182 De Werktuigen. Wie ziet niet in dat in X. te Haarlem een des- kundige" spreekt? Wie erkent niet met ons het hooge gewigt, dat er deskundige ambtenaren bij de stoom- tnigen geplaatst zijn. Maar toch meenen wij dat er nog andere eischen aan die ambtenaren moeten worden gedaan. Kundehoe groot ook, baat nog weinig, indien ijverige belangstelling en trouioe zorg ont- breken. Jloowel wij niet in het minst willen twijfelen, dat fle uitspraak van X. te Haarlem op naauwgezet onderzoek en gemoedelijke overtuiging berustteen ieder met ons het gewigt der zaak zal erkennen achtten wijvooral daar wij niet het voorregt hebben deslcundige" te zijnons toen onbevoegd tot de onder- stelling van zoo groote onachtzaamheid bij de deskim- digenaan wie de dagelijksche zorg voor zoo edele en kodbare werktuigen is toevertrouwdwier ijver en goede zorgen zulk een aanzienlijk vermogen der gezamenlijke ingelanden voor hunnen ergsten vijand het water" moeten beschermen. Wij waagden derhalve nog eene andere onderstelling. Het was ons bekend, dat de Cruquius steeds het beste werktuig van den polder werd genoemd en uit ons onderzoekmet hoe gebrekkige hulpmiddelen dan ook verrigt, bleek, dat voor den Lijnden de meest gunstige uitkomsten waren verkregen. Het scheen ons toe, dat in het gebeurde met dit werktuig in 1856, de herstelling namelijk van zijne achter- en onderloopslieideene reden kon gelegen zijn van ver- betering van zijne nuttige werking. Het was ons bekendhoeveel moeite het gekost heeft om den funderingsput van den Cruquius droog te inaken, omdat er zulke aanzienlijke wellen in dien bodem te bestrijden waren, en wij meenden op dien grond, dat een deel van het meer uitgeslagen water, dan er door regen en kwel in den polder kon zijn gekomen, door die wellen kon geleverd zijn en dat dezeevenals eene gewone welput, des te meer water zouden leveren, naarmate er meer werd gepompt. Verre was natuurlijk de gedachte van onsom den geheelen door ons meer berekenden uitslag van water door de werktuigenuitsluitend aan deze omstandigheid toe te sehrijven. Op biz. 72 onzer Bedenkingen schreven wijBedenkelijk komt het ons voor het groote verschil tusschen de opbrengst der werk- tuigen en de lioeveelheid gevallen regenna aftrek der verdamping, nagenoeg uitsluitend toe te sehrijven aan de drieop biz. 10 en 12 van het Rapport Storm Buy sing c. s., vermelde oorzaken." En verder op biz. 73; Wij hebben, even als in het Rapport, bij de werking der stoomtuigen 0 voor waterverlies in rekeuing gebragt. Is dit te weinig, welnu dat men dan '/5 of nog meer in rekening brenge. Hoe meer waterverlies echter in rekening wordt gebragt, des te grooter wordt het betrekkelijk verschil door ons bij de werking van de verschillende stoomtuigen berekend." Maar X. te Haarlem was zeker nader bij de waarheid? Hij was zeker deskun- dige en wij misten dit voorregt. Wij hadden onze Bedenkingen blijkbaar slechts in het licht gegeven, om eene ernstige discussie over de gebreken der stoomtuigen en een grondiger onder zoek daaromtrent uit te lokkenmaar men heeft naar het schijnt noch het eennoch het ander gewild. Althans men heeft onze Bedenkingenwaarmede wij het Bestuur, en daaronder in de eerste plaats den Dijkgraaf, eene goede dienst" meenden te bewijzen ook omdat volgens ZEds. sehrijven van 22 .Tanuarij 1859, onze beoordeeling van het Rapport Storm Buysing c. s. door elk belanghebbende, maar voorzeker door het Bestuur wel het meest op prijs gesteld zou worden", geene bestrijding waardig gekeurd, hoe hoogen prijs wij er in het belang der zaak ook op stelden. In de laatste maanden van het vorige jaar maakten wij echter kennis met het rapport van den hoofd- ingenieur J. A. Beijerinck van 28 Mei 1859 en met de Gedachten omtrent de verbetering van den Ilaar- lemmermeer-Boldervan den Hoofdopziglerreeds in Maart geschrevenom anoniem het licht te zien. Later is dit stuk gedruktden hoofd-ingelanden rond gedeeld en in de gedrukte notulen der verga- deringen van hoofd-ingelanden opgenomendie onlangs ook voor de ingelanden verkrijgbaar zijn gesteld. Beide stukken werden ons later door den Secretaris beleefdelijk toegezonden en wij betuigen daarvoor gaarne nogmaals onze erkentelijkheid. Onze lezers herinneren zich zeker nog levendig de verdere geschiedenishoe in Maart 1860 een nieuw voorstel tot verbetering van den polder is gedaan geheel ongemotiveerd maar berustende op de meening i dat de kwel 10 millioen kub. ellen 's maands zou bedragen, hoe daarmede verbonden waren de plannen van den Dijkgraaf, het adres Del court c. s. en hoe dit voorstel (bepaaldelijk in n°. 12 van het Weekbladis bestreden. Wij toonden daarbij op nieuw aan, dat de zoo aanzienlijk meerdere uitslag van water door de stoom tuigen boven de gevallen regen, uitgeworpen, niet aan de kwel moest worden toegeschrevenwij wilden gaarne gelooven, dat die belangrijke hoeveelheid in zijn geheel ook niet door de wellen in den bodem der werktuigen werd geleverdimmers hoewel het verre van ongerijmd isdat de werking der stoom tuigen de hoeveelheid water zou vermeerderenwelke die wellen bij stilstand der werktuigen leverenzoo is het toch onmogelijk dat die vermeerdering eenige millioenen kub. ellen zou bedragen, al ware het alleen omdat de dijk waarop de werktuigen staan onder zoodanigen plaatselijken aandrang van water noodwer.dig zou moeten bezwijken. De zaak was echter blijkbaar niet onderzocht; ook het verschil van de nuttige werking der drie stoomtuigen was onopgemerkt gebleven. Daarom schre ven wij (in n°. 12 van het Weelcbladbiz. 54): Wij gaan derhalve van de onderstelling uitdat hetgeen vroeger door ons is berekend en voor nader onderzoek aanbevolen geene behartiging verdient en dat al het waterverlieshet verlies van eenen oogst, van tijd en steenkolen daarbij moet worden toegeschreven aan de onklare harten der stoomtuigen. Die onklare „harten berokkenen dan veel onvruchtbaren strijd, veel noodelooze ellende." „AVant hoewel wij dit thans niet in cijfers, die misschien onaangenaam zouden worden genoemd, willen aantoonen, zoo veel is zeker, dat de kwel gering is in verhouding tot de uitgebreidheid van den polder, dat het waterverlies bij de oppomping misschien niet eens /x 0 bedraagtmaar dat bij het neerdalen der pompzuigers het water uit den ring- vaart in de pompen teruglooptomdat het polder- waterdat in de pompen bij den opgaanden slag is opgetrokken door de onklare harten in den polder terugvloeit. Er blijft thans geen ander middel ter verklaring van het verschijnsel over. Maar daarom te meer betreuren wij het dat de toestand van de pompharten in den afgeloopen zomer (1859) niet is onderzocht en dat onder de middelen ter verbetering der werktuigen niet is aangewezenop welke meer eenvoudige en gemakkelijke wijze het bestuur zich van den toestand dier liarlen, zulke gewigtige deelen van den geheelen toestelkan vergewissen en de gebreken daarvan spoedig herstellen. De vraag mogt inderdaad aan de deslcundigen ter beantwoording worden voorgelegd en wij twijfelen geen oogenblik aan eene zeer bevredigende oplossing." Zoo stond de zaaktoen ons uit het verhandelde in de vergadering van Iloofd-Ingelanden, van 28 Maart j.l.bleek, dat wij over het aanhangige voorstel tot verbetering, eenstemmig hadden gedacht, niet alleen met alle ter vergadering aanwezige Hoofd-Ingelanden maar ook met alle Heemraden. Alleen de Dijkgraaf stemde tegen het amendement van de heeren van Stralen, Amersfoordt, van Ilouweninge, van Tienhoven en Pol. Wij mogten nu zeker verwachten, dat de handen ijverig nan het werk zouden worden geslagen en dat men zich eindelijk rekenschap zou gaan vragen van dien door de stoomtuigen verrigten arbeid. Immers het was eene reeds sedert lang uitgemaakte zaak, dat de kwaal in de stoomtuigen zetelde en niet in eene hersenschimmige kwel. Wij zullen annstonds mededeelenin welk opzigt en uithoofde van welke oorzaak wij ons in onze bil- lijke verwachting bedrogen hebben gezien. Maar vooraf is het misschien enkelen onzer lezers niet ongevalligiets omtrent de zamenstelling der werk tuigen te vernemen. Door sommigen worden welligt die werktuigen nog niet voldoende begrepen en toch zijn zij hoogst eenvoudig. Ilet eenige wat voor den niet ingewijde in de kennis van stoomtuigen eenigzins ingewikkeld schijnt, is slechts de beweegkracht, maar voor het ove- rige zijn de werktuigen slechts eene verzameling van groote pompen. Voor hem, die de werking van eene gewone keukenpomp begrijpt, heeft derhalve die der stoomtuigen niets geheimzinnigs. In eene gewone pomp wordt de pompzuiger op en neder bewogen met een menschen- arm door tnsschenkomst van eene slinger; bij de werktuigen doet de stoom hetzelfde door middel eener balans. Ziedaar het onderscheid. Hoe hooger men de slinger van eene gewone pomp opheft, des te dieper daalt de zuiger in de porapbuis en des te grooter is de slaglengte. Die slaglengte wordt bij de stoomtuigen op 3 ellen berekend. Indien deze echter kleiner isdan wordt er natuurlijk door de pompzui gers eene cvenredig kleinere hoeveelheid water opge- bragt; die lengte hangt echter geheel en alleen van meer of min voldoende stoomvorming af. Maar behalve die mindere opbrengst bij eene ge- ringere slaglengte, bestaat er ook in de pompen ge- legenheid voor waterverlies. Even als in eene gewone keukenpompheeft elke pomp der stoomtuigen een liart en een zuiger, Het hart zit onder in de pomp vast en bevat twee half-cirkelvormige kleppen die in rust het ondereinde der pomp sluiten; de zuiger is met een ketting aan de balans verbonden, en bevat insgelijks twee half-cirkelvormige kleppenwelke in rust eveneens tegen de pompbuis aansluiten. Het zamenstel dier pompen is dus zeer eenvoudig en het eenige verschil met eene gewone pomp bestaat in hunne afmetingen in de stof, waaruit, en in de wijze waarop de harten en zuigers zijn zamengesteld. Wat geschiedt er nu in die pompenindien de stoomtuigen in werking zijn De pompzuigers wor den eenvoudig op en neder bewogenen daarbij openen en sluiten zich beurtelings de kleppen van de liarten en zuigerszoo als in de onderstaande figuren is voorgesteld Pomp in rust. Bij het nederda- len van den Zuiger. Bij het optrek- lcen van den Zuiger. Illl'Hiii' Indien de stoomtuigen in werking zijn, dan zijn de pompen (a) steeds met water gevuld. Bij het ne- derdalen van den pompzuiger beweegt deze zich door het in de pomp bevatte water naar benedenmet geopende kleppen (6) en die van het pomphart c moeten dan gesloten zijn; zijn daarin echter openin- gen, of sluiten zij de pompbuis van onderen niet volkomendoor vreemde ligchamen b. v. die zich tusschen de pompbuis en die kleppen bevinden, dan loopt er water uit de pompbuis in den polder terug. Het tegenovergestelde heeft plaats indien de zuiger wordt opgetrokken; dan zijn de kleppen van het pomphart (c) geopend en die van den zuiger moe ten dan volkomen gesloten zijndoen zij dit niet dan heeft er verlies plaats van water, dat onder den zuiger in de pompbuis terugvloeit. Indien de slaglengte 3 ellen bedraagt en de pomp zuigers volkomen sluitendan wordt met den zuiger 3 ellen water opgetrokken, dat op den stortvloer wordt uitgestort, terwijl er gelijktijdig door de geo pende pompharten eene gelijke hoeveelheid water uit den polder in de pomp wordt opgetrokken. Indien de zuigerkleppen echter niet volkomen sluiten, dan wordt er eene kleinere hoeveelheid water op den stortvloer gebragt, en met eene evenveel kleinere hoe veelheid water uit den polder de pompbuis gevuld. Er wordt dan niet veel kracht onnut verbruiktomdat het stoomtuig minder water behoeft op te brengen. Het waterverlies door de pomp harten echter veroor- zaakt een geheel onnut verbruik van kracht. Wij zeiden daar optrekken" om duidelijk te zijn maar het woord is eigenlijk niet juist. Het water wordt door de drukking der atmospheer in de pompbuis gedrevenomdat er in de pompbuis bij het optrekken van den zuiger een luchtledig gevormd wordt. Maar dit doet nu niet ter zake af. Er blijkt hieruit dat er tweeerlei bron van water verlies in de pompen bestaat; a. door de niet volkomen sluitende kleppen van de pompharten bij het nefirdalen

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1860 | | pagina 2