185 - Omvang der Kwaal. Zitplaats der Kwaal. De Middelen lot Herslel. tier pompzuigersI. door de niet volledig sluitende kleppen der pompzuigers bij bet optrekken van deze. Hoe groot kan dit verlies wel zijn Wij zullen dit onderzoeken. Volgens genomen proeven (schrijft Jhr. Gevers van Endegeest) bedraagt het waterverlies /0, maar het zal dikwijls grooter zijnals de zuigerkleppen gebrekkig zijn of onzuiver in de pompbuizen loopen of de hartkleppen niet juist sluiten. Wij hebben bij de berekening van den geleverden arbeid der stoomtuigen in de 8 maanden van elk der 4 jarenwaarover de onze loopt ook J/j0 voor waterverlies afgetrokken en verkregen daarbij voor 1856/57 104,522,314 kub. ellen, 1857/58 47,005,935 1858/59 81,346,895 1859/60 138,3 59,689 te zamen 371,234,833 kub. ellen. Uit ons onderzoek omtrent de heel en omtrent den regen en de verdamping bleek zoo overtuigend mo- gelijk, dat de m^B-hoeveelheid voor de 4 jaren door ons ruirn gesteld was, dat de verdamping grooter is geweest dan door ons is berekend; de hoeveelkeid regenw&terdie door de stoomtuigen is moeten worden uitgepompt, bedroeg derhalve minder dan door ons is genomen. Wij stelden voor 1856/57 26,790,000 kub. ellen. 1857/58 11,570,000 1858/59 22,250,000 1859/60 42,720,000 te zamen 103,330,000 kub. ellen. Tellen wij nu hierbij voor elke 8 maanden 6 mil-' lioen kub. ellen kwelvvater, eene hoeveelheid, die zeer waarschijnlijk ook nog te ruirn gesteld is, dan verkrijgen wij voor de 4 jaren 127,330,000 kub. ellen waterdie de stoomtuigen te verwijderen hadden en zij hebben, nadat reeds voor waterverlies /0 (bijna 43 millioen kub. ellen) is afgetrokkentoch nog bijna 3 maal zooveel water uitgeworpen. Van waar is die meerdere hoeveelheid gekomen? Water jongt niet. Met groote belangstelling hebben wij het gansche jaar uitgezien dat wij afschrift van de registers omtrent de werking der stoomtuigen zouden ontvangen. Zoo- dra wij in het bezit daarvan zijn gekomenhebben wij ze bij uittreksel in het Weekblad geplaatst. De levendige belangstelling die ons reeds sedert zoo gerui- men tijd bezielde, om de icaarlieid te kennen, vervulde ons tevens nog steeds met de hoopdat de uitkomst onzer berekeningen voor 21 dagen in De cember 1858 en Januarij 1859 (Bedenkingen biz. 68) en die over de 4 laatste maanden van 1859 Week- Had n°. 12) onjuist zou bevonden worden. Maar het v.erschijnsel ishelaasstandvastig steeds hetzelfde. Ook bij erne veel te gunstige berekening is er altijd meer dan 3 maal te veel arbeid door de stoomtuigen verrigt en zijn de daardoor veroorzaakte kosten aan steenkolensmeermiddelen en onderhoud der werk- tuigen nutteloos uitgegeven; en dan nog het lage en middelbaar hooge land nu en dan onder water Hoe zullen wij die ontdekken is eene vraagdie wij in de laatste twee jaren menigvuldig hebben ge- daan. Wij kunnen zelf niet onderzoeken, en moeten dit van de deskundigen verwachten. Zij bezitten de kennisvoor zulk onderzoek vereischt; wij missen die. W ij konden niet meer doendan het gewigt en het hooge belang van dit onderzoek levendig te doen gevoelen en daartoe aan te sporen. Onze hoop is echter niet vervuld en het vertrouwendat wij daarop grondden, is beschaamd. Heeds bij het voorstel tot verbeteringin Maart jl., door het bestuur gedaan, zijn wij in onze verwach- ting te leur gesteldmaar wij hadden toch verwacht, dat er in dezen zomer nu een ernstig nader onderzoek zou plaats hebben. Nadat wij in het begin der vorige maand kennis hadden bekomen van den aanzienlijken verrigten ar beid der stoomtuigenhebben wij onsom tot eenige zekerheid omtrent sommige punten te geraken, gewend tot den hoofd-opzigter. Wij verzochten hem daarbij ons met een enkel woord te willen antwoorden op de volgende drie vragen 1°. De slaglengie wordt op 3 ellen berekend. Wat heeft de ondervinding van 4 jaren u geleerd? bedraagt zij in den regel veel minder? 2°. Het waterverlies door de pompzuigers kan dit meer bedragen dan >/0? b. v. of nog meer? 3°. De pompharten van den Lynden en den Cruquius zijn tlians nagezien. Zijn de openingen, welke daarin bestonden, gemeten? zoodat het mogelijk is daaruit te berekenenwelk waterverlies door die openingen gedurende den afgeloopen winter heeft plaats gehad? Wij ontvingen op die vragen het volgende antwoord IIEEMSTEDE, 7 October 1860. De reden waarom ill uw schrijven van 13 September jl. niet reeds beanhvoord heb, is, dat ik dat antwoord eenig- zins uitvoerig ivenschte te maken, dock waarloe mij tot he- den den noodigen tijd ontbrakdaar ik dageljks van huis moet zijn. Uit uw tweeden brief ontwarendedat u gaarne spoedig eenig antwoord zou hebben, wil ik u thans kortelijk antwoordenmet het voornemen om later ivat omstandiger te zijn. Wat de slaglengie aangaat, deze is bij het begin eener werking, vooral wanneer de stoomcilinder geheel koud is somtijds slechts weinig meer dan 2.00 el, doch dit is maar voor een klein getal slagen. Bij eene geregelde werking kan men, naar ik vermeen, rekenen op ongeveer 2.90 el. Juiste proeven zullen, naar ik vertrouwmijne meening bevesligen; doch tot het nemen van die proeven is in den laalsten tijd weinig of geene gelegenheid geweest. Wat betreft het waterverliesdit is naar mijne meening veel grooter dan l/lO- Ik geloof dat dit in het geheel wel 1/6 zijn zal. Aangaande dit punt kan men echter geene zekerheid verkrijgendan door een gedeelle vaart achter een stoomtuig af te sluiten en af te malen. De toestand der pompharten aan den Cruquius en den Lijn- den was bij het droogmaken der pompen in dit jaar zeer gunstig. Er waren slechts enkele harten, die gebrekkig sloten en die gebrekeh waren daarbij nog van weinig belang. Nietlemin ben ik van oordeel, dat het waterverlies loch veel grooter dan l/io, mogelijk wel 1/5 is, omdal de inrig- ling der tegenwoordige kleppen, zelfs in goeden slaat, daar toe aanleiding geefl. Aan den Lceglnvater zal vermoedelijk dit jaar eene nieuwe soorl van kleppen in eene pomp geplaatst worden. Deze heb ik in Engeland besteld, en zullen indien ik op een schrij ven van den fabrielcant kan rekenen, spoedig afgezonden worden. Met achting, enz. Wij betuigen gaarne onze erkentelijkheid voor het bovengenoemde schrijven, en hebben dit den 12 Oc tober aan den hoofdopzigter reeds gedaan, waarop wij lieten volgen: Uwe mededeelingen slellen mij thans echter nog slechts ten deele in slaat om over de zitplaats liunner lcwaal juist te oordeelen. Naar ik van den heer Ingenieur de Vries Robbd vernomen heb, zijn er door den heer Dansdorp belangrijke onderzoekingen gedaan en uitkomsten verkregen omtrent de Invel in den bodem bij den Cruquius, ook dauromtrent zou het mij aangenaam zijn iets te vernemen. Ik verzoek u dit vriendelijk en rigt mij thans slechts regtslreelcs tot uomdat ik bij vroeger schrijven omtrent de werkluigen dat ik steeds aan den Dijkgraaf rigtle, van u antwoord ont- ving, en de korlste weg mij steeds de meest verlcieslijke voorkoml. Maar het spreekl van zelf, dat ik uwe mededeelingen aan mij niet ivensch zonder Z. Ed. Gestr. toestemming waaraan ik niet twijfel. Immers de opstellen van mij in het Weekblad zijn slechts eene voortzetling van den strijd van meeningen door het Rapport Storm Buysing c. s. onlstaan, door den Dijkgraaf het eerst in het openbaar besprokenen mijne Be denkingen legen dat Rapport zagen ook op uilnoodiging van den Dijkgraaf het lichtdie mij schriflelijk beluigde dat het llesluur mijne beoordeeling van dat Rapport op prijs zou slellen. De werkluigen in den polder zijn altijd geweest, maar door dien strijd van meeningen nog meer een voorwerp van pu- blieke belangstelling geworden en »de publielie zaalc wil pu- bliek behandeld worden." Ilet afkeurend oordeel, door sommigen over de werktuigen in het openbaar uitgesprokenmeestal ongemotiveerdmag op hen niet blijven klevenalthans niet als zoodanighet is niet hunne schuld, dat zij tot nog toe zoo gebrekkig iverlc hebben geleverd. Het voorregt der stoombemaling moet wor den geliandhaafd, ondanks de gebreken der werktuigendie toch waarschijnlijk met geene te aanzienlijke kosten kunnen worden opgeheven. Ik schrijf u thans zoo uitvoerig, om u te doen zien met hoe groote belangstelling ik uwe mij toegezegde mededeelin gen te gemoel zie. Iloogachtend, enz. Het is zeker reeds meer dan hoog tijd, dat de kwaal der werktuigen worde ontdekt. In Augustus reeds vernamen wij van den heer Ingenieur de Vries Robbe, bij eene toevallige kennismaking op den spoortrein, dat door den opzigter Dansdorp on derzoekingen in het werk gesteld zijn; de mededee- ling van de uitkomsten daarvan is ons reeds sedert lang voor het Weekblad toegezegdmaar wij hebben het geachte bestuurs-liddat ons deze belofte deed daarvan moeten ontslaan, omdat tot nog toe die onderzoekingen niet aan het bestuur zijn medege- deeld. Indien dit geschied zal zijnzal hij verlof vragen om er ons mededeeling van te doenon wij slellen daar hoogen prijs op. Maar toch kan in die wellendie ook dezen zomer in korten tijd den ledig gepompten funderingsput met hun water vulden tot boven den stand van liet water in den polder, niet de hoofdoorzaak gelegen zijn van al die millioenen kub. ellen meer uitgeslagen water. De stoomkracht is voldoende; wij hebben dit reeds hierboven gezien; zoo wel de slaglengie, waarop vol gens het schrijven van den hoofdopzigter kan worden gcrekendvan 2,90 el (hetgeen slechts /30 minderen uitslag geeft) als het aantal slagen per minuut, door de werktuigen gemaaktbewijzen zulks. Er blijft derhalve niet anders over, dan dat de hoofdzaak der kwaal zetelt in de pompzuigers en vooral in de pompharten. Indien de kwaal bekend isin zulke eenvoudige deelen van eenen eenvoudigen toestelals de pompen en hunne onderdeelen dit zijn, dan ligt zeker het geneesmiddel om zulk eene kwaal op te heffen voor de hand. Het eerste middel tot herstel is derhalve onderzoek. Reeds in N°. 12 van het Weekblad hebben wij aangetoond, dat bij het neerdalen der pompzui gers het water uit den ringvaart in de pompen terug moest loopenen dat het polderwaterwaarmede bij den opgaanden slag de pompen werden gevulddoor de onklare harten in den polder terug moest vloeijen omdat er geen ander middel ter verklaring van het verschijnsel overbleef. De steenkolensmeermiddelen enz. zouden dus voor meer dan gebruikt worden om het ringvaartwater in de pompen op- en neder te bewegen; want dat het waterverlies door de pomp zuigers veel meer dan 0 zou bedragen kunnen wij niet gelooven. Immers men kan zicli elk oogeublik van den toestand dier onderdeelen overtuigen en de gebreken herstellen. Met de pompliarten is dit niet het geval. Wij hoopten dus, dat de deskundigen het Bestuur in staat zouden stellen, om zich op eene eenvoudige en gemakkelijke wijze van den toestand der pomp/wrfew zulke gewigtige deelen van den toestel, te vergewis- sen en hunne gebreken spoedig te herstellen. Wij wisten niet, zoo als ons thans uit den brief van den hoofdopzigter is geblekendat hiertoe geen ander middel bestond, „dan door een gedeelte vaart achter een stoomtuig af te sluiten en af te malen." Als dit het eenig bekende middel is, en wij willen het gaarne gelooven, dan zijn de Iugelanden diep te beklagen. Het verwondert ons thans niet meer, dat de werktuigen met een vermogen om 180 streep regen en meer uit den polder te verwijderen, onvermogend zijn den polder met 1000 uren werking droog te hou- den, zoodra er meer dan 30 streep in eene maand zijn uit te pompen. Indien de opzigters der stoom tuigen op geene andere wijze te weten kunnen komen hoe groot het waterwerlies door de pompharten en zuigers isdan weten zij ook niet of de steenkolen worden verstookt om bet water uit den ringvaart heen en weder te pompen. Maar welk vertrouwen kunnen wij nu stellen in het geloof dat het water verlies misschien wel zal bedragen? Waarom kan het niet even goed of zijn? De zaak is immers niet onderzocht, want het eenige bekende middel is onder het Polderbestuur nog niet toegepast. Maar al ware dit geschiedwaartoe zou het baten. Men kan dit middel niet elken dag toepassenen men moet zich toch elk oogenblik van de hoegroot- heid van het waterverlies kunnen overtuigen. Het middel is echter geheel ontoereikend, om te weten in icelke der pompen gebreken aanwezig zijnen ook om te leeren of het pomphart of de zuiger de schuldige is. Hoe zal men oordeelen over de meer nutiige wer king van een pomphart van eene andere zamenstelling Zoo al voortdenkende over de treurige gevolgen van dit gemis aan kennis van een eenvoudig middel ter opsporing van de gebreken der zuigers en harten, en in aanmerking nemende, dat die beide onderdeelen toch zoo eenvoudig zijnbegrepen wij dat er toch wel een gepaster middel van onderzoek moest kunnen gevonden worden en wij vroegen ons af, hoe wij ons van het waterverlies door de pomp/«w?era en door de zuigers zouden vergewissen. Wij meenen dit middel gevonden te hebben. Wij zouden namelijk een lat nemen3 ellen langen daarop palmen en duimen laten teekenen, zwart op wit; wij zouden, als het stoomtuig in werking is, even laten stoppende sluisdeuren van den stortbak laten sluiten en den stortbak zelven ledig laten loo.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1860 | | pagina 3