255 - deels omdat men de opbrengst van verkoeht onroe- rend goed van de buitengewone uitgaven aftrekt zonder de aflossing en rentebetaling der schuld onder die uitgaven te brengen en 2°. omdat men Let ba- tig saldo der vorige rekening van de buitengewone uitgaven aftrekt, en het batig slot van Let dieustjaar zelf buiten rekening laat. Dat zulk eene rekening als de dienst batige sloten oplevert als die van 1860 en 1861, geheel onjuist is, spreekt van zelf. Voor de ingelanden mag het niet onverschillig wor- den geacht te wetenwelke de polderlasten der toe- komst zullen zijn. Want hoewel de begrooting voor 1863 wederom van de onderstelling uitgaat, dat/10 per bunder van de ingelanden mag en kan worden geeischt, waaronder slechts 2.28'/2 voor buitenge wone lasten; ook op deze begrooting is van toe- passing, wat door ons van de vorigen is gezegd. Bij de berekening van den buitengewonen omslag is ten onregte de rentebetaling en aflossing der schuld niet opgenomen, en het is niet te ontkennendat onder de gewone uitgaven wederom veel buitengewoons is opgenomen en dat het batig slot niet onbelangrijk zal zijn, indien wij geen zeer bijzonder nat jaar hebben. De uitgaven zijn over het algemeen hoogde in- komsten (behalve de omslagen) bijzonder laag geraamd. Onder de uitgaven vinden wijwat het Uuishoudelijk bestuur betreft, wederom 800 voor reiskosten van den hoofdopzigter uitgetrokken; onder de kosten van onderhoud der poldereigendommen zijn wederom vrij wat buitengewone uitgaven opgenomenbehalve die welke in de bestekken reeds zijn vermeld, ontmoeten wij in de eerste plaats 60 ijzeren mijlpalen langs denringdijk, 2 rolpaleu,/ 2000 voor de polderkaden, en hoogst aanzienlijke sommen voor het onderhoud der begrinde wegen, waarvan de memorie van toelichting zelve erkent, dat zij iz«7fi«gewoon zijn; voorts eene nieuwe boot aan den Cruquiusook het krooswerk wordt hooger geraamd; wanneer er bij een voorraad van 30,000 mudden steenkolen, 50,000 mudden worden aangekocht is zeker in ruime mate in de behoefte der dienst voorzien; wij aehten met alle ingelanden wenschelijk steeds een ruim crediet voor steenkolen toe te staanmaar de ondervinding van dit jaar en van den vorigen winter leert overtuigend, dat nu de harten en zuigers worden in orde gehou- dende werktuigen in minder tijd en derhalve met minder brandstoft'en en smeermiddelenden polder drooghouden; met dezel/de kosten zal, bij blijvende goede zorg voor de bemalingsmiddelenhet water in den polder des winters nog wel eene palm lager te houden zijn. Maar bij het toestaan van een ruim crediet, is de kans, dat het niet zal behoeven te worden uitgeput, groot; daarvan lcunnenzooals de ondervinding leert, hoogst aanzienlijke sommen onuit- gegeven blijven. De afkoopsommen aan oude polders zijn zeker geene gewone uitgaven; de aanlegplaatsen zijn in dit jaar voor lagere sommen aanbesteed; onder den post begrinding van lengtewegen komt reeds/1000.voor buitengewoon opzigt voor, die echter, indien nog in dit jaar tot verdere begrinding van lengtewegen kan worden overgegaan, ook onder de onvoorziene ont vangsten behoorde te zijn opgenomen, omdat de aan- nemer die terugbetaalt; indien echter de beslissing omtrent de te verleenen subsidien zal worden afgewacht dan zeker zal het beter zijn, die zaak eerst in 1864 krachtig voort te zetten, en in 1865 geheel af te doende proefneming in dit najaar is zeker voor het vervolg niet aan te bevelenmaar dan vervalt de post van/ 1000 geheel. Het is zeer denkbaar dat de verdiepingswerken voor lagere sommen zullen wor den aanbesteedde ondervinding van het vorige jaar geeft ons regt dit te onderstellenvoor herstelling van de rolbrug te Lisse komt 7000 op de be grooting voor, en voor onvoorziene uitgaven eveneens 7000. 7000.voor onvoorziene uitgaven, terwijl alles in ruime mate is voorzien en de inkomsten (behalve den omslag) bijzonder laag geraamd zijn. Uit Hoofdstuk Iontvangsten wegens vroegere diensten immers blijktdat het batig saldo en de res- tanten geraamd zijn op 2696.36,/2; eene luttele som voorwaar, maar voor 1862 is reeds over/ 18000 van 1861 beschikt, en ten behoeve van 1860 was daarenboven reeds 11879.65 afgestaan. Waarom men voor 1863 niet eveneens over van het batig saldo van de dienst 1862 beschikt, over 50000.— b. v.blijkt uit de Memorie van Toelichting niet. Bij Hoofstuk IIIinkomsten uit bezittingen en reg- ten voortvloeijende, is 300.uitgetrokken, voor kortingen op vervroegde betalingen aan aannemersvoor renten van belegde gelden echter niets. Derhalve zal eene zeer aanzienlijke kas ook dit jaar weder renteloos lig- gen? Voor huur en pacht van landerijen is slechts 10000.uitgetrokken; dat is nog niet de helft van hetgeen de dijken bij de verpachting in 1857 opbrag- ten 1De polderkaden schijnt men thans werkelijk te willen verkoopenook de veldwegenwij verheugen er ons over en hopen dat dit thans niet wederom bij 't voornemen zal blijven maar de daad zich aan het woord zal paren. De eerste bragten bij de laatste verpachtingen slechts/ 1943.op en voor onderhoud, buiten lasten, opzigt enz. wordt op de begrooting 2000.uitgetrokken. De veldwegen brengen niets op; voor hun onderhoud wordt door den polder niets gedaanop zeer vele plaatsen ontsieren zij den polder, wegens den haveloozen toestandwaarin zij verkeeren. Op de begrooting komt echter voor opbrengst van dien verkoop geene som voor. Men zal die derhalve naar wij vermoeden tot schulddelging aanwenden en dit is waarlijk hoogst wenschelijk. 4 pet. te betalen voor opgenomen gelden en dan eigendommen te be- houden, die onder het bestuur der polders geene rente hoegenaamd afwerpen maar nog geld bovendien kosten zou ware finantiele dwaasheid zijn. Met een deel der dijksgronden kon echter eveneens worden gehandeld. Volgens de memorie van toelich ting zullen de grondenwaarin veen aanwezig is voor 3 jaren, de overige voor 10 jaren verpacht worden. Na afloop van den pachttijd zulleu die gronden meerdere waarde verkrijgen en in verkoop meer opbrengen dan nu. Tevens zal men alsdan kunnen bepalen, hoe breed de dijken en bermen voor de algemeene dienst beschikbaar moeten blijven." Waarom? Is dat nu niet te bepalen. Indien de breedte der dijken en bermen op 50 el uit het ringvaartsboord bepaald wordt (met 40 el zou men zeker wel kunnen volstaan)dan zullen 50 maal 60,000 ellen of 300 bunders dijksgronden in het bezit van den polder blijven, die tegen 30 per bunder verhuurd (wij noemen slechts een klein bedrag) 9000.opbrengen en de pachters kunnen bovendien de dijkskruin verbe- teren. Zij hebben in dit opzigt in den heer A m e r s- foordt een uitnemend voorbeeld. Alle overige gron den kunnen echter worden verkoeht, en de polderschuld hiermede afgelost. Zullen die gronden aan den polder i/2 pet. rente afwerpen? De begrooting spreekt dit tegen. Maar er is meer! Op alien, die in 1856 voor de overneming des polders gestemd hebben op de gesteldo voorwaardenrust eene ernstige verplig- ting. De heeren de Clercq en van Tienhoven waren in de vergadering van 14 Mei 1856 afwezig; maar de heeren Hoeufft van Velsen, van der Breggen, Lanser, Gevers van Endegeest, van Yoorst, van de Poll, J. P. A. van Wic- kevoort Crommelin,.Barnaart, de Moraaz I mans, de Geus en Iloek hebben toen voor de overneming gestemd. Wij willen nu niet eens opmerkendat na zulk eene gewigtige beslissing de minderheid zich aan de meerderheid moet onderwerpen. Maar zij, die zonder voorkennis der Ingelanden den polder op de gestelde voorwaarden hebben overgenomen, hebben die overtollige cfi/'fegronden als aequivalent aangenomen, voor hetgeen aan den behoorlijken staat der overige poldereigendommen mogt geacht kunnen worden te ontbreken. (Vergelijk den brief des heeren Gevers van En degeest, van 27 April 1856, Weekblad 1860, N°. 27, bl. 117.) Kunnen zij het met een goed geweten overeenbrengenmoreel verde- digen, die bezitting te behouden, die met het oog op de polderkaden, en op de begrooting niets afwerpen? Moeten de ingelandendie reeds zoo aanzienlijke offers in geld en arbeid hebben gebragt, nu maar weder 10 jaren voor rente en aflossing zorgenomdat men vermoedt, dat die gronden over 10 jaren iets meer zullen kunnen gelden? Zullen zij misschien bovendien nog aanzienlijke sommen gelds moeten opbrengen om de dijkskruin te verbeteren de bermslooten op te maken? Mat zal men over 10 jaren met de opbrengst van die overtollige dijksgronden doen? Inderdaad men vergt op die wijze van de ingelanden te veel 1 Yroe- ger was dit te veel noodig; thans schijnt ons dit niet meer te verantwoorden mogelijk! Er is overigens genoeg toezigt noodig, dan dat het polderbestuur zich niet van alle overtollig beheer zou ontdoen en dan zeker in de eerste plaats van het beheer van onroerend goed, dat geene of eene niet noemenswaar- dige rente afwerpt. Wij mogen heeren hoofdingelanden het caveant toe- roepen. Is eenmaal de verpachting voor 10 jaren goedgekeurddan is de gelegenheidom het bezwa- rend en lastig beheer voor een polderbestuur over overtollige bezittingen op te heffen langen tijd opge- heven, en tevens ook de gelegenheid om die goederen te verkoopen. Dat men over 10 jaren eene hoogere koopsom zal verkrijgen is eigenlijk toch niets meer dan eene onderstellinghet tegendeel kan evenzeer worden ondersteld. Maar hoeveel maal moet die koopsom over 10 jaren hooger zijn dan thans, om er mede gelijk te staan? Wij laten de berekening gaarne aan de goede financiers over; maar men moet daarbij voor kapitaal berekenen de polderlasten, die de te verkoopen dijksgronden in 10 jaren kunnen afwerpen, en bovendien de renten van die polder lasten wanneer die grondenna aftrek van lasten onderhoud en toezigt in 10 jaren tijds slechts 1 pet. rente van de thans te verkrijgen koopsom afwerpen, dan moet die over 10 jaren bovendien 3/2 pet. jaarlijks rente op rente berekend hooger zijn, om er nog slechts mede gelijk te staan. Wij betwijfelen zeer of er voor het polderbestuur gelegenheid kan bestaan om eenige winst te maken. De rekening kan veiliger geacht worden een niet onaanzienlijk verlies op te zullen leveren. Maar genoeg om aan te toonen dat indien die over tollige gronden werden verkoeht, toch de nog overige dijksgronden wel de som zouden opbrengen, die er op de begrooting voor is uitgetrokken, en dan zou immers 4 /2 pet. worden bespaard van den door ver koop dier grondenen van de polderkaden en veld wegen, te verkrijgen aanzienlijke koopschat? Deze be- sparing zou zeker het batig saldo der rekening van 1863 verhoogen, maar bovendien volgende begrootingen met renten en aflossingen aanzienlijk ontlastenen de gelegenheid gegeven zijn, om op voor het bestuur zoowel als voor de ingelanden aangenamer wijze jaar lijks nog wat ter verfraaijing van den polder te doen en niet angstvallig te zijn, om ook voor den ouden dag der ambtenaren des polders te zorgendie gedu- rende hunnen diensttijdhunne krachten onverdeeld en ernstig aan de belangen der ingelanden, dat zijn die des poldershebben toegewijd. Keeren wij echter tot de begrooting terug. Wij hebben reeds opgemerkt dat er geene post op de be grooting voorkomt voor renten van belegde gelden ondanks dat het batig slot der dienst 1862 even groot, zoo niet grooter zal zijn dan dat van 1860. Toen echter wierp dat geld rente af; want het lag of in prolongatieof in onuitgegeven aandeelen der leening van 200,000 in kas, en het laatste was zeker het meest rentegevend of besparend. De inge landen hebben dus in den vorm van 10 polderlasten niet alleen de verdiepingen en het hardmaken der wegen in die beide jaren betaaldmaar bovendien de geheele verbetering van den Lijnden. Want het batig saldo over 1862, zal wel evenveel, zoo niet meer bedragen, dan dat van 1860. Als dit echter toen rente opbragt, dan zal het dit immers nu ook wel kunnen doen? Indien men de overtollige dijksgronden niet verkoopen wil, om er schuld mede af te lossenzullen zij toch vrij wat meer dan 10,000.pacht moeten opbrengen? De opstalreg- ten worden op 2500 begrootomdat zij in 1861 f 2400.hebben opgebragt, maar er zijn immers in de laatste 2 jaren vrij wat gronden in opstalregt uitgegevenen er zal dus ook vrij wat meer voor moeten worden ontvangenanders moest die uitgifte niet hebben plaats gehad. Waarom worden de boe- ten zoo veel lager geraamd dan de rekening van 1861 aantcont? Als men onderstelt, dat de ingelanden de keuren stipter zullen opvolgen, minder overtreden, dan zeker mag men zich hierover verheugen; de me morie van toelichting geeft hieromtrent echter geene opheldering. Yoor verkoop van onroerende goederen kon zeker iets meer zijn geraamd; het zijn veengron- den, die renteloos liggen, en uit hunne opbrengst mogten de verpligte aflossing en rentebetaling wel worden gevonden; de onvoorziene ontvangsten zullen zeker de geraamde som vele malen overtreffen. Er valt dus niet aan te twijfelen of, indien wij in 1863 geen jaar belevenwaarin eene aanzienlijke hoe- veelheid meer regen valt, dan in 1862, dat zeker niet onder de bij uitnemendheid drooge jaren is te rangschikkenop de rekening zal wederom een aan zienlijk batig slot overblijvenmaar dan zullen de gewone kosten van beheer en onderhoud, ook wel wederom met 5 f2 overvloedig^ zijn gedekt. Waarom zal men dan op nieuw10.per bunder van de ingelanden heffen? Immers, indien over het batig slot der loopende dienstslechts ten deele be schikt wordt voor de dienst van 1863, slechts voor het deel der besparing op steenkolenop buitenge wone werken en onvoorziene uitgaven, dat is te zamen 50000, dan behoeft er van de ingelanden slechts 7.per bunder te worden geeischt; alle voor 1863 voorgestelde zoowel gewone als buitengewone werken kunnen worden uitgevoerd, en de zekerheid bestaat, dat de begrooting nog voldoende ruimte zal overlaten, om of een belangrijk batig saldo over-, of de gelegen-

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1862 | | pagina 3