DREIN DRENTEL LUX TOILET ZEEP EN PIET fflctvM&aal RIKKEL van den dag BLOOKER'S CACAO „In Nederland gaat ieder per fiets" Wie doodde 1 Marco Graffi? B Half elf - B1 o o Ie e r 11 j d MEENING VAN ORTEGA Y GASSET DINSDAG 1 DECEMBER 1936 Naast de bekende bussen, thans ook verkrijgb. Blooker's Cacao in cartons van 1 ons ad 15 ct. doorslag ,JJet gebruik van fietsen is be paald een misbruik, is iets tegennatuurlijks Cï^erras L nnissen mei een ivetfzom feesigescfien 6/ Geef de sierlijke feeslverpakking van Lux Toilet Zeep met waardevolle inhoud! 4 stukken toiletzeep van erkende kwaliteit voor slechts 50 ets. en dan nog een keurig shantung zak doekje er bij cadeaul Maak een lijst van de kennissen, die U hiermede wilt verrassen. ken in een zieken- medaillon Goedkoopte geeft den A T T X7 A D/^MTVTIT >c °P 014 blad zijn ingevolge de verzekeringsvoorwaarden tegen 17 *7bij levenslange geheele ongeschiktheid tot werken door 17 *7CtH bij een ongeval met p 2S0 verlIef y^P eeb M I il mW9* M ill fill III j3 ongevallen verzekerd voor een der volgende uitkeeringen verlies van beide armen, beide beenen of beide oogen *J\J* doodelijken afloop M een voet 01 een °°s AANGIFTE MOETOP STRAFFE VAN VERLIES VAN ALLE RECHTENGESCHIEDEN UITERLIJK DRIE MAAL VIER EN TWINTIG UUR NA HET ONGEVAL v- i i De Spaansche filosoof en cultuurhistoricus Ortega y Gasset, schrijver van „De Opstand der Horden", die onlangs ons land heeft be zocht, schrijft thans geestige indrukken over Holland in „La Nacion", een te Buenos Aires verschijnend dagblad. Wat hem het meest is opgevallen in Holland (en ook met andere be zoekers van ons land schijnt dit het geval) is het overmatig gebruik dat wij maken van de fiets. De andere volkeren van de wereld beschou wen de fiets als een apparaat bestemd voor spel en sport. Het ontwikkelt een bijzondere snel heid door eenvoudige middelen, het vereischt eenige kracht en tegelijkertijd brengt het ge bruik gevaar met zich mee. Al deze eigenschap pen verwijzen de fiets naar het gebied van de sportieve activiteit en dan naar die, welke jeugd vereischt. Niettemin wordt het gebruik overal uitgebreid in dienst van de nuttigheid. De werkman, die in een afgelegen buitenwijk woont, gaat en keert van zijn werk per fiets. De be zorger van bepaalde kleine koopwaren, de be- steljongen maken er eveneens gebruik van. Des te duidelijker onderstreept dit nuttig gebruik, dat men overal waarneemt, de overheerschende wetenschap, dat niet dit het juiste doel is van de fiets, maar het andere. Het onderlijnt ook het feit, dat dit secundaire gebruik zich beperkt tot het strikt noodzakelijke, waartoe men alleen zijn toevlucht neemt, wanneer er geen ander middel is, of wanneer de beperktheid van de economische middelen het als een tries te noodzakelijkheid opleggen. Daarom bevreemdt het ons niet, den slecht gekleeden werkman naar huis te zien fietsen, terwijl hij ons stil zwijgend toeroept, dat hij een ander vervoer middel zou prefereeren en dat hij dit juist ge bruikt, niet, omdat het verkieslijk is, maar uit trieste noodzaak. Hiermee wordt de tegen spraak genivelleerd; ze wordt ons verklaard en ze wekt in ons geen bevreemding. Maar in Nederland gaat iedereen per fiets, wat ook zijn leeftijd, zijn sexe, zijn gewicht, zijn rijkdom zij, en beweegt zijn voeten op de pe dalen, daarmee cynisch te kennen gevend, dat dit .het meest natuurlijke ter wereld is, dat dit behoorlijk is. Welnu, dit irriteert den reiziger, dit bevreemdt hem en dit kan hij niet begrij pen. Hoe kan hij iets als natuurlijk en juist beschouwen, dat hem onbehoorlijk en verkeerd voorkomt? Hier gekomen maakt ons intellect, dat dialec tisch met zichzelf strijdt, deze tegenwerping: ik beschouw toch niet enkel natuurlijk en correct, datgene waaraan ik gewoon ben, dat wat ik in andere landen gezien heb. Waarom zou Hol land niet het door de Goden der fietsen uit verkoren volk zijn, aan hetwelk zijn meest authentieke bestemming geopenbaard werd? Op deze logische knock-out antwoordt ons intellect zichzelf met een zeker ontstemd onge duld: O, neen! Niets van dit alles! Het is niet Deze jonge dame draagt een gebloemde jurk die eigenlijk niet gebloemd is! Waarmee de stof dan wel bedrukt werd? Bij nadere beschouwing herkent men het terstond: met motieven uit de wapens van onze Prinses en onzen aanstaanden Prins-Gemaal. Vindingrijke stoffen-ontwerpers vonden in het vorstelijk huwelijk blijkbaar een welkome aanleiding tot het bedenken van deze patronen, die zoowel flatteus als oorspronkelijk zijn. Zij lieten zich daarbij inspireer en door het Engelsche voorbeeld; de „kronings"-stoff en bedrukt met de merkwaardigste motieven (van de Britsche koloniën af tot het hoofd des Konings toe) zijn bij onze buren over zee de mode van den dag „Wilt u dit aan uw man geven, mevrouw?" verzocht hij, want als ze 'topen deed, voor hy weg was, liep 't nog mis. Op weg naar huis haalde hij voor 't eerst sinds dagen vrij adem. Hij had een gevoel alsof een looden last van hem afgewenteld was. Lewis Shinton keek met gefronste wenkbrau wen naar het pakje, dat hü in z'n hand hield. Nieuwsgierig sneed hij het touwtje door en na de papieren verwijderd te hebben, vond hij het gouden medaillon. Mevrouw Shinton keek met gespannen aandacht toe. Aan beiden ontsnapte een uitroep van verbazing. Mijheer Shinton opende het kleinood m.et bevende handen. alleen een kwestie van gewoonte, het gaat niet alleen om twee gedragingen, een, waaraan we gewend zijn, bij toeval, en een andere onwen nige, die ons alleen daardoor stoort. Wanneer we onze bevreemding analyseeren, zien we, dat ze gevoed wordt door geenszins accidenteele oorzaken. Dat bejaarde en gezette personen zich voortdurend per fiets in het verkeer van een groote stad bewegen, is botweg gevaarlijk, is ongemotiveerd vermoeiend en is betreurenswaar dig onaesthetisch. De ranke lijn van de fiets verdraagt niet zonder dat de aesthetica er on der lijdt, het gewicht en den last van een vijf tigjarige dikke dame of van een bierbuikig ma gistraat. Dit is niet accidenteel noch gewoon, maar onverbiddelijk en essentieel. Neen, neen. Het gebruik van fietsen in Hol land is bepaald een misbruik, iets, dat niet be hoorlijk is, iets tegennatuurlijks. Maar alles binnen het menschelijk gebied, zelfs het ergste, kan gecompenseerd worden. En deze compen satie, deze verklaring voor het misbruik van de fiets is het, die de reiziger vraagt, en daarom is hem dit voor den Hollander zoo simpele, zoo vulgaire en zoo dagelijksche feit vreemd. Het is een vlak land zegt men ons en de verplaatsing per fiets is er minder ver moeiend dan in een oneffen land. Goed, maar er zijn veel meer vlakke landen, waar men vermeden heeft zijn toevlucht te nemen tot de fiets. Deze verklaring is dus niet voldoende. In dit verband aanvaardt de toerist in mijn ge val niet gemakkelijk als radicale verklaring voor eenig menschelijk gedrag, die, waarbij de houding mechanisch het gevolg is van de om- LTS 105-0161H standigheden. Bij den mensch is elke beslissing in laatste instantie lyrisch. Tenslotte doen wij wat wij doen, omdat we er van houden, dat wil zeggen, omdat intieme motiveeringen ons deze gedragslijn doen verkiezen. Het is geen excuus voor den Nederlander voor het onbehoorlijke en tegennatuurlijke gebruik van de fiets, dat hij de schuld schuift op zijn vlak grondgebied. Neen, de Hollander is verantwoordelijk voor het feit. Op dit punt gekomen gaat er in ons in tellect plotseling een licht op, dat al eenigen tijd trachtte innerlijk door te breken, maar dat wij, zonder te weten waarom, verstikten. Ten slotte denken we dit: de Hollander weet het komt er niet op aan in welken graad van weten dat zijn gebruik van de fiets gevaar lijk, vermoeiend en on-aesthetisch is, evenals wij dat weten; maar hij weet ook, dat het het goedkoopste vervoermiddel is en in afwijking van ons, verkiest hij goedkoopte boven schoon heid, boven gemak en boven het vermijden van gevaar. Uit deze voorkeur komt zijn absolute verantwoordelijkheid voort. Deze opmerking zou niet eenvoudiger kunnen zijn, en toch voelen we het als een plotseling lichtpunt. En het lijkt ons, dat wij hierdoor, als door een valluik zijn gevallen van een triviaal en los thema, gelijk dit over de fietsen is, in een gebied van belangrijke vraagstukken met wijde perspectieven. Het wil ons inderdaad voorkomen, dat wij, voor de eerste maal, hier niet raken aan het een of ander toevallig verschijnsel van 't Hollandsche leven, maar aan het eigenlijke karakter van den Hollander, dat wij een stap doen in het interieur van zijn karakter als in een crypte. Allengs wordt de oorzaak van onze bevreemding opgehelderd. Deze zou waarlijk on mogelijk zijn, wanneer het feit, waardoor ze werd opgeroepen, dit op zichzelf staande zou zijn dat de menschen fietsen. Maar nu zien wij met alle duidelijkheid, zonder er een juist be grip voor te hebben, dat dit feit bestaat uit den vasten wil, 'te veel dingen te onderdrukken en uit een enthousiasme voor spaarzaamheid. Waarschijnlijk lijkt onze indruk belachelijk voor een goeden Hollander. Want, is het niet belangrijk, wanneer een practisch probleem op de goedkoopst mogelijke wijze wordt opgelost? Ongetwijfeld zullen wij zeggen de kwestie op zichzelf is belangrijker dan schoonheid of gemak. Maar de zaak is hiermee niet afgedaan. Onze dialectiek, eenmaal op dreef, vervolgt haar weg en denkt: Ziet deze respectabele mensch, die met zijn lange jas en zijn komiek air van grooten ernst, rechtop en plechtig zich inspant op zijn pedalen, niet, dat hij een belachelijk figuur slaat. Hij ziet het niet, omdat de preoc cupatie, om geld te besparen, hem belet, zich edelmoedig te verplaatsen op het standpunt van den evenmensch, die' hem aanschouwt. Wan neer hij dit wel deed, kon hij zichzelf zien als een object, als een schouwspel, en evenzeer iets pijnlijks voor zijn naaste. Waarom deze ergernis niet ontweken? Waarom uit zichzelf niet een beetje feest voor de oogen gemaakt voor den evenmensch? Is dit ook geen humane plicht? Of weet de Hollander, dat die evenmensch evenmin op hem let, omdat hij evenzeer te veel gepreoccupeerd is door den economischen kant der dingen? dat wil zeggen, dat de eene Hol lander niet voor den ander bestaat als een op Lewis Shinton verdiende een vrij goed sa laris, dat echter amper In de behoeften van hem en z'n vrouw voorzag. Hij was dus heel blij, toen een oud-tante hem 1000 pond in den vorm van één bankbiljet naliet. „Duizend pond in één biljet!" zei z'n vrouw, „pas maar goed op, Lewis!" Dit werd in een autobus gezegd en ofschoon mevrouw Shinton op gedempten toon sprak, zoo had Sam Apps het toch gehoord. Die Sam Apps was nu juist geen dief van beroep, maar nam toch z'n kans waar, als hij onbemerkt iets in de wacht kon sleepen. Sam bleef zitten lot het echtpaar uitstapte en volgde hen daar na voorzichtig, totdat ze aan hun woning ge komen waren. Wat zou hij doen? Brutaal naar binnen gaan en 't geld opeischen? Geen denken aan. Zou hij wachten tot in den nacht en dan inbreken? Hij had er niet veel zin in. Toch liep hij den volgenden dag heen en weer in de straat, waar het echtpaar Shinton woonde. En zie, 't toeval was hem gunstig. Terwijl Sam buiten stond en zich afvroeg hoe hij zich voelen zou met 1000 pond in z'n zak, zag hij eensklaps mevrouw Shinton met d'r baby op den arm naar buiten stormen, naar een paar straten verder. Haar kind had ge probeerd een knoop in te slikken en was daarin bijna geslaagd en nu rende z'n moeder met hem naar den dokter. Direct trad Sam Apps handelend op. In haar verbouwereerdheid had mevrouw Shinton de deur niet achter zich gesloten, zoodat Sam ongehinderd toegang tot de woning had. Maar z'n arbeid viel hem niet mee. Eén kamer had hij al doorgesnuffeld en hij was aan de tweede begonnen, zonder het bankbiljet van 1000 pond te vinden. Toen kwam de angst. De dame kon direct terug komen en wat dan? Sam bezat niet den moed van den echten inbreker en verlangde nu slechts naar buiten te komen, ver van het gevaar. Snel stak hij een gouden me- zich zelf staand wezen, doch enkel indirect, in zoover dit bestaan samenvalt met een economi sche relatie en haar gevolgen politieke, we tenschappelijke, enz. en niet tegenover elkaar, onbelemmerd, als mensch tegenover mensch? Ik weet niet of dit zoo is. Maar omdat ik het niet weet, vraag ik het, en maak ik er een kwestie van. Vast staat inmiddels, dat het niet onverschillig is, of men een wel of niet buiten sporig gebruik maakt van de fiets, om over de groote verkeerswegen te circuleeren. Onder de vele gevaren, die men daarbij loopt, is er een, den toerist den weg te wijzen naar bepaalde diepe geheimen, die in de Hollandsche ziel doorwerken. Ik heb er niets tegen in te brengen, wanneer gy' de fiets gebruikt, omdat het een goedkoop middel van vervoer is. Maar wanneer gij zulks doet, weest dan niet verrast, dat ik dat observeer en daarmede ook andere gehei men door dit feit geopenbaard. Ofschoon er ons nog genoeg te zeggen overblijft over de fietsen in Nederland. daillon in z'n zak, dat op een tafel lag. De vrouw des huizes had het daarop neer gewor pen, voor ze haar zoontje greep. Met het sou venir verliet Sam het huis door de voordeur en maakte dat hij weg kwam. Nu was het een feit, dat de man, die zich het gouden medaillon wederrechtelijk had toe geëigend, zeer bijgeloovig was. Hij vreesdeniets zoozeer als een ontmoeting met een schele vrouw, die een baby met rood haar droeg. Aan dit bijgeloof leed hij al van z'n jeugd af. Groot was dus z'n schrik, toen hij een eind verder mevrouw Shinton ontmoette en in 't gezicht zag. Want die dame had twee oogen, die naar verschillende kanten gericht waren en de baby had beslist rood haar. Een huivering voer Sam Apps door de leden en thuis gekomen, schreef hij het mislukken van z'n onderneming toe aan die noodlottige ontmoeting. Het gouden medail lon wierp hij direct in een kistje, om het bij gelegenheid te verkoopen. Een paar dagen later werd hy zóo door een auto TT aangereden, dat ilet QOUdCYl hij een paar we- huis moest door- brengen. Daarna was hij zóó slecht bij kas, dat hij als los werk man bij de gemeentereiniging ging. Vervolgens werd hij tremmer op een vracht schip, dat van Londen naar Calais voer. Z'n werk viel hem niet mee. In een rustpoos raakte z'n hand toevallig het medaillon, dat in z'n zak zat. Hij haalde het te voorschijn en bekeek het. 'tWas van goud en 't kettinkje ook. Hü deed het openhet medaillon bevatte een portret van mevrouw Shinton en haar rood harig kind. „Nou," mompelde Sam, ,,'t is een wonder, dat ik nog leef met zoo'n ding in m'n zak." Hy stak z'n ongeluk weer bij zich. Zou hü 'tin zee gooien? Hij twijfelde en dacht na. Ein. delijk kwam hij tot het besluit dat er maar één probaat middel was om, ook in de toe komst, van alle narigheid af te komen: het ding terug geven aan de vrouw, van wie hij het gestolen had. In Calais bleef het vrachtschip, waarop Sam Apps tremmer was, twee dagen om vracht in te nemen. Hij stond er bij de reeling naar te kijken. Dicht bij hem was de bemanning bezig met inladen. Een groote koffer op een lossen stapel stond gevaarlijk te wiebelen. Niemand lette er op, ook Sam niet. Opeens kwam de kof fer naar beneden; juist op tijd sprong Sam op zij om niet verpletterd te worden. Toch had hij een geduchten stoot tegen den schouder ge kregen. Z'n schouder moest verbonden worden en hij leed veel pijn. Nauwelijks was het schip weer in Londen aangekomen, of Sam begaf zich direct op weg naar mevrouw Shinton. Het gouden medaillon brandde in z'n zak. Hij moest en zou het kwijt. Maar hij moest ook voorzichtig wezen. Hij had een pakje van het gestolen kleinood ge maakt en bleef bijna een kwartier om 'thuis scharrelen, om zich te vergewissen dat dezelfde menschen er nog in woonden. Hij had zeker heid, toen hij mevrouw Shinton voor 't raam zag. Hij belde aan, de vrouw deed zelf open en hij overhandigde het sieraad aan de eigenares. De kist maakte een paar flinke buitelingen en de Vuuflander kon nog net zien, dat hij precies op zijn eigen hutje terecht zou komen. Die was dus om zoo te zeggen uit en thuis. Als 't dak maar niet teveel beschadigt, jammerde de stakker. Daar binnen waren net eenige Vuurlanders aan 't beraad slagen, wat ze Piet en Drein zouden doen, als hun kameraad straks met hen terugkwam. Ze keken echter raar op hun neus, toen opeens een kist door het plafond kwam ploffen. Twee Vuurlanders vluchtten ijlings heen en de derde met den hoed bleef alleen staan. De kist spatte uit elkaar en de Vuurlander met den kattestaart kwam te voorschijn. Deze zei in het Vuurlandsch allerlei dingen, waaraan je duidelijk kon merken, dat hjj geen goede opvoeding had genoten. „O Lewis, vlug! Maar 't kan niet...." riep z'n vrouw. Mijnheer Shinton trok het portretje er uit en bracht vervolgens een stijf opgevouwen bank biljet van 1000 pond te voorschijn. ,,'t Is erwe hebben het terug," zei hij met heesche stem. „Maar ik begrijp er niets van.... waar is het geweest en hoe komt het weer hier? Nu vrouw, het blijft geen oogenblik langer in huis. Ik ga er direct mee naar de bank." 28 „Het zou natuurlijk geen leugen zijn, als ze de meid gezegd had, dit zoo aan den butler te vertellen," bedacht hy. „Je mag zeggen, dat je niet thuis bent, ook al zit je veilig en wel vlak achter de deur. En ik ben een ploert om zoo achterdochtig te zyn maar de hemel weet, dat het enkel is, omdat ik zoo bezorgd voor haar ben!" Hy ging naar zyn club en probeerde al de gebeurtenissen van dien dag te vergeten, met het resultaat, dat hy, toen hy op zyn kamers terugkwam, er nog altyd over dacht. Hy sliep slecht, ontbeet "haast niet, en besloot vóór den middag nog eens naar Wargrave House te Baan nog eens onder het voorwendsel, naar net kind te komen kyken. Hy wist wel, dat het een beetje vreemd was, wat^hij deed. En zijn eenige hoop was dat lady Wargrave, als ze soms in moeilijkheden mocht zyn gekomen, vertrouwen genoeg in hem zou stellen, om zijn hulp in te roepen. Toen hij op weg naar lady Wargrave door South Street liep, zag Graye plotseling een man naast zich komen loopen, die hem van opzy vertrouwelijk aankeek. Hij haalde, onbekend, wat de kerel van hem wilde, de wenkbrauwen op, waarop de man hem nog vertrouwelyker begon toe te lachen. En zyn vuile wysvinger wees naar den versle ten rand van zyn smerigen hoed. „Morgen, baas. U hebt mij gisteren dat aar digheidje gegeven ben u zeer verplicht, baas. En zeg, baas, als u soms nog iets van die dame zou willen weten, die daar gisteren in die taxi wegreed, dan kan ik u wel vertellen, waar ze vandaan komt, want ik heb haar terug zien komen, en toen heb ik er op gelet, waar ze naar toe ging, ziet u!" Graye bleef nydig staan. Hij keek den man aan maar die begreep hem verkeerd. „U hoeft me niets meer te geven, mynheer," haastte hy zich te zeggen. „Dat was gisteren avond meer dan genoeg. Ik zal het u voor niks vertellen. Om half elf is ze teruggekomen, die dame met dien zwarten sluier, en daar ginds op den hoek bleef ze staan, en toen ging ze daar die achterdeur Van Wargrave-huis bin nen. Ik dacht, dat u dat misschien graag zou willen weten." Graye dacht na. Op slot van rekening had hy dien man eerst iets gevraagd. Het was den vent niet kwaiyk te nemen, dat hy dacht, dat hy er iets mee voor had. Hy bleef staan en keek, leunend op zyn parapluien den man eens aan. „Kyk eens hier, man," zei hy. „Ik vroeg je dat gisteren, omdat ik dacht, dat de dame, die toen weggereden was, een kennis van me was, en omdat ik wilde weten, waar ze naar toe ging, daar ik haar nog moest spreken. Maar het was iemand anders. Wie er Wargrave-huis in of uitgaat kan me niets schelen. Versta je? Dus voor my hoef je niet op te letten." De man lachte verlegen. „Mij best, baas," zei hij. „Ik begrijp het. Ik dacht alleen maar, omdat u me dat gisteren vroeg, en me er iets voor gaf, dat u iets van Wargrave House wilde weten, ziet u, en omdat ik nogal eens in deze buurt rondsjouw, allerlei karweitjes opknap, en zoo, en ik u daar dik wijls genoeg in en uit heb zien gaan, ziet u...." Graye begon het belachelijke, het dwaze van de situatie in te zien. En toch was het alweer zijn eigen schuld. Hij had den man laten praten. „Heb je niets beters te doen, dan hier achter taxi's en bagage aan te loopen?" vroeg hij. „Dat heb je toch zeker niet altyd gedaan?" De man knikte. „Zeker niet, baas! Als ik kleeren en schoenen had, kon ik myn oude baantje weer krygen, als kellner in een café in Zuid-Londen," zei hy. „Maar ik ben ziek geweest, en achteruit gegaan, en u weet hoe dat gaat, baas." Graye stak zijn hand in zyn zak, en zocht, tot hy vijf goudstukken gevonden had. Hy gaf ze den verwonderden man. „Zie, dat je je kleeren en je schoenen weer terugkrijgt, en maak dat je je baantje weer krygt!" bromde hy. „Dat is beter, dan hier rond te slenteren." Daarna liep hy weg, met zyn hoofd in de lucht, en hy probeerde het zoo onverschillig mogeiyk te doen. Hy wilde niet, dat Lady War grave gade geslagen zou worden. En hy schold zich uit, om wat hy den avond te voren ge daan had. En weer ging hy naar Wargrave House. Maar hij kreeg haar niet te zien. Lady War grave was den geheelen dag voor niemand te spreken. Dus Graye ging maar weer teleur gesteld weg. En plotseling kreeg hy een idee. Hij riep een taxi aan, en reed naar Whitehall. Daar drong hij door tot in het heilige der hei ligen van New-Scotland-Yard, en vroeg naar Wirlescombe. En terwijl men hem naar het kantoor van dpn detective bracht, moest hy lachen, toen hij er aan dacht, hoe knap hij begon te worden in het verzinnen van smoesjes. Wirlescombe, die met den dag vroolijker en opgeruimder scheen te worden, ontving zijn bezoeker erg hartelijk. „Zoo, mynheer Graye," zei hij lachend „en wat brengt u in deze buurt? U hebt toch zeker niets nieuws en opzienbarends ontdekt in ver band met die zaak-Graffi? Neen, zooveel ge luk bestaat er niet. Dat is al lang in den doof pot." Graye vond het maar beter, den detective er niet van op de hoogte te stellen, dat de zaak- Graffi weer op het punt stond aan het dag licht te komen. En daarom zweeg hy maar, lachte eens een beetje, zonder het te ont kennen. „Toch wilde ik eens komen spreken over iets, dat met die zaak in verband staat," zei hy. „Ik weet niet, of u zich nog kunt herin neren, dat ik by het eerste onderzoek ver klaard heb, dat Signor Graffi me mee naar zyn slaapkamer genomen heeft, om me een heel mooi schilderij, dat daar hing, te laten zien?" De detective krabde eens achter zijn oor. „Dat zou ik niet durven beweren, mynheer Graye, na al die jaren," zei hij. „Een derge lijke kleinigheid zal me wel niet geïnteresseerd hebben, tenzij er belangryker dingen het ge volg van zouden zyn geweest." „In ieder geval is dat zoo gebeurd," ver volgde Graye. „En ik heb nog dikwijls ge dacht, dat, als ik ooit een flat in de stad zou huren, wat ik nu van plan ben, ik er graag dat schildery' zou hebben hangen. Welnu, kunt u me mischien zeggen, wat er met de goederen van Signor Graffi gebeurd is?" „Ja, heel toevallig weet ik dat," antwoordde Wirlescombe. „U zult er wel niets meer van weten, omdat u, zooals ik me nog kan herin neren, al spoedig na dat geval uit Londen ver trokken bent. Familieleden van den ouden man zyn niet op komen dagen. Ook hebben we niet op kunnen sporen, waar hy zyn spaarcen tjes liet als hy die tenminste had, wat in verband met wat ik u vertellen zal erg te be- twyfelen valt. Want het bleek, dat hy aan den huiseigenaar hoe heette hy ook weer? O, ja, Quarendon nog meer dan een jaar huur schuldig was. Toen heeft natuurlyk Quarendon alles wat er was overgenomen. Daarna heeft iemand, die den ouden Graffi van tyd tot tyd assisteerde by het lesgeven, de flat in denzelf den staat overgenomen, en zyn werk daar voortgezet. Dus ik vermoed dat het schilderii. dat u bedoelt, daar nog zijn zal; tenminste, als die opvolger er nog is. Ik weet dat allemaal, omdat ik Quarendon eens op straat ontmoet heb, en toen ben ik ergens met hem gaan lun chen en heeft hy me dat allemaal verteld." Graye trachtte zoo min mogelijk belangstel ling te toonen. „Het zou me verwonderen, als die man daar nog woonde," zei hy. „Het lykt me niet waarschijnlyk nu al dezen tyd. Weet u nog hoe hy heette?" „Laat met eens kijken," antwoordde Wirles combe nadenkend. „Hy heette wacht eens even ik heb het opgeschreven in een boekje, waarin ik alles opgeschreven heb, wat op het geval betrekking heeft, 't Moet in deze la lig gen. Ja, hier is het. En hier is de naam Signor Di Spada." „Di Spada," herhaalde Graye. „D-i S-p-a-d-a," spelde de detective, 'n Ita liaan, vermoed ik. Ja, dien zult u daar nog wel vinden, denk ik. Er wonen veel leeraren in die buurt. Maar de oude Graffi kon, zoo als ik gehoord heb, het werk niet meer af." Graye stond op. Terwyl hy naar de deur liep, bleef hy schynbaar even naar een paar platen, die daar aan den muur hingen, staan kyken. „De uitspraak van die jury is zeker altijd nog van kracht," vroeg hy zoo nonchalant mogeiyk. „O, natuurlijk," antwoordde Wirlescombe. „En het arrestatiebevel ook. Ik heb het hier." „U hebt het hier?" riep Graye uit. (Wordt vervolgd.)

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Nieuwe Haarlemsche Courant | 1936 | | pagina 10