DE DODENLIJST VAN ADRIAN MESSENGER Het öefaeim van de vuurtoren ROMANTISCHE TOERIST WIL IN „HORECASTELEN" SLAPEN RIJKSWATER-STAATSHOOFD" IR. MARIS LEGT DE SCEPTER NEER Stormramp krachtproef voor man die met schrik zijn benoeming vernam PANDA EN DE MEESTEM-OPHEF EER Polïe Ons vervolgverhaal WOENSDAG 18 OKTOBER 1961 **1- -w< - v _r - PHILIP MACDONALD Oorspronkelijke titel: The list of Adrian Messenger Barones bedient aan tafel IS: 56-» 58. „Nou hoor", zegt Polle, nog steeds verontwaardigd, „de regen mag dan opgehouden zijn, en wij weer schoon van top tot teen, maar we zijn weet even ver als tevoren, een huisje hebben we niet!" „Laat nu mij maar mijn gang gaan!", roept Pingo uit, „dan komt er een solide huisje, met echte spijkers en een echte hamer!" „Ho even!", roept Klaas, „voor je daaraan begint, moet je eerst eens komen zien, wat ik nog ergens weet!" - v' - s> - x 62) De keel van de jongen was maar een paar centimeter van hem van daan, en op zijn knieën komend in een krampachtige beweging reikte hij er-' naar met beide handen.. Midden in de beweging hield hij plotseling in toen de deurtjes van een kastje onder de boeg plotseling open gingen en hij een man in die kast zag liggen, de deurtjes als een lijst om zijn hoofd en schouders. Een man met een mager gezicht, grijze slapen en koude ogen van een merkwaar dig soort groen. Een man die een re volver in zijn rechterhand hield. Een man die met nadrukkelijke ijzige kalmte zei: „George Swaab, geloof ik." Er gebeurde iets in zijn hoofd, er ontplofte als het ware iets in Hij wierp zich met zijn hele gewicht op de benen van de jongen en gooide hem als een verfrommelde hoop voor het kastje. Met dezelfde beweging kwam hij op zijn voeten, sprong weer in het water en zwom snel naar de wal Hij zwom alsof alle duivels uit de hel achter hem aan zaten. Zwom in toenemende angst voor de kogels die hem om de oren zouden moeten vlie gen. Er kwamen echter geen kogels. On der water voelde hij al spoedig met zijn voeten de bodem en hij kwam overeind en waadde naar de wal, plas send door het water in een koortsach tige jacht op weg naar zijn jeep. Hij riskeerde een blik achterom en zag dat het zeil zich van hem verwijder de, en al bijna halverwege de andere kant van het meer was. Waarschijnlijk zouden ze dus iemand achter hem aan sturen. Maar hij had nog een kans. Hij was dichter bij de jeep dan zij bij het botenhuis. Hij was volkomen buiten adem en zijn hart bonkte in zijn oren, hij ren de naar de bomen toen er ineens een man te voorschijn kwam, precies op zijn weg. Een grote man, een reus van een man. De Fransman Saint-Denis naar hij begreep. Hij bracht zijn hoofd naar beneden, liet zijn linkerschouder zakken en viel aan. Maar de Fransman was er niet aan het eind van zijn stormloop. Er was alleen maar een-voet die hem iri de schenen trof, zodat hij struikelde en met het gezicht voorover in de zachte leem viel. Hij voelde een ijzeren knie in zijn rug. En ijzeren handen wrongen zijn vuisten met beledigend gemak op zijn rug tot ze zijn schouderbladen raak ten en hij hulpeloos was. Een diepe stem zei: „Alors, copain!" en hij werd op zijn voeten gezet wat een afschuwelijke pijn in zijn schou ders veroorzaakte en vervolgens langs de kust voortgeduwd, weg van de jeep en de hoop op veiligheid. Hij liep rustig een paar passen, voorovergebogen en vaker struikelend dan nodig was, zijn gedachten voort razend. Hij zag een groot rotsblok een paar passen voor zich en voelde dat hij een kans moest wagen. Hij kreunde. „Mijn armen", hijg de hij, „mijn armen!" Hij liet zich door zijn knieën zakken en wierp zijn volle gewicht op de benen van de man die hem vasthield. Het werkte. De Fransman viel lang uit over het rotsblok, zijn greep los latend en een schreeuw van pijn ge vend en vervolgens een serie vloeken afgevend waaruit de woorden jambe en rompu duidelijk naar voren kwa men. Hij was vrij Hij draaide zich om en rende terug naar de bomen op weg naar de jeep. waarbij een blik ach terom hem aantoonde dat de Frans man nog steeds op de grond lag. Hij vergat dat de Fransman wel wat erg gemakkelijk gevallen was en dat het wel erg eenvoudig was geweest aan die ijzeren greep te ontsnappen De hoop gaf hem leven, hij rende tussen de bomen door en kreeg de jeep in het gezicht. En hield in. Er stond een man bij de jeep. Een kleine man in overall en grote vuil zwarte sombrero. De verschrompelde kleine Mexicaan van Jackmann's Fall. Hij had geen tijd om zich ergens over te verbazen of om vragen te stel len, geen tijd te verliezen. Hij viel aan en raakte de man in de maag met al zijn tachtig kilo, waarachter zijn volle snelheid zat. De kleine man rolde achteruit en viel met een glijdend gekraak op een bed van dennenaalden. Hij kreunde en bleef als een in elkaar gefrommel de hoop liggen De jeep kwam met veel lawaai tot leven en reed brullend weg in de eer ste versnelling, met de wielen een spoor van vuil en denneappels opwer pend op weg naar de poort in de muur en de weg langs het meer. George Swaab was weg, zo volle dig bezeten door zijn drang te vluch ten dat er in zijn hoofd geen plaats was voor de gedachte dat hij wérd voortgedreven De kleine man kwam kwiek over eind. Zijn sombrero lag op de grond en nu zag hij er helemaal niet uit als een Mexicaan. Hij vertoonde geen teken van enig letsel. Terwijl hij bleef staan waar hij was schoof hij de man chet van zijn linker hemdsmouw te- maar hij hield zijn blik op zijn horloge, gericht. Een andere man zijn grote met gezel, ook al met sombrero kwam van achter een hoge pijnboom van daan op nog geen vijftien meter af stand. En datzelfde moment kwam Raoul Saint-Denis aanrennen van het meer vandaan, al even weinig teken van verwonding vertonend als de klei ne man. De kleine man hoorde ze allebei, maar hij hield zijn blik op zijn horloge zijn hoofd scheef terwijl hij luis terde naar het geluid van de jeep. Nu was deze op de weg en gierde in de derde versnelling naar het einde van het meer en de bocht, die naar de hoofdweg leidde. „Une minute", zei de kleine man en toen de anderen op hem afkwa men en vragen wilden stellen snoer de hij ze de mond. „Ga va!" zei hij en hield zijn hand op voor stilte. „Ecoutez!", zei hij, terwijl hij zelf bleef luisteren, zijn ogen nog steeds op het horloge. Het geluid van de jeep was nu zwak ker, hij was bij de bocht gekomen en klom naar de hoofdweg. „Deux minutes!" zei de kleine man En toen na eetr eindeloze zestig se conden waarin het geluid volledig verdween: „Trois minutes!" Ze bleven luisteren. „Quatre min.." zei de man en zweeg. Ze hoefden niet meer te luisteren.. HOOFDSTUK 11 Het was 10 maart en een bleek zon netje scheen over Londen, heel West minster en de door de wind gerim pelde oppervlakte van de Theems verguldend en naar binnen schijnend door de aan de rivierzijde gelegen ramen van Scotland Yard. Enige van die ramen waren die van Sir Egbert Lucas en daarachter was Lucas zelf die een bespreking met Pike en George Firth tot een einde bracht. Ze hadden het laatste punt op de agenda bereikt dat heel eenvoudig „Gleneyre" luidde, toen op dit goed gekozen moment de secretaris twee bezoekers aankondigde: „Mijnheer Gethryn, met een vriend". Lucas staarde hem aan en fronste zijn wenkbrauwen. Hij zei: „Laat ze binnen". Ze kwamen binnen. Antho ny eerst en achter hem Raoul. Er volgde een korte begroeting en een kennismaking voor wat Raoul betreft. Er werd wat met stoelen ge schuifeld. En toen volgde een ongemakkelij ke stilte, waarin Lucas koud en Firth afwezig was, terwijl alleen Pike iets van een glimlach liet zien. Anthony bestudeerde ze. „Is er iets aan de hand?" vroeg hij mild. „Pro bleempjes?" Hij maakte een gebaar tegen Pike en keek van Lucas naar Firth. „Ik verbaas me over jullie tweeën", zei hij. „Vanwaar die koele ontvangst? Als jullie me gemist heb ben, is dat omdat ik in het buitenland geweest ben". (Slot volgt) 48-49. De volgende dag probeerden Dolf en Ben de geheimzinnige baardman in 't oog te krijgen; én ze hadden geluk.In de duinen zagen ze hem lopen. Kom mee, voorzichtig! zei Dolf. La ten we hem volgen! Ze kropen achter de helmbosjes en ke ken, waar de man heenging. Dolf kon hem met de verrekijker goed volgen. Kijk! zei hij opgewonden. Hij gaat weer op die ouwe schuur af! Dat was zo. De man liep recht op de schuur toe, keek om zich heen en opende de deur, waarna hij in de schuur ver dween. En even later verscheen ook de andere man, die er de vorige keer bij was. Ook hij ging naar binnen. DE NAZATEN der middeleeuwse roofridders innen nog steeds een hoge tol van de vreedzame rei zigers die door hun stre ken trekken, maar dan in de vorm van hotelreke ningen. Het moderne toe risme heeft de oude kas telen in sommige streken in W est-Duitsland tot goudmijnen gemaakt. Dit jaar zijn er weer meer dan 75 „horecastelen' bijge komen bij het reeds zeer grote aantal historische en schilderachtige plaatsen die de toerist in Duitsland zijn natje en zijn droogje, alsmede een min of meer comfortabel logies bieden. EVENALS HUN Britse collegae hebben Duitse edellieden thans middelen gevonden om de onverza digbare fiscus te bevredi gen. Terwijl de Engelse adel zijn landhuizen en kastelen openstelde voor bezichtiging, hebben de Duitse baronessen 'n schort voorgebonden en de graven hun mouwen opgestroopt om de gasten te bedienen in hun tot hotels getrans formeerde kastelen. Overal in Duitsland trekken deze hotel-kastelen grote aan tallen gasten. BARON DIEDRICH Truchsess von Wetzhausen van het beroemde kasteel Bettenburg zal nooit de dag vergeten dat hij voor het eerst kamers in het kasteel verhuurde aan buitenland se gasten. In een oogwenk was de voorraad van 600 korstjes uitverkocht, de koffie raakte op en er was te weinig koek ingeslagen, aldus de adellijke hotel houder. Alle zeven kinderen van de baron waren aan het werk gezet. Zij moesten taarten versieren, sigaret ten verkopen en bier ser veren. Het aldus verdiende geld werd besteed aan de res tauratie en het sanitair van oude gebouwen opdat er steeds meer gasten gebor gen zouden kunnen worden. Oude meubelstukken en roestige wapenuitrustingen werden uit de kelders te voorschijn gehaald en op gepoetst. Zij vonden een plaats in de zalen en spoe dig was het kasteel Betten burg een drukbezochte toe ristische attractie. EEN ANDERE adellijke familie die zich eveneens in zaken heeft geworpen, is die van barones Magda von Etzendorf. Aanvankelijk stond zij er zeer critisch tegenover en vond het on gepast voor de nazaten van een eeuwenoud geslacht om betalende gasten in hun kasteel te ontvangen. „Mijn voorouders zouden zich zeker in hun graf hebben omgedraaid, als ze het wis ten", zei ze. „Maar als ze geweten hadden wat de fiscus van ons eist, dan waren ze nog veel harder aan het zich omdraaien ge gaan. En tenslotte heeft de nieuwe financiële bloei van ons bezit mij een groot ge voel van zelf-respect ge geven, dat ik jarenlang ontberen moest". Barones Von Etzendorf heeft hét meest op met de Amerikaanse toeristen. „Ze zijn zo aardig tegen mij. Amerikanen aanbidden ti tels en soms voel ik mij zelf de gast in mijn eigen kas teel". „DE AMERIKAANSE toe risten vinden overigens, dat er meer wapenrustingen en wapenschilden moeten staan anders lijkt het kasteel hun niet echt", zei zij. „Maar ik heb geen schijn van kans om aan hun verlangens te voldoen. Er is nog maar een harnasmaker in Duitsland overgebleven en hij is al voor jaren met bestellingen volgeboekt". (Van onze reportageredacteur) „De moeilijkste periode van mijn carrièreDat zijn zonder twijfel de eerste maanden na de watersnood van 1953 geweest. Het hele Nederlandse volk keek naar ons en wilde weten wanneer wij het water weer bedwongen zouden hebben, wanneer het overstroomde land weer droog zou vallen. Ik herinner me nog goed hoe tijdens een vliegtocht boven het rampgebied journa listen me een antwoord op die vraag wilden afpersen. En ik kon toch niet verder gaan dan de verklaring dat ik bijzonder gelukkig zou zijn wanneer de gaten vóór het volgende seizoen zoudvn» zijn'Mgedicht, want we hadden immers nog niet voldoende gegevens, zelfs al werkte ons laboratorium in tomeloze vaart. Maar je voelde en hoorde het wantrouwen van het publiek, dat dacht: „Rijks waterstaat is één van de oudste diensten van het land en dat kan je wel merken ook". Dat heeft ons in die tijd wel eens gedeprimeerd". VAN DIE ZWARTGALLIGE .stemming is thans bij de van Rijkswaterstaat schei den directeur-generaal, ir. August God fried Maris, niets meer te merken, als dat voor de buitenwereld al ooit het geval 's geweest. De zelfbeheersing van deze in veertig jaar tot de hoogste functie bij Rijkswaterstaat opgeklommen civiel-inge- nieur, wie men de pensioengerechtigde leeftijd verre van aanziet, is algemeen be kend. In het gesprek dat wij, zijn over volle agenda ten spijt, met hem mochten hebben ervoeren wij echter dat deze zelf beheersing niet voortkomt uit onbewogen heid, integendeel. Ir. Maris reageert leven dig en prompt op opmerkingen die hem aanvechtbaar lijken en hij schuwt in zijn weerwoord humor noch zelfspot. „GOED. TOEN eenmaal de moeilijke gaten bij Schelphoek en Kruiningen waren gedicht, nam niemand ons de aanvankelij ke mislukking van Ouwerkerk kwalijk. En toen ons op die gedenkwaardige nacht van 6 november 1953 de plaatsing van dat laatste caisson toch nog gelukte, heb ik inderdaad het mooiste moment uit mijn loopbaan beleefd. Daarna konden we bij het publiek geen kwaad meer doen en ook dat was natuurlijk helemaal ten onrechte." Men voelt de uitzonderlijke innerlijke rust welke achter deze constatering schuil gaat, Hoewel het gebruik is, dat de direc teur-generaal van Rijkswaterstaat wordt benoemd uit de 23 hoofdinge nieur-directeur eiv der provinciale en „functionele" directies, had ir. Maris in 1951 geen flauw benul dat men hem de meest geschikte figuur voor die post vond. „Toen ik bij mijn voorganger werd geroepen, dacht ik. dat het hem om de een of andere wegaansluiting ging. Maar ir. Harmsen vroeg mij of ik zijn opvolger wilde worden. De schrik sloeg me om het hart," aldus ir. Maris. „Maar natuurlijk heb ik ja ge zegd." dezelfde kalmte welke die Amerikaanse kolonel zo heeft geïmponeerd waarmee ir. Maris de middag vóór de sluiting op de - eaisson^jiri heé"gat*van Ouwerkerk-stondy terwijl ze beneden zich de zee hoorden grommen tegen de bazaltkeienAdjeunauwë* lijks weerstand aan het geweld der golven boden. De watersnood van 1953 en het Delta plan hebben het ambtelijk patroon van de directeur-generaal ingrijpend gewijzigd. „Daar was ik in 1951 niet voor gehuurd!", zegt hij en noemt de verdrievoudiging van zijn budget tussen 1954 en 1961 thans 768 miljoen de beste illustratie van de toegenomen activiteit van zijn achtduizend man omvattende dienst, waarvan op de kop af 229 ingenieurs, duizend H.T.S.-ers en achthonderd lagere technici. „Als men van gestegen produktiviteit wil spreken, dan moet men maar naar Rijkswaterstaat kijken, want ons personeel heeft bij lange na geen gelijke tred gehouden met onze gestegen omzet!" Deltaplan of niet, de andere activiteiten van Rijkswaterstaat gingen en gaan ook door. De aanleg van rijkswegen bijvoor beeld, waarvan er tijdens de ambtsperiode van ir. Maris 250 kilometer aan het be- Ter gelegenheid van de grote Franse watersporttentoonstelling, de „Salon Nautique" in Parijs, is op de Seine een prestatiewedstrijd voor speedboats ge houden, die bekend staat als de „Zes uren van Parijs" en als een pendant geldt van de beroemde (en beruchte) 24-uurs-rit van Le Mans voor race- en sportauto's. De foto toont de spectacu laire start van de tachtig deelnemende motorboten van welke sommige een topsnelheid van 120 kilometer per uur bereikten. 76. Om aan hun vervolgers te ontsnappen, waren Pan da en Joris Goedbloed rustig met de menigte meege- schuifeld die de schouwburg binnenging; en toen ze zo dus even later de hal in stapten, voelden ze zich aan merkelijk opgelucht. „Terwijl mijn tere ziel samen scholingen meestal schuwt, zie ik nu waarheid in het oude spreekwoord dat ons leert; hoe meer zielen hoe meer vreugd," zei Joris opgewekt. „Kom, ventje, mis schien treffen we het en krijgen we nog een aardige voorstelling te zien!" Toen een vriendelijke dame hem een feestprogramma te koop aanbood, aarzelde hij dan ook geen ogenblik om het zich aan te schaffen maar wie beschrijft zijn schrik toen hij hierop gedrukt zag staan, op wat voor een feestavond zij terecht waren gekomen! Er stond: „LiefdadigheidsvoorsteVing ten bate van het Genootschap tot Opheffing van Onderontwikkel de Personen presidente: Mevrouw Knokkebies-Van Tutteren." Joris had niet de minste behoefte Mevrouw Knokkebies-Van Tutteren te ontmoeten of haar feest- avondje bij te wonen. Maar zou er aan te ontkomen zijn? De agenten ook niet dom waren al begon nen zich ruw een weg door het binnenstromende pu bliek te banen, omdat ze er zeker van waren dat de vluchtelingen de schouwburg waren ingegaan. Panda en Joris Goedbloed zaten dus tussen twee vuren! staande net werden toegevoegd. Een derde rijkswegenplan is in de maak en zal in 1962 verschijnen. De uitvoering zal wel weer twee miljard vergen, net als de beide vorige plannen. Toch gelooft ir. Maris dat er dan een einde in zicht is wat de grote autosnelwegen betreft. Ons land zal dan door zes oost-west en zes noord-zuidver bindingen worden doorsneden. Het zal daarna zaak zijn, goede aansluitingen te geven van de secondaire wegen op de autosnelwegen. „De korte afstanden vor men één van onze schaarse natuurlijke grondstoffen emdie moeten wij. uitbuiten". Ir. Maris zegt dat naar aanleiding van de vaak, .gehoorde opmerking dat de ver traging der Zuiderzeewerken ten ge volge van het Deltaplan niet zo'n groot kwaad is. „Ik opponeer," antwoordt hij zonder aarzeling. „Natuurlijk staat de landaan winning uit agrarische overwegingen niet langer op de voorgrond- Maar de stede- bouwkundige winst van het nieuwe land, dus de kortere verbindingen en de moge lijkheden van nieuwe bevolkingscentra, is tenminste net zo groot. Nog afgezien van de voordelen voor onze waterhuishouding. De Afsluitdijk is immers al betaald door de betere zoetwatervoorziening van de omringende provincies." EEN GESPREK met ir. Maris dreigt letterlijk „oeverloos" te worden, want in zijn veertigjarige dienst aan Rijkswaterstaat is hij met de meest uit eenlopende opdrachten belast geweest. Wij praten nog. even over zijn werkzaam heid in het arrondissement Noordzeeka naal. Omtrent de dertiger jaren bouwde hij daar een complete onderhoudswerk plaats voor de sluizen en nieuwe haven hoofden, dezelfde die nu weer worden verlengd en gewijzigd. De oude blies hij zelf op met munitie die hij voor een appel en een ei van de Hembrug kocht. Ir. Maris was als oud-genie-officier, een der weinige Nederlanders die dat mochten doen. BIJ ZO'N verhaal proeft men de all round vakman. De directeur-generaal drukt het zelf enigszins anders uit: „Ik ben geen deskundige op welk gebied dan ook." En hij voegt eraan toe: „Daarom heb ik mijzelf ook nooit als specialist naar een ander land uitgezonden." Hoe hij dan uitvloeisel van zijn functie geschillen tussen deskundigen oplost? „Als de heren discussiëren, kan ik ze soms nauwelijks bijbenen. Maar ik stel wel moeilijke vragen, tenminste: ik hoop dat zij ze moeilijk vinden. En dan: het komt er in de waterbouw vooral op aan. de natuurwetten te kennen. Op die basis kom je altijd tot overeenstemming. Als er maar geen politiek bij te pas komt!" De tijd voor het gesprek is om. We hadden nog even iets willen horen over de macht van Rijkswaterstaat. Maar ir. Maris besluit diplomatiek: „Men kan ons een staat in de staat noemen of een re publiek in een koninkrijk. Maar we zijn geen camerille!" CopyrigM P I B 8o* 6 Cooe k

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 7