechtspraak zich nu offi
cieel en weloverlegd in naam van het
recht aan wil vergrijpen.
3tooooooooeaxXMOOC<X)öooooóooacoooooo<Wococo606(XCOOèaMCóo^^
DE TITEL VAN DEZE bespreking is ontleend aan het boek zelf. Naar onze derland, de beste periodiek, die ooit op
mening worden inhoud en bedoeling van het jongste werk van Siegfried van Joods gebied hier te lande is verschenen.
Praag nierdoor volledig getypeerd. De flap moge dan spreken van een roman, Nu heeft de auteur onzes inziens een
naar onze mening dient Jeruzalem van het Westen veel meer beschouwd te niet geheel bevredigende poging gedaan
imai uuio mening uiuuv zl-n herinneringen te romantiseren en te
worden als een verzameling retrospectieve beschouwingen over het Amsterdamse omgeven met beschouwingen, die door hun
Ghetto van voor de oorlog; een caleidoscopische verzameling fragmenten, waarin vaagheid helaas dikwijls teleurstellen
wordt beproefd een beeld op te roepen van het Joodse Amsterdam omstreek/ Naast vele werkelijke Joden-figuren (voor
1938, tegen de achtergrond van de evolutie, die dit Jodendom doormaakte tussen
het eind van de vorige eeuw en het begin der grote catastrofe. Hierdoor behoort
het hier besproken werk tot het genre der naoorlogse Ghetto-litteratuur, die
vaak volledig wordt beheerst door gevoelens van heimwee. De waarde van
beschouwingen over de Amsterdamse Jood en zijn omgeving voor het nageslacht
moet echter worden bepaald door de cultuurhistorische betekenis der geleverde
uiteenzettingen.
„DE MENS IS GOED" in floris-
santer of hypocrieter of idealistischer
tijden wist men het zekerder dan nu.
Is de mens goed maar deugt het mens
dom niet, of ligt het aan de massa?
In elk geval brengt de veelheid er min
der van terecht dan de enkelingen ieder
voor zich van de wereldsamenleving ho
pen. Het geldt in het groot en in het
klein: een gezelschap van vijf personen
vertoont al een lager niveau dan drie.
Enzovoort. Hoe meer mensen bijeen,
hoe lager het peil, in de regel. Zie
feesten, vergaderingen en meetings, om
van volle trams, treinen en stranden
nog niet te spreken, waar midden in de
massa ieder helemaal voor zich te werk
gaat. De mens is goed, misschien is
daar nog het een en ander van waar,
zij het lang niet onverdeeld, maar uit
onze wereld komt weinig goeds voort.
DE 20STE EEUW voor meer dan de
helft voltrokken staat er van alle eeuwen
wel het slechtst op, met de grootste
technische vooruitgang maar het be-
schamendste resultaat van twee wereld
oorlogen, waarvan één gepaard met een
volkerenmoord uit rassenhaat door een
vooraanstaande natie der Europese be
schaving, gevolgd door een minimale
schuldbekentenis en een spotgoedkoop,
vrijwel algemeen „wir haben es nicht
gewusst"! Waar men vrees ik zelf nog
in gelooft, want ver gebracht heeft de
mens het in elk geval in wat hij zich
zelf wil wijs maken. Zoals bijvoorbeeld
het moreel excuus voor een mensenver
nietiging op allergrootste schaal als
noodgedwongen voor het welzijn van het
mensdom, onder het vals heroisch mot
to: liever dood dan slaaf, zonder die
keus aan volwassenen en onvolwassenen
zelf te laten, neerkomend op: liever
allemaal gedwongen ineens dood, zonder
aanzien des persoons en zonder vrijheid
voor iemand om de geest van de vrij
heid in het leven, al was het als slaaf,
te blijven dienen, tot die ook eindelijk
na generaties in de bestaande staats-
dwangstelsels doorbreekt, wat toch de
weg der beschaving blijft en eenmaal
te verwachten valt, zoals toch ook de
klassedwangstelsels waar ons deel van
de wereld tot voor een halve eeuw nog
onder gebukt ging, gebroken of sterk
verzacht werden, nu de koloniale ras-
sendwangstelsels breken.
Fridtjof Nansen in gesprek met een Rus- I maakt door dr. Salomon de grote pionier
sische journaliste. Deze foto is in 1928 ge- der reportagefotografie.
HET IS EEN GOED teken dat een
centrale hulporganisatie; hij voerde de
Nansenpas in, een identiteitsbewijs voor
ex-gevangenen en andere ontheemden.
Toen hij tien jaar onafgebroken al zijn
grote lichamelijke en geestelijke krachten
in dienst van deze mensen had gesteld,
was hun aantal tot ongeveer één miljoen
gedaald. Maar reeds voordien war^n Nan
sens verdiensten geëerd. In 1922 werd hem
de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt. Bij
die gelegenheid heeft hij een korte rede
uitgesproken die ons nu, bijna veertig jaar
later, griezelig actueel in de oren klinkt.
„Wanneer wij een blik werpen op
Europa, moeten wij het er over eens
zijn dat de toestand weinig hoopvol is,"
zeide hij. „Deze grote oorlog die de
laatste zou moeten zijn, heeft bewezen
dat oorlog nooit tot iets goeds kan
voeren, zelfs niet voor de overwin
naars. En toch zijn er dwazen die over
een volgende oorlog spreken, hoewel
ze moeten weten dat die de ondergang
wordt van Europa. Hetgeen wij nodig
hebben is offervaardige, actieve men
senliefde die kan opbouwen wat de
oorlog heeft vernield. Wat ons hoop
geeft is de Volkenbond. Als die faalt
is alles voorbij. Daarom moeten wij al
onze krachten gebruiken om de Vol
kenbond te versterken. Het moet ons
toch gelukken om te komen tot de
Verenigde Staten van de Mensheid."
VOOR DE Verenigde Staten der Mens
heid heeft Nansen gestreden tot het laat
ste; gestreden tegen lafheid en achterklap,
tegen verderfelijke speculanten, tegen
wantrouwen en hebzucht. Hij redde dui
zenden uit Klein-Azië gevluchte Grieken,
hij organiseerde de internationale hulp aan
hongerend Rusland en aan de rampzalige
Armeniërs die door de Turken meedogen
loos werden uitgeroeid. Zijn laatste boek,
„Door Armenië", dateert van 1927 en is
één doorlopende aanklacht tegen alle staten
die in de loop der tijden zich aan de Ar
meniërs hadden vergrepen of hadden toe
gelaten dat anderen dat deden.
HET EINDE van de 69-jarige is plotse
ling gekomen op 13 mei 1930. In één enkel
ogenblik was het daar, op* een rustig mo
ment dat Nansen zat thee te drinken met
zijn tweede vrouw en zijn zoon. Hij werd
gecremeerd op de nationale dag van zijn
vaderland, 17 mei. Men vraagt zich af of
hij thans, dertig jaar later, buiten Noor
wegen vergeten is? Voor de mensheid is
dat niet te hopen. Hij was een harer groot
ste zonen, een der schaarse mannen met
daadkracht èn visie.
Dr. V. 11. Schroder
Fridtjof Nansen's „Fram", het schip waar
mee hij het Noordpoolgebied binnenvoer.
In de eerste wereldoorlog waren miljoenen
soldaten krijgsgevangenen gemaakt, alleen
aan het oostfront al meer dan vijf miljoen.
Duizenden zjjn in de kampen omgekomen
door voedselgebrek, epidemische ziekten en
mishandelingen. Toen in 1917 de Russische
revolutie uitbrak, werden de poorten van
vele kampen en gevangenissen opengezet
en begon een gruwelijke tocht van hon
derdduizenden hongerende mannen naar
het westen. Zij kwamen van alle kanten:
uit Siberië, uit Turkestan, uit het midden
oosten en hadden maar één wens: voedsel
om thuis te kunnen komen.
IN DEZE AFSCHUWELIJKE chaos rie
pen de internationale Rode Kruisvereni
gingen de hulp in van de pas opgerichte
Volkenbond en de Volkenbond wendde zich
tot Nansen. Men kende hem: hij was de
man die Noorwegens toetreden had be
werkstelligd en de man die zijn land in
deze volkenvergadering vertegenwoordig
de. Nansen nam de bovenmenselijke taak
op zich. Hoe zwaar die was kon hij zelf
nauwelijks bevroeden. Gevangenen uit
26 landen, in vele waarvan geen maat
schappelijke orde meer bestond, waren op
drift geraakt; de Sovjet-Unie erkende de
Volkenbond niet; sommige landen weiger
den de repatriërenden de doortocht uit
angst voor besmetting; de Volkenbond had
geen geld. Maar de grote doorzetter hield
vol. Hij organiseerde de Nansenhulp, een