154 - Haarlemmermeer. Haarlemmermeer-Polder. maar ook doc a veronderstellendot het waterverlies bij de stoomtuigen grooter dan /l0 is." Wij gaan nog iets verder en bewerendat de gevondene getallcn juist bewijzendat de lewd zeer gering is, maar daarom zeggen wij nog niet dat bet waterverlies noodwendig moet bedragen in plaats van %0. De door den Hoofdopzigter en door den schrijver der Bedenldngen gemaakte berekingen wijzen niet aan hoe groot de kwel ishet kwelwater is wel in die ge- tallen begrepenmaar er is daarbij tevens opgenomen al het water, dat de pompen minder opbrengen dan berekend iszoowel voor hetgeen de slaglengte minder bedraagt dan 3 ellen, als wat het waterver lies bij den opgaanden slag meer bedraagt dan 0 bovendien is daaronder opgenomen het water, dat, indien de pompharten onklaar zijnbij den neerda- lenden slag, door die onklare harten in den polder terugloopt, in een woordalle verlies of terugvloei- jing van water, door de werking der stoomtuigen veroorzaakt. De door den Hoofdopzigter gevondene getallen van 18, 12, 6 en 8 millioen bevatten dus iets meer, dan kwelwater alleen. Zou het mi niet mogelijk zijn te berekenenwelk deel dier millioenen op rekeniug van de hwel, en welk ander deel op rekening van de gebrekkige werk- tuigen moet worden gesteld? Ons dunkt dat dit niet zoo vele bezwaren in heeft, nu wij behalve die millioenen ook het aantal wren werkens der stoomtuigen voor die maanden kennen. De kwel immers is niet afhankelijk van de werking der stoomtuigen maar van de digtheid des dijks; op het cijfer daarvan heeft het aantal uren werkens der stoomtuigen geen invloed. Gebeel anders echter is het gesteld met het deel dier millioenen, dat van de werking der stoomtuigen afhankelijk is; dit deel is natuurlijk des te grooter, naarmate zij een grooter aantal uren gewerkt hebben, of wat nog juister is een grooter aantal slagen gemaakt hebben. Is de werking der stoomtuigen te gunstig berekend, is het water verlies grooter, nit welken hoofde dan ook, de som moet altijd klimmen evenredig aan het aantal slagen. Er zijn dus in het genoemde aantal millioenen kub. ellen water, door de stoomtuigen meer uitge- slagendan er door regen na aftrek der verdamping in den Polder is gevallentwee cijfers zamengevoegd het eene onafhankelijk (de kwel)het andere afhanke lijk (waterverlies enz.) van de werking der stoomtuigen. Juist daarom schijnt de scheiding dier beide som- men niet zoo bijzonder moeijelijk. De cijfers van den Hoofdopzigter zijn echter geene naauwkeurige. Het zijn ronde millioenen bijna of ruim; daarom kan ook geene volkomen naauwkeurige uitkomst verkregen wordenmeer dan waarschijnlijk is door hem nog iets aan de maand Eebruarij toe- gerekendwat op rekening van Januarij moet komen. Maar toch is het niet mogelijk van die getallen meer dan 1 millioen voor de kwel af te trekken zonder de evenredigheid die er tusschen die millioenen en het aantal uren werkens bestaat te verbreken. Is ons vermoeden juist, dat aan de maand Eebruarij iets moet ontnomen worden, b. v. millioen water en aan Januarij moet worden toegevoegdeen streep of 3 regen of sneeuwb. v. die in den grond bevroren of op het laud lag en eerst in Februarij ontdooide, dan zou de kwel zelfs niet meer dan millioen kub. ellen per maand kunnen bedragen en een mil lioen zou nog te veel zijn berekend. Het is ons onverklaarbaar hoe deze omstandigheid, namelijk de evenredigheiddie er tusschen den bere- lcenden meerderen uitslag van water en het aantal uren werking der stoomtuigen bestaateen feit voor de beoordeeling der zaak van zoo hoog gewigt, door den geachten Ploofdopzigter, door de Commissie Storm Buy sing c. s. en door Dijkgraaf en Heem- raden zoo lang is miskend. Die groote mate van evenredigheid bewijst immers dat de oorzaak van die verbasend groote hoeveelheden water juist niet in de kwel, maar in de werking der stoomtuigen te zoeken is. In de 4 eerste maanden van 1857 hebben de stoomtuigen te zamen 3430 uren gewerkt en in dien tijd is 44 millioen kub. ellen water meer uitgeslagen volgens de berekening, dan er door regen na aftrek der verdamping in den Polder gevallen was. Indien er nu in het geheel geen kwelwater waredan zou- den de voor elke maand berekende millioenen dien ten gevolge alleen van de werking der stoomtuigen afhankelijk zijn en dan moest men voor de verscliil- lende maanden gevonden hebben 3430 44 1475 19 Januarij 3430 44 903 11,5 Februarij 3430 44 462 6 Maart 3430 44 589 7,5 April. Men ziet de uitkomsten verschillen niet veelmaar toch genoeg, om aan te toonen, dat er inderdaad ook kwelwater is en dat de gevondene getallen niet alleen van de werking der stoomtuigen afhankelijk zijn. Stellen wij de hoeveelheid kwelwater op 1 millioen 's maands en trekken wij die van het geheel af, dan vinden wij 3430 40 1475 17 Januarij 3430 40 903 10,5 Eebruarij 3430 40 462 5,4 Maart 3430 40 589 7 April. Indien wij nu bij die getallendie evenredig aan het aantal uren werkens het waterverlies enz. voor- stellen1 millioen kwelwater bij tellen verkrijgen wij inderdaad bijna juist de door den Hoofdopzigter berekende millioenen. Alleen voor de maand Februarij komen wij millioen te kort, voor Maart krijgeu wij millioen te veel. Wij hebben reeds gezegdwaarom wij vermoeden dat de rekening door den Hoofdopzigter voor de maand Eebruarij iets te ongunstig is genomen ten voordeele van de maand Januarij. In de maand Ja nuarij was het weder vriezend en viel er sneeuw. Dat bevroren water en die sneeuw zakten eerst in Eebruarij uit het land in de waterberging. Stellen wij dit op 3 streep dan zouden de gevondene getal len in dier voege moeten worden verbeterddat Januarij op 18% millioen en Februarij op 11% millioen werden gebragt, In de maand Maart echter vroor het wederom en bleef er wat sneeuw op het land liggen, althans het land zakte niet zoo snel uit. Misschien is daarom de rekening voor Maart alligt millioen te gunstig gemaakt, ten nadeele van de maand April en zou de berekende hoeveelheid voor Maart op 62/0 millioen moeten worden gesteld en voor April op 7%0 millioen. Indien dit waarheid is, en er pleit inderdaad nog al iets voor, dan kan de kwel niet meer dan millioen's maands bedragen hebben. Want wij verkrijgen dan bij eene berekening van millioen kwelwater per maand: 3430 42 1475 18,06 Januarij 3430 42 903 11,05 Eebruarij 3430 42 462 5,66 Maart 3430 42 589 7,21 April als het deel der millioenen dat van de werking der stoomtuigen afhankelijk is en tellen wij daarbij kwelwater, dan sluit de rekening volkomen met de genoemde cijfers van 18%, 11%, 6%0 en 7 %0 millioen in elk der 4 genoemde maanden. Inderdaad de lerekeningen zelve van den Hoofdop zigter schijnen met groote naauwgezetheid te zijn opgemaakt. Maar is misschien onze splitsing dier millioenen willekeurig. Kan er niet eene veel grootere hoeveel heid Icwelv/ater in die millioenen bevatzijn? Bij voor- beeld 3 millioenen kub. ellen per maand? Wij zullen zien. Van de 44 millioenen moeten dan 12 millioen voor kwelwater worden afgetrokken en wij verkrijgen dan voor het deel afhankelijk van de werking der stoomtuigen 3430 32 1475 13,8 Januarij 3430 32 903 8,4 Eebruarij 3430 32 462 4,3 Maart 3430 32 589 5,5 April. In plaats van die getallen hadden wij moeten vin den 15, 9, bijna 3 en bijna 5, indien wij 3 millioen kwelwater mogten aannemen. Het aandeel in de 44 millioen kub. ellen, dat op rekening van de werking der stoomtuigen moet worden gesteldmoet derhalve grooter zijn dan 32 millioen, de Hoofdopzigter had anders voor Januarij en Februarij elk 1 millioen minder, voor Maart en April elk 1 millioen meer moeten vinden. Heeds eene onderstelling van 3 millioen kwel water per maand is derhalve niet alleen willekeurig, maar onaannemelijkomdat daarmede de evenredigheid tusschen het aantal uren werkens der stoomtuigen en de uit hunne werking berekende millioenen, die nood wendig bestaat, verbroken wordt. Die evenredigheid zou dan nog beter bewaard blijven, indien men in het geheel geen kwelwater onderstelde. Daarom is onze splitsing niet alleen niet willekeu rig maar komt zij ons voor rationeel te zijnzij is bovendien geheel in overeenstemming met hetgeen wij buiten de werking der stoomtuigenvan de kwel waarnemen. Inderdaad de onbevangen regtstreeksche waarne- mingen van den invloeddien eene zekere hoeveel heid regen op den polderwatertoestand uitoefent leert volkomen overtuigend, dat de kwel niet aanzien- lijk is, in verhouding tot de oppervlakte van den polder; maar niet minder wordt dit bewezen door de verkregene uitkomsten van de werking der stoomtnigen. Het is voor ons tegenwoordig doel vrij onverschil- lig of de kwel nu een half of een geheel millioen kub. ellen in de wintermaanden bedraagt. Wij heb ben zeker meer dan voldoende bewezen dat het ge- loof aan het bestaan eener aanzienlijke kwelwij spreken niet van 10 millioen, maar zelfs van 2 mil lioen kub. ellenonhoudbaar is. Dat geloof is slechts uit oppervlakkige waarnemingen niet uit onjuiste berelceningenmaar uit onjuiste waardering van daar- door verkregene uitkomsten geboren. Nu die aanzienlijke kwel zelfs niet meer in de verbeelding mag blijven bestaanen de kwaal derhalve in de werktuigen zeteltwillen wij trachten hare zit- plaats in die werktuigen zelve te ontdekken. De beer S. C. Elion, te Amsterdam, heeft, op last van het ministerie van Binnenl. Zaken eenen gedenkpenning vervaardigd (naar de teekening van den heer N. P i e n e m a n) ter herinnering aan de droogmaking van het Ilaarlemmermeer. De hoofdfiguur is eene Ceres met hare gewone attributendoch op de borst draagt zij het wapen der prov. Noord-Holland ter nadere aanwijzing van het onderwerp. Op den aehtergrond ziet men aan de andere zijde een vliedenden Watergod op zijne schelp. Aan de keerzijde leest men het opschriftLacus Harlemensis saecula agris insultans et spoliis semper auctus tandem vi maclnnarum perdomitus, rapta XVIII millia jugerum Ilollandiae reddidit. Opus auctore Guilielmo I A0. MDCCCXXX1X inchoatum, regente Guilielmo III AMDCCCLIII perfectum. (De Haarlemmermeer gedurende eeuwen de omliggende akkers bespringende en steeds vergroot met de daaraan ontrukte gedeelten heeftna einde- lijk door de kracht van werktuigen te zijn bedwongen de ontroofde achttien duizend bunders aan Holland teruggegeven. Het werk is, op last van Will em I, in den jare 1839 begonnen en onder de rcgering van Will em III in den jare 1853 voltooid.) Van 21 Augustus tot 4 September 1860 zijn bij den Burgelijken Stand aangegeven geboren 1 mann. 1 vrouw. geslacht, te zamen 2; overleden 3 mann., 2 vrouw. geslachtte zamen 5levenloos aangege ven geene; ondertrouwd 2 paren; gehuwd 4 paren. In de bijeenkomst van den Gemeenteraad van Haar lem, van 29 Aug., is een voorstel van den heer Huet, strekkende om, op grond van in het breede daarbij aangevoerde redenen terug te komen op het besluit tot daarstelling van een weg naar den Ilaar- lemmermeer-Polderover het land van van Loon; om de uitvoering daarvan te schorsen en het verslag van Burg, en Weth. ter verbetering van de bestaande wegen in behandeling en gezette overweging te nemen, ondersteund, en dadelijk in behandeling gebragt. Onder de bedenkingenwelke tegen dit voorstel zijn aangevoerd behoorde, dat met het besluit voor den aanleg van den bedoelden weg geenszins was besloten om de bestaande wegen niet te verbeteren maar alleen, dat ihans daaraan geen gevolg zou wor den gegeven. Wat betreft het rekwest van de be- woners van het gedeelte der stad, hetwelk gelegen is in de nabijheid van de Amsterdamsche poort, welk rekwest aanleiding schijnt te hebben gegeven tot het indienen van het onderwerpelijke voorstel, is gewezen op een rekwest van andere bewoners dezer stad in hetwelk deze den Baad hunnen dank hebben betuigd voor het genomen besluit. Na nog eenige woorden- wisseling is het voorstel met 12 tegen 4 stemmen verworpen. Daarop is op voorstel van Burg, en Weth.be sloten om hen te magtigen tot het daarstellen eener verbindtenis met het bestuur van den Ilaarlemmer meer- Foldervoor het voortdurend onderhoud van de brug over de ringvaart, ten genoege van dit bestuur, en zoolang de gemeente Haarlem die brug wil be- houden. Verder isop voorstel van Burg, en Weth.besloten om voorloopig geen gevolg te geven aan het besluit om concessie te vragen tot het heffen van een tol op den weg en brug naar den Meerpolder. In de zitting van den gemeenteraad van Leiden op 16 Augustusis door de raadscommissie in zake het Haarlemmermeer voorgesteld, dat de raad besluite de door de Minister van Binnenlandsche Zaken aan- geboden som van 15,000, wegens vergoeding voor het gemis van het viscbregt in het Haarlemmermeer t aan te nemen.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1860 | | pagina 2