248 26 september 1968 zijn gebracht. Spreker had n.l. de indruk dat de heer Verkouw wilde, dat alleen de voorzitter lid van de raad moest zijn en dat ging spreker be- paald te ver. Nu heeft spreker begrepen dat de heer Verkouw voor ogen staat, ais voorzitter een niet-lid van de raad te benoemen en dat de leden der commissie raadsleden zullen zijn. De moeilijkheid voor spreker is, dat hij daarop niet plompverloren ja of nee kan zeggen. Om dit te overdenken heeft hij wat tijd nodig. Zijn partij staat als gouvernementeel bekend. Als een besluit niet weloverwogen kan worden genomen dan volgt zijn fractie het voorstel van burgemeester en wethouders. Bovendien gelooft spreker dat de hoofden al geteld zijn en dan heeft het weinig zin om dieper op deze zaak in te gaan. Wethouder Corver: ,,De heer Verkouw spreekt van een deskundige voor- zitter. Spreker neemt aan dat hij daarbij geen tegenstelling wil ma- ken met ondeskundige leden". De heer Enschedé zegt dat hij bij het overdenken van dit punt zich heeft afgevraagd hoe dit in de praktijk zal werken, want daar gaat het uiteindelijk om. Eén van de voordelen van een commissie zal zijn dat zij, doordat zij klein is, partijen kan horen. Dat is bij de behandeling van een beroepschrift door de raad niet mogelijk. Als het voorstel van de heer Verkouw ingang zou vinden, zal de publieke opinie die ene burger onwil- lekeurig toch weer rekenen tot de bestuurders. Die wordt dan niet meer gezien als iemand uit de burgerij. Dit alles overwegende, zai spreker zijn steun aan het voorstel van burgemeester en wethouders geven. De voorzitter antwoordt dat de heer Verkouw zijn voorstel al in de commissie voor de strafverordeningen naar voren heeft gebracht. De heer Verkouw was toen toegankelijk voor de argumenten welke door spreker daartegen zijn aangevoerd. Burgemeester en wethouders hebben wil- lens en wetens gekozen voor het benoemen van uitsluitend leden van de raad in deze commissie. Indien krachtens wet of verordening een beroep op de raad kan worden gedaan, zou het naar sprekers mening niet juist zijn dat daarover geoordeeld zou worden door een commssie waar- van de meerderheid bestaat uit niet-raadsleden. Dit punt heeft niets met inspraak van de burgerij te maken. De raadsleden zijn de vertegenwoor- digers van de burgerij. Een beroep op de raad moet de raad als zodanig zelf behandelen. Nu wordt er gesproken over het benoemen van een deskundige voorzit- ter. Spreker zou aan de heer Verkouw willen vragen of hij iemand kent die werkelijk deskundig is met betrekking tot de vele onderwerpen waarover beroepsschriften kunnen handelen. Burgemeester en wethouders hebben daarom met opzet niet de mogelijkheid gekozen welke bij de wet is geopend en misschien ook wel eens voor andere commissies zal worden gebruikt, om niet-raadsleden in deze commissie te benoemen teneinde inspraak van de burgerij mogelijk te maken. Het gaat er nu om dat in gevallen waarin een beroep op de raad wordt gedaan, om praktische redenen de raad als zodanig in kleiner comité kan beslissen. Voor dit argument was de heer Verkouw in de commissie voor de strafverordeningen wel vatbaar. Hij heeft dit argument echter niet naar voren gebracht en daarom meende spreker dit even naar voren te moeten brengen. De heer Enschedé was niet aanwezig in de vergadering van de com- missie voor de strafverordeningen. Het valt hem nu moeilijk plomver- loren ja of nee te zeggen. Spreker gelooft dat de heer Enschedé zich toch wel achter het college van burgemeester en wethouders schaart. Het kan zijn, omdat men het in deze tijd nu eenmaal graag hogerop zoekt, dat in de toekomst meerdere beroepen op de raad zullen worden gedaan. Wanneer zou blijken dat wijzigingen in de verordening noodzake- lijk zijn, dan kunnen die altijd nog worden aangebracht.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Raadsnotulen Heemstede | 1968 | | pagina 16