- 62 - Het tegendeel had echter in het voorgaande jaar plaats; -de vrijheid van in- en uitvoer had juist het gevolg ora de prijzen niet nog lager te doen dalen, want uit de staten van in- en uitvoer der ecrstc elf maanden van 1S65 blijkt: dat de in- en uitvoer van tarvve nngenoeg gelijk stond, maar dat als meel eene hoeveelbeid van ongeveer 8 a 4 millioen mud- den tarwe meer uit- dan ingevoerd werd. Voor de andere granen was de uitvoer ongeveer het viervoud van den invoer. Voor alle soorten van graan is sedert 1861 de invoer geheel vrij van regten; de tarwe alleen betaalt 25 cents per mud; maar als die wordt ingevoerd met het doel om als meel weder te worden uitgevoerd, behoeft geen regt te worden betaald hetgeen thans de algemeene regel was. De geheele invoer van tarwe was slechts een paar millioen mudden en daarvan de kleinste helft uit Rusland het land van waar men altijd de overstrooming met goedkoop graan vreesde. Daarentegen kocht Engeland van ons voor tachtig millioen gulden aan graan hetgeen zeker niet het geval zou geweest zijn in den tijd, toen de telkens veranderde regten van in- en uitvoer een geregelde graanhandel met andere lan- den onmogelijk maaktedaar het alle berekeningen onzeker maakte, Zijdie zich zelfs niet voor cijfers gewonnen geven be- weren dat de prijzen zoo laag blijven door de mogelijkheid dat er van elders veel zou worden ingevoerd, als de prijzen hoo- ger stegen, maar men moet dan vragenwaar zich dat goed- koope graan verstopt, waarvan men niets merkt zoolang er geen vraag voor is. De ondervinding heeft daarentegen be- wezendatom tot eenigzins belangryke aanvoeren uit te lokken de pry's der tarwe te Marseille 12,50 per mud moet bedrngen en dit komt ongeveer overeen met een middenprijs van 10 voor geheel Frankrykwaar wjj thansten spijt van de landbouwers een geheel eind beneden zijn. Dat overigens zoowel als bij het graan, dat stelsel voor de landbouwers het beste is waarbij men zijne naburen laat koopen wat ze hebben willen en van hen koopt wat ze be ter of goedkooper hebben dan wij blijkt ook uit de overige gegevens omtrent den in- en uitvoer van ons land. INVOER. UITVOER. 4% millioen gulden. 3 millioen gulden. ■Paarden Muilezels Vee. Vleesch. Kaas en boter Eijeren Wijn Sterke dranken 35 2 8/2 2/2 2 6/2 15 4/2 27 17V2 126 ya 26 64 y2 millioen gulden. 226 millioen gulden. Ook hier is, alios te zamen genomen, de uitvoer het vier- dubbele van den invoer; en men kan dus niet bewerendat de fransche landbouw hoofdzakelijk belang heeft bij het bin- nenlandsch verbruik en de afzet naar het buitenland van min der gewigt is; en de klagten van verminderde Iandbouwwinst kunnen dus niet meer geregtvaardigd worden door het beweren, dat de buitenlandsche concurrentie ons te veel nadeel doet, daar integeudeel de afzet naar elders nog lager prijzen belet. Welke is dan de ware oorzaak der prijsdalingvoorname- lijk van de tarwe en den wijn. Zij is niet moeijeiijk te vinden. Volgens de statistieke opgaven werd de tarwe-oogst in 1861 op 75 millioen geschat; in 1863 op 117 millioen, en in 1864 op 111 millioen. Zulke aanzienlijke verschillen in het bedrag van den oogst moeten wel belungrijke verschillen in den prijs te weeg brengen. Het jaar 1863 leverde zeker wel de rijkste oogst die Frankrijk immer gezien had, en het vol: gende jaar was slechts weinig minder gunstig. Hetzelfde was het geval met den wijn. Door de druiven- ziekte was in 1854 de opbrengst met drievierden verminderd gedurende een tiental jaren is die weder langzaam verbeterd, zonder nog de vroegere hoogte te kunnen bereiken; in 1864 kon die weder als gewoon worden beschouwdterwijl de warme zomer en de weder toenemende uitbreiding van den wijnbouw in 1865 een zeer rijk gewas leverden. Stelt men daar tegenover, dat de bevolking in den laatsten tijd zeer weinig is toegenomenen dan laat het zich begrijpen dat het evenvvigt tusschen de voorlbrenging en het verbruik tijdelijk verbroken is. Volgens de maatstaf van vroegere tijden zou de bevolking in 15 jaren met 3 millioen zijn toegenomen, en van 18461860 was die toeneming slechts 1,300,000. Alzoo nog niet eens de helft van den gewonen aanwas. Zulk een langzaam aangroeijen der bevolking is in den regel geen gunstig verschijnsel en wijst op verminderde wel- vaart; de landbouw lijdt er dubbel onder, want de verbruikers nemen niet toe en de arbeiders worden schaarscher; zoodat de kosten stijgen en de prijzen dalen. Vermeerderde uitvoer van voortbrengselen kan daar niet tegen opwegeneven als tijd van schaarschte niet geheel door vermeerdering van invoer wordt verholpendaar de prijs zich in beide gevallen toch voor een groot deel naar de binnenlandsche markt regelt. Sommigeu hadden gemeenddat de vrije graanhandel nage- noeg een steeds gelijken stand der prijzen zou veroorzaken dit is echter het geval niet; vooral voor zulke groote landen .da het onzezullen rijke of slechte oogsten steeds van merk- baren invloed op den stand der prijzen zijn; slechts de uiter- sten zullen door steeds geopende gelegenheid tot in- en uitvoer meer vermeden worden. De ondervinding van den laatsten tijd bewijst dit. Sinds 1861 hebben wy een tijd van schaarschte en een van over- vloed gehad. In den eersten nam de uitvoer af en de invoer toe; in het tweede tijdperk had het omgekeerde plaats; in 1861 is echter de middenprijs niet hooger gestegen dan 12.50, en in 1865 niet lager gedaald dan 8. Onder het stelsel der schaalregten daarentegen vindt men veel grooter afwijkingen. Sinds 1820 b. v. steeg de gemiddelde prijs vier malen boven 12.50, en viel zeven malen onder de 8. Zonder het stelsel van vrijheiddat thans gehuldigd wordt ware ongetwijfeld in 1861 het graan nog hooger gestegen en thans nog lager gedaald, dan nu het geval is. (Wordt vervolgd.) Aan het laatst verschenen VERSLAG der Kommissie van Veeartsen wegens den veetyphus ontleenen wij het volgende Stand der ziekte. Uit de wekelijksche opgaven van den loop der ziekte en uit de verslageu der veeartsen blijktdat de ziekte langzaam, doch met vasten tred zich uitbreidt en kan men verwachten, dat zij al verder om zich zal heengrijpen tot dat alle provincien in Nederland in de ramp begrepen zijn, wanneer de genomen en te nemen maatregelen niet met meer ijver en waakzaamheid worden uitgevoerd. Kon men vroeger spreken van den middenpunt van besmet- ting van waar zij zich uitbreiddethans zijn er meerdere middenpunten. Het vroeger brandpunt is thans het minst gevaarlijke voor de overbrenging nair andere streken. Bij deze uitbreiding heeft de kring van besmetting grooten omtrek verkregen, doch in dien omtrek zijn er middenpunten, waar nu de besmetting het hevigst isen van waar de be smetting zich het meest kan voortzetten. Zoo heeft de ziekte onverwacht zich sterk uitgebreid en is bijna algemeen heer- schende in al de gemeenten om Woerden, doch het meest naar de zijde van Utrecht tot aan de Yecht en Lekterwyl in al de gemeenten langs de duinzijde van Zuid-Holland, van '3 Hage tot de grens van Noord-Holland, zich slechts enkele verspreide gevallen hebben voorgedaan. Aan de noordelijke grens dier provincie tegen Ilaarlemmermeer is de ziekte weder algemeen doorgedrongenn. h in de gemeente Woubrugge Roelof Arendsveen en Alkemade, terwijl in andere gemeenten meer oostelijk, waaronder behooren Rijnsaterwoudeter Aar, NieuwkoopNieuwveen, Zevenhoven, Noorden Aarlanderveen, weder slechts eenige verspreide gevallen hebben plaats gehad. In de gemeenten langs den loop van den Rhijn van Leiden tot Woerdende rijkste zuivelstreek van Zuid-Holland dreigt de ziekte algemeen te worden, zoo zij dit niet reeds is, zoo als te Leiderdorp en Soeterwoude. Men kan echter den voortgang, dien de ziekte tot heden maaktinderdaad gering noemenen het is te verwachten, als men meer ijver en werkzaamheid aan den dag legt binnen de afsluitingslijndat een groot deel van Zuid-IIollands rijken veeslapel, die ongeveer 200,000 stuks bedraagt, waarvan nog geen vierde gedeelte aangetast is, nog kan behouden blijven. Dit is vooral te verwachten in de strekenwaar de hoeven ver uiteen liggen, zooals op de meeste Hollandsche eilanden het geval is, terwijl het evenwel te vreezen is, dat bij de grootste waakzaamheid digt op een gebouwde hoeven en stal- len en in waterrijke streken zich niet genoeg beveiligen kunnen. Dit kan gezegd worden op grond, dat in de tegenwoordig het sterkst aangetaste gemeenten de woningen alien digt aan elkander grenzen en zoodanige plaatsen als de tegenwoordige middenpunten van besmetting zijn te houden. De Holland sche eilanden, de gemeenten langs en tegen de duinen, hei- en zandgrondenwaar de hoeven meer verspreid liggen en de communicatie tusschen deze moeijelijker wordt, dan in digt op een liggende en in waterrijke streken zijn reeds daardoor tegen den rundertyphus veel beschut. Een weinig voorzorgen en werkzaamheid daarbij, kan ze geheel beschutten. Hoe ongunstig de toestand van den veetyphus in ons land ook moge zijnzoo mogen wij deze gunstige zijde er van niet voorbijziendewijl zij de voorwaarden in zich bevat om mid- delen aan te geven, waardoor men welligt zich van de ziekte kan bevrijden. Niettegenstaande de toegenomen uitbreiding van de ziekte- grens, zijn de ziektegevallen tot op een derde van het begin des staltijds verminderd. Oorzaken der uitbreiding, Stelt het verminderde wekelijksche cijfer eenigermate gerust en ons in staat de kwaal beter te overzienmeer zorg baart de grootere uitbreiding der ziekte- grens, en is het noodzakelijk na te gaanwaaraan dit is toe te schrijven. De eenige algemeene oorzaak van het ontstaan der vee- ziekte en van nieuwe ziektegevallen is de overdraging van de smetstof, zooals dit in vorige verslagen is herhaald. Wat die smetstof is, waaruit zij bestaat, of het een levende eel, een dier, een plant of gaz is, een der soorten van vibrionen zooals die gevonden zijn in het bloed van dierendie aan miltvuur ledenof een schimmel, of eene verbinding van gassen van de soort der mephitische dit alles behoort geheel tot het onzekere. Het blijkt haar echter bestendig, dat de uitbreiding der ziekte moet worden toegeschreven aan de overdraging door lucht en water, het laatste vooral van toepassing op lage landen, aan het overdragen door vervoeren van dieren, vleesch en vet, vooral van versch geslagt vleesch en vet, door huiden en mestvervoer, en van andere overblijfselenhetgeen wordt bevorderd door de zorgelooze begravingen, slechte bewaking en niet nagekomen verordeningenwaarschijnlijk nog het meest door verregaande achteloosheid van onzindelijke en slordige veehouders, van hunne familieleden en vrienden, door onver- schillige veekoopers, slagters, vilders en anderendie azen op het besmettend overschot van gestorvene en zieke dieren en eindelijk door gepatenteerde, doch niet gesludeerde veeartsen. De Commissie meent dat zij de beschuldiging dezer ligt- vaardige geringschatting van het gevaar niet te druk kan her- halen. Het ernstig straffen van genoemde verzuiinen, het op- volgen van de raadgevingen omtrent het vervoer, het slagten en het gebruik van dieren en dierlijke voortbrengselen en al de raad die reeds door hen gegeven is, zouden met behulp van den localen toestand de ziekte reeds voor het grootst 'gedeelte opgeruimd hebben, minstens aanmerkelijk verminderd, en het is op grond hunner droevige ondervinding, dat zij dit onaangename oordeel weder moest uitspreken. Daar tegenover zijn er vele voorbeelden van werkzame besturendie hunne pogingen zien mislukken door de laauwheid van naburen, en ook van besturen die door hunne onvermoeide pogingen hunne gemeenten tot heden bevrijd hebben kunnen houden of de ramp verzacht. Evenzoo kunnen er veehouders genoemd wor den die tot heden door ijver en standvastige opvolging der voorschriften hunne koppels ontsmet mogten houden. Hoe hard het ook valt het te zeggenzoo is het ook eene waar- heid dat men te veel verwacht van anderen en de handen laat verslappeu. En, als men voor een groot deel zich zelven kan redden, waarom doet men zulks niet? Kan men niet ont- eigenen? Kan men niet afmaken? Is het niet bekend genoeg dat dit bij vrees voor uitbreiding der ziekte radicaal is en waarom voert men het niet uit? Waarom treden provinciale en plaatselijkfe besturen daarvoor terug? Er is nog veel meer te vragen, doch het blijve hierbij. In edn woord, de uitbreiding der ziekte is aan vele ver- zuimen toe te schrijven. De aanwijzingen der veeartsen tot onteigening, tot afmakingtot verbod van vervoer van die ren tot het begraven en overstrooijen met ongebluschte kalk van gestorven dieren, van ingewanden en verderen afval, tot ontsmetting en zuivering worden dikwijls hoogst ongelijk, onvolledig en gebrekkig opgevolgd. Evenzoo de raadgevingen van leefregelkundigen en geneeskundigen aard, de aanprijzing van maatregelen van politie enz. Men verwacht alleen en alles van algemeene maatregelen, en wenscht er zich zelven van te verschoonen. Gansche streken zouden welligt thans nog bevrijd zijn, wanneer er aan de aanwijzingen gevolg was gegeven. Door nalatigheid en achteloosheid baten de beste maatregelen en raadgevingen niets. Geneeskundige en leefregelkundige behandelingBij een hevig beloop van dezen veetyphus baten geene medicijnen. Alleen bij een langzamen ganggeringe of kortstondige koortsver- schijnselen is er gelegenheid om eenig geneesmiddel te be- proeven. Ook de inenting is beproefden hoewel de afloop dezer eerste proef niet zeer gunstig voor de behoeding door inen ting van den veetyphus spreekt, en doet vreezen dat Dr. Un- terberger gelijk heeft als hij zegt, dat, als de ingeente dieren niet tluidelijk ziek wordenzij niet beveiligd zijnen als zij ziek wordende sterfte grooter is dan bij natuurlijk besmette zoo is het noodigom meerdere en uitgebreidere proeven daarmede te nemen, te meer, daar velen in de meening ver- keerendat van eene algemeene inenting veel heil te ver wachten is en deze zou kunnen bijdragen om de doorzieking in de besmette streek te bespoedigen. De twijfelachtige uit- komst en de moedwillige vermeerdering van smetstof bij deze inenting dienen wel overwogen te worden. Eene inenting op onbesmette plaatsen is vooreerst niet geraden. Hoewel er reeds voorbeelden bestaandat de met vaccine ingeente runderen niet tegen veetyphus beveiligd zijn, zooals Dr. Murchison in Engeland dit hoopte, zal toch opUwerEx- cellentie's verlangen eerstdaags de proef genomen worden met vier runderen, aangekocht van eene met vaccine ingeente stal welke runderen door den geneesheer Schuld met zorg en goed gevolg zijn gevaceineerden zonder gevolg zijn gerevaccineerd. Foorbehoedende en ontsmettende behandelingHet is de vraag voor Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland, wat beter is, binnen de afsluitingslijn trachten te behouden wat te behou den isof alles geheel bloot te stellen aan de besmetting door openstelling en loslating van alle beperkende maatrege len zooals sommigen dat wenschenom de algeheele door zieking te bespoedigen. Even als de inentingverdient ook dat eene ernstige overweging. Weaken aan de veehduders binnen en buiten de lijn. Wat kunnen de belanghebbende veehouders zelven doen en laten Zoo kort mogelijk kan het volgende daartoe strekken het geen voor de bewoners der noordelijke gewesten gemakkelijk op te volgen isomdat zij vee uitvoeren en niet invoeren. Anders is het met de oostelijke en zuidelijke provincien, waar het gevaar van besmet te worden grooter is door den in- en doorvoer. Gelderland en Zeeland maken hierop eene uitzon- dering. Evenwel verdienen de volgende raadgevingen alge meene opvolging en toepassing. Een ieder fokke zijn eigen vee en voorzie in eigen behoefte aan hooi, stroo, mestvleesch en vet. Versch vleesch en vetafkomstig van zieke dieren of waarvan de herkomst on- bekend ismoet geweigerd worden. Men houde zijn vee zoo ver mogelijk van alle vreemd vee verwijderd en gewenne het aan stalvoederingwanneer er be smetting in de nabijheid is. Men bezoeke geene veemarkten of plaatsen waar vee uit den vreemde of uit besmette streken kan aangevoerd zijn. Men late niemand op zijnen stal toe en plaatse boven elke deur een bordwaarop staat„Verboden toegang." Daar- onder behooren veehandelaarsslagters, vilders, huiden-op- koopers looijers en ook familievrienden en bediendendie met besmette streken of hoeven in aanraking kunnen geweest ziju. Laat men iemand die vreemd is op het erf, dan ver dienen vooral de schoeisels kielen en wandelstokken om de uitwerpselen die daaraan gehecht zijn de aandacht. Als het kan laat men ze van kleederen en schoeisels verwisselen en stelt ze aan chloorberooking bloot in een vertrek of gebouwtje dat daarvoor is ingerigt en waar ten alien tijde chloor ont- wikkeld kan worden.

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1866 | | pagina 2