- 118 - Landbouw. HET XVDE NEDERLANDSCH LANDHUISITOUDKUNDIG CONGEES, ongunstige stemming jegens het Polderbestnuren daardoor in staat icillekeur in de plants te stellen van eene eerlijke en opregte uitvoering der voorwaar- den van een koopcontract Willekeurwaar zeker van niets minder dan dat sprake kan zijn Nock van den heer Gevers, noch ook van eenig ander lid der Meercommissie verwackten wij op zulke vra- gen een toestemmend antwoord. En waarin is nu ket voordeelige der voonvaarden volgens den keer Gevers, gelegen a. in de ruime maatwaarmede de ringdijken zijn gemeten b. in ket genot der baten sedert Januarijveelmalen overtreffende de lasten van dien tijd; c, in een ren- teloos voorsckot van 7000.-buiten de voorwaar- den toegezegdd. in de door ket Rijk eventueel nog uit te voeren vroeger nagelaten verdiepingswerken tkans nog vermeerderd met 1000 ellen bij den Leegh- water. Hoezeer wij ook op prijs stellen, dat de keer Ge vers eene poging keeft gedaanom de waarheid aan te toonen van de onbekrompenheidin den eersten brief der Meercommissie vermeld, en van ket bij uituemendheid gunstige en voordeelige der voorwaarden, waarvan in den brief des Ministers sprake ismoeten wij toch verklaren, dat de poging volkomen is mis- lukten wij zullen die uitspraak regtvaardigen. Het voordeelige der voorwaarden zou zijn gelegen a. in de ruime maat, waarmede de ringdijken zijn gemeten, blijkens de roode tint op de kaart. Het is volkomen onbegrijpelijk. Op de kaarten bij de veilings- voorwaarden gevoegd, is de ringdijk en hetgeen er toebehoort overal aangetoond. De maat is later nergens ruimer genomen. Indien men van dien dijk of de dijksgronden voor het Rijk had willen bekouden, met welk doel dan ookal ware het sleckts om ze later te verkoopener zou inderdaad diefstal gepleegd zijn. Na den den eersten verkoop der gronden be- hield de Meercommissie wel ket onderhoud van den ringdijk enz. voor i?i/7cs-rekeningrnaar sleckts zoolang men (lit goedvond. Daarna zou al het genoemde of bedoelde in eigendom overgaan op het Polderbestuur. Slechts wanneer er meer dijksgronden aan het Polder bestuur waren overgedragendan oorspronkelijk was bedoeld en aangewezen, kon van voor- of nadeel sprake zijn. Tkansnu niet meer is gegeven dan reeds van den eersten verkoop van gronden af, was bedoeld en aangetoondkon zeker van geen voordeel sprake zijn. De begrenzing van den dijk en cle dijksgronden was door de bermsloot gegeven. Die bermsloot was overal gegraven. Wel is later geblekendat onder die vermeende polder-eigendommennog hier en daar die van anderen waren begrepen, want alleen die welken den heer Rutgers van Rozenburg toe- bekoordenwaren zoo ver wij kebben kunnen zien op de veilings-kaarten door eene stippellijn aangetoond en de maat was derhalve werkelijk juist zoo veel kleiner, als die der genoemde, niet aangetoonde eigendommen bedraagt; maar nergens heeft men ove- rigens bermsloten behoeven te vergraven of limietpalen behoeven te verzetten wegens de meerdere uitbreiding die aan dit deel der poldereigendomtnen zou zijn gegeven. Inderdaadindien de Meercommissie iets minder aan den polder had overgedragendan werkelijk gesekied iser zou niets minder dan diefstal gepleegd zijn, en het leveren van de verkochte maat (wij spreken tkans niet van de hoedanigheid) zal men toch wel niet als een gunstbeioijs willen hebben aangemerkt. Dat die maat iets kleiner wasdan men oorspronkelijk vermoedde, wegens den eigendom van anderen, die op de veilingskaarten niet was aangetoondmag niet als eene grieve worden toegerekend. Immers wat nimmer aan den polder had belioort, kon men niet achten dat bedoeld was om te worden overgedragen; maar de toegeeflijkheid keeft hiernlede dan toch ook zeker hare uitersle grens bereikt. Die zoogenaamde ruime maat, is derhalve zeer ten onregte als eene voordeelige zijde der voorwaarden aangemerkt. Maar is er in de veilings-voorwaarden kieromtrent niets woordelijk vermeld? kooren wij onZe lezel-s vragen en het antwoord is gereed. De kaartenbij die voor waarden gevoegden waarnaar reeds de titel daarvan verwijst, maken een integrerend deel dier voorwaarden uit. Zij zijn bij elken verkoop dan ook als zoodanig erkenden die kaarten geven zeer juist den omvang dier polder-eigendommen aanzoo als die had be- hooren te zijn. De koopershoewel zij wisten dat de berm hier en daar eene vrije aanzienlijke breedte haddringend vereisckt omdat de ligte stofwaaruit de ringdijk is zamengestelddie overal vorderdeheb ben er op gerekend, dat in de opbrengst dier polder- eigendommen eene niet onaanzietilijke bate den polder jaarlijks zou toevloeijenom in mindering der polder- lasten te strekken. Inderdaad die breedte van den bel'm mag niet als een weelde van het Rijk der Nederlanden worden aangemerkt, maar allerminst den koopers der gronden als c/wsfbewijs of voordeel wor den toegerekend. Maar wij willen eens aannemen voor een oogenblik, dat de dijksgronden met eene ruime maat gemeten zijnruimer dan de zamenstelling van den dijk dit bij den aanleg en de indeeling van den polder vorderde. In dit Opzigt zou dan een geheel andere geest bij de Meercommissie hebben voorgezetendan waarvan al haar overige arbeid in den polder getuigt. Dit neemt niet weg dat toch in die eenmaal bestaande nanleg en indeeling geene verandering in maat mogt gebragt worden, na den eersten verkoop der gronden op 16 Augustus 1853. Maar zouden er dan nog geene zeer bezwarende lasten staan tegenover die misschien iets ruime maat? Wij wijzen alleen op de verpligting tot onderhoud vau den ringvaart en het jaagpad hetwelk uitsluitend op den polder rust, terwijl er van de scheepvaart geen tol mag worden gelieven. En welk gebruik wordtten bate van het algemeen vau die werken gemaakt? De aanzienlijke opbrengst der sluizen aan den Overtoom en te Sparendam toonen het belangrijke verkeer aan, dat in dien ring vaart plaats heeft. De steden Amsterdam en Haar lem en het Hoogheemraadschap van Rijnland trekken de voordeeleu van dit verkeer. De Haarl.emmermeer- Polder is met het onderhoud van die werken, ten algemeenen nutte bestaandebelastzonder dat het hiervoor eenige schadeloosstellinghoe ook genaamd, ontvangt. Een kanaal, 11 uren lang, en een jaagpad van gelijke lengte zijn zeker, ook wat het onderhoud betreft, werken van aanbelang. Daar tegenover staat geene andere bate dan de opbrengst van het regt der visscherij niet eens in den geheelen ringvaart, maar slechts in een aanzienlijk deel daarvan. Met de bruggen, ponten en toegangwegenvoor zooveel die aan den polder toebehoorenis het eveneens gesteld. Van de wegen in den polder zal spoedig als van provinciale wegen gebruik worden gemaaktmaar van al die belangrijke werken rust het onderhoud alleen op den polder. Van dit alles stond ook niets in de verkoop-voorwaar- den. Dit behoefde ook niet, zal men zeggen, want de koopers waren reeds voor den verkoop door den arbeid des heeren Gevers van Endegeest en de daarbij gevoegde bijlagen volkomen ingelichtwelken last krachtens de overeenkomst met Rijnland van 19 Julij 1847, ten opzigte van den ringvaart en het jaagpad op den polder was gelegd. Wij zullen geene poging doenom dit in eenig opzigt te betwistenhoewel er misschien toch nog wel wat tegen zou zijn in te brengen. Maar indien er van maat sprake is, ver- oorlove men ons te eisehendat er niet met ruime maar met gelijke maat gemeten worde en men sta ons toe ter zake van de waterbergiug en het plan van verkaveling ons op dezelfde bronnen te beroepen welke men, iudien er van bekendheid met bezwarende lasten sprake is, voor de tegenpartij gaarne wil inroepen. De heer Gevers van Endegeest wijst in de tweede plaats, om het voordeelige of juister zeer voor deelige der voorwaarden aan te toonenb. op het genot de baten sedert januarij (1856) aan den polder gelaten, veelmalen overtreffende de lasten van dien- zelfden tijd. Het is natuurlijk volkomen omeaar; haasten wij ons hierbij te voegen, dat wij ons volkomen over- iuigd houdendat de dwaling ter goeder trouw ge- schiedt is, zij die dan ook uit .re/bedrog geboren. De meest belangrijke batenamelijk de polderlasten over het jaar 1856, welke het Rijk tot op den dag van den overdragt heeft geinddat is eene som van 50.000.heeft de Staat immers aan zich gehou- denterwijl de daar tegenover staande last, het gewoon jaarlijksch onderhoud geheel voor rekening van den polder is gelatenwij spreken nog niet eens van het in vorige jaren nagelaten en derhalve buitengewoon onderhoud, dat reeds vroeger had moeten hebben plaats gehad. c. Het reiiteloos voorschot van 7000.buiten de voorwaarden toegezegd. Waarschijnlijk is dit door den Minister geschied, bij het mondeling on derhoud, hetwelk met den Dijkgraaf, vergezeld van de Heemraden Hoeufft van Velsen en van Tien h oven heeft plaats gehad. In de eerste be- hoefte aan geld taoest worden voorzien. Er verliep natuurlijk een geruime tijd alvorens eene begrooting en een lcohier van omslag kon zijn ontworpen, vast- gesteld en goedgekeurd. Het toegezegde renteloos voorschot moest hierin tijdelijk voorzien, maar was Op verre na niet tOereikend. In de vergadering van Hoofd-Ingelanden van 2 Julij 1856 gaf de Dijkgmaf te keunendat het Polderbestuurkrachtens eene gunstige beschikking van den Minister van Finantien over 7000 uit 'sRijks kas, als voorschot op de den polder toekomende pachtpenningen kon beschikken maar dat die som niet voldoende was, om voor het inkomen der polderlasten de zaken gaande te houden waartoe eene som van 30.000.-— vereischt werd. Om in deze geldelijke verlegenheid te voorzien werd besloten 32.000.op te nemen tegen J/2 pCt. 's maandsonder hoojdelijke aansprakelijkheid van de leden der vergadering, ieder voor zijn aandeel. Wij vragen mag het voorschot van/7000.onder zulke omstandigheden als een niet gering voordeel worden toegerekend. d. Met het laatste punt van aanbeveling der voor waarden is het als met de drie vorige gesteld. Dat voor rekening van het Rijk 1000 ellen Hoofdvaart eventueel) meer zouden worden verdiept, dan in het vorige jaar was nagelatenwordt als een nieuw voor deel toegerekend. De meest eenvoudige woorden kunnen in eenen zonderlingen zin worden gebruikt. Atle togten waren op zeer geringe uitzonderingen na „verondiept en vervuild." Een kleiu deel zou nog voor Rijks rekening worden hersteld; dit laatste nu zou met nog 1000 ellen worden vermeerderd; en die vermeerdering die een nadeel slechts iets kleiner zou makenals een voordeel moeten worden aangemerkt, hetgeen dankbare erkenning vereischte en op hoogen prijs moest worden gesteld. Zeker kostte de uitvoering geld aan het Rijkmaar het ontving immers toch nog 50,000.aan polderlasten? En hoe is die verdieping bij den Leeghwater uitgevoerd in 1S56? Zoodanig, dat reeds in 1858 de Hoofdvaart daar ter plaatse op nieuw belangrijk moest worden ver diept, iudien den Leeghwater het water behoorlijk zou toevloeijen. Uit de vaart werd toen eene Nederlandsche el grond gegravenbehalve de ingestroomde bagger gronddie althans gedeeltelijk reeds vroeger had moeten zijn verwijderd volgens het daarvan in 1856 opgemaakte bestek. Inderdaad men had die 1000 ellen verdieping, zonder nadeel voor den polder wel kunnen achterwege latenzoo als zij is uitgevoerd. Zij heeft den staat geld gekost en den polder niet gebaat. TE AMERSFOORT. {Vervolg.) Reeds in de eerste vergadering dezcr afdecliug ontstond eene belangrijke gedachtenwisselingover de oorzaken van den achterlijken toestanc! van den landbouw in de kleistreek der prov. Utrecht, die later in eene vereenigde en talrijke bijeenkomst der eerst-e en derde afdeeling werd voortgezet. Dat die toe- stand werkelijk betreurenswaardig was en niet aan den grond of aan andere onoverkomelijke bezwaren kon worden toegeschrevenwerd algemeen erkend. Geen stem was de geringe opkomst van Utrechtsehe landbouwers daarvan misschien oorzaak liet zich hooren om dit te ontkennen of te verontschuldigen. Het feit stond daar voor aller oogen. In eene streek waar cle aanslibbing der rivieren eenen vrucht- baren kleibodem vormde, gelegen in het midden des lands, doorsneden van water, spoor en goede rijwe- genmeest in handen van rijke en aanzienlijke grond- bezittersvindt men de meest verwaarloosde kultuur van geheel Nederland. De velden dragen dikwerf meer onkruid dan nuttige gewassen, de gronden wor den elke vier of vijf jaren gebraakt, de teelt van vlas, van meekrapdie elders werk en welvaart aanbrengt, is er onbekendde pachten zijn er lager dan in de zandstreek van diezelfde provincie, en de opbrengsten blijven verre beneden het gemiddelde van geheel Neder land en bereiken naauwelijks de helft van hetgeen van dergelijke gronden in andere provincien verkre- gen wordt. Welke zijn de oorzaken? Hierover was verschil van meening. De een Zag in de tienden de bijna uitsluitende vijand, waardoor alle ontwikkeling en vooruitgaug belet werdmaar het feitdat de land bouw niettegenstaande dien druk in andere oorden tot groote ontwikkeling was gekomenwees ook nog Op het bestaan van andere oorzaken. De lage pach ten, ten gevolge van het veelal in vaste handen zijn van het grondbezit, werd door velen als hoofdbron van dien toestand aangegevenanderen wezen op de geringe verhbuding van het weihmd tot het bouwland

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1860 | | pagina 2