SIGNALEN 1 JULES MARE CANNEEL een Brusselse schilder Gedurfd pedagogisch experiment om kinderen wiskundig inzicht te geven „ALL THE NEWS THAT'S FIT TO PRINT" Litteraire Kanttekeningen I "All the News That's Fit to Print" het romandebuut van Clara Eggink ZATERDAG 11 NOVEMBER 1961 Erbij if PAGINA DKIb - (V SNOEPFABRIEK ALS MUSEUM (Van onze correspondent) BRUSSEL. In het Utrechtse Kunstmin zal men binnenkort kun nen kennis maken met het werk van wijlen de Brusselse schilder Jules Marie Canneel. Die eerste expositie van Canneels werk in ons land, is aan een toeval te danken zoals ons de weduwe van de schilder, die een kunsthandel bezit in de winkelgalerij van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, ons dezer dagen heeft verteld. Wanneer zij geen tentoonstelling heeft, pleegt zij namelijk werk van haar man in het uitstalraam te plaatsen en in de tentoonstellingszaal op te hangen. Daar hebben van de zomer bestuursleden van Kunstmin het gezien. Zij waren dadelijk enthousiast en zij hebben mevrouw Canneel ge vraagd of een expositie in Utrecht mogelijk zou zijn. Dat bleek het geval en zo zal men dus Canneels schilderijen, tekeningen en aquarel len te Utrecht kunnen bewonderen. Jules Marie Canneel was een van vier broers, die allen volgelingen van Sint Lucas zijn geworden: ds schilder Marcel, de beeldhouwers Eugène en Jean en hijzelf. Te Brussel werd hij in 1881 geboren en hij was dus een jaar ouder dan Rik Wouters. Evenals laatstgenoemde vluchtte hij na de val van Ant werpen in 1914 naar Nederland, waar hij genoten, Rik Wouters voorop, de „les van HET LAG VOOR DE HAND dat een zo veel werd peïnterneerd in Harderwiik Tot cézanne" geleerd. Later, vooral toen hij omvattende kunstenaarspersoonlijkheid wera geimerneera m naraerwijK. lot tijdens de ooriog Van 1940-1945 gedwongen als Canneel ook voor de mens intense be- 1918 is hij in Nederland gebleven en hij was in Brussel te blijven en zijn gezond- langstelling moest hebben. Daarvan getui- beetje hun tragiek dat zij niet „ontdekt" moet er zelfs een portrettekening gepu bliceerd hebben gezien: die van minister Treub in de Haagse Post. De voormalige kunstberg te Brussel bij sneeuwweer (1940). IN NEDERLAND heeft hij ook zijn late re vrouw, de zangeres Mady Purnode le ren kennen. Zij was verbonden aan de Franse Opera te 's Gravenhage en via ge meenschappelijke vrienden kwam zij met Canneel in contact. Hun band heeft tot zijn dood in september 1953 bestaan en nog is zij de trouwe hoedster van zijn nagelaten werk. CANNEEL HAD een veelzijdige belang stelling. Hij heeft geïllustreerd, hij heeft toneel gespeeld, hij tekende karikaturen, hij is een bekend en veelgelezen recht bankverslaggever geweest, hij heeft enige boeken geschreven, onder andere een bun del parodieën onder de titel „A l'instar de..". Mevrouw Canneel herinnert zich nog dat alle geparodieerden plezier erin hadden behalve de vader van minister Spaak, die zich heftig beledigd voelde. Toch heeft de schilderkunst wel de groots te plaats in Canneels artistieke leven in genomen en zijn oeuvre rechtvaardigt ze ker de Utrechtse belangstelling van thans. Ieder jaar maakten de Canneels een lan ge, rustige reis per schip of trein: naar Algerije, naar Marokko, naar Italië, naar Zuid-Frankrijk. Voor mevrouw Canneel waren er op de pleisterplaatsen de repeti- heid wankel werd, is er ook in zijn werk een zeker pessimisme gekomen. Zijn kleur wordt somber, zoals in het mooie gezicht op de Kunstberg bij sneeuw weer. Zijn visie is dan minder evenwich tig, zijn compositie mist de klaarheid van de zuidelijke landschappen maar er is an derzijds een trieste bewogenheid, die ont roert en boeit. gen niet alleen zijn karikaturen en zijn mooie, met enkele lijnen opgezette naakt- tekeningen maai ook zijn geschilderde por tretten en figuurstukken. Zijn vrouw heeft hij vaak geschilderd, uiterst raak gekarak teriseerd. Figuren als Canneel zijn er na tuurlijk meer in de Belgische schilderkunst van de laatste veertig, dertig jaar. Het is, zoals trouwens in de meeste landen, een werden, dat hun werk slechts in beperkte kring bekend bleef. Ook in Nederland heeft men daar voorbeelden van, helaas te over. Mevrouw Canneel hoopt dat de Utrechtse tentoonstelling het begin van hernieuwde belangstelling voor het werk van haar man mag zijn. In ieder geval kan men het met haar eens zijn, dat het recht op belang stelling en waardering verdient. BRBRBRRRflBJSBIRIRRBÜBRBBflRBBBBBBBRBBBBBBBBBB K.l RBRRRRRBRRRIBRRRBGRflRBRI „Gewoon mensen VORIG JAAR PUBLICEERDE Clara Eggink in de Minerva Pocketreeks (Meu- lenhoff) een historische levensbeschrijving van Alexandrine Tinne, geschreven in op dracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een in dub bel opzicht merkwaardige biografie: er wordt namelijk niet alleen in verteld van het avontuurlijke Haagse meisje, dat in het midden van de vorige eeuw met haar moeder de vaderlandse welgedaanheid, ont vluchtte, naar Afrika trok, het Niilgebied doorkruiste en eindelijk in Egypte tot rust kwam (waar ze in 1867 werd vermoord), maar ook, zijdelings dan, iets van de schrijfster, van Clara Egginks verlangen naar ruimte en vrijheid, naar een leven dat hoe dan ook gelééfd, en niet, bela den met kleinzielige vooroordelen, schijn- ties- en het optreden, voor Jules Marie de fatsoen en kwasi-rechtschapenheid voort- de weg naar de dichteres Clara Eggink, naar de „schiereiland"-bewoonster, die zich sinds haar debuut in 1934 meer en meer in haar poëzie terugtrok: „wie de golven te volgen vroegen, diens hart past nooit meer in de oude voegen". Jaren ge leden heb ik, naar aanleiding van de uit gave van haar verzamelde gedichten on der de titel „De rand van de horizon", de verzen van Clara Eggink gekarakteri seerd als een poëzie met een „broken me- gesleept wordt. „Er moet bepaald pio- niersbloed in haar gezeten hebben": deze zin licht ik niet uit „De merkwaardige rei zen van Henriëtte en Alexandrine Tinne", maar uit de zojuist bij Meulenhoff ver schenen eerste roman „Gewoon mensen" GELUKKIGE WERKEN heeft Canneel van Clara Eggink, uit een fragment waar gelegenheid te tekenen en te schilderen. Vandaar dat veel van zijn schilderijen stadgezichten en landschappen buiten Brus sel tot onderwerp hebben. in Algerije en Marokko gemaakt en het nachtelijke Rome moet ook zijn liefde ge had hebben. In bijvoorbeeld een kustge- zicht in de buurt van Oran of in een ha ven van Casablanca kwam wel de beste zijde van zijn talent naar voren: een licht „fauvisme", getemperd door een groot kleurgevoel en een neiging tot een zeer uitgewogen tonaliteit, waarbij hij aan half- tonen voorkeur bleek te geven Natuur lijk heeft hij, zoals zo velen van zijn tijd- in een en ander verhaald wordt over een Iers meisje dat in Afrika belandde en er tot haar dood toe bleef, omdat „ze hield lody", daarmee meer doelend op het ge stoorde en verstoorde ervan dan op het onvoltooide. Wat er gebroken in was het afwerende, schampere, soms bitse kwam voort uit de kern van dit dichter schap: het óngebrokene. Dat lijkt para doxaal gezegd, maar het is juist de para dox, het is de tegenstelling tussen het ver langen naar gaafheid en zuiverheid, naar „de tederheid die stilte is", èn de ont- van dat wilde, eenzame leven en niets nuchterend-verraderlijke werkelijkheid, die HET „GROEPSBEGRIP" komt in de moderne wiskunde steeds meer op de voor grond te staan, hoewel het aan de universi teiten nog tamelijk verwaarloodd wordt. De theorie van de groepen werd acht jaar geleden voor het eerst opgesteld door de in Rusland geboren, in Duitsland opgevoe de wiskundige, Georg Cantor, die een nieu we visie op de meetkunde had en voor stelde iedere wiskundige figuur als een „groep punten" te zien. De Franse wis kundige Maurice Fréchet generaliseerde de theorie en breidde haar uit tot alle voorwerpen, de zogenaamde „abstracte groepen". Zij vormen nu de gemeenschap pelijke stam van alle takken van wiskunde en men gelooft thans dat men beter van groepen voorwerpen uit kan denken dan van voorwerpen apart. EEN GROEP is een verzameling eenhe den die tezamen weer een nieuwe eenheid vormen. Tot voorbeelden van groepen kan bijna alles dienen: de stenen van een huis, de haren op iemands hoofd, de stoelen in een schoolklas, of de auto's op de straat. Met het voorbeeld van de bundeling der kinderen met kokardes trachtte de juf frouw een inzicht in het probleem van de afsplitsing (intersectie) te geven. Zijn de kinderen iets ouder dan kan de onderwij zeres figuren op het bord tekenen en de kinderen vragen hun plaats op het bord aan te geven binnen een van de cirkels. „Nee, Jantje je staat niet hier, want je hebt een blauwe hoed op en je wijst de rode cirkel aan, maar je staat daar, want je hebt geen kokarde." Zo gaat het ge- dachtenspel van concrete naar steeds ab- DIT LEVENSTHEMA kan men met va riaties en tegenstemmen ook in haar ro man horen, ondanks de bijgeluiden die een nog onvoldoende beheersing van de compo sitietechniek verraden. Dichten en proza schrijven zijn in wezen verschillend, zijn soms zelfs vijandige uitdrukkingswijzen, en wel als ze al te innig samengaan en als poëtisch proza zoiets als een dubbele zelfmoord plegen, zodat men maar blij moet zijn dat de realistische roman van Clara Eggink zich verre heeft gehouden van poëtische bijmengselen en eerder in gebreke bleef door een tekort aan schrij versroutine dan door een teveel aan dich- terservaring. Clara Eggink schrijft niet over gewo ne mensen, maar wat iets anders is over „gewoon mensen", niet méér dan mensen, die elk op hun manier te stellen hebben met de onontkoombare levensrea liteit en allicht in conflict raken met zich zelf en met anderen, zoals altijd en overal, in het klein en in het groot. Geluk, vrede, onbedreigdheid behoren in het beste geval tot het dichterdomein, tot zoals Clara Eggink destijds dichtte „de kleine plek, van 's werelds straf verschoond gebleven, waar bloem en wilde vrucht hoog bloeit aan water stil en eeuwen diep"; de werke lijkheid legt valstrikken, zet voetangels en klemmen. MEN ZOU HET GEZIN van de rechter Barend Bodegraven voor gelukkig kunnen houden. Barend is in de onverdachte zin van het woord een rechtschapen man, een trouw en eerlijk liefhebbend echtgenoot, een goed vader voor ziin zoon en dochter, een in zich zelf weggedoken „problema tische" persoonlijkheid, die zich dreigend omringd voelt door het onheil van zijn tijd. Dora, zijn eega, is het type van de sterk in zichzelf besloten, onafhankelijke vrouw, levend naar eigen normen die in zuiverheid de moraal van de fatsoensrak kers ver te boven gaan' een afgerond gaaf geheel. Maar in dit ogenschijnlijk harmonisch-ordelijke gezinsleven is het misverstand tussen de ouders en de snel volwassen wordende kinderen latent aan wezig, zonder dat er van een conflict der generaties gesproken kan worden: Frans heeft overeenkomstig de verlichte geest van zijn tijd ten huize van zijn vriend nog NADAT DE ONDERWIJZERES van de kleuterschool de kinderen rode en en wat D^rt^etrefTzflou Shien blauwe hoedjes had gegeven, sommige met kokardes erop, zei ze tegen hen: zonder kleerscheuren zijn overgegleden in „Als ik een teken geef, komen alle rode hoedjes aan deze kant! Al de blauwe de jaren van vrouwelijke rijpheid als er hoedjes aan de andere kant!" En alle kleine meisjes huppelden blij naar hun niet iets' tussenbeide was geko- v, i j men: een uit Afrika teruggekeerde jeugd- plaatsen toen ze in haar handen klapte. „Nu doen we dit touw om de kinderen vriend van Barend Bodegraven, tevens de die hier staan". En iedere groep kreeg een touw om zich heen. Daarna zei de eerste echtgenoot van zijn vrouw Dora, juffrouw: „En nu binden we de kinderen samen die een kokarde dragen". Dit Men kan deze oerwoud-medicus noemen was echter moeilijker omdat er kinderen met kokardes in beide groepen waren. men wil: een vrijbuiter, een verach- Ilet touw moest nu ook de andere twee koorden om iedere groep kruisen. Aldus Ienë sadistische" inslag' eenPgewften- begint Pierre de Latil een interessant artikel dat hij voor Unesco Features loze profiteur en rokkenjager, hij is in schreef. Het lijkt ejop of wij hier met een nieuw gezelschapsspel te doen hebben, ieder geval de onruststoker, die er kans maar het spelelement is eigenlijk ondergeschikt gemaakt aan het mathematisch toe ziet om in honderdtachtig bladzijden i ••ïii,. k z-i j i i -i druks vergaande betrekkingen aan te kno- onderwijsdoel dat men nastreeft. Op deze manier slaagt men er namelijk m, pen me(. |rig vrouwen, als men tenminste kleine kinderen in aanraking te brengen met een fundamenteel stuk menselijk de zestienjarige Doortjè, dit argeloze meis- denken. jeswezentje, opgegroeid in een beveiligd meer voelde voor de mensen die vroeger haar omgeving hadden gevormd" een halfzuster, zou men kunnen zeggen, van Alexandrine én van Clara Eggink zelf. Want deze ogenschijnlijk bijkomstige passage, die met de roman alleen indi rect iets uitstaande heeft, wijst regelrecht Clara Eggink de toon en de vorm deed vinden van haar in zichzelf besloten vers, niet groots, niet overrompelend, niet vlekkeloos vaak, maar sterk door de inner lijke kracht van een zich-niet-gewonnen- geven een zachtmoedige hardheid waar op de „melodie breekt". daarom nodig het wiskundeonderwijs zo te geven, dat het voor de kinderen ple zieriger en gemakkelijker te leren valt. De Belgische professor Georges Papy heeft op dit gebied pionierswerk verricht op middelbare en ook lagere scholen en in België wordt thans druk geëxperimen teerd. Het probleem met dit soort vernieuwin gen is overal hetzelfde. Voorzichtige in voering betekent in de regel mislukking. De leerlingen krijgen facultatieve uurtjes en komen niet, of wel men vult de oude stof hier en daar met nieuwe ideeën aan, zodat deze laatste praktisch geen effect sorteren. Men kan trouwens niet te veel nieuws overnemen zonder het program ma hopeloos te overladen. HET BESTE IS het gehele oude systeem los te laten en het door een nieuw In België heeft men het experiment grootscheeps aangepakt. Om de nieuwe methode te testen heeft men haar gepro beerd op de opleidingen van kleuterleid sters. Deze leerlingen hebben geen bijzon dere aanleg voor wiskunde en bovendien gaan zij niet verder studeren. Als het ex periment slaagt bewijst dit dat de metho de zeer geschikt is voor de gemiddelde leerling. Slaagt het niet dan worden de leerlingen daar op geen enkele wijze door gedupeerd. MAAR NA TWEE JAAR experimente ren heeft professor Papy gevonden, dat deze meisjes van gemiddeld 14 tot 16 jaar een helder inzicht in het „groepswezen" hebben. Zij lossen problemen op, die voor de meeste volwassenen volkomen onbegrij pelijk zijn. Dit bewijst ons dat we vele problemen als moeilijk beschouwen, om- stracter zaken en worden de kinderen durf nodig en een radicale herziening van te vervangen. Daarvoor is echter veel dat we ze niet leerden analyseren op een langzaam in de moeilijke wiskundige pro blemen ingewijd. Wis- en natuurkunde zijn voor de mo derne wereld van het grootste belang. Een land dat meegaat in de wetenschap pelijke en technische ontwikkeling heeft steeds meer wiskundigen nodig. Het lijkt het gehele examensysteem, want men kan met het nieuwe stelsel niet de oude eisen handhaven. Uiteraard moet de nieuwe methode eerst zorgvuldig getest zijn, al vorens men tot een zo vergaande ingreep overgaat en daarenboven zal men eerst voldoende onderwijzers en leraren in de nieuwe methode moeten opleiden. leeftijd toen onze geest nog toegankelijk en kneedbaar was. Dergelijke experimen ten zijn bijzonder waardevol. Hun resulta ten worden benut bij de opleiding van onderwijskrachten en zo zullen de nieuwe methoden langzamerhand in het onderwijs worden toegepast, waarmee de kinderen verlost zijn van de kwellende ouderwetse methoden. (UNESCO) DEZE BEROEMDE regel die naast de kop van de New York Times te vin den is, zou het de hoofdredacteur van dat blad wel eens erg moeilijk kunnen maken indien hij zich voortdurend de inhoud van het simpele zinnetje zou realiseren. Niet dat de New York Ti mes een dagblad is met allerlei onbe langrijke artikelen, nee het is zelfs een van Amerika's meest serieuze bladen. Maar wie zich werkelijk realiseert wat geschikt is om gedrukt te worden vraagt zich ook af wie dat gedrukte woord leest. DE KRANT is een gemakkelijk te verkrijgen middel voor afleiding. Zij wordt door allen in de gemeenschap gekocht en gelezen. Bepaalde kranten, tijdschriften en boeken worden gekocht omdat zij een op sensatie gerichte af leiding geven. Deze kranten worden dan ook geredigeerd met het doel om zo veel mogelijk sensatie te brengen, met de reden zo veel mogelijk te ver kopen. Dit laatste is natuurlijk volko men gepermitteerd, maar het eerste geeft een zeer grote verantwoordelijk heid aan de schrijvers en redacteuren. De halve of verdraaide waarheden die een verslag in een krant zo sensatio neel maken geven de lezer soms een geheel veranderd beeld, waarin de werkelijkheid volkomen verdrukt is. En het zijn niet alleen de verslagen over branden, verkrachtingen, moor den of gevechten maar ook de beschrij ving van de situatie tijdens een politie ke crisis, de ontmoeting van twee niet eensgezinde staatshoofden en het be zoek van niet bevriende touristen. DAT DE BIJZONDERE voorvallen in de wereld beschreven worden is na tuurlijk logisch. Gebeurtenissen die nog nooit zijn voorgekomen of nog niet zijn beschreven, zijn waard verteld te wor den. De alledaagse dingen zijn ons be- kend. In ieder geval onze eigen daagse gebeurtenissen. Maar het is toch vreemd dat men gewaarschuwd wordt als men een buitenlandse hoofdstad gaat bezoeken waarvan de krant ver meldt dat „de inwoners angstig zijn" en „men elk moment een uitbarsting ver wacht", terwijl men in die stad vrijwel niets merkt van spanning en haar in woners vertellen dat zij ook gehoord hebben van een crisis maar dan al leen uit buitenlandse bladen. HET KUNNEN SLECHTS enkele ge neraliserende zinnen zijn over een land, stad of groep mensen die de lezer totaal kunnen doen vergeten dat dit de zogenaamde „vermeldenswaar dige uitzonderingen" over dit land, die stad of die groep mensen zijn. Het is immers een uitzondering als er een overstroming is, of een burgeroorlog of een stadsbrand of een aanranding! Maar het wordt niet zelden gedrukt alsof de ganse bevolking van die staat of stad er aan heeft deelgenomen. Een enkele maal, om 1 uur tijdens de lunchpauze, ziet men wel eens een groep sombere, aandachtige lieden staan. Deze mensen staan dan de ellen de te ondergaan die de nieuwslezer door de luidspreker* van de goedbedoe lende winkelier over hen uitstrooit. ZOU HET NIET HEERLIJK zijn om tussen alle atoomontploffingen, topcon- De ?l-jarige Peter Brattinga is thans „chair man" van het Pratt Institute in Brooklyn, New York, een kunstacademie waar hij „ad vertising design and illustrations" en „graphic arts" doceert. Als voorzitter van het Institute geeft hij leiding aan zeventien docenten en ruim driehonderd leerlingen. Peter Brattinga maakte een snelle carrière als graficus. Hij verwierf enkele zeer waardevolle vakprijzen; onder andere in bet begin van dit jaar een Europese prijs voor de typografische ver zorging van het bedrijfsdrukwerk van de steendrukkerij De Jong en Co. te Hilversum waarvan zijn vader directeur is. Dit bedrijf geeft onder redactie van Peter Brattinga de vermaard geworden Kwadraatbladen uit, waarmee voor vrienden en vakgenoten de naam van het bedrijf telkens bevestigd wordt. In deze bladen is voor de inhoud onder andere handschriften van dichters, Sandbergs grafische opvattingen, muziek en techniek een verrassend adequate typografische vorm geving gevonden. Deze jonge, begaafde ont werper baseert zijn werk op het principe dat de ontwerper dienstbaar moet zijn aan zijn onderwerp en niet moet trachten er iets bo venuit te creëren. Zijn vaktechnische en ar tistieke begaafdheid doet zijn naam telkens opduiken in de gissingen omtrent de princi pieel te noemen kwestie van de opvolging van jhr. Sandberg, wiens pensionering als directeur van het Stedelijk Museum aanstaan de is. Brattinga's passie voor esthetische vormgeving richt zich niet alleen op de grote onderwerpen; hij heeft baanbrekende voor beelden van moderne vormgeving geleverd met onder andere sinaasappelpapiertjes en speelkaarten. Het is niet zijn bedoeling in Amerika te blijven, hoewel hij het aan het lot overlaat of hij weer definitief naar Ne derland zal terugkeren. ferenties, stakingen en oorlogen een bijzondere bloem te ontdekken, een bloem waarvan de kleuren nog nooit gezien zijn? Of te lezen dat binnen af zienbare tijd wérkelijk een afdoend middel tegen kanker te verwachten is of dat er een toenemende beleefdheid onder de jeugd is waar te nemen? Al deze feiten zijn waar en ook uitzonder lijk, tnaar op menige voorpagina krij gen zij hun plaats niet. Ik ben ervan overtuigd dat indien „de pers" zich meer op de positieve voorvallen zou concentreren, zij de ge meenschap een grote dienst zou bewij zen. Diegenen die zich snel gedrukt voelen door de negatieve voorvallen in de wereld zouden zonder psychiater of pillen door het leven kunnen gaan. Kin deren zouden met meer vertrouwen in de oudere generaties hun training wil len beginnen. Niet bevriende volkeren zouden weinig reden meer hebben om niet bevriend met elkaar te ziin. Clara Eggink bestaan, al een „vrouw" wil noemen. Die zeer „mannelijke interventies van de wèl of niet zielige Koos van Staveren (hij ver loor in de rimboe al dan niet door zijn toedoen vrouw en kind) brengen de onver mijdelijke conflicten teweeg onvermij delijk, omdat mensen maar „gewoon men sen" zijn conflicten die Doortje in de erotiek betrekken, Barend in een nog zwaarder belaste bezorgdheid doen leven, de zoon Frans ertoe brengen een revolver aanslag op de vrijbuiter (of desperado) Koos te plegen en in een door een ge- loofstegenstelling verstoord huwelijk van vrienden der Bodegravens een wending (ten goede?) geven, die een bedenkelijke oorzaak heeft. Alleen Dora blijft dank zij haar ongenaakbare kern dezelfde, voor zo ver de lezer tenminste kan nagaan, want vóór het beslissende einde van het boek heeft zij zich uit de loop van het verhaal teruggetrokken. EEN „CONFLICTENROMAN" dus, zo als het stofomslag terecht vermeldt. Een menselijke roman, waarin geen ophef ge maakt wordt van het „goede" en het „kwade" waartoe de mens in staat is. Cla ra Eggink oordeelt niet, ze is geen zede meesteres, maar een romancière, die de realiteit presenteert zoals ze is, al kan men er, haar gedichten kennend, zonder veel moeite bijdenken dat Clara Eggink zich in die werkelijkheid allerminst gelukkig voelt. Barend berust: „Genegenheid, dacht hij, dat en gezamenlijke ervaringen en ver trouwen. Dat is het enige nog". Een voor de zin van deze roman kenmerkend be sluit, dat me de vrijheid geeft om „Ge woon mensen" een sympathiek boek te noemen, een roman waarvoor men op menselijke gronden neit anders dan waar dering kan hebben. Als litterair werkstuk is het boek maar ten dele geslaagd. Clara Eggink heeft waarschijnlijk te veel volgens een sche ma gewerkt: men ziet tenminste het ge raamte van de opzet tè duidelijk om te vergeten, dat er aan deze roman „ge werkt" is. Men ontdekt, critisch lezend, al te gemakkelijk de passages die als opvul ling moesten dienen en kan de nogal boek achtige uiteenzettingen van het overdreven toegespitste geloofsconflict, de omstandige verhalen van de lepe Koos en de jongens boekachtig verhaalde herinneringen van een zekere „oom Bram" moeilijk aanvaar den als fragmenten die in het geheel van de compositie niet gemist zouden kunnen worden. Ook in de details weidt Clara Eg gink soms uit zonder dat dergelijke fines ses voor het verdere verhaal van enige betekenis zijn. Ze laat dan steken vallen, die onherstelbare gleeën in de structuur van het boek veroorzaken. DAT IS JAMMER, zonde en jammer voor een zo eerlijke intentie als die waar van „Gewoon mensen" zo onverdacht blijk geeft. Naast deze fragmenten, waarin Cla ra Eggink de greep op haar slof kwijt raakte, staan andere waarvoor men zon der voorbehoud respect kan hebben als eer ste proeve van een romanschrijfster, die als dichteres haar plaats zo onbetwistbaar inneemt. Maar, vraag ik me af, had de schrijfster, nadat ze de wat onwennige aanloop van het eerste tiental bladzijden achter de rug had, niet wat nauwlettender kunnen toezien op een vermijding van stop lappen? Had ze haar manuscript nog niet eens critisch kunnen doornemen? Zinnen als de volgende behoefden een Clara Eg gink toch niet te ontglippen: „hij had geen overvloed van eigenheid om af te geven," of: „waar er niets aan de muren hing (-) stonden volgeladen boekenkasten", of: „maar het was zonder twijfel waar dat Dora in de jaren van hun huwelijk was ge worden wat zijn hart in zijn lichaam was." Laat men zich door dergelijke ontspo ringen en de gesignaleerde compositorische tekortkomingen niet laten afschrikken. „Gewoon mensen" is ten slotte een debuut en „de geest" van het boek, de teneur van dit menselijk-al-te-menselijke, doen de bedenkingen tegen deze roman als kunst werk weliswaar niet teniet, maar ze laten ze minder zwaar wegen. „Hoewel zou Clara Eggink zeggen. C. J. E. Dinaux Twee Rotterdamse musea, het Museum voor Land- en Volkenkunde en het Mari tiem Museum Prins Hendrik, hebben zo danig met ruimtegebrek te kampen dat een oude snoepfabriek (van de n.v. C. Jamin) als opslagruimte voor de weten schappelijk belangrijke collecties moet worden ingericht. Er is een halve ton nodig om de ruimte, waar vroeger drop en ijs werd gemaakt, in te' richten voor de opslag van totempalen en dergelijke.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

IJmuider Courant | 1961 | | pagina 15