Ivoor, o DE GOUDEN PEN OVER BEUKENOOTJES, EIKELS EN PADDENSTOELEN DE GELUKSVOGELS DE VERONGELUKTE VLIEGER OP KL OMPEN VAN ALLES WAT HANDENARBEID Een modern sprookje OVERNEMING UIT DEZE RUBRIEK VERBODEN AI op de lagere school was het een wed strijd geweest tusschen Wim Lang en Frans Boelaers. Beide jongens konden uitstekend leeren en dongen ieder jaar om het hardst naar den eersten prijs Het waren goede vrienden, die lief en leed, appels en straf eerlijk samen deelden, maar op het stuk van leeren bevochten zij elkaar als ware doodsvijanden. De een wilde steeds boven den ander uitgaan. Ik kan niet anders zeggen, dan dat dit heel hoffelijk was. De twee studenten behoorden gewoonlijk tot de eersten van de klas en dikwijls was het voor de onderwijzers zeer moeilijk uit te maken wie van beiden de knapste was. Bij iederen overgang of examen zaten dus niet alleen de beide knappe bollen, maar ook de leeraren in spanning. Het was over de heele school bekend en alle overige jongens volgden met groote belangstelling den strijd- Wie zou er dit jaar de eerste zijn? Dat was de vraag, die tegen overgangstijd alle klasgenooten bezig hield. Zou het nu Wim Lang zijn, die altijd zoo vreeselijk diep over zijn sommen gebogen zat, dat zijn neus het papier raakte? Of was het, evenals de vo rige maal, de kleine Boelaers met zijn gele haren? Afwisselend sloeg de schaal naar beide zijden over Toen volgden de H. B. S.-jaren. Een nieuwe school met nieuwe kamera den. Al dadelijk vormden de twee het mid delpunt van het schoolleven. Bij hun mak kers stonden zij beiden even goed aange schreven, want verwaand of hooghartig waren zij geen van twee. Op de H- B. S. werd de strijd nog feller voortgezet dan op de lagere school al het geval was geweest. In het schoolblad, dat iedere veertien dagen in een kleine oplaag verscheen, schreven de twee geleerde ver handelingen en bestreden elkanders op vattingen over alles en nog wat Iemand, die alleen dat schoolblaadje las, zou allicht in de meening raken, dat Wim en Frans elkaar niet konden luchten of zien. Maar die lezer moest dan maar eens na schooltijd de beide vechtersbazen-met- de-pen volgen. Dan zou hij ontdekken, dat er geen betere kameraden in de stad te vinden waren. Het werd ieder zoo langza merhand duidelijk, dat die twee een groo- ten strijd voerden. Want het was wel begonnen als een doodgewone wedstrijd op de schoolbanken, doch hoe meer het einde van den H.B. S.-tijd naderde, hoe meer het bleek, dat de twee elkaar ook na de schooljaren „in de maatschap pij", zooals de menschen dat noe men, niet veel toe zouden geven. Wie zou het 't verst brengen? Op die vraag kon niemand ant woord gevpn. En toen kwam de gouden pen op het tooneel van den strijd- n „De gouden pen was een vulpen. Een doodgewone vulpen, zooals er duizenden gebruikt worden. Wim Lang kocht de pen op een goeden dag. Hij had al lang een vulpen willen hebben en nu hij eindelijk het begeerde geld er voor bij el kaar had, stapte hij er maar da delijk op af en kwam terug als eigenaar van de pen. Hij was zoo in de wolken met zijn nieuwe aanwinst, dat hij een paar weken lang niet anders sprak dan over „mijn gou den pen" en zoo kwam dus die naam in de wereld. Want ik zeg nog eens: het was een doodgewone vulpen, zooals er duizenden gebruikt worden. Tenminste uiterlijk. Want voor de rest had de gouden pen eigenschappen, die tot nu toe op de heele wereld niet 't eigendom van een andere pen waren geweest. De gouden pen was een wonder. Een soort betoovering, zooals je die beschreven vindt in oude sproken en tooverkol-verhalen. Zooiets als de zeven mijlslaarzen van klein Duimpje. Dat ontdekte Wim pas na een paar we ken- Hij zat op zijn zolderkamertje bij het licht van een zaklantaarn een Engelsche thema te maken. Het was al laat en het moest stiekum gebeuren. Zijn vader wilde niet, dat hij nog tót laat in den nacht werkte. En bovenal mocht hij zoo laat geen licht meer gebruiken. Vandaar dat Wim zijn zaklantaarn voor dat doel had ingericht. De lantaarn hing aan een touwtje boven de tafel en Wim zelf zat diep over zijn schrift gebogen De thema vlotte niet érg. Kwam het mis schien omdat het zoo laat was? Of was het ding zoo moeilijk? Wim zuchtte. Moeilijk was de thema zeker! Hoe moest Je dit woord nu weer vertalen?! Gespannen dacht Wim na, zijn pen bleef even rusten op het papier Dat woorddat woord.... En toen gebeurde het. Het reuzen-wonder. De pen begon in Wim's hand te bewegen en schreef op het papier..,, het goede woord! En de pen ging verder. Schreef uit zich zelf het papier verder vol. Maakte de heele thema, zonder dat 'Wim er iets voor hoefde te doen. Oef!! De jongen zat verstomd. Droomde hij? Nee, hij was klaar wakker. En de pen had de thema gemaakt! Toen Wim een beetje van zijn verbazing was bekomen, begon hij het geval te 011 derzoeken. Zou de pen nog meer kunnen? Hij probeerde het eens met Duitsch. Ook deze thema vertaalde de pen vlot. Wim be hoefde alleen maar den Hollandschen tekst er naast te leggen en de pen deed het werk. Nog verder gingen de proeven- Hij liet de pen uit een oud Spaansch boek een hoofd stuk vertalen. Spaansch kende Wim in het geheel niet. maar morgen zou hij bij een onderwijzer gaan informeeren of het goed was. Toen deed de jongen de zaklantaarn uit en ging naar bed. m Het wonder was werkelijkheid geworden De pen had het goed gedaan. De onderwij zers stonden sprakeloos, omdat ze meenden, dat Wim zelf deze onberispelijke vertaling uit het Spaansch geleverd had. Wim liet hen maar zoo lang in dien waan. Hij wilde liever het wonder van de gouden pen zoo lang mogelijk geheim houden. En tegenover Frans Boelaers? Zou hij het zijn vriend vertellen? Wim twijfelde. Nee, hij zou ook tegenover Frans zwijgen. Bat kon misschien nut hebben. En zoo begon Wim zijn werk voor het eindexamen. Zonder er iemand een woord over te zeg gen, liet hij de gouden pen het werk ma ken en omdat de pen het toch allemaal deed, nam de jongen zelfs niet eens meer de moeite om ook wat te leeren. Studeeren behoefde hij niet meer, meende hij. Im mers, hij had de wondere gouden pen! Onderwijl zat Frans Boelaers met zijn hand door zijn gele haren wrijvend over zijn werk gebogen. Dikke zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd en zijn pen zwoegde krassend over het papier. De dag van het examen kwam. De spanning steeg ten top. Ieders aan dacht was gericht op de twee kampioenen. Honderden jongens stonden voor het schoolgebouw op den uitslag te wachten. Er werd zelfs gewed en een paar kleine jongens kregen ruzie om het geval, waarbij zij elkander te lijf gingen. Zes politie-agenten moesten de orde op de straat handhaven. In de groote koele zaal waren de vijftig candidaten voor het einddiploma aan het werk. Ieder aan een tafeltje. Gebogen. En met volle aandacht op het werk. De eene les volgde op de andere en op het einde van den dag brak het uur aan, dat de uitslag bekend zou worden. Daar stond de voorzitter van het college van examinatoren achter de groene tafel op. Ernstig gezicht, witte lijst in zijn hand. „Het diploma is toegekend, allereerst en met lof, aan Wim Lang!" Dat was alles wat men hoorde, want vlak daarop barstte een donderend gejuich los, dat dadelijk op straat weerklank vond. De gelukkige nummer één werd van alle kanten gefeliciteerd en hij nam dat alles met een kleur van verlegenheid in ont vangst. Voor hem op tafel lag de vulpen De doodgewone pen. De „gouden pen"! Even werd Wim's kleur dieper rood. Maar nu van schaamte. Had hij eigenlijk het bespannen dacht Wim na diploma verdiend? Of kwam de eer toe aan de pen? Maar hij liet die gedachte varen en ging door met handen drukken. Nummer twee was Frans Boelaers. Ook hij had, zooals vanzelf spreekt, vele felici taties m ontvangst te nemen, maar dien avond gebeurde het eigenaardige, dat Wim en Frans niet samen naar huis gingen. Frans Boelaers verbaasde er zich over. De maatschappij had de beide jongens opgeslokt. Nu de schooljaren achter den rug waren, begon het eigenlijke leven pas. En dit bestond vooreerst in het veroveren van een positie. Ieder voor zich werkten de twee zich door de moeilijke jaren heen en onderwijl raakten ze meer van elkaar ver wijderd dan ooit- Dat kwam door het fabelachtige succes van Wim Lang. Over alle sporten van de maatschappelijke ladder tippelde dit jong- mensch luchtig en zonder inspanning naar boven. Zijn groote kennis en vlotte stijl, zijn uitstekende talenkennis vooral, maak ten, dat hij weldra een stuk boven zhn ouden vriend uitstak En wat door ieder, die hen kende, met verwondering werd aangezien de vriend schapsband werd losser naarmate de af stand grooter werd. Men fluisterde, dat Wim Lang verwaand was geworden. Dat hij door zijn succes ver blind was. Dat hij zijn ouden kameraad links liet liggen. En wij moeten toegeven: men fluisterde met recht. Het beetje schaamte, dat de jongen ge voeld had, toen hij er aan dacht dat zijn succes alleen aan de gouden pen te danken Je kan 't nog niet, zei groote Henk Tegen zijn broertje Jantje, Kijk maar naar mij hoe of het moet De vliegers droeg zus Antje. Ach jö, zei Jan tot grooten Henk, Snij niet zoo op. wat denk je, Dat ik hem niet de lucht in krijg? Let maar eens op, groot Henkjel En toen ze kwamen op de wei En Henk riep: Kijk, daar gaat-ie! Zei Jantje trotsch: 't Is nog al wat, Kijk liever hier, daar staat-ie. Henk keek, maar lette daardoor niet Op wat er nu gebeurde Met z?n eigen vlieger, die, verward In 'n boom, heel leelijk scheurde. En toen hij samen met zijn zus 'm Los had, na veel probeeren, Riep Jantje lachend: Hé, zeg Henk, Wil ik het jou eens leeren? A. T. was geweest, was als sneeuw voor de zon verdwenen en had plaats gemaakt voor een onaangename hooghartigheid. Frans Boelaers begreep er niets van. Ondertusschen ging de strijd verder. Als moderne jongemannen werkten zij voor hun brood en in de vrije uren liepen zij col lege op een universiteit. Maar al spoedig kreeg Wim een betrek king, die tegelijk vereer end en belangrijk v/as. Hij werd aangesteld aan een onder- afdeeling van den Volkenbond, waar hij correspondeerde met regeeringen van alle landen ter wereld- Dadelijk liet hij zijn studies varen. Wim was gemakzuchtig geworden sinds de gou den pen zijn leven zoozeer was komen be ïnvloeden. Dit goede leven duurde ongeveer een jaar. En gedurende dien tijd werd het over de gansche wereld bekend, welk een talent Wim Lang bezat. En toen kwam de dag, dat Wim Lang in een vroolijke bui met een paar nieuwe vrienden ging varen op het meer van Ge- r.ève. Er werd feest gevierd en gedronken. Wim haalde schertsend zijn gouden pen te voorschijn en bracht een dronk uit op het voorwerp, dat zoovele jaren in zijn be zit was geweest. De vrienden klonken mee. Begrepen niet wat er meer achter Wim's woorden stak. Opeens een windvlaag. Het jacht helde vervaarlijk over. Door den schok tuimelde Wim achterover. De gouden pen gleed uit zijn handen en vóór hij zich kon herstellen, rolde de pen overboord. Het jacht scheerde als een witte meeuw over het water, handig en snel onder de handen van den bekwamen stuur man. De pen lag op den bodem van het meer en aan dek van het witte jacht zat een verslagen man, Wim Lang, die langzamer hand begon te beseffen wat dit ongelukje voor hem beteekende. Vlak na het verzinken van de gouden pen werd er in Wim's werkkring gevoeld, dat het talen-genie, Wim Lang, niet meer voor zijn taak berekend was- Iedereen ver baasde er zich over. Wim Lang was het grootste gedeelte van zijn fabelachtige ken nis kwijt. Fouten waren aan de orde van den dag en het ging zelfs zoover, dat Wim geen Chineesch, Russisch, Hebreeuwsch, Spaansch, Latijn meer kende. Talen, die hij tot nu toe vlot kon schrijven! De kranten van de geheele wereld begon nen zich met het wondere geval te be moeien. Dagen achtereen verschenen er artikelen, waarin de zaak van alle kanten werd bezien. Men sprak van geheugenverlies, over een of andere geheimzinnige ziekte- Maar nie mand begreep hoe de vork in den steel zat Een paar maanden werd het aangezien, maar toen was het met Wim's goede po sitie gedaan. Hij deugde niet langer voor zijn werk en werd ontslagen. Zijn geboorte plaats, die hij eigenlijk ontgroeid was, wilde hij niet meer zien en hij vertrok van Ge- nève naar Parijs, waar hij probeerde op alle mogelijke manieren aan werk te ko men, zonder dat het hem gelukte. Eiken dag treurde Wim om het verlies van de gouden pen. Daarmee was al zijn kennis verdwenen en hij stond zelfs ten achter bij de menschen, die even lang ge studeerd hadden, want omdat hij zoo ge makkelijk het werk door de gouden pen kon laten doen had hij zich, vooral de laatste jaren, om studeeren niet veel be kommerd. Door de voortdurende tegenslagen, die hem nu troffen, raakte Wim steeds meer van het rechte pad af- Kon hij door kennis en werken niet aan geld komen, dan maar door stelen en oplichten, dacht hij. Van lie verlede kwam hij in slecht gezelschap, ver viel van het eene misdrijf in het andere en het duurde dan ook niet lang of hij viel in handen van de Parijsche politie. Zes maanden werd hij gevangen gezet voor een van zijn oplichterijen en toen hij uit de gevangenis kwam, besloot hij ten einde raad naar Holland te komen. Iedereen zou hem wel vergeten zijn. Zijn vrienden zouden hem wel niet meer herkennen. Wat hij in Nederland zou gaan doen, stond bij hem nog niet vast. Zou hij doorgaan met zijn oneerlijk leven of zou hij weer een recht schapen mensch worden? VI De jaren gingen voorbij. Wim Lang zwierf door het land zonder arbeid, zonder huis, als een landlooper, dikwijls achter volgd door de politie, rusteloos. Hij treurde nog altijd om het verlies van de gouden pen en zoo dikwijls zat hij in zichzelf er over te praten, dat-de menschen, die hem ken den, hem hielden voor een gek. Waarom zou hij anders steeds spreken over een wonder bare gouden pen? Die dingen bestonden immers niet. Op een guren winterdag kwam Wim op nieuw in zijn geboorteplaats. Het kwam uit, zooals hij voorspeld had. Niemand kende in den sjofelen zwerver den beroem den Wim Lang, den besten talenkenner ter wereld, aan wiens roem zoo plotseling een einde was gekomen. Tegen den avond vond Frans Boelaers, die daar nog altijd woonde, den uitgeput- ten zwerver voor zijn huis. Hij nam hem mee naar binnen. Wim herkende zijn vriend. Wat was het hier gezellig! Frans was gehuwd en zijn vrouw en kinderen waren verbaasd hem met dezen verloopen vent binnen te zien komen Maar Wim kreeg een goed onthaal en, wat bijgekomen, rustte hij uit in een fauteuil bij den haard. Door een toeval kwam toen de herken ning. Een van de kinderen was met een paar oude portretten aan het spelen en legde er één neer op de knie van den zwerver. Of hij ook eens dat mooie plaatje wilde zien! Wim keek. En hij kreeg eeij schok van verrassing. Het was een portret van hem en Frans uit hun schooltijd. Hij ontroerde zoozeer, dat het zijn gast heer opviel, die hem vroeg wat hem scheelde. Wim antwoordde niet Dan nam Frans het portret en keek lang van Wim naar het oude plaatje. „Wim! Wim Lang!" riep hij uit. Wim werd rood van schaamte, sprong van zijn stoel op en wilde wegloopen, maar zijn oude vriend hield hem vast. „Nee, nee, niet weggaan. Een vriend laat ik nooit zóó heengaan." VII Ontroerd vertelde Wim nu zijn wederva ren en ook de oorzaak van zijn roem, de gouden pen, vergat hij niet. „Ik was zwak in dien tijd," zei hij. „Al mijn wijsheid kwam uit de pen en ik deed alsof ik het aan mezelf te danken had. Dat was het ergste. En dan dat ik jou zoo slecht behandelde. „Dat vergeten we," antwoordde Frans hartelijk „en laten we nu blij zijn, dat de gouden pen weg is. Liever arm en ongeacht dan rijk en beroemd door middel van die gouden pen. Die jou niets dan ongeluk heeft gebracht." DE B.L.N.S. t Was een mocie herfstdag dezen Woens dag. Geen wonder, dat de club na al de rc-genbuien, die waren voorafgegaan, be hoefte had aan een flinke wandeling. Om twee uur was het heele gezelschap bijeen om naar het bosch te gaan. Het doel was beukenootjes zoeken en voor alle zeker heid had mevrouw Van Voorden aan Toos een paar tasschen meegegeven voor pad denstoelen. Daar gingen ze heen: Kees als vanouds met zijn mondharmonika voorop. Vervolgens kwamen Jan, Gerrit en Bram en ten slotte de meisjes. Kees, die weer heele- maal beter was, blies, dat het een lust was. Onder de tonen van het Limburgsche volks lied: „Waar in t bronsgroen eikenhout" ging het met flinken pas voorwaarts. De eerste halte was een plek, waar veel beuken stonden, daar moesten, te rekenen naar an dere jaren, veel beukenootjes liggen. Al gauw zagen ze echter, dat ze diet alleen in het bosch waren. Een troepje kinderen, gewapend met allerlei zakken en emmer tjes, was reeds druk aan het zoeken. Maar 't bleek al gauw, dat ze elkaar niet in den weg zouden loopen, want de kinderen zochten eikels en geen nootjes. Nu, die waren er ook genoeg te vinden, want tus schen de beuken stonden veel eiken. Mientje had zelfs al gauw ontdekt, dat er twee soorten eikels waren, n.l. langwerpige groene (fig. 1) en breedere bruine (fig. 1). Jan liet zien, dat je van die Amerikaansche, de breede, zulke aardige bolletjes maken kon. Aan beukenootjes was geen gebrek. De ruwe napjes, waar de nootjes in zitten, wa ren meest allemaal opengebarsten (fig. 2). Soms zaten er nog gave nootjes in. Leege doppen waren er ook genoeg. De kinderen, die eikels zochten, gingen naar een anderen kant van het bosch, zoodat het stil werd onder de boomen. Dat vond sinjeur pluim staart, de eekhoorn, zeker ook, want hij (fig. 3) kwam uit zijn schuilhoek te voor schijn en vertoonde zich opeens aan de zoe kende menschen. Maar hoe brutaal hij T,9 j ook was, dat groote gezelschap was hem toch 'n beetje te kras, hij bleef even stil zit ten en wipte daarna 'n grooten boom in. „Laten we even kij ken of hij daar soms zijn nest heeft," stel de Kees voor. Zij liepen om den boom heen en jawel, daar dicht bij den top zat het eekhoorn- nest. Langen tijd om te kijken hadden ze niet, het zoeken werd dus weer voortgezet. Daarbij deed Ada een aardige vondst. Er Hoor je wel m'n klompen Klepperde klap, klap, klap, Hoor je ze niet klepp'ren Als 'k er zoo mee stap? Groote passen maak ik Met m'n klompen aan; 'k Kan er wel tien mijlen Mee uit wandelen gaan! 'k Stap door alle plassen Klepperde klap, klap, klap; t Hindert niet als ik er Midden in soms trap! Met m'n houten klompen Zijn m'n voeten droog; Ook al spat het water Langs m'n klomp omhoog! Wil je soms m'n klompen Eens een keertje aan? 'k Wed, je zou door alle Plassen spatten gaan! R. F. Zou jij op den bok durven gaan zitten? Waarom niet, en ik durf er wel een eindje mee te rijden ook. Piet stapte moedig op den bok en trok aan de leidsels. Eerst wilde het paard niet, en toen nog maar een flinke ruk..... .....waarop het paard als een pijl uit den boog er van door vloog, terwijl Piet in dolle angst „help" schreeuwde. Eindelijk gebeurde, wat te voorzien was. Daar Piet met mennen kon, vloog hij met kar en al tegen een lantaarn paal. Piet had schoon zijn bekomst. metjea PU,» Ts.a lagen namelijk tusschen de oude beuke nootjes ook een paar eikels en een daarvan was met een soort paddenstoeltjes bedekt (fig. 4). Tilly herkende ze als bekerzwam- Die vondst gaf aanleiding tot een gesprek over paddenstoelen, waarbij Mien tje opmerkte, dat moeder ge vraagd had of ze wat boleten wilden mee brengen. Jan, die t bosch op zijn duimpje kende, stelde voor nog een eindje verder te loopen, daar was een ber kenlaantje en het kon haast niet missen of er zouden wel berkenboleten en roode boleten staan. Het bleek al gauw, dat hij zich niet vergist had. Spoedig zagen ze een paar roode boleten met hun vuur- rooden hoed en harigen, sehubbigen steel staan (fig. 5). Alleen jonge exemplaren werden meegenomen, de oudere, die er al zoo slap uitzagen, lieten ze maar staan. Kees maakte van den hoed van een der bo leten een doorsnee met zijn zakmes om Bram, die niet wist wat een boleet was, te laten zien, dat de hoed aan den onderkant buisjes draagt in plaats van plaatjes, zooals bij de meeste padden stoelen. Nu vonden ze ook berkenboleten, die van de roode boleten verschillen, omdat de hoed geelbruin ziet. Ook is de hoed veel slapper. De steel is ook geschubd (figuur 5). Boleten nemen veel plaats in en dus wa ren de meegebrachte tasschen gauw ge vuld. Met denzelfden flinken stap werd huis waarts gegaan, waar de nootjes gebrand en de paddenstoelen gebakken werden, t Was weer als vanouds een gezellige middag ge weest. A. Ia WOOB.DKEER. Ik ben iets om uit te drinken. Keert men mij om, dan doe ik dienst in de keuken. Men vindt mij op de uiterste punt der aardas De tegenstelling drukt echter een zekere beweging uit. Ik ben en blijf een kloosterlinge, hoe men mij ook draait. Ik ben een bepaalde kleefstof, Die zeer veel wordt gebruikt. Keert ge mij om en leest ge mij weer. Dan druk ik een lengte uit. Ik ben méér dan één; draait ge mij om, dan ben ik een soort groente. Wilt ge mij als haarbos zien, lees mij dan cp de eene manier: als een soort visch-val, dan op de andere. Ik ben gelijk een melkkan waar niets in is. Andersom ben ik een kleur. SERVETHOUDER Met een beetje handigheid, een zaag en een hamer kun je dezen servethouder best zelf maken. Zaag eerst van triplex 2 drie hoeken, waarvan de basis 15 cJM. en de hoogte 10 c.M- is. Dan heb Je noodig een plankje van 19 c.M. lang, 4 cM. breed en lÜ a 2 c.M. dik. Aan beide zijden hiervan worden de 2 driehoeken gespijkerd. Ten slotte neem je nog 2 stukjes hout van 8 cJM. lang, 2 cM- dik en 4 cM. breed en spijker die onder den houder, zooals de tee- kening aangeeft. Wanneer je nu het geheel met lak of glansverf mooi frisch schildert, b.v- blauw, rood of groen en je kimt er nog een versierinkje op aanbrengen, da-n kan het een sieraad voor de tafel zijn. OPLOSSING: WOORD KEER Nap pan Pool loop. Non. Lijm mijl Paar raap. Kuif fuik. Leeg geeL f. Ir cl Jop iw» Mced^oe»b*C<, dt. JBottc.* niiii'!iiii'!iiiM<iiin'iiiniiiii'N

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Nieuwe Haarlemsche Courant | 1933 | | pagina 11