SIGNALEN
1
JULES MARE CANNEEL
een Brusselse schilder
Gedurfd pedagogisch experiment om
kinderen wiskundig inzicht te geven
„ALL THE NEWS THAT'S
FIT TO PRINT"
Litteraire
Kanttekeningen
I
"All the News
That's Fit to Print"
het romandebuut van Clara Eggink
ZATERDAG 11 NOVEMBER 1961
Erbij if
PAGINA DKIb
- (V
SNOEPFABRIEK ALS MUSEUM
(Van onze correspondent)
BRUSSEL. In het Utrechtse Kunstmin zal men binnenkort kun
nen kennis maken met het werk van wijlen de Brusselse schilder Jules
Marie Canneel. Die eerste expositie van Canneels werk in ons land,
is aan een toeval te danken zoals ons de weduwe van de schilder, die
een kunsthandel bezit in de winkelgalerij van het Brusselse Paleis
voor Schone Kunsten, ons dezer dagen heeft verteld. Wanneer zij
geen tentoonstelling heeft, pleegt zij namelijk werk van haar man in
het uitstalraam te plaatsen en in de tentoonstellingszaal op te hangen.
Daar hebben van de zomer bestuursleden van Kunstmin het gezien.
Zij waren dadelijk enthousiast en zij hebben mevrouw Canneel ge
vraagd of een expositie in Utrecht mogelijk zou zijn. Dat bleek het
geval en zo zal men dus Canneels schilderijen, tekeningen en aquarel
len te Utrecht kunnen bewonderen. Jules Marie Canneel was een
van vier broers, die allen volgelingen van Sint Lucas zijn geworden:
ds schilder Marcel, de beeldhouwers Eugène en Jean en hijzelf. Te
Brussel werd hij in 1881 geboren en hij was dus een jaar ouder dan
Rik Wouters. Evenals laatstgenoemde vluchtte hij na de val van Ant
werpen in 1914 naar Nederland, waar hij genoten, Rik Wouters voorop, de „les van HET LAG VOOR DE HAND dat een zo veel
werd peïnterneerd in Harderwiik Tot cézanne" geleerd. Later, vooral toen hij omvattende kunstenaarspersoonlijkheid
wera geimerneera m naraerwijK. lot tijdens de ooriog Van 1940-1945 gedwongen als Canneel ook voor de mens intense be-
1918 is hij in Nederland gebleven en hij was in Brussel te blijven en zijn gezond- langstelling moest hebben. Daarvan getui- beetje hun tragiek dat zij niet „ontdekt"
moet er zelfs een portrettekening gepu
bliceerd hebben gezien: die van minister
Treub in de Haagse Post.
De voormalige kunstberg te Brussel
bij sneeuwweer (1940).
IN NEDERLAND heeft hij ook zijn late
re vrouw, de zangeres Mady Purnode le
ren kennen. Zij was verbonden aan de
Franse Opera te 's Gravenhage en via ge
meenschappelijke vrienden kwam zij met
Canneel in contact. Hun band heeft tot zijn
dood in september 1953 bestaan en nog is
zij de trouwe hoedster van zijn nagelaten
werk.
CANNEEL HAD een veelzijdige belang
stelling. Hij heeft geïllustreerd, hij heeft
toneel gespeeld, hij tekende karikaturen,
hij is een bekend en veelgelezen recht
bankverslaggever geweest, hij heeft enige
boeken geschreven, onder andere een bun
del parodieën onder de titel „A l'instar
de..". Mevrouw Canneel herinnert zich
nog dat alle geparodieerden plezier erin
hadden behalve de vader van minister
Spaak, die zich heftig beledigd voelde.
Toch heeft de schilderkunst wel de groots
te plaats in Canneels artistieke leven in
genomen en zijn oeuvre rechtvaardigt ze
ker de Utrechtse belangstelling van thans.
Ieder jaar maakten de Canneels een lan
ge, rustige reis per schip of trein: naar
Algerije, naar Marokko, naar Italië, naar
Zuid-Frankrijk. Voor mevrouw Canneel
waren er op de pleisterplaatsen de repeti-
heid wankel werd, is er ook in zijn werk
een zeker pessimisme gekomen.
Zijn kleur wordt somber, zoals in het
mooie gezicht op de Kunstberg bij sneeuw
weer. Zijn visie is dan minder evenwich
tig, zijn compositie mist de klaarheid van
de zuidelijke landschappen maar er is an
derzijds een trieste bewogenheid, die ont
roert en boeit.
gen niet alleen zijn karikaturen en zijn
mooie, met enkele lijnen opgezette naakt-
tekeningen maai ook zijn geschilderde por
tretten en figuurstukken. Zijn vrouw heeft
hij vaak geschilderd, uiterst raak gekarak
teriseerd. Figuren als Canneel zijn er na
tuurlijk meer in de Belgische schilderkunst
van de laatste veertig, dertig jaar. Het is,
zoals trouwens in de meeste landen, een
werden, dat hun werk slechts in beperkte
kring bekend bleef. Ook in Nederland heeft
men daar voorbeelden van, helaas te over.
Mevrouw Canneel hoopt dat de Utrechtse
tentoonstelling het begin van hernieuwde
belangstelling voor het werk van haar man
mag zijn. In ieder geval kan men het met
haar eens zijn, dat het recht op belang
stelling en waardering verdient.
BRBRBRRRflBJSBIRIRRBÜBRBBflRBBBBBBBRBBBBBBBBBB K.l RBRRRRRBRRRIBRRRBGRflRBRI
„Gewoon mensen
VORIG JAAR PUBLICEERDE Clara
Eggink in de Minerva Pocketreeks (Meu-
lenhoff) een historische levensbeschrijving
van Alexandrine Tinne, geschreven in op
dracht van het ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Wetenschappen, een in dub
bel opzicht merkwaardige biografie: er
wordt namelijk niet alleen in verteld van
het avontuurlijke Haagse meisje, dat in
het midden van de vorige eeuw met haar
moeder de vaderlandse welgedaanheid, ont
vluchtte, naar Afrika trok, het Niilgebied
doorkruiste en eindelijk in Egypte tot rust
kwam (waar ze in 1867 werd vermoord),
maar ook, zijdelings dan, iets van de
schrijfster, van Clara Egginks verlangen
naar ruimte en vrijheid, naar een leven
dat hoe dan ook gelééfd, en niet, bela
den met kleinzielige vooroordelen, schijn-
ties- en het optreden, voor Jules Marie de fatsoen en kwasi-rechtschapenheid voort-
de weg naar de dichteres Clara Eggink,
naar de „schiereiland"-bewoonster, die
zich sinds haar debuut in 1934 meer en
meer in haar poëzie terugtrok: „wie de
golven te volgen vroegen, diens hart past
nooit meer in de oude voegen". Jaren ge
leden heb ik, naar aanleiding van de uit
gave van haar verzamelde gedichten on
der de titel „De rand van de horizon",
de verzen van Clara Eggink gekarakteri
seerd als een poëzie met een „broken me-
gesleept wordt. „Er moet bepaald pio-
niersbloed in haar gezeten hebben": deze
zin licht ik niet uit „De merkwaardige rei
zen van Henriëtte en Alexandrine Tinne",
maar uit de zojuist bij Meulenhoff ver
schenen eerste roman „Gewoon mensen"
GELUKKIGE WERKEN heeft Canneel van Clara Eggink, uit een fragment waar
gelegenheid te tekenen en te schilderen.
Vandaar dat veel van zijn schilderijen
stadgezichten en landschappen buiten Brus
sel tot onderwerp hebben.
in Algerije en Marokko gemaakt en het
nachtelijke Rome moet ook zijn liefde ge
had hebben. In bijvoorbeeld een kustge-
zicht in de buurt van Oran of in een ha
ven van Casablanca kwam wel de beste
zijde van zijn talent naar voren: een licht
„fauvisme", getemperd door een groot
kleurgevoel en een neiging tot een zeer
uitgewogen tonaliteit, waarbij hij aan half-
tonen voorkeur bleek te geven Natuur
lijk heeft hij, zoals zo velen van zijn tijd-
in een en ander verhaald wordt over een
Iers meisje dat in Afrika belandde en er
tot haar dood toe bleef, omdat „ze hield
lody", daarmee meer doelend op het ge
stoorde en verstoorde ervan dan op het
onvoltooide. Wat er gebroken in was
het afwerende, schampere, soms bitse
kwam voort uit de kern van dit dichter
schap: het óngebrokene. Dat lijkt para
doxaal gezegd, maar het is juist de para
dox, het is de tegenstelling tussen het ver
langen naar gaafheid en zuiverheid, naar
„de tederheid die stilte is", èn de ont-
van dat wilde, eenzame leven en niets nuchterend-verraderlijke werkelijkheid, die
HET „GROEPSBEGRIP" komt in de
moderne wiskunde steeds meer op de voor
grond te staan, hoewel het aan de universi
teiten nog tamelijk verwaarloodd wordt.
De theorie van de groepen werd acht jaar
geleden voor het eerst opgesteld door de
in Rusland geboren, in Duitsland opgevoe
de wiskundige, Georg Cantor, die een nieu
we visie op de meetkunde had en voor
stelde iedere wiskundige figuur als een
„groep punten" te zien. De Franse wis
kundige Maurice Fréchet generaliseerde
de theorie en breidde haar uit tot alle
voorwerpen, de zogenaamde „abstracte
groepen". Zij vormen nu de gemeenschap
pelijke stam van alle takken van wiskunde
en men gelooft thans dat men beter van
groepen voorwerpen uit kan denken dan
van voorwerpen apart.
EEN GROEP is een verzameling eenhe
den die tezamen weer een nieuwe eenheid
vormen. Tot voorbeelden van groepen kan
bijna alles dienen: de stenen van een huis,
de haren op iemands hoofd, de stoelen in
een schoolklas, of de auto's op de straat.
Met het voorbeeld van de bundeling der
kinderen met kokardes trachtte de juf
frouw een inzicht in het probleem van de
afsplitsing (intersectie) te geven. Zijn de
kinderen iets ouder dan kan de onderwij
zeres figuren op het bord tekenen en de
kinderen vragen hun plaats op het bord
aan te geven binnen een van de cirkels.
„Nee, Jantje je staat niet hier, want je
hebt een blauwe hoed op en je wijst de
rode cirkel aan, maar je staat daar, want
je hebt geen kokarde." Zo gaat het ge-
dachtenspel van concrete naar steeds ab-
DIT LEVENSTHEMA kan men met va
riaties en tegenstemmen ook in haar ro
man horen, ondanks de bijgeluiden die een
nog onvoldoende beheersing van de compo
sitietechniek verraden. Dichten en proza
schrijven zijn in wezen verschillend, zijn
soms zelfs vijandige uitdrukkingswijzen, en
wel als ze al te innig samengaan en als
poëtisch proza zoiets als een dubbele
zelfmoord plegen, zodat men maar blij
moet zijn dat de realistische roman van
Clara Eggink zich verre heeft gehouden
van poëtische bijmengselen en eerder in
gebreke bleef door een tekort aan schrij
versroutine dan door een teveel aan dich-
terservaring.
Clara Eggink schrijft niet over gewo
ne mensen, maar wat iets anders is
over „gewoon mensen", niet méér dan
mensen, die elk op hun manier te stellen
hebben met de onontkoombare levensrea
liteit en allicht in conflict raken met zich
zelf en met anderen, zoals altijd en overal,
in het klein en in het groot. Geluk, vrede,
onbedreigdheid behoren in het beste geval
tot het dichterdomein, tot zoals Clara
Eggink destijds dichtte „de kleine plek,
van 's werelds straf verschoond gebleven,
waar bloem en wilde vrucht hoog bloeit
aan water stil en eeuwen diep"; de werke
lijkheid legt valstrikken, zet voetangels en
klemmen.
MEN ZOU HET GEZIN van de rechter
Barend Bodegraven voor gelukkig kunnen
houden. Barend is in de onverdachte zin
van het woord een rechtschapen man, een
trouw en eerlijk liefhebbend echtgenoot,
een goed vader voor ziin zoon en dochter,
een in zich zelf weggedoken „problema
tische" persoonlijkheid, die zich dreigend
omringd voelt door het onheil van zijn
tijd. Dora, zijn eega, is het type van de
sterk in zichzelf besloten, onafhankelijke
vrouw, levend naar eigen normen die in
zuiverheid de moraal van de fatsoensrak
kers ver te boven gaan' een afgerond
gaaf geheel. Maar in dit ogenschijnlijk
harmonisch-ordelijke gezinsleven is het
misverstand tussen de ouders en de snel
volwassen wordende kinderen latent aan
wezig, zonder dat er van een conflict der
generaties gesproken kan worden: Frans
heeft overeenkomstig de verlichte geest
van zijn tijd ten huize van zijn vriend nog
NADAT DE ONDERWIJZERES van de kleuterschool de kinderen rode en en wat D^rt^etrefTzflou Shien
blauwe hoedjes had gegeven, sommige met kokardes erop, zei ze tegen hen: zonder kleerscheuren zijn overgegleden in
„Als ik een teken geef, komen alle rode hoedjes aan deze kant! Al de blauwe de jaren van vrouwelijke rijpheid als er
hoedjes aan de andere kant!" En alle kleine meisjes huppelden blij naar hun niet iets' tussenbeide was geko-
v, i j men: een uit Afrika teruggekeerde jeugd-
plaatsen toen ze in haar handen klapte. „Nu doen we dit touw om de kinderen vriend van Barend Bodegraven, tevens de
die hier staan". En iedere groep kreeg een touw om zich heen. Daarna zei de eerste echtgenoot van zijn vrouw Dora,
juffrouw: „En nu binden we de kinderen samen die een kokarde dragen". Dit Men kan deze oerwoud-medicus noemen
was echter moeilijker omdat er kinderen met kokardes in beide groepen waren. men wil: een vrijbuiter, een verach-
Ilet touw moest nu ook de andere twee koorden om iedere groep kruisen. Aldus Ienë sadistische" inslag' eenPgewften-
begint Pierre de Latil een interessant artikel dat hij voor Unesco Features loze profiteur en rokkenjager, hij is in
schreef. Het lijkt ejop of wij hier met een nieuw gezelschapsspel te doen hebben, ieder geval de onruststoker, die er kans
maar het spelelement is eigenlijk ondergeschikt gemaakt aan het mathematisch toe ziet om in honderdtachtig bladzijden
i ••ïii,. k z-i j i i -i druks vergaande betrekkingen aan te kno-
onderwijsdoel dat men nastreeft. Op deze manier slaagt men er namelijk m, pen me(. |rig vrouwen, als men tenminste
kleine kinderen in aanraking te brengen met een fundamenteel stuk menselijk de zestienjarige Doortjè, dit argeloze meis-
denken. jeswezentje, opgegroeid in een beveiligd
meer voelde voor de mensen die vroeger
haar omgeving hadden gevormd" een
halfzuster, zou men kunnen zeggen, van
Alexandrine én van Clara Eggink
zelf. Want deze ogenschijnlijk bijkomstige
passage, die met de roman alleen indi
rect iets uitstaande heeft, wijst regelrecht
Clara Eggink de toon en de vorm deed
vinden van haar in zichzelf besloten vers,
niet groots, niet overrompelend, niet
vlekkeloos vaak, maar sterk door de inner
lijke kracht van een zich-niet-gewonnen-
geven een zachtmoedige hardheid waar
op de „melodie breekt".
daarom nodig het wiskundeonderwijs zo
te geven, dat het voor de kinderen ple
zieriger en gemakkelijker te leren valt. De
Belgische professor Georges Papy heeft
op dit gebied pionierswerk verricht op
middelbare en ook lagere scholen en in
België wordt thans druk geëxperimen
teerd.
Het probleem met dit soort vernieuwin
gen is overal hetzelfde. Voorzichtige in
voering betekent in de regel mislukking.
De leerlingen krijgen facultatieve uurtjes
en komen niet, of wel men vult de oude
stof hier en daar met nieuwe ideeën aan,
zodat deze laatste praktisch geen effect
sorteren. Men kan trouwens niet te veel
nieuws overnemen zonder het program
ma hopeloos te overladen.
HET BESTE IS het gehele oude systeem
los te laten en het door een nieuw
In België heeft men het experiment
grootscheeps aangepakt. Om de nieuwe
methode te testen heeft men haar gepro
beerd op de opleidingen van kleuterleid
sters. Deze leerlingen hebben geen bijzon
dere aanleg voor wiskunde en bovendien
gaan zij niet verder studeren. Als het ex
periment slaagt bewijst dit dat de metho
de zeer geschikt is voor de gemiddelde
leerling. Slaagt het niet dan worden de
leerlingen daar op geen enkele wijze
door gedupeerd.
MAAR NA TWEE JAAR experimente
ren heeft professor Papy gevonden, dat
deze meisjes van gemiddeld 14 tot 16 jaar
een helder inzicht in het „groepswezen"
hebben. Zij lossen problemen op, die voor
de meeste volwassenen volkomen onbegrij
pelijk zijn. Dit bewijst ons dat we vele
problemen als moeilijk beschouwen, om-
stracter zaken en worden de kinderen durf nodig en een radicale herziening van
te vervangen. Daarvoor is echter veel dat we ze niet leerden analyseren op een
langzaam in de moeilijke wiskundige pro
blemen ingewijd.
Wis- en natuurkunde zijn voor de mo
derne wereld van het grootste belang.
Een land dat meegaat in de wetenschap
pelijke en technische ontwikkeling heeft
steeds meer wiskundigen nodig. Het lijkt
het gehele examensysteem, want men kan
met het nieuwe stelsel niet de oude eisen
handhaven. Uiteraard moet de nieuwe
methode eerst zorgvuldig getest zijn, al
vorens men tot een zo vergaande ingreep
overgaat en daarenboven zal men eerst
voldoende onderwijzers en leraren in de
nieuwe methode moeten opleiden.
leeftijd toen onze geest nog toegankelijk
en kneedbaar was. Dergelijke experimen
ten zijn bijzonder waardevol. Hun resulta
ten worden benut bij de opleiding van
onderwijskrachten en zo zullen de nieuwe
methoden langzamerhand in het onderwijs
worden toegepast, waarmee de kinderen
verlost zijn van de kwellende ouderwetse
methoden. (UNESCO)
DEZE BEROEMDE regel die naast
de kop van de New York Times te vin
den is, zou het de hoofdredacteur van
dat blad wel eens erg moeilijk kunnen
maken indien hij zich voortdurend de
inhoud van het simpele zinnetje zou
realiseren. Niet dat de New York Ti
mes een dagblad is met allerlei onbe
langrijke artikelen, nee het is zelfs een
van Amerika's meest serieuze bladen.
Maar wie zich werkelijk realiseert wat
geschikt is om gedrukt te worden
vraagt zich ook af wie dat gedrukte
woord leest.
DE KRANT is een gemakkelijk te
verkrijgen middel voor afleiding. Zij
wordt door allen in de gemeenschap
gekocht en gelezen. Bepaalde kranten,
tijdschriften en boeken worden gekocht
omdat zij een op sensatie gerichte af
leiding geven. Deze kranten worden
dan ook geredigeerd met het doel om
zo veel mogelijk sensatie te brengen,
met de reden zo veel mogelijk te ver
kopen. Dit laatste is natuurlijk volko
men gepermitteerd, maar het eerste
geeft een zeer grote verantwoordelijk
heid aan de schrijvers en redacteuren.
De halve of verdraaide waarheden die
een verslag in een krant zo sensatio
neel maken geven de lezer soms een
geheel veranderd beeld, waarin de
werkelijkheid volkomen verdrukt is.
En het zijn niet alleen de verslagen
over branden, verkrachtingen, moor
den of gevechten maar ook de beschrij
ving van de situatie tijdens een politie
ke crisis, de ontmoeting van twee niet
eensgezinde staatshoofden en het be
zoek van niet bevriende touristen.
DAT DE BIJZONDERE voorvallen
in de wereld beschreven worden is na
tuurlijk logisch. Gebeurtenissen die nog
nooit zijn voorgekomen of nog niet zijn
beschreven, zijn waard verteld te wor
den. De alledaagse dingen zijn ons be-
kend. In ieder geval onze eigen daagse
gebeurtenissen. Maar het is toch
vreemd dat men gewaarschuwd wordt
als men een buitenlandse hoofdstad
gaat bezoeken waarvan de krant ver
meldt dat „de inwoners angstig zijn" en
„men elk moment een uitbarsting ver
wacht", terwijl men in die stad vrijwel
niets merkt van spanning en haar in
woners vertellen dat zij ook gehoord
hebben van een crisis maar dan al
leen uit buitenlandse bladen.
HET KUNNEN SLECHTS enkele ge
neraliserende zinnen zijn over een
land, stad of groep mensen die de
lezer totaal kunnen doen vergeten dat
dit de zogenaamde „vermeldenswaar
dige uitzonderingen" over dit land, die
stad of die groep mensen zijn. Het is
immers een uitzondering als er een
overstroming is, of een burgeroorlog
of een stadsbrand of een aanranding!
Maar het wordt niet zelden gedrukt
alsof de ganse bevolking van die staat
of stad er aan heeft deelgenomen.
Een enkele maal, om 1 uur tijdens
de lunchpauze, ziet men wel eens een
groep sombere, aandachtige lieden
staan. Deze mensen staan dan de ellen
de te ondergaan die de nieuwslezer
door de luidspreker* van de goedbedoe
lende winkelier over hen uitstrooit.
ZOU HET NIET HEERLIJK zijn om
tussen alle atoomontploffingen, topcon-
De ?l-jarige Peter Brattinga is thans „chair
man" van het Pratt Institute in Brooklyn,
New York, een kunstacademie waar hij „ad
vertising design and illustrations" en „graphic
arts" doceert. Als voorzitter van het Institute
geeft hij leiding aan zeventien docenten en
ruim driehonderd leerlingen. Peter Brattinga
maakte een snelle carrière als graficus. Hij
verwierf enkele zeer waardevolle vakprijzen;
onder andere in bet begin van dit jaar
een Europese prijs voor de typografische ver
zorging van het bedrijfsdrukwerk van de
steendrukkerij De Jong en Co. te Hilversum
waarvan zijn vader directeur is. Dit bedrijf
geeft onder redactie van Peter Brattinga de
vermaard geworden Kwadraatbladen uit,
waarmee voor vrienden en vakgenoten de
naam van het bedrijf telkens bevestigd wordt.
In deze bladen is voor de inhoud onder
andere handschriften van dichters, Sandbergs
grafische opvattingen, muziek en techniek
een verrassend adequate typografische vorm
geving gevonden. Deze jonge, begaafde ont
werper baseert zijn werk op het principe dat
de ontwerper dienstbaar moet zijn aan zijn
onderwerp en niet moet trachten er iets bo
venuit te creëren. Zijn vaktechnische en ar
tistieke begaafdheid doet zijn naam telkens
opduiken in de gissingen omtrent de princi
pieel te noemen kwestie van de opvolging
van jhr. Sandberg, wiens pensionering als
directeur van het Stedelijk Museum aanstaan
de is. Brattinga's passie voor esthetische
vormgeving richt zich niet alleen op de grote
onderwerpen; hij heeft baanbrekende voor
beelden van moderne vormgeving geleverd
met onder andere sinaasappelpapiertjes en
speelkaarten. Het is niet zijn bedoeling in
Amerika te blijven, hoewel hij het aan het
lot overlaat of hij weer definitief naar Ne
derland zal terugkeren.
ferenties, stakingen en oorlogen een
bijzondere bloem te ontdekken, een
bloem waarvan de kleuren nog nooit
gezien zijn? Of te lezen dat binnen af
zienbare tijd wérkelijk een afdoend
middel tegen kanker te verwachten is
of dat er een toenemende beleefdheid
onder de jeugd is waar te nemen? Al
deze feiten zijn waar en ook uitzonder
lijk, tnaar op menige voorpagina krij
gen zij hun plaats niet.
Ik ben ervan overtuigd dat indien
„de pers" zich meer op de positieve
voorvallen zou concentreren, zij de ge
meenschap een grote dienst zou bewij
zen. Diegenen die zich snel gedrukt
voelen door de negatieve voorvallen in
de wereld zouden zonder psychiater of
pillen door het leven kunnen gaan. Kin
deren zouden met meer vertrouwen in
de oudere generaties hun training wil
len beginnen. Niet bevriende volkeren
zouden weinig reden meer hebben om
niet bevriend met elkaar te ziin.
Clara Eggink
bestaan, al een „vrouw" wil noemen. Die
zeer „mannelijke interventies van de wèl
of niet zielige Koos van Staveren (hij ver
loor in de rimboe al dan niet door zijn
toedoen vrouw en kind) brengen de onver
mijdelijke conflicten teweeg onvermij
delijk, omdat mensen maar „gewoon men
sen" zijn conflicten die Doortje in de
erotiek betrekken, Barend in een nog
zwaarder belaste bezorgdheid doen leven,
de zoon Frans ertoe brengen een revolver
aanslag op de vrijbuiter (of desperado)
Koos te plegen en in een door een ge-
loofstegenstelling verstoord huwelijk van
vrienden der Bodegravens een wending
(ten goede?) geven, die een bedenkelijke
oorzaak heeft. Alleen Dora blijft dank zij
haar ongenaakbare kern dezelfde, voor zo
ver de lezer tenminste kan nagaan, want
vóór het beslissende einde van het boek
heeft zij zich uit de loop van het verhaal
teruggetrokken.
EEN „CONFLICTENROMAN" dus, zo
als het stofomslag terecht vermeldt. Een
menselijke roman, waarin geen ophef ge
maakt wordt van het „goede" en het
„kwade" waartoe de mens in staat is. Cla
ra Eggink oordeelt niet, ze is geen zede
meesteres, maar een romancière, die de
realiteit presenteert zoals ze is, al kan men
er, haar gedichten kennend, zonder veel
moeite bijdenken dat Clara Eggink zich in
die werkelijkheid allerminst gelukkig voelt.
Barend berust: „Genegenheid, dacht hij,
dat en gezamenlijke ervaringen en ver
trouwen. Dat is het enige nog". Een voor
de zin van deze roman kenmerkend be
sluit, dat me de vrijheid geeft om „Ge
woon mensen" een sympathiek boek te
noemen, een roman waarvoor men op
menselijke gronden neit anders dan waar
dering kan hebben.
Als litterair werkstuk is het boek maar
ten dele geslaagd. Clara Eggink heeft
waarschijnlijk te veel volgens een sche
ma gewerkt: men ziet tenminste het ge
raamte van de opzet tè duidelijk om te
vergeten, dat er aan deze roman „ge
werkt" is. Men ontdekt, critisch lezend, al
te gemakkelijk de passages die als opvul
ling moesten dienen en kan de nogal boek
achtige uiteenzettingen van het overdreven
toegespitste geloofsconflict, de omstandige
verhalen van de lepe Koos en de jongens
boekachtig verhaalde herinneringen van
een zekere „oom Bram" moeilijk aanvaar
den als fragmenten die in het geheel van
de compositie niet gemist zouden kunnen
worden. Ook in de details weidt Clara Eg
gink soms uit zonder dat dergelijke fines
ses voor het verdere verhaal van enige
betekenis zijn. Ze laat dan steken vallen,
die onherstelbare gleeën in de structuur
van het boek veroorzaken.
DAT IS JAMMER, zonde en jammer
voor een zo eerlijke intentie als die waar
van „Gewoon mensen" zo onverdacht blijk
geeft. Naast deze fragmenten, waarin Cla
ra Eggink de greep op haar slof kwijt
raakte, staan andere waarvoor men zon
der voorbehoud respect kan hebben als eer
ste proeve van een romanschrijfster, die
als dichteres haar plaats zo onbetwistbaar
inneemt. Maar, vraag ik me af, had de
schrijfster, nadat ze de wat onwennige
aanloop van het eerste tiental bladzijden
achter de rug had, niet wat nauwlettender
kunnen toezien op een vermijding van stop
lappen? Had ze haar manuscript nog niet
eens critisch kunnen doornemen? Zinnen
als de volgende behoefden een Clara Eg
gink toch niet te ontglippen: „hij had geen
overvloed van eigenheid om af te geven,"
of: „waar er niets aan de muren hing (-)
stonden volgeladen boekenkasten", of:
„maar het was zonder twijfel waar dat
Dora in de jaren van hun huwelijk was ge
worden wat zijn hart in zijn lichaam was."
Laat men zich door dergelijke ontspo
ringen en de gesignaleerde compositorische
tekortkomingen niet laten afschrikken.
„Gewoon mensen" is ten slotte een debuut
en „de geest" van het boek, de teneur
van dit menselijk-al-te-menselijke, doen de
bedenkingen tegen deze roman als kunst
werk weliswaar niet teniet, maar ze laten
ze minder zwaar wegen. „Hoewel
zou Clara Eggink zeggen.
C. J. E. Dinaux
Twee Rotterdamse musea, het Museum
voor Land- en Volkenkunde en het Mari
tiem Museum Prins Hendrik, hebben zo
danig met ruimtegebrek te kampen dat
een oude snoepfabriek (van de n.v. C.
Jamin) als opslagruimte voor de weten
schappelijk belangrijke collecties moet
worden ingericht. Er is een halve ton
nodig om de ruimte, waar vroeger drop
en ijs werd gemaakt, in te' richten voor
de opslag van totempalen en dergelijke.