- 234 aangeboden, schijnt ons toe dat de regel „van de in- gelanden geene hoogere lasten te heffendan de be- boefte der dienst vordert" geheel is uit het oog verloren. Verre is het van onsom te wensehen dat de uit- voering der voorgestelde gewone of buitengewone wer ken tot eenen kleineren omvang worde terug gebragt. Alle ingelanden wensehen zeker met onsdat het overgangstijdperkdat der aanzienlijke buitengewone werken hoe eerder hoe beter eindigeen het jaar 1864 zal, hopen wij,dat tijdperk voor goed afsluiten. Maar eene begrooting moet vooral waarheid zijn. Bij onze beschouwingen over die voor 1862, zeiden wij, en wij herhalen het thans ook voor deze „kun- nen wij met de door het bestuur voorgestelde uit- gaven volkomen vrede hebbentoch valt het niet te ontkennen dat de begrooting der inkomsten den finantielen toestand des poldersook naar ons oor- deelietwat te ongunstig voorstelt." Twijfel immers kan er niet bestaan of bij het doen der rekening zal het batig saldo vrij wat grooter blijken te zijn dan het thans is geraamd tenzij ook nog andere belangrijke uitgavendan de voorgestelde uit de inkomsten worden bestreden." De uitgaaf voor steenkolen en smeermiddelen on- der auderen zal blijken enkele duizend guldens te hoog te zijn geraamdDe opbrengst wegens te verkoopen onroerende goederen zou hooger kunnen worden geraamd, ten einde de ingelanden, die reeds zulke aanzienlijke offers voor buitengewone werken gebragt hebbeneenigermate te ontlasten. Wij stellen dit te eerder vooromdat wij over- tuigd zijndat de polder des te eerder in voldoen- den staat zal zijn gebragt, naarmate het bestuur op den krachtigen morelen steun der ingelanden te sekerder blijvend kan rekenen. De gewone polderlasten zijn naar ons inzien te hoog berekend. Zij kunnen veilig lager wor- den gesteld. Er worden alsdan uit de gewone en buitengewone lasten toch nog aanzienlijke sommen voor blijvende verbeteringen ruirn genoeg bestreden, en het Bestuur zou hiermede een blijk geven van ook de bezwaren der ingelanden behoorlijk te waarderende uitvoe- ,,ring van nuttige en noodzakelijke werken zal er niet door worden vertraagdmaar integendeel in niet „geringe mate door worden bevorderd. Frees, dat de polderkas in 1862 niet ruim genoeg ,,van geld zal zijn voorzien, behoeft hierbij niet te bestaan want ook de dienst van 1861 zal een niet onaanzienlijk batig saldo opleverenwaarover des „noods gedeeltelijk ook voor de begrinding der leng- „tewegen, indien reeds in 1862 onder genot van „Rijks- en Trovinciaal subsidie hiertoe kan worden overgegaanzou kunnen worden beschikt, zoodat ook hiervoor, althans aanvankelijk geen geld zou behoeven te worden geleend. Maar ook indien men over dit saldo niet wenscht te beschikkenachten wij het voor polder en ingelanden beide beternog enkele duizend guldens tijdelijk op te nemen, dan nog langer zulk een aanzienlijk bedrag voor werken van blijvend nut bijna uitsluitend uit de polderlas- ten te voldoen," D(f polderlasten zijn echter ook voor 1863 wederom op het dnorme cijfer van 10 per bunder gehouden. Reeds bij de begrooting van 1859 heeft het een punt van overweging uitgemaakt om de polderlasten te ver- minderen en tot een normaal cijfer terug te brengen. Het werd toen reeds door de heeren Previnaire, van Voorst en d e C1 e r c q voorgesteld. Men kwam tot dit denkbeeld door het vooruitzigt, dat de polderlas ten na verloop van een jaar of wat missckien tot op de helft zouden kunnen worden verminderd, dat de tegenwoordige eigenaars in den polder zich buiten de groote kosten van exploitatie, drukkende lasten moesten getroostenen dat menhoewel wars van het be- ginsel om schulden te maken, in redelijkheid toch wel iels voor de nakomelingschap te doen mogt overlaten." A1 de bezwaren hiertegen toen ingebragt, zijn thans geheel vervallen. Er kan zelfs geen sprake meer zijn van iels aan de nakomelingschap over te laten. De laatste twee jaren hebben het vermoeden bevestigd dat ten gevolge van het voortgezet heffen van zoo hooge polderlastende gewone lasten voor de toekomst onder het cijfer van 7 per bunder zouden dalen hiertoe door de Meer-commissie vastgesteld. Immers de berekening, welke kieromlrent in de beide laatst- voorgestelde begrootingen gemaakt is, blijkt bij de bekende uitkomst van het dienstjaar 1861 en bij eene malige berekening over hetgeen omtrent het ten einde spoedend dienstjaar 1862 bekend is, volkomen onjuist. Wij zullen dit ten slotte aantoonen. Maar vooraf de juistheid van ons beweren, toen wij het vorige jaar op eene seer matige vermindering der lasten aan- drongenin het licit stellen. Wij beweerden 1°. dat er geene vrees behoefde te bestaan, dat de polderkas in 1862 niet ruim genoeg van geld zou zijn voorzien, en het is bekend dat er reeds spoedig eene brandkast is moeten worden aangekocht, om eene hoogst aanzienlijke som gelds, ruim »/t der geheele polderschuldbijna gedurende het geheele jaar renteloos te bewaren. Wij beweerden 2°. dat de uitgaaf voor steenkolen en smeermiddelen onder anderen zou blijken te hoog te zijn geraamd. Er werden in de raming opgenomen de aankoop van 5 5000 mudden steenkolen a 75 cents 't mud, 41250.en voor smeermiddelen 3045. Tot 1 November van dit jaar werden echter slechts geleverd twee ladingen Engelsche kolen, te zamen 2138 mudden, aan den leeghwateren 10189 mudden Ruhrkolen, waarvan 4861 aan den Leeghwater, 753 aan den Cruquius4575 aan den Lijnden, in het geheel dus slechts 12327 mudden steenkolen. A1 de bestelde kolen waren echter volgens de Me- morie van Toelichting op 25 October nog niet ont- vangen; er zouden anders op dit tijdstip 46251 mud den in voorraad zijn geweest. Op 1 November wa ren echter aanwezig 35086 mudden. Rekenen wij nu hierbij dat de stoomtuigen tusschen 25 October en 1 November 138 uren hebben gewerkt, en stellen wij het verbruik op 11 mudden per uurdan zijn er in die week 1518 mudden verstookt, en waren er derhalve op 25 October 36604 mudden aanwezig. Nog ongeveer 10000 mudden Euhrkolen waren der halve besteld. Als die alien aankomendan zullen dus slechts 22000 mudden geleverd zijn in plaats van 55000 mudden, waartoe het geld door de ingelanden is op- gebragt. De prijs der Engelsche kolen is, zoo als bekend is, rt/ 1.per mud geweest, die der Euhrkolen 56 cents 't mud. Op de begrooting van 1862 blijft dus beschikbaar voor niet aangekochte 33000 mudden steenkolen a 75 cts. 24750.en bovcndien hetgeen de Euhr kolen minder gekost hebben dan 75 cents 't mud, na aftrek van 500.die de Engelsche kolen bo- ven de raming hebben gekost, welke som echter door de niet teruggegeven boete aan de heeren Hage- doom en Zn. wordt gedekt. Ook op de post smeermiddelen blijft eene niet on- aanzienlijke bate over. Tot 1 November waren im mers nog slechts geleverd 1200 pond, talk, 225 kann. gallipoli- en 440 kann. patent-olie, en de voorraad bedroeg op dit tijdstip nog 606 pond, talk, 200/2 kann. gallipoli- en 276 kann. patent-olie. Van eene som van/44295.voor steenkolen en smeermiddelen op de begrooting van 1862 nitgetrok- ken, zal dus zeker wel 27000 onuitgegeven blijven. Wij verblijden ons in die uitkomstmaar vragen toch is het billijk die som onaangeroerd te laten en weder nieuw geld van de ingelanden te vragen om 50000 mudden steenkolen in 1863 aan te koopen. Wij hebben niets tegen dien aankoopmaar achten het toch niet meer dan billijk, dat de in 1862 voor dit onderdeel niet uit te geven gelden, in de eerste plaats hiertoe strekken. Wij beweerden onder anderendat de uitgaaf voor steenkolen en smeermiddelen te hoog was geraamd en zeker niet ten onregte. Wij behoeven hiertoe slechts de aandacht te vestigen op de buitengewone uitgaven, op de begrooting van 1862 tot het hoogst aanzienlijk bedrag van 123328.uitgetrokken. Van eenige dier werkenreeds in een vorig jaar aan- gevangen konden de kosten met juistheid uitgetrok ken wordende overige werden bij raming vastgesteld. De verdiepingswerkenbegroot op 30416. zijn, zelfs nog met 1000 ellen vermeerderd, aanbesteed voor 22280.De werken aan den Lijnden, be groot op 57000.zijn gegund voor/45027. Het hardmaken van 1800 ellen IJweg, begroot op f 4140,is aanbesteed voor/3899.drie aan- legplaatsen op /3000.geraamd, zijn aangenomen voor/ 2689.De twee stuwdammen aan den Lijn den en de Leeghwater op 7200.begroot, zijn echter voor 8720.gegund. Op den post voor buitengewone werken blijft der halve uit dien hoofde onuitgegeven 19168.De kosten der begrinding van 20000 ellen lengteweg in het najaar had dus ruimschoots uit dit artikel der begrooting kunnen zijn gevonden. Men heeft hiertoe, echter 18000.van het batig saldo over 1861 bestemd. Maar als nu voor 1863 wederom een be drag van/ 69759.voor buitengewone werken wordt bestemdis het dan in het belang der ingelanden niet billijkalvorens nieuw geld te vragen het in 1862 niet uitgegeven bedrag in de eerste plaats daar- toe te bestemmen Als men over het batig slot van 1861 in dit jaar niet reeds grootendeels beschikt hadzouden wij de vraag niet stellen. Zij zou dan overbodig zijn. Maar nu schijnt het ons eene inconsequentie toeanders te handelen. Wij beweerden 3°. dat de batige sloten over 1861 en 1862 vrij mat grooter zouden zijn, dan waarop die geraamd werden. Van 1861 is dit met juistheid be kend; de rekening sloot met een saldo van/20,496.36^, ondanks dat uit de begrooting van 1861 ten behoeve van de dienst van een vorig jaar/ 11,879.65 voldaan was. Voor 1862 zal dit veel aanzienlijker zijn. Wij zagen reeds dat op den post steenkolen zeker27,000 niet zal worden uitgegeven; dat de buitengewone werken ruim 19,000 lager zijn aanbesteed; de onvoorziene uitgaven tot een bedrag van/6413 uit getrokken, zullen grootendeels ongebruikt blijven; rekent men hierbij dat het gewoon onderhoud der werktuigen zeker ook niet onbelangrijk onder de raming zal zijn gebleven, de besparingen op andere kleinere artikelenhet hoogere bedrag der onvoor ziene ontvangsten en dat voor verkoop van onroerend maar vooral van roerend goed, op de begrooting slechts tot een bedrag van/ 500 uitgetrokken, en waarvan de opbrengst de raming zeker vele malen overtreft, dan zeker is nu reeds veilig te berekenen, dat het batig saldo van 1862 55 a/ 60,000 zal bedragen. Wij stellen het minste en dus slechts 55,000. Maar hieruit volgt dan ook onwedersprekelijkdat de jaarlijksche splitsing in gewonen en buitengewo- nen omslag zeer onjuist is. In n°. 51 van het Week- blad 1861 hebben wij dit reeds aangetoond. Uit onze berekening volgde, dat de gewone lasten, over al die jaren dooreen 6 hadden bedragen en de bui tengewone 4 per bunder. Voor de beide laatste jaren wordt die tegenspraak met de begrootingen nog erger. Voor 1861 is de buitengewone omslag op 1.07, voor 1862 op 1.48J/2 per bunder vastge steld en wanneer wij nu berekenen, welke baten die diensten opgeleverd hebben en welke buitengewone uitgaven daarop voorkomen, dan blijkt dat de inge landen in die beide jaren te zamen ruim 9.per bunder liebben opgebragtdie niet voor het gewone onderhoud hebben gestrekt. De gewone kosten van een uitgebreid beheerenook afgescheiden van de buitengewone werkentoch kostbaar onderhoudzijn in de beide laatste jaren derhalve met 6 of liever met nog minder bestreden. Mogt men aan de juistheid onzer berekening twij- felen wij geven ze gaarne in haar geheel. Uit de begrooting van 1861 is ten behoeve van 1860 aan steenkolen betaald11,879.65 De buitengewone werken bedroegen volgens de rekening65,414 014 Het batig slot20,496.364 Te zamen. 97,790.03 Hiervan moeten worden afgetrokken de sub- sidien23,000. Het batig slot der rekening 1859 717.63 23,717.63 Blijft 74,072.40 Uit de begrooting van 1862 is of zal wor den voldaan voor buitengewone werken begroot op123,328 Af lager aanbesteed 19,168. 104,160. Begrinding van wegen in het najaar 19,000. Het batig slot door ons begroot op 55,000.— Te zamen. 178,160. Hiervan moeten worden afgetrokken de sub- sidien24,000. Voorloopige beschikking op het batig saldo 186118,000. Het batig saldo der rekening 186055,214.03 97,214.03 Blijft 80,946 03 Tellen wij die sommen der beide laatste jaren bijeen, darl verkrijgen wij 155,018.43 of over 17,000 bunders ruim/9 per bunder. De opbrengst wegens den verkoop van onroerend goed is bij onze rekening niet afgetrokken, omdat die gestrekt heeft tot rentebetaling en aflossing der polderschuld, die voor de uitvoering van uitsluitend buitengewone werken is opgenomen; de enkele dui zend guldens, die daarop overblijvenzullen zeker de kosten der verbetering van het jaagpad slechts voor een klein deel bestrijden. Hoe ontstaat nu dit belangrijke verschil met/ 1.07 en 1.48 /2 bij de begrooting opgegeven Eens-

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1862 | | pagina 2