SIGNALEN FRIDTJOF NANSI IS GOED Het gebeurde tussen 1938 en 1940 toen de tijd al zijn muil had geopend DE MENS werd honderd jaar geleden geboren ZATERDAG 7 OKTOBER 1961 Erbij naar aanleiding van Siegfried E. van Praag: JERUZALEM VAN HET WESTEN. PAGINA fVV tb MAAR ER IS NOG IETS! Van Praags visie, ontsproten uit het Joodse Amsterdam, reikt naar groot-Joodse maatstaven niet altijd verder dan de milieu's en de straten, die hem liggen. Noch de oorspron kelijke Joodse cultuur (én het Hebreeuws) noch de wezenlijke renaissance van het Joodse volk zijn geïntegreerd in zijn scheppingskracht. Het heeft geen zin hier de discussie te openen over zulke essentiële vraagstukken. Maar wij zouden in onze taak tekort schie ten, indien wij niet de vinger legden op de talloze ontsporingen van de auteur, zelfs op het eenvoudige gebied van de Joodse traditie-van-alledag, de Hebreeuwse ter men en alles, wat om een koel woord te gebruiken met de simpele techniek van het Jodendom te maken heeft. Moge de schrijver de hier geconstateerde Schön- heitsfehler bij een herdruk, die wij hem volgaarne toewensen, weten weg te wer ken door de controle vanwege een vak man. Dat de woordenlijst (om één voor beeld te noemen) wemelt van onjuisthe den, was toch werkelijk niet nodig ge weest. Ook de symboliek van het Loofhut tenfeest, de formulering van het doodsge bed, etc., dit alles ware toch zeer een voudig te corrigeren naar bestaande vak litteratuur. Hetzelfde geldt voor het mo dern-Hebreeuws OOK KAN VAN PRAAG dan enkele com positiefouten ongedaan maken. De meest touchante vond ik wel, dat Jitschak Par- si, het in Israel geboren flinke jongetje, dat in 1939 zijn Amsterdamse grootouders bezocht, nog voordat de Duitsers kwamen Nederland wist te verlaten, via Portugal naar Engeland ontkwam en geen gelegen heid vond in vijf jaar zijn ouders één en kel woordje te sturen.... Ongeacht deze bezwaren, moet echter ook het recente boek van Siegfried E. van Praag beschouwd worden als een aan winst voor de cultuurgeschiedenis van het ondergegane Amsterdamse Jodendom. Dr. Jaap Meyer MEN KAN DEZE na-oorlogse Joden-litte ratuur dan ook niet vergelijken met vroe gere boeken over het Amsterdamse of ook wel provinciale Jodendom, zoals deze van ongeveer 1900 af regelmatig verschenen. Trefzeker is de formulering van Van Praag (pag. 17): „De tijden van Heijermans en Querido (en wij voegen vooral ook Carry van Bruggen toe) zijn voorbij." Het is daarom interessant, dat de laatste der „klassieke" auteurs uit de periode van voor de oorlog nu ook voor het voetlicht treedt met zijn visie. Hij maakte om het naar Joodse formulering te zeggen de Verwoes ting van de Eerste Tempel mee en het begin van de herbouw der Tweede Tus sen 1900 de grote catastrofe en het ontstaan van de staat Israel voltrekt zich de ontwikkeling, waaraan de Jood Sieg fried van Praag zeer bewust deel had. IN DEZE LEVENSGANG ligt Van Praags kracht én zijn beperking. Geboren in 1899 in de Sarphatistraat te Amsterdam, onder ging hij de laatste rest van de negentiende eeuw. Dit werd bepalend voor zijn gehele leven. Er is ten onzent niemand meer, die het Amsterdamse Jodendom en dan spe ciaal het burgerlijk deel, zo voortreffelijk kent als Siegfried van Praag. De fragmen ten in dit boek, waarin hij om slechts enkele voorbeelden te noemen de Kaap se Tijd typeert de perifere straten van het Ghetto rondom het Weesperplein de ietwat decadente milieu's uit de rijk ge worden diamantbewerkerswereld en wij zouden lang zo kunnen doorgaan zijn ju weeltjes van sfeertekening. Er wordt na de oorlog dikwijls geschermd met het be grip Joodse humor. Door alle weemoed om wat verloren ging voelen wij in het proza van deze schrijver vaak onopzettelijke, werkelijke humor, zoals Joden deze waarde ren. Geen grappig bedoelde conférence, zoals deze ten onrechte populair is ge worden en voor typisch Joods doorgaat.bij niet-Joden. Wil men Joden uit de vorige generatie horen spreken, typisch Neder lands horen spreken, lees dan dit boek. HAD SIEGFRIED VAN PRAAG zich op dit terrein teruggetrokken en had hij in ste de van een roman, die geen roman is, een aantal verhalen geschreven over dit Jood se Amsterdam tussen 1880 en 1940, wij zijn ervan overtuigd, dat hij een arbeid zou hebben verricht, waaraan de cultuuur- historie der Joden in Nederland dringend behoefte heeft. Ja, hij had zelfs kunnen volstaan met het bundelen van enige voor treffelijke essays, die nu ppgeborgen lig gen in vergeelde, schaars geworden jaar gangen van HA'ISCHA, het vroegere maandblad der Joodse Vrouwenraad in Ne- Siegfried van Praag kenners is het helemaal niet moeilijk his torische, zelfs een enkele nog levende, per soonlijkheden te ontdekken) treden aller lei denkbeeldige figuranten op, die ons niet alleen niet overtuigen, doch wier existen tie ons binnen het historische beeld niet reëel voorkomt. Juist omdat dit boek zich als zodanig moet onttrekken aan litteraire maatstaven, weegt dit bezwaar ernstig. HONDERD JAAR GELEDEN, op 10 oktober 1861, werd in de buurt van Christiania, het huidige Oslo, een knaap geboren die als jongen reeds een grote liefde ontwikkelde voor de natuur en voor de sport; als jonkman de aandacht trok door zijn reis dwars door Groenland en enige jaren later naar de Poolstreken; die als geleerde een uitnemende naam had in Noor wegen en daarbuiten; wiens wetenschappelijke werken en reisverhalen in tal van talen zijn vertaald; die als staatsman zijn land en als Hoge Commissaris van de Volkenbond de wereld onschatbare diensten heeft be wezen, waarvoor hem de Nobelprijs is toegekend. Over al deze aspecten van een rijk mensenleven zal hier onder een en ander worden verhaald. Nansen de sports man: in zijn tijd was skiën nog geen sport, maar op Nansens voorbeeld ging zelfs zijn jonge vrouw lange tochten maken op de glijdende latten die men toen nog „sneeuwschoenen" noemde. Toen zijn moeder dat in zijn kinderjaren had gedaan, werd zij door de buurt voor een onfatsoenlijke vrouw versleten! Maar ook als schaatsen rijder, als zwemmer, als jager en visser muntte Nansen uit en zijn lichaam was door talloze zware inspanningen zó ge oefend dat hij gedurende lange tijd de grootste ontberingen kon doorstaan. Uren en dagen zwierf hij rond in het onherbergzame gebied tussen Bergen en Christiania en natuurlijk was hij het die als zestienjarige de eerste skiclub ter wereld stichtte. Want ski-lopen hebben zelfs de Zwitsers van de Scandinaviërs geleerd. van Christiania. En in hetzelfde jaar trouwde hij met Eva Sars. Men hoort zo weinig dat de moeite waard is over de vrouwen van beroemde mannen, maar hier is toch wel een opmerking die voor haar evenwichtige, ja laconi- sche aard tekenend is. Toen haar man op zijn Poolreis zó lang wegbleef dat velen, ongerust geworden, een hulp expeditie wilden uitrusten en daarover Eva raadpleegden, zei zij rustig: „Och, Fridtjof heeft zich altijd zelf gered NANSEN DE POOLVORSER: Men kan zich nog slechts met moeite voorstellen hoe een tocht als die dwars door Groen land of die naar de Noordpool zo'n 75 jaar geleden werd georganiseerd. Er is in die tijd op technisch gebied zo ontzaglijk veel veranderd. Nansen was de eerste die het waagde op ski's het Groenlandse landijs te doorkruisen van oost naar west. Het doel? Een onderzoek naar de bodemge steldheid van Groenland, maar tevens on getwijfeld, schoon onuitgesproken: een generale repetitie voor een veel grotere en grootsere onderneming: de ontdekking van de Noordpool. Men kan zich denken dat de roekeloosheid der expeditie de spot zucht van velen wekte. Nansen gaat een cursus in vèrspringen op ski's geven op het landijs van Groenland, zei men. Zijn ideaal is er in één sprong overheen te komen. Maar de 27-jarige student liet de spotters spotten. Op 2 mei 1888 reisde hij over Schotland naar IJsland en vandaar met een walvisvaarder naar Groenlands oostkust. Daar ging het moedige vijftal dat Nansen om zich had verzameld met hem aan wal met 600 kg. bagage, verdeeld over vijf sleden. Op 6 oktober bereikten zij na ontzaglijke ontberingen Godthaab aan de westkust, nog juist op tijd om brieven te kunnen meegeven aan twee snelle kajakvaarders die ze prompt bezorgden aan boord van een 70 km. zuidelijker ge legen schip. Zo hoorde Europa van deze expeditie, terwijl de helden van de tocht de Poolwinter leerden kennen. Nansens twee boeken over zijn ervaringen: Op sneeuwschoenen door Groenland en Eski moleven zijn nog altijd het lezen over waard. In het jaar 1889, het jaar van zijn terugkeer en feestelijke ontvangst in Denemarken en Noorwegen, werd Nansen benoemd tot conservator aan het instituut voor ontleedkundig onderzoek van dieren der Universiteit „Polhögda", het grote stenen huis dat Nansen op het Forneboland bij Lysa- ker liet bouwen naar eigen ontwerp en tekening. Het werd op 5 september 1930 door Noorse burgers gekocht en aan de Academie van Wetenschappen overgedragen. Op 10 oktober aanstaan de wordt in dit huis, waar Nansen in begraven ligt, een herdenkingsplechtig heid gehouden. In de universiteit van Oslo zal het woord worden gevoerd door de voorzitter van het parlement Nils Langhelle, professor dr. Olaf Hol- tedahl en professor dr. Jac. S. Worm- Mueller. Koning Olaf zal uit handen van Felix Schnyder, de Hoge Commis saris van de UNO voor de Vluchtelin gen, de Nansen-medaille ontvangen als blijk van waardering voor zijn persoon lijke bijdrage tot de internationale hulp verlening aan vluchtelingen en voor hetgeen van Noorse zijde in dit opzicht is gedaan, 's Avonds geeft de Noorse regering een banket in kasteel Akers- hus. Op 11 oktober geeft de Noorse Academie van Wetenschappen een lunch voor genodigden en des avonds spreekt heti Britse parlementslid Philip Noel- Baker in de universiteit over „Nansen's plaats in de geschiedenis." Er wordt een bibliographie van de werken van Nansen uitgegeven en ook een verza meling „Brieven van Nansen". DE TOCHT VAN NANSEN naar het Noordpoolgebied (1893-1896) is eveneens door de leider boeiend beschreven in zijn lijvige boek Met de Frara. over de Poolzee. De Fram (de naam betekent: Voorwaarts) was een op aanwijzingen van Nansen ge bouwd schip dat door ijspersingen niet werd platgedrukt, maar omhóóggedrukt. Halverwege de reis verliet Nansen met één metgezel het schip en trok met drie sleden, elk met negen honden bespannen, Poolwaarts. De achtste april 1895 bereikten zij het noordelijkste punt ooit door mensen betreden: 86° 14'. Toen Nansen daar op een hoge ijsmuur klom en „tot de horizon niets zag dan opgestapelde ijsblokken als een verstijfde branding", besloten de mannen terug te keren. In augustus bereikten zij Franz Josephsland waar zij tezamen over winterden. Pas in juni van het volgende jaar hoorde Nansen plotseling honden geblaf. Hij klom op een ijsschots en schreeuwde met alle kracht van zijn lon gen over de ijswoestijn. En van verre kwam antwoord. Hij zag iets zwarts be wegen en een poos later stond hij tegen over een vreemde, even vies en onooglijk als hijzelf. Luister naar de conversatie tussen Nansen en de man, die later bleek de Engelse poolvorser Jackson te zijn. Jackson zei: I am glad to see you. Thank you, I also. Have you a ship here? No, my ship is not here. How many are there of you? I have one corppanion Aren't you Nanseh? Yes, I am. By Jupiter, I am glad to see you. Lijkt het niet op Stanley's beroemde: Mr. Livingstone, I presume? Enige weken later keerden Nansen en Johansen met Jacksons schip huiswaarts. Het is de moeite waard het verhaal over hun aankomst in Vardö te herlezen en daarna de ervaringen van de „Fram", die eindigde in een triomftocht langs geheel de Noorse kust en in een ontvangst zo aan grijpend als zelden aan mannen van de wetenschap ten deel is gevallen. NANSEN DE STAATSMAN: Na het tijd vak van Napoleon vormden Zweden en Noorwegen een personele unie onder het Huis Bernadotte. De Noren voelden zich in vele opzichten achtergesteld en vooral de Noorse democraten ijverden voor gro tere autonomie. Op een gegeven ogenblik nam de Noorse volksvertegenwoordiging aan dat Koning Oscar II afstand van de Noorse troon had gedaan en dat de unie met Zweden verbroken was. Geruime tijd dreigde een oorlog en het is in deze periode dat Nansen door een reeks artikelen, door publikaties óók in de Times, in Le Temps en in de Kölnische Zeitung op krachtige en verstandige wijze de rechten van Noor wegen bepleitte zonder Zweden te prik kelen. Toen evenwel Zweden slechting van de Noorse vestingen eiste, ontstond in Noorwegen een opgewonden stemming die gemakkelijk tot een uitbarsting had kunr nen leiden. Opnieuw was het Nansen die kalmerende en wijze woorden sprak en zijn bemiddelingspogingen herhaalde, toen Zweden opnieuw recalcitrant werd en mo biliseerde. En ditmaal met succes. Het ge schil is in der minne bijgelegd. Het is te begrijpen dat het vrijgeworden Noor wegen Nansen tot gezant in Londen be noemde. Ofschoon hij hier slechts een jaar vertoefde, was dit toch een tijd die hem later vruchten zou opleveren. Nu had hij gelegenheid iets van de Europese politiek te leren kennen! NANSEN DE HOGE COMMISSARIS ten slotte, het minst bekende en meest be tekenende aspect van deze veelzijdige man. Prof. dr. Nieolaas Anthonie Donkersloot (Anthonie Donker) werd 8 september 1902 in Rotterdam geboren. Hij studeerde aan de universiteiten van Leiden en Utrecht Neder landse letteren. Hij promoveerde te Utrecht in 1929. Hij werd leraar aan het Rotterdams Lyceum. In 1930 werd hij redacteur van het Critisch Bulletin bij De Stem. Tot 1936 was hij leraar aan het Lyceum Alpinum Zuoz (Engadin, Zwitserland). In 1936 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Van 1945 tot 1949 was hij lid van de Eerste Kamer voor de Partij van den Ar beid. Prof. Donkersloot was gedurende tien jaren voorzitter van de Vereniging van Let terkundigen. Hij is redacteur van De nieuwe Stem. Van zijn gedichtenbundels noemen wij: „Acheron" 1926: „Grenzen" 1928 (prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letteren); „Kruistochten" 1929 (Dom-prijs voor poëzie); „De draad van Ariadne" 1930: „Gebroken licht" 1934: „Onvoltooide symphonie" 1938: „Orcus en Orpheus" 1941; Orpheus en Eury- dice" 1945; „Het sterrenbeeld" 1946; „Tralie venster" 1946; „De einder" 1947; „Tondalus' visioen" 1948; „De bevreemding" 1953. Voorts publiceerde hij de essays „De episode van de vernieuwing onzer poëzie (1880—1894)" (dis sertatie); „Fausten en faunen" 1930; „De schichtige Pegasus" 1932; „Ter Zake" 1932; „De gestalten van Tachtig" 1936; „Penibel journaal" 1937; „Hannibal over den Helicon" 1940; „Karaktertrekken der Nederlandsche Letterkunde" 1946; „De vrijheid van den dichter en de dichterlijke vrijheid" 1946; „Beeld van Tachtig" 1952; „Emanuel Querido" 1955; „Louis Couperus" 1952: „Nijhoff, de le vensreiziger" 1954. Voorts de roman „Scha duw der bergen" (vijfde druk 1953). In 1956 verscheen zijn studie „Eva en de dichters", in 1959 gevolgd door „Het Schip dat gij bou wen zult" en in 1960 door „Ben ik mijn broe ders hoeder". Zo juist is bij Querido versche nen „De groene wandeling" (poëzie). wereldgeweten er bestaat dan toch zo iets in beweging komt, in scholen, bedrijven, kantoren, en een ogenblik de televisie uitschakelt, de lopende band stopzet, de bromfiets overstemt (daar is wat voor nodig) om een gemeen schappelijk beseft mensenrecht, een te zwaar, met een geëlectrificeerde bloed wraak gestraft kindermisdrijf. Zelf Eichmanns leven wordt nog, terecht, met de grootste zorg gewogen! Maar het is een kwaad teken dat géén wereld geweten het opbrengt zich op werkelijk grote schaal te verzetten tegen de tech nische voorbereiding en perfectionering van ons aller vernietiging! De duurste proeven ter wereld ooit genomen wor den, wederom, in het werk gesteld om straks de vernietiging van het mensdom te doen slagen, om in wereldvernietiging niet te kort te schieten. VANWAAR DIE GELATENHEID! Waar blijft de dagelijkse stroom van protesten uit alle werelddelen, uit alle lagen der maatschappij, het aanhou dend, onafgebroken appèl aan de twee staatshoofden der wereldmachtblokken, dat hen onder blijvende druk zet om van het uiterste destructiemiddel af te laten! Het appèl dat de mens goed ge- noêg is om te leven. Langs het gemeente bord van het vriendelijk dorp Moor drecht komend, moet ik altijd denken: dat leze men toch niet als Moord recht? HET MENSELIJK GEWETEN, aan individu noch mensdom te ontzeggen, werkt zuiver maar op kleine schaal. De mens is incidenteel goed, maar niet fundamenteel goed genoeg om een groot kwaad te kunnen keren. De mens is goed bij incidenten. Goed genoeg om een hond uit het water te halen, een drenkeling na te springen met eigen le vensgevaar (ook een moordenaar kan even spontaan mensenredder worden als hij impulsief moordenaar werd). Goed genoeg om zich met een reddingsboot in winternachten uit het warme bed in de moorddadige zee te wagen om de doodsnood van onbekenden. Goed ge noeg om een loonpercentage op een noodgiro te storten, bij een overstro ming, een aardbeving of een typhoon, in een werelddeel waar men zich geen voor stelling van kan vormen, op een plaats waar men nooit van had gehoord, Tol- tèn bijvoorbeeld. Goed genoeg om Pres ton Cobb te redden, een weinig belo vend negerkind dat zich aan zijn baas vergreep maar waar een veelbelovende blanke rassenrechtspraak zich nu offi cieel en weloverlegd in naam van het recht aan wil vergrijpen. 3tooooooooeaxXMOOC<X)öooooóooacoooooo<Wococo606(XCOOèaMCóo^^ DE TITEL VAN DEZE bespreking is ontleend aan het boek zelf. Naar onze derland, de beste periodiek, die ooit op mening worden inhoud en bedoeling van het jongste werk van Siegfried van Joods gebied hier te lande is verschenen. Praag nierdoor volledig getypeerd. De flap moge dan spreken van een roman, Nu heeft de auteur onzes inziens een naar onze mening dient Jeruzalem van het Westen veel meer beschouwd te niet geheel bevredigende poging gedaan imai uuio mening uiuuv zl-n herinneringen te romantiseren en te worden als een verzameling retrospectieve beschouwingen over het Amsterdamse omgeven met beschouwingen, die door hun Ghetto van voor de oorlog; een caleidoscopische verzameling fragmenten, waarin vaagheid helaas dikwijls teleurstellen wordt beproefd een beeld op te roepen van het Joodse Amsterdam omstreek/ Naast vele werkelijke Joden-figuren (voor 1938, tegen de achtergrond van de evolutie, die dit Jodendom doormaakte tussen het eind van de vorige eeuw en het begin der grote catastrofe. Hierdoor behoort het hier besproken werk tot het genre der naoorlogse Ghetto-litteratuur, die vaak volledig wordt beheerst door gevoelens van heimwee. De waarde van beschouwingen over de Amsterdamse Jood en zijn omgeving voor het nageslacht moet echter worden bepaald door de cultuurhistorische betekenis der geleverde uiteenzettingen. „DE MENS IS GOED" in floris- santer of hypocrieter of idealistischer tijden wist men het zekerder dan nu. Is de mens goed maar deugt het mens dom niet, of ligt het aan de massa? In elk geval brengt de veelheid er min der van terecht dan de enkelingen ieder voor zich van de wereldsamenleving ho pen. Het geldt in het groot en in het klein: een gezelschap van vijf personen vertoont al een lager niveau dan drie. Enzovoort. Hoe meer mensen bijeen, hoe lager het peil, in de regel. Zie feesten, vergaderingen en meetings, om van volle trams, treinen en stranden nog niet te spreken, waar midden in de massa ieder helemaal voor zich te werk gaat. De mens is goed, misschien is daar nog het een en ander van waar, zij het lang niet onverdeeld, maar uit onze wereld komt weinig goeds voort. DE 20STE EEUW voor meer dan de helft voltrokken staat er van alle eeuwen wel het slechtst op, met de grootste technische vooruitgang maar het be- schamendste resultaat van twee wereld oorlogen, waarvan één gepaard met een volkerenmoord uit rassenhaat door een vooraanstaande natie der Europese be schaving, gevolgd door een minimale schuldbekentenis en een spotgoedkoop, vrijwel algemeen „wir haben es nicht gewusst"! Waar men vrees ik zelf nog in gelooft, want ver gebracht heeft de mens het in elk geval in wat hij zich zelf wil wijs maken. Zoals bijvoorbeeld het moreel excuus voor een mensenver nietiging op allergrootste schaal als noodgedwongen voor het welzijn van het mensdom, onder het vals heroisch mot to: liever dood dan slaaf, zonder die keus aan volwassenen en onvolwassenen zelf te laten, neerkomend op: liever allemaal gedwongen ineens dood, zonder aanzien des persoons en zonder vrijheid voor iemand om de geest van de vrij heid in het leven, al was het als slaaf, te blijven dienen, tot die ook eindelijk na generaties in de bestaande staats- dwangstelsels doorbreekt, wat toch de weg der beschaving blijft en eenmaal te verwachten valt, zoals toch ook de klassedwangstelsels waar ons deel van de wereld tot voor een halve eeuw nog onder gebukt ging, gebroken of sterk verzacht werden, nu de koloniale ras- sendwangstelsels breken. Fridtjof Nansen in gesprek met een Rus- I maakt door dr. Salomon de grote pionier sische journaliste. Deze foto is in 1928 ge- der reportagefotografie. HET IS EEN GOED teken dat een centrale hulporganisatie; hij voerde de Nansenpas in, een identiteitsbewijs voor ex-gevangenen en andere ontheemden. Toen hij tien jaar onafgebroken al zijn grote lichamelijke en geestelijke krachten in dienst van deze mensen had gesteld, was hun aantal tot ongeveer één miljoen gedaald. Maar reeds voordien war^n Nan sens verdiensten geëerd. In 1922 werd hem de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt. Bij die gelegenheid heeft hij een korte rede uitgesproken die ons nu, bijna veertig jaar later, griezelig actueel in de oren klinkt. „Wanneer wij een blik werpen op Europa, moeten wij het er over eens zijn dat de toestand weinig hoopvol is," zeide hij. „Deze grote oorlog die de laatste zou moeten zijn, heeft bewezen dat oorlog nooit tot iets goeds kan voeren, zelfs niet voor de overwin naars. En toch zijn er dwazen die over een volgende oorlog spreken, hoewel ze moeten weten dat die de ondergang wordt van Europa. Hetgeen wij nodig hebben is offervaardige, actieve men senliefde die kan opbouwen wat de oorlog heeft vernield. Wat ons hoop geeft is de Volkenbond. Als die faalt is alles voorbij. Daarom moeten wij al onze krachten gebruiken om de Vol kenbond te versterken. Het moet ons toch gelukken om te komen tot de Verenigde Staten van de Mensheid." VOOR DE Verenigde Staten der Mens heid heeft Nansen gestreden tot het laat ste; gestreden tegen lafheid en achterklap, tegen verderfelijke speculanten, tegen wantrouwen en hebzucht. Hij redde dui zenden uit Klein-Azië gevluchte Grieken, hij organiseerde de internationale hulp aan hongerend Rusland en aan de rampzalige Armeniërs die door de Turken meedogen loos werden uitgeroeid. Zijn laatste boek, „Door Armenië", dateert van 1927 en is één doorlopende aanklacht tegen alle staten die in de loop der tijden zich aan de Ar meniërs hadden vergrepen of hadden toe gelaten dat anderen dat deden. HET EINDE van de 69-jarige is plotse ling gekomen op 13 mei 1930. In één enkel ogenblik was het daar, op* een rustig mo ment dat Nansen zat thee te drinken met zijn tweede vrouw en zijn zoon. Hij werd gecremeerd op de nationale dag van zijn vaderland, 17 mei. Men vraagt zich af of hij thans, dertig jaar later, buiten Noor wegen vergeten is? Voor de mensheid is dat niet te hopen. Hij was een harer groot ste zonen, een der schaarse mannen met daadkracht èn visie. Dr. V. 11. Schroder Fridtjof Nansen's „Fram", het schip waar mee hij het Noordpoolgebied binnenvoer. In de eerste wereldoorlog waren miljoenen soldaten krijgsgevangenen gemaakt, alleen aan het oostfront al meer dan vijf miljoen. Duizenden zjjn in de kampen omgekomen door voedselgebrek, epidemische ziekten en mishandelingen. Toen in 1917 de Russische revolutie uitbrak, werden de poorten van vele kampen en gevangenissen opengezet en begon een gruwelijke tocht van hon derdduizenden hongerende mannen naar het westen. Zij kwamen van alle kanten: uit Siberië, uit Turkestan, uit het midden oosten en hadden maar één wens: voedsel om thuis te kunnen komen. IN DEZE AFSCHUWELIJKE chaos rie pen de internationale Rode Kruisvereni gingen de hulp in van de pas opgerichte Volkenbond en de Volkenbond wendde zich tot Nansen. Men kende hem: hij was de man die Noorwegens toetreden had be werkstelligd en de man die zijn land in deze volkenvergadering vertegenwoordig de. Nansen nam de bovenmenselijke taak op zich. Hoe zwaar die was kon hij zelf nauwelijks bevroeden. Gevangenen uit 26 landen, in vele waarvan geen maat schappelijke orde meer bestond, waren op drift geraakt; de Sovjet-Unie erkende de Volkenbond niet; sommige landen weiger den de repatriërenden de doortocht uit angst voor besmetting; de Volkenbond had geen geld. Maar de grote doorzetter hield vol. Hij organiseerde de Nansenhulp, een

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 14