- 225 KAART Meestal staat het vee in zoogenaamde potstallenwaar achter het vee eene groote ruimte iswaarin de mest van verscheidene maanden kan worden bewaard en deze wordt dan terstond uit den stal op het land ge- bragt. In sommige gedeelten van Vlaanderen brengt men den mest onder ruime afdakken, waar hij door jong vee vast ineengetreden wordt. Maar de landbouwer stelt zich hier geenszins tevreden met den mest, die hij op zijne boerderij maken kan. Vooreerst gebruikt hij al de waterplantendie uit de menigvuldige slooten worden opgehaald, of om die tussehen den mest te hrengen, ol wel als eene uitnemende bemesting voor aardappelen. Dan laat hijdikwijls van zeer ver en met groote kostende bagger uit de kanalen komen. Hij ge bruikt veel kalkwaarvan hij 8 tot 10 kub. ellen op een bunder brengt, hetgeen hem 75 tot 100 kost. In de steden koopt hij den afval op der leer- looijerijenhet beenzwart der suikerraffinaderijenhet beendermeel, maar vooral ook het straatvuil en den sekreetmest, welke laatste overal met zorg verzameld en tegen 15 a 20 cents het mud verkocht wordt. Voorts maakt hij zeer veel gebruik van asch voor zijn klaver, en koopt hij jaarlijks aanzienlijke hoeveel- heden raapkoekenwaarmede hij zijn vlasland bemest, of wel hij werpt ze in zijnen gierput en brengt ze in vloeibaren staat over zijne jonge graan of handels- gewassen. Nergens gaat eenige mest verlorenzelfs die op de wegen valt wordt door kinderen met krui- wagens opgezocht en verkocht. Hoewel geene ge- leerden volgen zij toch volgens de letter de lessen der scheikunde opdie bevelenom aan den grond alles terug te gevenwat daaraan door de planten ontnomen wordt. Maar sinls eenige jaren doet men nog meer, want ook van guano worden thans groote hoeveelheden aangevoerd en verbruikt, en de Vlaamsehe landbouwer moet bekennen dat deze nieuwe meststof de krachtigste is van alien. Het is als of deze mest aan de planten der koude luchtstreeken iets van de kracht van den tropischen plantengroei mededeelt. Yoor Vlaanderen was deze nieuwe aanvoer eene uit- redding, daar door de toenemende behoefte de in het land voorhandene meststoffen steeds duurder wer- den. De arbeider die een klein hoekje gronds be- bouwt haalt thans op een kruiwagen eenige balen guano, terwijl hij den tijd niet zou gehad hebben om den gewonen mest van zoo veel grooter omvang op zijn land te brengen. De boer gaat in het voor- jaar met een zak guano zijne velden ronden waar hij achterlijke plekken in zijn graan vindt, strooit hij slechts wat guano uit en verkrijgt een gelijkmatig gewas. Mesten en steeds meer mesten is de hoofd- gedachte van iederen landbouwer hier. Hij tracht zich niet aan deze dure noodzakelijklieid te onttrekken, want hij weet, dat hij alleen daardoor voor al zijne overige kosten en zorgen beloond wordt. De mest verteert in dezen ligten zandgrond zoo snel, dat men hem steeds alle jaren en dikwerf zelfs twee en drie malm in een jaar bemest. Op het land voor winter- graan bestemdbrengt men gewoonlijk in het najaar 30 tot 35 wagenvrachten stalmest op het bunder ter waarde van 50 tot/70 en in het voorjaar nog 150 tot 300 vaten gier, die men op /30 tot/40 schat. M^n kan iekenen dat ieder landbouwer jaarlijks gemiddeld van 40 a 50 per bunder besteedt voor aankoop van mest en van koeken voor het vee. In geen ander landzelfs niet in die welke het meest om hunnen landbouw geroemd wordenzoo als Lom- bardije en Engeland, doet men zulke aanzienlijke voorschotten aan den grond. Maar door uitsluitenden graanbouw zou het ook onmogelijk wezen zulke aanzienlijke uitgaven te dekken. Dit stelsel kan al leen worden volgehouden bij de rijke opbrengsten der handelsgewassen, en vooral ook bij de uitbreiding aan de teelt der tweede gewassen gegevennamelijk van die gewassen welke men in hetzelfde jaar na het hoofd- gewas verbouwt. Dit is eene nieuwe eigenaardigheid van den Vlaamschen landbouw, welke van groot be- lang geacht moet worden. Men kan vier trappen van ontwikkeling in den landbouw onderscheiden. Aller- eerst wordt de helft van het bouwlaud met graan beteeld, en de andere helft ligt braak; dit was het stelsel der Eomeinen en men vindt het nog in eenige provincien in het zuiden van Frankrijk en in een groot gedeelte van Spanje. Hierna volgt het zoogenaamde drieslagstelselwaarbij het eerste jaar wintergraan, het tweede jaar zomergraan verbouwd en het derde jaar gebraakt wordt. Deze wijze van landbouwen vindt men nog in eenige graafschappen van Engelandveel in Frankrijk en in de slecht bebouwde provincien van Belgie. Vroeger was zij in het grootste ge deelte van Duitschland algemeenook in Nederland heeft men op de zware gronden ongetwijfeld in vroe- gere eeuwen die opvolging van gewassen gehad. Bij den derden graad van ontwikkeling wordt niet of weinig meer gebraakt en een derde of de helft van het bouwland met groenvoeder of wortelgewassen beteeld. De vlaamsehe landbouw vormt den hoogsten trap van ontwikkeling; niet alleen laat men den grond niet meer rusten, maar veelal draagt hij twee oogsten in een jaar; de wortelgewassen worden als tweede gewas verbouwddaar hetzelfde land eerst granenvlas of koolzaad draagt en daarna stoppelknollen of verplante koolrapen en mangelwortelsofwortels, onder rogge of vlas gezaaid. Bij deze wijze van kultuur wordt het vee gewoonlijk zomer en winter op stal ge- voederd en men verkrijgt daardoor eene groote hoe- veelheid mest, het eerste vereischte bij zulk eene uit- puttende behandeling van den grond. In de zandstreek van Vlaanderen draagt gemeenlijk meer dan een derde der gronden een tweede gewashet is dus alsof men de grootte zijner boerderij met een derde vermeerderde. In Oost-Vlaanderen worden van de 100 bunders gewoonlijk 72 met granen en han delsgewassen beteeld en 28 met groenvoeder en wortelgewassen; maar hierbij moet men nog 31 bun ders met een tweede gewas bebouwd voegenop die wijze levert dus der oppervlakte verkoopbare ge wassen terwijl tevens negen en vijftig bunders van de honderd goede voedergewassen voor het vee geven waarvan de opbrengst veelal die van goede weilanden overtreffen zal. Dit verbouwen van tweede gewassen is een waar kunststuk door den Vlaamschen landbouw volbragt; het wordt daardoor duidelijk, hoe gronden van zoo geringe kwaliteit 50 tot 60 pacht per bunder kuunen opbrengenen hoe de meest digte bevolking van Europa zich van eenen grond, zoo weinig door de natuur begunstigd, weet te voeden. Behalve de reeds genoemden wordt ook de spurrie veel als tweede gewas verbouwdveelal ook de boeren- kool die tot in den winter door blijft groeijen en waarvan de bladeren een heerlijk voeder voor de melk- koeijen geven. Als vroege voorjaarsgewassen komen in aanmerking de inkarnaatklaver en de snijrogge, die den vorigen herfst gezaaid, reeds vroegtijdig het veld ruimen, zoodat men daarna nog zomergraan zaaijen kan. De veeteelt wordt dus ook bij den Vlaamschen landbouw niet vergeten en van het zuivel, wordt door de boeren nog veel gemaakt. Gewoonlijk wordt voor het tweede gewas gemest en het laat zich begrijpen, dat men daarbij genoodzaakt is het land door hakken en wieden steeds zeer zuiver te houden wijl voor de bewerking van het land tussehen oogst en zaaitijd niet veel gelegenheid is. Wordt vervolgd.) voor DE JVatuuehunde en de Volhselijt ran tYedeeland OOK INGERIGT VOOR SCHOOLGEBRDXKDOOR Dr. W. C. H. STARING. Uitgegeven bij A. C. Kruseman, te Haarlem. Nu 's lands Regering door krachtdadige ondersteu- ning van geologischemeteorologische en statistieke onderzoekingen in Nederlanden door aansporing tot de studie der natuurkundige en staathuishoudkundige wetenschappen op de scholenden weg heeft gebaand mag het publiek niet langer verstoken blijven van eene kaart waarop de resultaten van die natuur- en staathuishoudkundige nasporingeu aanschouwelijk voor- gesteld wierden, en die tevens zoodanig ingerigt moest zijn, dat het den onderwijzer niet moeijelijk zoude vallen om de beginselen dier wetenschappen aan de jeugd voor oogen te stellen. De Gewestelijke Ver- eeniging Utrecht van het Nederlandsche Onderwijzers Genootschap heeft, voor eenige jaren, beproefd om in de toenmaals reeds gevoelde behoefte te voorzien door het nitschrijven eener prijsvraag. Eenige ant- woorden zijn op de vraag ingekomen, en een is er der bekrooning waardig gekeurdmaar toen het tot de uitgaaf der kaart zoude komenstuitte men op zwarighedendie voornamelijk uit het ontbreken van genoegzaam zuivere grondslagen voortvloeiden. De Vereeniging besloot daarop om de vervaardiging eener geheele nieuwe kaart over te laten aan Dr. W. C. H. Staring. De uitvoering van den kleurendruk werd aan J. J. Smulders te 's Gravenhage toevertrouwd. De kaart is gereed en bestaat uit vijftien bladen waarvan er acht geheel en drie gedeeltelijk gewijd zijn aan plaatsbeschrijving, aardkunde en landbouw; ter wijl op de overige de hoogteliggingde wecrkenuis, de nijverheid, de politieke indeeling en de bevolking, door tafels en door kaartjes op kleine schaalworden toegelicht. De plaatsbeschrijving is zoo uitgebreiddat de kaart volkomen aan de behoefte eener gewone schoolkaart voldoet. De naraen der provincien en strekenen genoegzaam van alle gemeentenkomen er op voor alsmede bijna alle straat- en grindwegen, de voornaam- ste wateren en alle vaarten met hare sluizeuzoodat hier een volkomen overzigt wordt gegeven van het uiterst merkwaardige, en op verre na niet genoeg be- kende net van voortreffelijke wegen en vaartenwaar mede Nederland overtogen is. De grenzen der pro vincien, arrondissementen, kie3- en schooldistricten met hunne hoofdplaatsen, zijn op een bijkaartje aangeduid, ten einde de hoofdkaart niet te zeer wierd opgevuld. Terwijl de kiesdistricten tot den gekleurden grondslag van dit kaartje genomen zijnis het gelukt om deze indeeling, met die der provincien en der schooldistric ten tevensregt duidelijk in het oog te doen vallen. De aardkundige of geologische onderscheiding der gronden is door kleuren en letters aangeduid. Deze komen overeen met degene welkevoor de door het Rijk uitgegeven en op dezelfde schaal vervaardigde Geologische Kaart van Nederland zijn aangenomen. Deze schoolkaart vormt dus een volkomen overzigt van de meer in bijzonderheden tredende groote geo logische kaart, en is, voor ondervvijs, beter gescliikt dan deze. Eene flaauw roode beteekening duidt op de kaart het gebruik aan dat de Nederlander van zijnen bodem maaktzij geeft namelijk de aqronomische of landbouw- indeeling aan. Voor het eerst is hier eene poging aangewend om de landbouwstelsels, die in Nederland heerschenaanschouwelijk voor te stellen. Den juis- ten toestand van den landbouw leert men niet anders kennen dan door het bestuderen der heerschende stel- sels, en hoe meer en hoe eerder men zich van die waarheid doordringedes te meer zal de landbouw nut van de wetenschap trekken. Eene meer volledige uiteenzetting dezer stelselsdan op het vierde blad der kaart mogelijk was, vindt men in het Iluisboelc voor den Landman van den ontwerper dezer kaart dat thansbij denzelfden Uitgeverin het licht ver- schijnt. De statistiek van den landbouw wordt op het twaalfde blad voorgesteld door het mededeelen van de hoofdgetallen. Het dertiende en halve veertiende blad is gewijd aan de weerkennis of meieorologie van het vaderland. De thermometer- of barometerstandende gevallen re- gen de uitdamping, de donderbuijende rigting en kracht van den wind en de stand van de magneetnaald zijn hier aanschouwelijk gemaakt. Dit zal misschien tot eene betere waardering dezer schoone wetenschap door het algemeendan zij tot dus verre in Neder land heeft mogen ondervinden aauleiding geven. Op het halve vijftiende blad is de hoogte van den grond of de hypsometriedoor verschillende kleuren op eene kleine kaart aangewezenen tevens de loop en de hoogte der getijen. Wat Nederland zoude zijn zoo er geene zeedijken waren, blijkt uit dit kaartje met een oogopslag; terwijl hieruit,in verband beschouwd met de geologische indeeling, tevens te beslissen is in hoever wij de in het buitenland heerschende meening aan mogen nemendat het geheele vaderland slechts een aanspoelsel is uit den Rijn. Het halve twaalfde blad wijstop eene kleine kaart, vergezeld van eene lijstde verdeeling van de nijver heid in Nederland. Er is hier eene poging tot ont- ginning van een geheel nieuw veld aangewenddat welligt aanleiding zal geven tot een ijveriger en meer wetenschappelijk keunisuemen van den juisten toestand onzer nijverheid, Eindelijk vindt men op het vijftiende blad een over zigt van de verhouding waarin, voor elke provincie, de groote van het bouwland van de woeste gronden enz staat tot de geheele groottehet aantal vee tot de grootte van xbouw- en weilandhet aantal paarden tot dat der inwonersen het aantal fabriekarbeiders en stoompaardenkrachten tot de bevolking. Elke provin cie wordt hier gewogen, en de onderlinge verhouding der zwaarte van elk duidelijk voor oogen gesteld. Overigens zal de Kaart voor de Natmirkunde en de Volksvlijt van Nederland zich zelve aanbevelenniet alleen bij de onderwijzers der jeugd, maar ook bij alle ambtenaren de bestuurders van gemeenten en pro vincien, bij alien, in een woorddie zich aan de kennis der natuurwetenschappen en van de volksvlijt laten gelegen liggen. De kaart is te verkrijgen voor10,50; een geringe prijs voorzekerwanneer men de voortreffelijke uitvoe ring, in kleurendruk, in aanmerking neemt, en weet dat de meeste bladen acht malen onder de pers hebben moeten komen zoodat er niet minder dan 150 steeDen noodig zijn geweest.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1860 | | pagina 3