250 - Landbouw. EEN NIEUWE EAMP onder het WOLVEE. heid open le laten, om met hot begrindeu van enkele vakken weg ook nog in dit jaar voort te gaanin- dien de zekerheid zal zijn verkregen dat ook het Eijk biertoe subsidie zal verleenen. Is het echter wel wenschelijk tbans reeds tot het heffen van f 7.polderlasten over te gaan? Thans reeds Ons dunkt dat de boog reeds te lang over- spannen is. Wij vragen is op de door ons voorge- stelde wijze niet ruirn in de behoefte der dienst voor- zien Is het niet reeds wel, rvanneer wederom in een jaar 70000.voor buitengewone werken, bovendien f 23000.voor het onderhoud der grind- wegen worden beschikbaar gesteld en voor de geicone behoeften der dienst een ruim crediet wordt verleend Dragen de ingelanden ook met 7.polderlasten hiertoe niet onbekrompen bij Maar wij wenschen het batig saldo van 1862 in reserve te houdenom het tot het begrinden der overige lengte-wegen aan te wenden, indien de sub sidien zullen zijn toegestaanzeggen welligt enkelen. II ij antwoorden en spreken hiermede eene ernstige overtuiging uit, dat die handeling niet is goed te keu- rcn. De subsidien moeten worden afgewaoht, alvorens raeerdere gelden van wege den polder voor de be- grinding der overige wegen worden bestemd. Maar bovendien mag hiertoe het op de steenkolen en de verdiepingen in de ecrste plaats bespaarde geld niet strekken. Is de subsidiekwestie in den loop van dit jaar beslist, dan immers kan en mag er eerst sprake zijn van overleg, om het benoodigde geld voor de verdere uitvoering van het werk te vinden. Het bestuur vrage dan geld aan de ingelanden bepaal- delijk voor dat doel, indien de gelegenheid niet mogt bestaanom het op voor de ingelanden minder bezwarende wijze te vinden. Wordt echter de kans, om ook een Eijkssubsidie voor de lengte-wegen te verkrijgen op die wijze niet verminderd Het tegeudeel schijnt ons waarschijn- lijker. Men koestere omtrent die zaak geene over- drevene verwachtiDgenmaar make zich ook niet overdreven bezorgd! Het publiek belang van die ver- bctering is niet te ontkennen. Hij, die overl5uren gaans in het hart van Holland tolvrije wegen hard maakt, dient zeker op uitstekende wijze ook het algemeen belang. lloeveel hooger is dit te waarderen in menschen, die zich bovendien geheel voor hunne rekening met het onderhoud dier wegen willen be- lastenondanks dat zij dien last reeds voor bijna het dubbele aanlal uren gaans op zich hebben genomen en aan die verpligting onberispelijk en zeker zeer ruim voldoen. Bovendien onderhouden de ingelanden de Eingvaart van 12 uren gaans, de groote tolvrije bin- nenlandsehe communicatie te water in het midden van twee gewesten, en zijn alle toegangen tot den polder tolvrij, behalve twee door particulieren daargesteld; de ingelanden dragen echter uitsluitend de kosten van onderhoud. Dat ook deze niet gering zijn bewijst de begrooting. Men denke b. v. slechts aan de Lisser rolbrug. Waar zoo veelzoo onbekrompenin zoo korten tijd geschiedals door de ingelanden reeds is tot stand gebragtmag met vertrouwen medewer- king worden te gemoet gezien. Wel schijnen bij den eersten aanblik de sommen hoog, maar zij worden weder kleinindien men slechts op den omvang en de uitgestrektheid der polders let, indien men slechts niet uit het oog verliest, dat het eiland Walchercn, met zijne steden en dorpen in grootte met den polder overeenkomt. Het minder bemoedigend onthaaldat in dit jaar aan de bescheidene aanvrage van het bestuur bij de Staten van het gewest is te beurt gevallen, is immers voor- namelijk aan de mindere geschiktheid van het oogen- blik toe te schrijven. Wij twijfelen dan ook met of de verdere pogingen, welke het bestuur in het werk stelt, zullen met een bevredigenden uitslag worden bekroond. Mogt het echter nog bezwaren in dit opzigt te overwinnen hebben, het zal hiertoe des te krachtiger in staat zijnindien het in den toestand verkeert, dat het geld voor de verbetering der wegen nog van de ingelanden moet worden gevraagd. Indien echter voor 1863 de lasten op 7 worden vastgesteldzullen wij dan in volgende jaren niet wederom meer moeten opbrengen? Het tegendeel is waar. Wat reeds in 1859 is voorzienheeft de uit- komst tot heden reeds bevestigd. Ondanks de vele buitengewone uitgaven, die onder de gewone nog zijn opgenomenzijn thans reeds 5'/2 per bunder vol- doendeom de gewone kosten van beheer en onder houd ruimschoots te bestrijden. Bij eene belasting met 7 per bunder, zullen in de eerste jaren derhalve toch nog f 25 aySOOOO voor buitengewone uit°*aven beschikbaar zijn. En er kan na korte jaren dus"zeker op nieuw vermindering van polderlasten worden ver- wacht. Voor 1861 zal het geld voor de nog overige ver diepingen aanwezig zijn; ook wel voor de nog eene te maken aanlegplaats. Voor het hardmaken der overige lengtewegen zullen alsdan de subsidien kuunen strekken, met hetgeen na aflossing der polderschuld welligt nog van de opbrengst der voor de dienst onnoodige polder-eigendommen zal overblijven. En mogt er onverhoopt nog iets te kort komen er be- hoeft zeker geen geld voor te worden geleend; de ingelanden zullen die geringe som nog wel willen bijdragen. Voor het nageslacht blijft dan niets over, dan erkentelijkheid jegens hendie hun zijn voorge- gaan. Verderfelijk echter achten wij die groote sommen gelds in de polderkas. Niet alleen moet dit voor het bestuur niet wenschelijk worden geacht; i;i het veen ziet men op een turfje nietmaar het is ook voor de belangen der ingelanden niet geraden, met het oog op de wenschen en begeerten der polder-ambte- naren. De hoofdopzigter heeft met zijn voorstel eener nieutce ijzeren wagenbrugter vervanging van de Lisser rolbrug, de juistheid onzer meening bevestigd. Men bedriege zich niet. De polder-eigendommen kunnenzonder nieuwe offers van de ingelanden weldra geheel voltooid zijn. Er zullen daarna slechts voor het gewone onderhoud lasten behoeven te worden opgebragt. Hiertoe zalhopen wijhet bestuur met alle ingelanden gaarne eenstemmig zamenwerken! Gissen lean missen.) Mag een onzer huisdieren hulpbehoevend heeten, dan zal het wel het schaap zijn. Slechts van zwakke wapenen voorzien bezit het den moed niet ze te ge- bruikenterwijl zijne aan onnoozelheid grenzende vreesachtigheidhem eerder het gevaar in den mond doet loopen dan het ontvlieden; zelf geen kwaad doende, verwacht het ook geen kwaad, en teregt zeide daarom de groote dierkundige de Buffon, dat zoo de mensch het schaap niet onder zijne hoede genomen had, het reeds lang door zijne talrijke vijanden geheel uitge- roeid zou geworden zijn. Maar over de zorg en de moeite daaraan besteedbehoeft de mensch zich geen- zins te beklagenwant alweder is er geen onder onze huisdierendat ons zoo rijkelijk beloont als het schaap. Zijn vleesch en vet, zijne wol en huid, zijne lio- rens, hoeven en darmen, genoegzaam alles wat het bezit, strekt ons na zijnen dood ten nutte, jabij zijn leven nogstaat het ons reeds zijne jongenzijne melk en zijne vacht af, en al bezaten we geen ander winstgevend huisdier dan het schaap we zouden ons or mede behelpen kunnenwant het kleedt en het voedt ons tevens. Groot is het getal kwalen waar- aan dit even goedaardige als nuttige dier, bij voor- keur onderhevig ismen denke slechts aan het on- gansch, de draaiziekte, het schurft, de pokken, het klaauwzeerenz. Bij die velen heeft zich in den laatsten tijd nog eene gevoegd ik bedoel de wormen, boven den staart huisvestende waarover ik hier wensch te spreken; vooraf moet ik echter gulweg bekennen dat alles wat ik daarvan tot hiertoe weet,mij mede- gedeeld werd, want gelukkig is de ramp nog niet zoo verre doorgedrongendat we er ook hier reeds ondervinding van zouden hebben kunnen opdoen doch men zal het mij wel willen toestemmen, dat het altijd beter is, eenen naderenden vijand te ken- nenen er tegen op zijne hoede te zijn om zich in den slaap te laten overrompelen. Omtrent de oorzaak van het ontstaan dier wormen daar ter plaatse, verkeert men nog in het onzekere en loopen de gevoelens uiteen. Zoo zegt b. v. Dr. Jorritsma in zijne: Opmer- kingen omtrent de in 1862 heerschende epidemie bij het rundveeterwijl vele schapen aan wormen op den rug ledendie uit bet darmlcanaal langs den staart op- klimmendezich daar neslelden. (Zie het Dagblad van Zidd-llolland en 's Gravenhage van 30 September 1.1.) Dit gevoelen kan ik niet deelenwijl mij geen ingewandsworm bekend is, die buiten het darmka- naal gekomen, kan blijven voortleven; dat trouwens hunne eigendommelijke bewerktuiging ook niet toe- laatbovendien zou men dan nog stuiten op het wigtige bezwaar, waarom deze wormen vroeger nooit dien uitweg kozen en tegenwoordig wel. Alle overweging daarentegen verdient naar mijn in- zien het vermoeden van den heer J. Bouman, in de Beemsterdie meent dat deze wormen voortkomen uit de eitjes van een of ander vliegend insectvroe ger hier te lande onbekend. (Zie Landbouw-Couranl van Donderdag 25 September 1.1.) Met deze laatste meening kan ik mij te eerder en to meer vereenigennadat een geloofwaardig landbou- wer mij verhaald heeft, dat hij en anderen met hem gezien hebben, hoe eene zekere soort van vlieg zich bij herhaling op de schapen nederzette en eenigen tijd bleef zitten, waarschijnlijk om hare eijeren te leggen. En waarom zou dit niet kunnen wezen? De paardenhorzel hecht de hare aan het haar vast, de daaruit voortgekomen larven veroorzaken jeukte, die het paard noopt zich te bijten; zoodoende komen ze in de maag alwaar ze in maskers vervormd worden, om in t voorjaar als zoodanig den endeldarm te verlaten en in de mestvaalt hare eindgedaante van gevleugeld insect aan (e nemen en op gelijke wijze hare soort voort te planten. De runderhorzel bereikt langs kor- teren weg haar doeldeze legt haar eitjes op den rug van het vee, de larven boren zich in de huid, veranderen daar in maskers en veroorzaken buiten in de wandeling ten onregte daauwwormen genoemd die echter (dit zij hier in het voorbijgaan gezegd) geen teeken of voorwaarde van gezondheid zijn zoo als velen meenendoch daar bij gezonde en welge- voede dieren de huid losser ligtis zij gemakkelijker te doorboren dan bij ziekelijk en mager veeen daarom zijn de dieren niet gezond omdat ze die builen heb ben wier groot aantal integendeel eene oorzaak van kwijning kan wordenmaar zij hebben ze omdat zij gezond zijn. Ook deze maskers verlaten later hunne tijdelijke verblijfplaatsom even zoo nog eene laatste omvorming te ondergaan en dan verder aan hunne bestemming te beantwoorden. Nemen we echter aan dat eene vlieg de oorzaak is van het ontstaan der wormen dan rijzen al aan- stonds de beide vragen opIs het eene inheemsche zoo ja 1 waarom heeft men dan vroeger nooit van deze plaag gehoord En is het eene uitheemsche hoe en wanneer is zij dan hier te lande gekomen Volgens de verklaring van den veehouder, was de door hem en anderen betrapte vlieg, iets grooter dan onze gewone huisvlieg en goudgroen van kleur; zulk eene komt hier te lande voor, doch het is moeijelijk aan te nemen dat dezegeheel afwijkende van hare instinktmatige gewoonte, thans hare eijeren op de schapen zou leggen en vroeger elders. Er bestaat dus meer grond om te vermoeden dat het eene uitheem- sche zal zijn de spaansche vlieg b. v., die ook geel- groen van kleur iswant ofschoon deze haren naam draagt naar het land waar ze het meest voorkomt, zoo treft men haar toch ook in andere warme luchtstreken aan en beproeft men tegenwoordig zelfs om haar ook hier te lande te acclimatiserenten einde een ODmisbaar geneesmiddel minder kostbaar te doen worden. En dit leidt ons als van zelf tot de beantwoording van de tweede vraag, n. 1.hoe en wanneer dit insect hier mag gekomen zijn Vroeger kruiste men bij ons te lande weinig of niet, thans doet men het veel en in 't bijzonder met Engelsche schaapsrassende Engelschen daarentegen verbeterden hunne schapen en vooral de wol, vroeger en misschien nog welook door kruising met het merinosschaap datzoo als men weet een Spaansch ras is. Zouden nu niet op die wijze de eitjes, de larven of de maskers eener vliegwelke dan ook van el ders eerst naar Engeland en vervolgens naar hier over- gebragt zijn De kleur en grootte der vlieg, jle bijzonderheid dat men er vroeger, toen het kruisen nog niet in zwang was, nooit van hoorde en vooral, dat deze ramp zich in Noord-Hollandwaar men de schapenteelt op zoo groote schaal drijft en van het kruisen zoo- veel werk maakthet eerst openbaarde, dit alle3 zet dunkt mij aan dat vermoeden wel eenige waarschijn- lijkheid bij. Nu zou men nog kunnen vragen wat de reden is dat de vlieg hare eitjes boven den staart van het schaap legt en niet op eene andere plaats. Volgens B. neemt men in Noord-IIolland de wormen het meest waar bij jonge schapen, zoogenoemde overhoudersdie aan doorloop lijden en wier wol dientengevolge aan het achterdeel vuil en stinkend is; hij leidt daaruit af, dat ook dit vliegend insect, even als de drek- vlieg en andere, zich bij voorkeur op vuile of tot bederf overgaande voorwerpen nederzet. Geheel in strijd hiermede werd mij medegedeeld dat integendeel juist de beste schapen het eerst en het meest er door gekweld worden; dit voor waarheid aannemende, Yermoedde ik dat het instinkt der vlieg {Het vervolg op bet Bijvoegsel.) Drukkerij van Bonga C°. Amsierdam,

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1862 | | pagina 4