18 - Haarlemmermeer. Haarlemmermeer-Polder. Landbouw. VERSLAG billet aan eenig ingeland tot verschooning wegens wanbetaling kunnen strekken. Art. 18. Binnen 14 dagen na den laatsten betaal- dag van het vorig artikel zendt het ambachtsbestuur aau dijkgraaf en hooglieemraden de bewijzen der over- eenkomstig de rekening gedane betalingen en uitkee- ringen. Art. 19. Mogt in eenig ambacht de laatste reke ning in atede van een omslag te vereischendoen zien, dat de kas een batig slot oplevert, wordt deze bate onder de ingelaudenelk naar de kadastrale grootte van zijn bezit, verdeeld, tenzij de bate min der dan 0.05 per bunder mogt bedragen. In dat geval wordt de bate gestort in de kas der gemeente waaronder het ambacht geheel of voor het grootste is gelegen. Indien de bate voortvloeit uit de afzon- derlijke rekening der laatste alinea van art. 16heeft de verdeeling plaats over de ingelanden op wie de af- zonderlijke onderhoudslast volgens art. 7 alin. 2 drukte. Art. 20. In geval van verdeeling van een batig slot in art. 19 vermeld, zal het ambachtsbestuur, na ken- nisgeving bij billet aan de ingelanden, en openbare aankondigingtelkens minstens 10 dagen vooruit, op drie verschillende dagen telkens gedurende 3 uren met tusschenstand minstens van 2 en meestens van 3 wekentot uitbetaling van elk aandeel, tegen kwij- ting van hem die op het kadaster als eigenaar staat vermeldvaceren. Die zich op geen dier dagen en uren tot ontvangst van zijn aandeel heeft aange- meld, kan daarop geen regt doen geldenzelfs niet door beroep op niet ontvangst van het billet in al. 1 van dit art. vermeld, en de niet uitbetaalde aandeelen worden gestort in de kas der gemeente, in art. 19 aangewezen. Art. 21. Door overgave aan dijkgraaf en hoogheem- raden van de bewijzen aller betalingen in de laatste rekening vermeld, en van de archiven van het am bacht, wordt het bestuur van het opgeheven ambacht gedechargeerd. Art. 22. Overal waar in deze verordening van Ge- deputeerde Staten wordt gesproken, worden bedoeld die van de provincie waarin het betrokken ambacht is gelegen en zoo dit in twee provincien ligtdie van beiden. Vervolg en slot in het volgend nommer Onder de voorwaardenwaarnaar concessie is ver- leend tot het maken van een kanaal ter verbinding van de Noord- en Zuiderzee en daarmede in verband staande werken, benevens indijking en droogmaking van gronden in het Oostelijk en Westelijk Y, bene vens in het Wijkermeer, zijn in de artt. 68 12 13 en 39 de volgende bepalingen opgenomen Art. 6. De concessionaris is verpligt te zorgen voor het behoud van het vaarwater voor Amsterdam en zulks op de diepte, die voor den aanvang der werkzaamheden ten behoeve van de indijking en droog making, door wederzijdsche deskundigen zal worden geconstateerd. De daartoe noodige stroomleidende werken moeten in het planbij art. 2 bedoeld worden opgenomen en door en ten koste van den concessionaris worden uitgevoerd. Art. 8. De concessionaris neemt op zich de ver- pligtingenwelke ten gevolge van het verleenen der tegenwoordige concessie voor den Staat zouden kunnen voortvloeijen uit art. 1 6 der onder dagteekening van 19 Julij en 3 Augustus 1847 tusschen de Kege- ring en het hoogheemraadsehap van Rijnland gesloten overeenkomst, luidende als volgt: Indien het Y voor de sluizen als onmiddellijk ge- volg der droogmaking" (van het Haarlemmermeer) of ten gevolge van indijkingen door het Rijk toegestaan, mogt verlanden, zoodat de uitioatering er door lijdt, worden tot wegneming daarvan de noodig geachte mid- delen, in overleg met het collegie van Rijnland, aan- gewend en bekostigd door het Rijktwintig jaren lang na de droogmaking. Tegen het einde dier twintig jaren wordt voor een volgend tijdvak nader in billijkheid tusschen het Rijk en Rijnland overeengekomen." Art. 12. De concessionaris is verpligt, om met de besturen der waterschappen en gemeenten, welker belangen bij de onderneming betrokken zijn, deswege overeenkomsten aan te gaan. Indien, door verschil van gevoelen, het aangaan der overeenkomsten mislukt, beslist de minister van binnenlandsche zaken of de minister van finaneien, behoudens de gevallenwaarin de beslissing krachtens de wet op eenige andere wijze behoort te geschieden. Art. 13. Voor zoo ver partikulieren in hunne mid- delen van gemeenschap of van waterloozing of wel in soortgelijke andere belangen door of ten gevolge der onderneming mogten worden benadeeld, zal de con cessionaris daarin moeten voorziendoor het maken van de noodige werken of door het verleenen van schadeloosstellingten genoegen van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Bij verschil van gevoelen beslist de minister van binnenlandsche zakenbehoudens de gevallenwaarin die beslissing, krachtens de wet, op eenige andere wijs behoort te geschieden. Bij de doorsnijding van den straatweg tusschen Haarlem en Alkmaar moet de concessionaris eene be- hoorlijke brug makenbedienen en onderhouden alles ten genoegen van den minister van binnenlandsche zaken. Art. 39. Met de werken mag geen aanvang wor den gemaakt alvorens het planin art. 2 bedoeldis goedgekeurd en de eerste termijn van het waarborg- kapitaal gestort. Bovendien mag met die werken welketer beslis sing van den minister van binnenlandsche zaken, af- hankelijk zijn van de overeenkomsten, in art. 12 be doeld, niet worden aangevangen, zoolang die over eenkomsten niet zijn getroffen of daaromtrent, op de wijze bij dat artikel aangegeven, niet is beslist. Bij besluit van Gedeputeerde Staten van 31 De cember 1861, n°. 2, goedgekeurd bij Z. M. besluit van 8 Januarij 1862, n°. 75, en afgekondigd den 15 Januarij j.l. (Provinciaalbladn°. 10), zijn de jaarwedden van den burgemeesterde wethouders en den secretaris der gemeente Haarlemmermeer vastge- steld als volgt voor den burgemeester op1500. elk der wethouders op 100. den secretaris op1000. Bij den Burgerlijken Stand zijn aangegeven: van 14 tot en met 28 Januarij 1862. GEBORENDirk Chriatiaan Willemzoon van W. D. Meijer en A. van Beijnum. Neesje, dochter van J. Verbij en J. van der Werf. Maria, dochter van J. P. Datema en M. van Doorn. Cornelia Hendrikua, zoon van J. van Hoof en J. M. van Mol. Dirk, zoon van L. Houtkoper en E. de Jong. Pieter Sybrand, zoon van M. v. d. Kloot en M. Koning. Teuntje, dochter van B. Griekapoor en L. de Groot. Jacoba, dochter van J. van Zanten en J. Kaatelijn. Pieter Anthonie en Anthonie Pieter, zoons van Jacoba Boekhout. Anna, dochter van A. J. van Vliet en T. van Napsou. Klaasje, dochter van S. van Doorn en L. v. d. Hoeve. Anna Mar- garethadochter van A. van Noort en P. Rijlaarsdam. Teuntje, dochter van B. Buurman en L. v. d. Stam. Juriaanzoon van J. Sluia en G. Korver. Willem, zoon van JI. Siebeling en M. Vonk. -Maria, dochter van H. Munsterman en M. Va- lentijn. Neeltje, dochter van D. Ruiter en N. Tulp. OVERLEDENMargje, oud 17 dagen, dochter van C. Ol denburg en W. Meulekes. Kommertje, oud 4J maand, doch ter van A. Visbeen en H. de Groeu. Steven, oud 1 jaar, zoon van W. Koenen en G. Elings. Cornelia, oud 1^ jaar, zoon van A. van Oosten en H. Roelofs. Arie van de Rhee, oud 60 jaren, gehuwd met H. van Gils. Arend, oud 1 jaar, zoon van A. Slinger en W. de Bloem. Cornells, oud 4 maan den, zoon van W. Bnrggraaf en A. Blom. Dirkje van Rijs- wijk, oud 72 jaren, ongehuwd. Willem, ond 5 maanden zoon van P. B. Zwetsloot en A. Verhaar. Johannes van Gervcn, oud 62 jaren, weduvvnaar van Geertje, oud 14 jaren, dochter van J. van Aalst en B. Domburg. Jan- netje, oud 6 maanden, dochter van A. Bruin en II. de Swart. Aart Ardonoud 61 jaren, weduwnaar van M. Derrendorp. Peter, oud 6 jaren, zoon van H. Koekkoek en T. Breedijk. Dingena van Hekelen, oud 49 jaren, gehuwd met A. van Ine- veld. - Jacobus Stefanus, oud 6£ maand, zoon van W. de Poorter en J. v. d. Schans. Gerrit Krak, oud 50 jaren, ge huwd met Lina Teuuisse. Aagje, oud 6 maanden, dochter van J. van Egmond en J. M. Schoneveld. Klaas, oud 5 ja ren, zoon van J. Kikkert en T. Koorn. Gijsje, oud 8 jaren, dochter van J. Hogenberk en A. Vos. Cornelia, ond 9 ja ren, dochter van T. van Buuren en C. Sprank. ONDERTROUWD: Geene. GEHUWD: Geene, Men leest in dc StoompostIn het laatst des vori- gen jaars werd aan onderscheidene personenwelke tot droogmaking van de Haarlemmermeer op de eene of andere wijze in betrekking hebben gestaanter gedachtenis aan dat merkwaardig en ook bnitenslands met regt op boogen prijs gestelde werk, van rege- ringswege eene zilveren medaille uitgereikt. Aan enkele anderen, die in mindere mate daartoe hadden mede- gewerkt, werd een exemplaar in brons aangeboden. De ingenieur, met de uitvoering van de werken belast, was de tegenwoordige hoofd-ingenieur J. A. Beijerinck, die gedurende een tijdvak van veertien jaren zijne beste krachten daaraan wijdde en de grootsche onderneming met het gelukkigste gevolg tot stand hielp brengen. Bevreemding mogt het daarom wekkendat aan dien verdienstelijken ingenieur bij gelegenheid van de bedoelde uitreiking eene bronzen medaille werd toe- gezonden. Alligt zou men geneigd zijn aan eene ver- gissing ten deze te gelooven, maar wij zijn in het zekere onderrigt, dat de regering zoo onvoldoende omtrent dit punt is voorgelicht gewordendat het werkelijk in de bedoeling heeft gelegen geen zilveren maar een bronzen exemplaar aan den heer Beije rinck aan te bieden. Geen wonderdat deze dit geschenk met billijke verontwaardiging van de hand wees. Waar echter officieel op zoodanige wijze ware ver- dienste werd miskendtrad de vriendschap in de plaats en maakte langs anderen weg de aangedane verongelijking goed. Eenige ware vrienden en ver- eerders van onzen kundigen stadgenoot vereenigden zich en deden op hunne kosten een zilveren exem plaar van de Haarlemmermeer-medaille aan 's rijks munt vervaardigenhetwelk hem dezer dagen met een vleijend, maar niet te vleijend schrijven werd toegezonden. VAN DEN Gezondheidstoestand van het Vee alhier en in den omtrek, gedurende het vierde kwartaal des jaars 1861. Dat October ook Wijnmaand heetis algemeen be- kend; minder, dat ze oudtijds ook Aarzelmaand ge- noemd werd. Waar deze zonderlinge benaming van afgeleid is, beken ik niet te weten; tenzij ze haar daaraan te danken hebbe, omdat ze, met haar dik- werf wel schoon maar toch reeds afwisselend weder geplaatst tusschen de gure Herfst- en de onstuimige Slagtmaandals 't ware aarzeltom ons naar den zomer of den winter heen te voeren. Is dit vermoe- den gegronddan zou zij dien naam in het afgeloo- pen jaar meer dan ooit verdiend hebben. Niet vele menschen toch zal het heugen, ooit een Octobermaand beleefd te hebben, zoo warm, zoo schoon en toch zoo afwisselend, als die van 1861. Toen zullen er dan ook wel weinig zieken onder het vee geweest zijn denkt welligt de eendat was dan met regt wel een late komkommertijd voor de veeartsenzegt misschien een ander; doch zij, die zoo denken en zoo spreken, hebben ditmaal buiten den waard gere- kend want er waren in die maand integendeel veel zieken. Maar dan blijkt het weder ook volstrekt geen invloed op de ziekten uit te oefenen roept men nu weder driest uit; immers, vroeger hebt ge wel eens gezegddat het ongunstige weder oorzaak was van het ontstaan van deze of gene ziekteen thans nu het weder bij uitstek gunstig was, vertelt ge ons dat er ongewoon veel zieken waren hoe moeten we dit nu rijmen Ik herhaal dat er in October j.l. veel zieken waren en voeg er nu nog bij, dat zulks juist een gevolg was van het toenmalige schoone weder. Zie hier mijne bewijsgronden voor deze stelling We liggen met ons kleinmaar vruchtbaar landje in de gematigde luchtstreekaan dat klimaat zijn wij en ook de dierenvan jongs af gewoonen ge weet het, de gewoonte is eene tweede natuur"; en van- daar dan ook dat iedere belangrijke en vooral plot- selinge afwijking van die weersgesteldheidbij beiden ziekten veroorzaaktde voorbeelden hiervan liggen ons nog versch in het geheugen, men denke maar eens terug aan de jaren 1858 en 1859, toen wij zulke, voor ons land ongewoon heete zomers hadden, wat waren er toen niet veel ziekenzoowel onder de menschen als onder bet vee. Doch men versta mij welik wil hiermede niet beweren dat iedere felle hitte of strenge koude, altijd en onvoorwaardelijk door ziekten zou moeten achtervolgd worden, want, ik heb het reeds meer gezegd, tot het ontstaan eener ziekte, moeten meerdere oorzaken zamenwerken; trou- wens ware dit het geval nietdan zouden en de heete en de koude luchtstreken beidenongezond jaon- bewoonbaar moeten zijnen toch zijn ze dit in ze- keren zin slechts voor degenendie er niet aan ge wend zijnwant ook daiir geldt de regelde ge woonte is eene tweede natuur." Om nu tot onze Octobermaand terug te keeren. Hare acht eerste da gen waren warmongewoon warm zelfs voor den tijd van het jaarziedaar een eerste bewijsde onge- woonheid namelijk. Na een hevig onweder, gevallen in den nacht van den 8sten op den 9den, waren ze tot den 26sten afwisselend warm en koel, met nevel en regen; en verder tot aan het einde der maand toe koud en winderig, met nachtvorst. Die plotselinge afwisseling nu, is mijn tweede bewijs, terwijl ik het derde put uit den aard van dc geheerscht hebbendc

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1862 | | pagina 2