instructie voor den assistent Gemeente- Opzichter. 23 December 1913. Artikel 1 De Assistent-Gemeente-Opzichter wordt door Bur- gemeester en Wethouders benoemd en ontslagen De benoeming kan geschieden voorloopig voor ten hcogste een jaar op proef, waarna bij gebleken ge- schiktheid eene definitieve benoeming kan volgen. De benoeming vervalt, indien door den benoemde binnen eene week na de benoeming, niet het bewijs is overgelegd van een der Gemeente-Artsen, dat hij bij een geneeskundig onderzoek, lichamelijk geschikt is bevonden voor de op te dragen werkzaamheden, Art. 2. Hij staat onder de bevelen van Burgemeester en Wethouders en den Gemeente Opzichter, met dien verstande dat de Gemeente-Opzichter zijn onmiddel- lijke chef is. Art. 3. Hij moet in de Gemeente wonen. Art. 4. Het bedrag zijner jaarwedde wordt door den Raad geregeld. Art. 5. Hij is belast met het voortdurend toezicht op de werklieden en al de eigendommen der Gemeente, voor zooverre dit niet aan anderen is opgedragen, en op de handhaving van de Woningwet, de daarop gegronde Koninklijke Besluiten en de uit die wet of besluiten voortvloeiende verordeningen, de Bouw- en Woningverordening dezer Gemeente, voor zoover zij niet uit de Woningwet voortvloeit, en de Hinderwet. Behalve hetgeen in de voorgaande of volgende ar- tikelen als zijn werkkring wordt omschreven, behoort daartoe alles wat in den ruimsten zin door den Ge- meente-Opzichter billijkerwijze tot zijn werkkring wordt geacht te behooren. Wanneer hem door den Gemeente Opzichter een opdracht wordt gegeven die naar zijne meening billij- kerwijze niet geccht kan worden tot zijn werkkring te behooren, dan kan hij zich schriftelijk tot Burgemees- ter en Wethouders wenden met het verzoek een be-

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Raadsnotulen Heemstede | 1913 | | pagina 23