SCHRIJVEN of NEERSCHRIJVEN
BOEKENVERSLAG VOOR SINTERKLAASDAG
ZATERDAG 25 NOVEMBER 1961
Erbij
C. J. E. Dinaux
PAGINA DRIE
De romantiek in de bouwwerken van de
Amerikaanse architect Victor Lundy
IJf, 44» 1 „HEDEN TEN DAGE", aldus Walter
Gropius, „schijnt de keus van de poten-
JÈ tiële elementen voor de vormgeving van
gebouwen onbeperkt te zijn". De geldig-
beid van deze uitspraak wordt door het
jSB«8|Ii ene gehouw na het andere overal in de
li»!®!!? ^^ppSaBaÉL wereld aangetoond, maar deze zijn
zelden zo doordrenkt met de roman-
De 38-jarige Amerikaanse architect Victor tische menSelijke sfeer, die men vindt
Lundy, leerling van Gropius en Breuer. i Ti i i
in de gebouwen, die door een der oud
leerlingen van Gropius, Victor Lundy, zijn ontworpen. Hoewel noorderling van
geboorte en opvoeding, had Lundy zich aanvankelijk aangesloten bij de groep
architecten in Florida, van wie Paul Rudolph de intellectuele „Stravinsky" is
genoemd. Indien wij de vergelijking op Lundv zouden doortrekken, zou hij met
recht de „Ravel" genoemd kunnen worden. Elk ontwerp van Lundy is de con
cretisering van één enkel impressionistisch, treffend en in de grond roman
tisch thema.
WIE HET HAAST NIET MEER vind
bare geluk ten deel valt in een stille
straat te wonen in een grote stad, weet
ook dat échte stilte uitgesloten is. Hij
zal het niet altijd bewust opmerken,
maar zijn leven wordt van morgen tot
morgen begeleid door achtergrondge
ruis. Het doet er niet toe waar hij
woont, de onophoudelijke geluiden van
de drukke verkeersaders zullen altijd
tot zijn huis overwaaien en zijn kamer
binnendringen, ook al zou er verder
geen bromfiets door de straat zelf ko
men. Vooral op een vriesheldere avond
lijkt het net of hij in het centrum van
een geluidsbaaierd huist en voor heel
West-Nederland, dat uit bijna evenveel
wegen bestaat als woongrond, geldt min
of meer hetzelfde. Nagenoeg iedereen
woont tegenwoordig aan een straat of
aan een verkeersweg.
HET LEVEN van de moderne mens
wordt dus voortdurend begeleid door
achtergrondgeruis en hoe gevoeliger of
nerveuzer hij is, des té meer zal hij
zich hiervan bewust zijn en destemeer
zal hem dit hinderen.
Het grootste deel van dit achter
grondgeruis is onbestemd, onduidelijk,
maar zo nu en dan komen er signalen
tot hem die heftiger zijn en die hij kan
duiden. Soms vergist hij zich; hij denkt
dan dat er een boemeltrein door de stad
rijdt, terwijl het in werkelijkheid het
dreunende televisieapparaat van zijn
buurman boven is, of de radio van buur
man onder, of de stofzuiger van buur
vrouw links of rechts.
HET IS NIET ALLEEN de preoccu
patie in een deel van mijn werk met
de moderne techniek en mijn woede
aanvallen tegen lawaaivoortbrengers die
mij vaak het gevoel hebben gegeven
een seismograaf te zijn, een oscillator,
die uitslaat en reageert op de signalen
die van overal om hem heen tot hem
komen en die vaak fel uitslaat. Het lijkt
mij fascinerend de zwakke, meestal on
bestemde geluiden op te vangen die uit
het oneindige heelal voortdurend tot ons
komen, zoals sommige geleerden dag
en nacht doen; fascinerend en om gek
va.n te worden, zoals ik na de oorlog
bijna dol werd van al de nieuwe signa
len die op mij afstormden.
Daar ik vroeger mijn halve leven
sleet met lezen en zo lang ik mij kan
herinneren „schrijver" wilde worden,
ontving ik de hevigste signalen door
mijn lectuur. Zo zal ik niet licht de
schok vergeten die de Bekentenissen
van Rousseau mij bezorgden toen ik
een jaar of zestien, zeventien geweest
moet zijn. Ik weet het, die Bekentenis
sen zijn een lachertje vergeleken met
wat zestienjarigen vandaag de dag le
zen, maar ik werd dan ook vooral ge
troffen door de volstrekt opene zelf
analyse erin een zelfanalyse zoals 'fc
die later alleen nog maar tegen geko
men ben in Le Sabbath van Maurice
Sachs en de autobiografie van John
Cowper Powvs) en bovendien leefde ik
in 'n provinciestad in het oostelijk deel
van het land, bovendien in oorlogstijd,
en bovendien in een orthodox-protes
tants milieu. De signalen waren ne-
perkt dus en kwamen sterk gefilterd
door.
WELDRA werden ze heviger en volg
den steeds sneller op elkaar. Vooral na
dat ik mijn geloof vaarwel gezegd had
een langzaam en pijnlijk proces
kwam ik open en bloot te liggen voor
de stemmen van het „Jenseits", waar
onder de zeer krachtige poëtische als
die van Marsman en later Achterberg;
de stemmen van filosofen en psycholo
gen, van theologen, kuituurcritici en
parapsychologen, van schilders, musici
en filmers, van toneelschrijvers en
vitaminejagers, van betweters ên poli
tici. Ik heb op hun signalen gereageerd
tot ik er bijna overspannen van werd,
tot ik zelf een betweter dreigde te wor
den of een niets-is-meer-waar-weter,
wat even irritant is. En ik dank de
hemel dat ik mijn interesses tenminste
voor een deel heb weten te kanaliseren.
In de loop van de laatste vijftien jaar
zijn die stemmen, die signalen, zo veel
vuldig geworden, dat een groot deel niet
meer duidelijk klinkt en van een klein
deel is de invloed nog maar achterhaal
baar; de rest is tot achtergrondgeruis
geworden. Aan de andere kant hoop ;k
mijn leven lang een seismograaf te blij
ven, gevoelig voor en reagerend op sig
nalen van buitenaf, alleen dan heb ie
het gevoel dat je leeft. Niet tè gevoe
lig en niet tè sterk reagerend, want
wie dat doet belandt in een krankzinni
gengesticht.
MAAR GOED, INMIDDELS was ik
zelf naamgever geworden, een dichter,
die zijn woorden en zijn signalen aan
de mensen voorlegde om op te reage
ren, een hachelijke en verantwoordelij
ke onderneming waarvan ik mij de ri
sico's altijd wel bewust ben geweest.
De naamgeving moest niet alleen nieuw
zijn, maar ook juist. Was ik zelf niet
zolang de dupe geweest van vooroor
delen, slordige denkwijzen en gemak
zuchtige opvattingen? Opgepast, dus,
„WAAROM MOETEN we ons schamen
voor het ontwerpen van gebouwen die per
soonlijk en individueel zijn indien ze hun
wezen aan onze cultuur ontlenen?" vraagt
Lundy. „Voor mij is scheppende bouw
kunst een alles omvattende kunst: het is
schilderen en beeldhouwen, ingenieurswe
tenschappen, expressie van onze cultuur,
schoonheid ontsproten aan het praktisch
nut, doelbewuste bouw, technologie al
lemaal dingen waar wij mee te maken
hebben".
Lundy voegt aan deze wat hij
noemt „totale expressie" de flair en
geestdrift toe, die aan zijn persoonlijkheid
ten grondslag liggen. Hij heeft een prettig
voorkomen, hij is gevoelig, wat zwaar til
lend, geneigd een situatie donker in te zien
wanneer hij veel aan zijn hoofd heeft en
dan plotseling, om stoom af te blazen,
een vrolijke noot aan te slaan. Hij is ge
sloten voorzover het zijn persoonlijk leven
betreft, maar als hij eenmaal over ar
chitectuur begint weet hij niet van ophou
den. Hij werd in 1923 in New York gebo
ren en begon zijn bouwkundige studie al
toen hij nog pas zestien was. Zijn voorop
leiding sloot hij af omdat hij tijdens de
Tweede Wereldoorlog in het leger dienst
nam. Nadat hij bijna een jaar in een zie
kenhuis had gelegen om te herstellen van
in de oorlog opgelopen verwondingen, liet
hij zich inschrijven aan de Harvard Ar-
chitectenschool. Hij werkte daar onder
Breuer en Gropius.
Voor dit demonteerde expositiegebouw
maakte Lundy gebruik van met plastic
overdekt nylon.
SINDSDIEN HEEFT hij tal van prijzen
gewonnen en zijn daken werden nu eens
„stoutmoedig" dan weer „levendig" ge
noemd. De oorspronkelijkheid en durf van
zijn bouwwerken, waarvan de daken vaak
de blikvanger vormen, en de gelamelleer-
de houten spanten, die de charme van een
beeldhouwwerk vertonen, verlenen Lundy
een aparte plaats in de bouwwereld. Hij
heeft verscheidene kerken in Florida ge
bouwd, maar daar tussendoor ontwierp
hij woningen, kantoorgebouwen, een toe
ristencentrum en een school-uitbreiding,
waarvan een foto op het omslag van het
tijdschrift Architectural Record werd opge
nomen.
In 1959 opende hij een tweede bureau in
REEDS OP DEZE SCHOOL vestigde hij
de aandacht op zich cn hij verwierf een JfSUu Sm
reisbeurs. Dank zij deze toelage was hij j||p'
in staat met zijn vrouw gedurende twee f|Pe Pj
jaar de architectuur in Europa, Turkije, r Illp jSpM, :i
Siberië, Libanon. Frans en Spaans Marok- t jft
ko, Tunis, Algerije en Egypte te bestu- j ijjf
deren. Tijdens deze reis werd hij zich be- I f| 1 -af
wust van de richting die zijn talent zou Jl eeif
1953. uitsluitend voor eigen rekening te 18881^
werken. Zijn eerste bouwwerk, dat hem vlÉË t
een prijs bezorgde van het Amerikaanse ju Jf J,
Instituut voor Bouwkunde, lovende artike- .„"...JISl t i» k W& JÊ?*M
schriften opleverde en aan zijn naam alge- llftT
mene bekendheid verleende was een „dri- r.
ve-in" kerk in Florida, een gebouw dat Mi Jayf l®~ lln s 11
herinneringen aan de gothiek oproept. Hier im
paste hij voor het eerst goed zichtbare ge-
lamelleerde houten dakspanten toe en het
patroon der gepunte bogen vond een her- In deze kerk roor de Lutherse kerkge- I uiterst spectaculaire wyze gebruik gemaakt
haling in de beplanking aan de buitenzijde, meenschap in Florida heeft Lundy op I van gelijmde houten dakspanten.
„ALS MEN", schreef Oscar Wilde in één
van zijn briljante Sententiae, een boek ten
geschenke geeft, dan moet het een voor
treffelijk boek zijn, zo voortreffelijk
(„charming", zegt Wilde woordelijk) dat
men er achteraf spijt van heeft het te
hebben weggegeven Een dergelijke spijt
mag men een iedere Sinterklazige boeken-
koper toewensen, reden waarom ik uit
de najaarsboekenstroom een aantal boeken
kies, die elk in zijn soort in de Wildiaanse
geest spijtverwekkend zijn en dus het ge
ven waard. Al is de volgorde van vermel
ding min of meer willekeurig, ik meen
toch als „daad van eenvoudige rechtvaar
digheid" zoals Kloos zich destijds uit
drukte dit overzicht te moeten begin
nen met een roman van het hoogste ni
veau: „Tijding van Ver" (Nijgh Van
Ditmar), het jongste werk van de be
jaarde F. Bordewijk, vrijwel gelijktijdig
verschenen met een herdruk van zijn ver
halenbundel „Vertellingen van generzijds"
(Nijgh Van Ditmar). Bordewijk heeft de
ze nieuwe roman niet „geschreven", maar
„gebouwd" met een ontzagwekkende ar
chitectonische perfectie of, musicologisch
gesproken, als een fuga van Bach, met de
dood als thema en het leven als tegen
stem. S. Vestdijk is op het Klazenappèl
allicht niet enkelvoudig aanwezig: men
kan hem ontmoeten in zijn persoonlijke
herinneringen „Gestalten tegenover mij"
(Bert Bakker-Daamen N.V.), waar hij zijn
visie geeft op een zestal litteraire comili-
tonen (en düs op zichzelf), vervolgens in
een vermomming als Voltaire, in de twee-
bodemige „De filosoof en de sluipmoorde
naar" (Nijgh Van Ditmar), de Vol
taire die de mysterieuze dood van de
Zweedse koning Karei XII poogt te ont
raadselen (en hoe!), en ten slotte in „Een
Alpenroman" (De Bezige Bij), waarvan
men allereerst de tekst van het stofom
slag moet lezen een brief van Vestdijk
aan zijn uitgever die een kleine roman
van deze roman omvat, ter demonstratie
blijkbaar van hetgeen men niét moet ge
loven van hetgeen schrijvers verkondigen
over de wijze waarop hun werk ontstaat
(enfin, het is allerkostelijkst).
ALS lit DE EERSTE roman van de dich
teres Ellen Warmond „Paspoort voor Nie
mandsland" (N.V. Em. Querido) hier on
middellijk op laat volgen, dan is dat om
dat deze jonge schrijfster voor de dag is
gekomen met iets dat al dadelijk tot de
meesterklasse moet worden gerekend. Men
behoeft maar willekeurig enkele bladzij
den uit deze roman gelezen te hebben om
met zekerheid te kunnen zeggen dat El
len Warmond waard is de door het diep-
betreurde heengaan van Anna Blaman
opengevallen plaats in onze letteren te
gaan innemen. Een rijp en voornaam werk
is dit, met één slag, zélfs een verras
sing na haar speels-satirische verhalen
bundel „Eeuwig duurt het langst."
EN DAN IS ER EEN nieuwe bundel
„dierenverhalen", de zesde, van A. Kool
haas. die G. A. van Oorschot uitgaf onder
de titel „Weg met de vlinders", waarin
op z'n koolhazigst het menselijke zichzelf
leert verstaan in het „dierlijke" the
way of all flesh. Ik vind het maar be
wonderenswaardig dat een Koolhaas er zó
veel malen zó meesterlijk in slaagt om de
dieren niet te humaniseren, maar elk naar
zijn eigen aard het raadsel van alle be
staan te doen ondergaan als onvermijde
lijkheid van wat wij „leven" noemen. Een
tip van Klaas: gééf die Haas. Hij laat
zich door geen koe vangen. „Nacht op de
kale berg" de titel zal wel zijn ont
leend aan Moessorgski is het tweede
boek van Karei (let wel: Karei, en niet
Simon) van het Reve dat G. A. van Oor
schot uitgaf, een zeer persoonlijk-onper
soonlijk boek, een soort notekrakersuite-in
verhaalvorm, waarvan ik bij wijze van
uitzondering de „flaptekst" citeer, omdat
daar (ook bij wijze van uitzondering) kort
en krachtig staat waar het om gaat in die
nacht op de kale berg: „voor de prijs
van ƒ4.90 krijgt men in dit boek: nuttige
wenken voor kampeerders, een gedetail
leerde handleiding voor het verwerven van
een miljoen, een vergelijkende studie van
protestantse en katholieke radiosprekers,
levensbijzonderheden, adressen en tele
foonnummers van enkele met naam en toe
naam genoemde Nederlanders, een onver
wacht sterfgeval, kritiek op de Nederland
se pers, een onduidelijke verhandeling over
hoogtevrees, aanwijzingen voor het stich
ten en leiden van een religieuze beweging,
een recept voor het maken van gloeiwijn,
citaten uit bekende andere boeken",
kortom, er worden hier noten gekraakt, zo
als ik al zei.
DOLA DE JONG, thans Amerikaanse,
heeft ons, al bereikt ze ons nu via een
vertaling (want ze schrijft met niet ge
ring succes in het Amerikaans), niet ver
geten: „Begin maar opnieuw" (Uitgeverij
Ploegsma) heeft een Nederlands en een
transatlantisch, ja een internationaal ac
cent: de „tieners", over wie dit boek han
delt, zijn aan geen grenzen gebonden en
Dola de Jong heeft hun wereldtaal won
derwel verstaan en beschreven. Buiten on
ze grenzen gaat ook .Randstad" (De Be
zige Bij), een driemaandelijks tijdschrift
in pocketvorm (waarop men zich nu eens
niét kan abonneren), een tijdpocket in po-
ckettijd die met een bijzonder geslaagde
tableau de la troupe zijn entree maakt on
der redactie van Hugo Claus, Ivo Michiels,
Harry Mulisch en Simon Vinkenoog. Men
vindt er vertalingen van Samuel Beckett,
Alain Robbe-Grillet, Ethel Portnoy Kous
broek (een essay over Wilhelm Reich) en
„onze" schilder Corneille (Dagboek van een
schilder in Ethiopië). Allen Ginsberg
schrijft voorts in briefvorm een beschou-
ng over „Abstractie in de poëzie", Louis-
Paul Boon presenteert met pen en foto's
het resultaat van zijn voorkeur voor vrou
wenportretten, C. C. Krijgelman publiceert
een fragment uit een (nog niet uitgegeven)
roman „De Hunnen", welke actuele keur
wordt besloten door een drietal kronieken,
waaronder één van de hand van W. L.
Brugsma (de lezers van Haarlems Dagblad
niet onbekend!), die een in stijl en visie
uitmuntend overzicht geeft van de actuele
internationaal-politieke situatie.
AANDACHT VERDIENEN enkele ro
mans van oudere en befaamde auteurs.
Elisabeth Zernike schreef haar jongste ro
man „Haar vreemdeling" (N.V. Em. Que
rido) in een toon van milde resignatie, die
tevens kenmerkend is voor het gegeven:
dat van een vrouwenleven dat de rust
vindt in een rijpe beschouwelijkheid. In
.Hannibal, de Carthager" (Uitgeverij Con
tact) heeft David de Jong de hoogste eisen
gesteld aan zijn verbeeldingskracht: met
de cultuurhistorie als achtergrond trekt
Hannibal in deze lijvige, met zorg voor
bereide historische roman nóg eens over
de Alpen en nóg eens sterft hij in balling
schap. En dan Pauwels, Mr. Frangois
Pauwels: de vergevorderde jaren hebben
hem niet belet om voor de zoveelste maal
voor de dag te komen met een rasechte
roman, een gecamoufleerd-autobiografisch
ditmaal, „Als het niet waar is.." (Uitge
verij Stols-Barth), waarin Mr. Orlando de
plaats inneemt van deze onvermoeibare en
strijdbare schrijver-jurist, zodat deze de
vrije hand heeft om zijn levenservaringen
waar nodig bij te kleuren of te tempe
ren, een levendig verhalende „vertelro-
man", rijk aan personen en gebeurtenis
sen, Pauwels' gaafste boek, dunkt me. Wil
ly Corsari stelt in „Kinderen en minnaars"
(H. P. Leopold N.V.) het netelige probleem
aan de orde van de reacties in de kinder
ziel op de .liefdesverhoudingen" van
ouders en van de terugslag daarvan op
ingrijpende besluiten der volwassenen
een psychologische roman dus, in welk
genre de schrijfster haar litteraire sporen
rijkelijk verdiend heeft.
TROUW AAN ZIJN EIGEN traditie ver
telt Evert Zandstra in „De stroom ruist
in de avond" (N V. De Arbeiderspers) het
verhaal van de tweelingbroers Theo (de
dromer) en Herman (de onproblematische
jongeman), waarin de dromerijen van de
fantast Theo de auteur alle kans geven
om aan zijn verbeelding vrij spel te laten.
A. Viruly plaatst kenmerkend voor zijn
vroegere werk en zijn persoon in zijn
„Weerzien bij Passchendaele" (De Bezige
Bij) de liefdestrouw tegen de achtergrond
van twee wereldoorlogen en de dreiging
van een derde mensenvernietiging: „De
slotsom is in me gegroeid, dat de mensen
iets veel beters met elkaar kunnen berei
ken dan begrip van elkaar met de rede"
de mens is niet verloren zolang er waar
achtige liefde bestaat, aldus de strekking
van zijn sympathieke roman. Indië, zoals
het in de jaren 1922-1928 was, herleeft in
de sfeer die H. J. Friedericy oproept in
zijn „briefroman" „De eerste etappe"
(N.V. Em. Querido) Indië, zoals het
zich voordeed aan een „uitkomende" amb
tenaar Binnenlands Bestuur landschap
pen, Europeanen, Inlanders, ambtelijke
verhoudingen, uitnemend gekarakteriseerd.
Ook als historisch document is dit boek
van betekenis. Jacoba van Velde, schrijf
ster van „De grote zaal", tast in haar
tweede roman „Een blad in de wind"
(Em. Querido N V.) naar de oorsprong van
de angst die het leven van haar hoofd
figuur Helena Berger in de ban houdt.
Haar nerveus-flitsende stijl registreert dit
emotioneel-bewogen leven met menselijke
onmiddellijkheid: „Ik moet me alles her
inneren van haar die als een schim op
een filmdoek aan me voorbijglijdt, waar
van ik weet dat ik het ben, maar die ik
nauwelijks ken. In „Die ene mens"
(Em. Querido N.V.) vervolgt Willem Brak
man het leven van zijn Wim Akijn uit
„Een winterreis" in omgekeerde richting:
hij is nu student en ondervindt hoe onwaar
de bewering is, dat ieder mens kan wor
den gemist. Die „éne mens" is de onver
vangbare, élk mens is onvervangbaar, is
een unicum, in dit geval Akijns vriend
Tom, die hem door een vroege dood ont
valt.
BUITEN DE LITTERAIRE sector valt
een publikatie, die ik niet ongenoemd mag
laten: het door dr. J. W. Schulte Nord-
holt samengestelde en door N.V. De Ar
beiderspers uitgegeven „kijkboek": „Ras
sendiscriminatie", een aangrijpend werk,
een getuigenis, een onthulling die de (ver)
blinde eindelijk ziende moge maken.
Van de verschenen poëziebundels ver
meld ik het kroonstuk van dit jaar: „Ver
geetboek" van Gerrit Achterberg, dat kort
na het vierde deel van zijn „Cryptoga-
men" bij Querido N.V. verscheen een
wonderboek, twee werelden inéén, een
creatie van een voornaam en geniaal dich
terschap, waaraan de uitgeefster met de
ze subliem uitgevoerde uitgave alle ver
diende eer heeft bewezen. „Vergeetboek"
is bovenal een geschenk, waarvan men
in de geest van Wilde het weggeven
zou betreuren. Het is een oppergeschenk:
van de dichter aan ons, van elk onzer
aan de uitverkoren begunstigde op Sinter
klaasavond.
-*~-o
de stad New York, teneinde de opdrach
ten te behandelen, die hem vanuit het
noorden bereiken; tot de eerste behoor
den een kerk en een school. In 1960 werd
hem door de Commissie voor Atoomener
gie opgedragen een demonteerbaar ge
bouw te ontwerpen dat een reizende ten
toonstelling en een filmtheater kan her
bergen teneinde in vier Zuidamerikaanse
landen demonstraties te geven over de
vreedzame toepassing van de kernenergie.
Lundy moest daarvoor een bouwwerk ont
werpen dat niet uit de toon mocht vallen,
verplaatsbaar en betrekkelijk goedkoop
moest zijn. Het resultaat van vele bespre
kingen met de Commissie was een „ge
bouw", opgetrokken uit twee lagen met
plastic bedekt nylon en met een dak dat
per vierkante meter nog geen 25 kg.
weegt; het heeft een silhouet van twee
grote bogen. Het bleek zeer praktisch in
het gebruik te zijn. Reeds aan de ingang
bemerkt men die speciale, aan Lundy
eigen trekjes: als een portiek van een Ro
maanse kerk welven zich 12 met lucht ge
vulde, gebogen kokers in een halve cir
kel van de ene naar de andere kant.
IN 1960 BEREIKTE hem van de zijde
van het State Departement de opdracht
een ambassadegebouw te ontwerpen voor
Colombo. Het ontwerp is nog niet gereed,
maar men mag veilig aannemen dat Lun
dy ook aan dit gebouw een persoonlijke
sfeer zal geven. „Er is niets gekunstelds
in mijn ontwerpen", aldus Lundy. „Ze zijn
stoutmoedig en onverhuld. Als ik er niet
in slaag iets goeds te maken, ligt dit voor
een ieder open en bloot".
Sybren Polet is 19 .iuni 1924 te Kampen ge
boren. Hij woonde onder andere in Stockholm
en op de Canarische Eilanden; reisde veel,
van Noordkaap tot Sahara; vertaalde uit het
Frans, Engels en Zweeds; is redacteur van het
litteraire tijdschrift Podium, waarin hij in 1949
debuteerde. Hij publiceerde de volgende wer
ken: Poëzie: Demiurgasmen, Organon, Ge
boorte-Stad, Lady Godiva op scooter, Konkre-
te Poëzie (voorjaar 1961). Proza: Klein Karel-
tje wordt Keizer, sprookje; De Steen, sprook
jesroman; Breekwater, roman (zojuist ver
schenen). Toneel: Het Huis één-akter (pre
mière Avantgarde-Toneelfestival Brussel,
1960): een avondvullend stuk in voorberei
ding. Bloemlezingen: De stenen bloedzuiger,
science-fiction-verhalen; De vuurballons,
idem; Het warme Noorden, bloemlezing uit
de moderne Zweedse poëzie (met Amy van
Marken); 1900—1950, Bloemlezing uit de mo
derne buitenlandse poëzie in Nederlandse ver
taling (verschijnt laatste week van november).
Hij werd bekroond met de Jan Campertprijs
(voor Geboorte-Stad). Poëzieprijs gemeente
Amsterdam (voor gedicht .Woonruimte" uit
bundel Geboorte-Stad) en begiftigd met een
reisbeurs van O., K. en W. voor Lady Godiva
op scooter". De bundel Geboorte-Stad werd
geschreven in opdracht van het ministerie O.,
K. en W. Sybren Polet leest voor uit eigen
werk op Querido-plaat SVS 6008.
dacht ik, vooral voor iemand die in
aanleg een mysticus is, zoals de meeste
dichters overigens. Deze reactie is mis
schien ook de reden dat ik mij nooit
aan een ongelimiteerd associëren heb
kunnen overgeven; ik hield het gedicht
graag wat meer aan teugels in de hand.
Mystiek, best; magie, best; maar dan
toch ook. nog even gecontroleerd door
een andere functie van de geest die
meestal met denken aangeduid wordt.
Het funeste resultaat van een te gemak
kelijke mystiek en een te vaardig uit
geoefende magische invloed hebben we
te vaak meegemaakt in de Twintigste
Eeuw. Vertrouw de signalen niet te
snel, signalen kunnen bedriegen, zoals
onze ogen of ons gevoel ons kunnen be
driegen, of het televisieapparaat van
buurman boven. Laat ze dan liever te
rugzinken in het onvermijdelijk achter
grondgeruis.
EEN HEFTIG SIGNAAL van een jaar
of zeven, acht geleden. Een citaat uit
een bekend boek van Piaget, aange
haald door dr. J. A. Westerman Hol-
stijn in zijn voortreffelijke „Inleiding
tot de ontwikkelingspsychologie." Een
meisje van 9 jaar vraagt: „Papa, is
het waar dat God bestaat?" De vader
antwoordt dat hij er niet al te zeker
van is. Waarop het meisje repliceert:
„Hij moet wel bestaan, want hij heeft
een naam."
Dit is een aandoenlijk en op het eer
ste gezicht zelfs een zeer wijsgerig ant
woord dat vele lezers een herkennings
signaal zal bezorgen. Maar het is te
vens een klassiek voorbeeld van ma-
gisch-concreet en als zodanig vrij pri
mitief denken, zoals dichters meestal
doen als ze dichten. Het is een aan
trekkelijke en vooral poëtische vorm
van denken, maar ook een die men niet
geheel ongecensureerd doo, mag laten
of als eindfase beschouwen, netzomin
als men dichters op het eerste woord
moet vertrouwen. Ten slotte kan men
ook willekeurig namen geven en kun
nen de meest vreemde fenomenen met
goddelijk worden betiteld, zoals in het
verleden ook dikwijls is gebeurd en nog
gebeurt. Ik zei het al, naamgeven, dich
ten is een riskante zaak. Een van
mijn eigen dichtregels luidt: „En ik ge
loof erin omdat ik het geschreven heb."
Ik ben er zelf even van geschrokken
toen ik het neerschreef. Maar, dacht ik,
ik aanvaard het risico omdat ik alleen
die dingen hoop neer te schrijven die
door heel wat lagen van bewustzijn zijn
heen gegaan. Alleen dergelijke waarhe
den bezitten ook geldigheid voor ande
ren, of liever, kunnen die bezitten. Al
leen dergelijke dingen zijn werkelijk
geschreven en niet alleen maar neer
geschreven of overgeschreven.
k