- 120 - DE MESTHANDEL. VERSLAG tijd vormen zij het hout, dat aan verrotting weerstand biedt. In zijne jeugd groeit de lariks snelmaar houdt dikwerf op >«en zekeren leeftijd op met wassenen schrijft men dat toe aan het te vroeg vormen van vruchten of doodbloeijen. Met gced gevolg heeft men den groei bevorderd door de kegels er af te doen plukkenen ook wel het vrucht dragen belet door den lariks van zyne onderste takken te ontdoen, als hij 16 a 18 voet hoog is. Het larikshout is sterk aan trek- ken en werken onderhevig, en daardoor voor vele doeleinden niet geschikt. De acacia komt hierna in behandeling. Voor opgaande boo- men bestaat er een bezwaar in het acheuren der stammen en takken bij windvlagen, waardoor men geene fraaije stammen verkrijgt. Voor hakhout op heidegrond is de ondervinding niet gunstig. Bij hakbosschen, van acacia-hout anngelegd, is het midden van het bosch uitgestorven; alleen aan de kan- ten wilde het acacia-hout groeijen. Tusschen eiken hakhout is de acacia ook niet aan te bevelendaar hij sneller groeit het eiken-lot verdrukt. Als middel om voetpaden op te en heffen is de acacia, wegens zijne dorenszeer geschikt. Het hout is zeer hard en wordt duur betaald. Behalve voor kam- werk in molens enz.wordt ook het dunnere hout door de -slagers voor vleeschpennen gezocht. Omtrent den prunus virginiana heeft men in het laatste jaar geene nieuwe ondervinding opgedaanalleen wordt mede- gedeelddat men ze voortdurend bij Naarden op schralen grond teelt, vooral tot grondverbetering, om den grond voor eiken hakhout geschikt te maken, Hij groeit sneller dan de els en wordt na 5 jaren gehakt. Eenige vreemde eiken soortende quercus Banisteri en quer- cu» Calisbaei worden aan de vergadering vertoondde eerste heeft de bijzonderheid twee generatien van eikels tegelijk te bezitten. Ook wordt de teelt der glediiia aanbevolen op zandgronden vooral op beschutte plaatsenen deelt men mede, dat eenige Amerikaansche dennen soorten, vooral de pinus tedes (met drie naalden) en de regina amaliaafgehakt zijndeeven als hakhout op nieuw uitloopt. 20°. Ontnemen de dikke takken van eenen loom voedsel aan ■den slam of bevorderen zij door hunne bladoppervlakle diem spoedigen a ante as Zal een in dit opzigt gesnoeide of onge snoeide boom den zwaarsten slam bezitten? Even als altijd loopen over de snoeikwestie de meeningen zeer uiteen. Niet snoeijenzegt de eenwant gij ontneemt voedsel aan den boom en vermindert de werking der wortels wel snoeijen, zegt de ander, want eene groote boutmassa aan takken heeft minder waarde dan eenen gaven zwaren stam. Men is het tamelijk eensdat zware takken geen voedsel van den stam wegnemen, doch is van oordeel, dat zij den ge- wenschten vorm aan den stam ontnemen. Nu wordt er be- weerddat dit slechts oogenschijnlijk is. Van twee gelijk groei jende boomen, waarvan de een wel en de ander niet ge- snoeid is, zal de gesnoeide zwaarder stam schijnen te hebben maar bij meting zal het blijken dat de niet gesnoeide door zijne dikke takken ligter stam toont, maar dit werkelijk niet het geval is. Het snoeijen moet niets meer zijn dan het ffielpen van den boom, om hem n. 1. alle verkeerde takken te ontnemen, zoo als dubbele toppen, zuigers, enz. Ook iDkorten der takken wordt aanbevolenomdat daardoor de bladmassn niet vermindert en men dan minder takken ver krijgt. Hieronder moet men niet verstaan het kandelaren waardoor het domeinbestuur in den regel de boomen bederft, maar het inkorten der takken, waar deze zich gaffelvormig verdeelen. In ieder geval, indien er gesnoeid wordt, moet men de takken glad van den stam nemen en zorg dragen de lotendie in de herfst in menigte daar ter plaatse weder uitloopenglad weg te nemen om het ontstaan van kuoestige Stammen te voorkomen. Ook worden gunstige resultaten van het zich zelvep snoei jen van boomen medegedeeld. Dit zelf snoeijen geschiedt door bij den aanleg van een bosch de boomen zeer digt bijeen te poten of te zaaijen en dan even als bij een dennenbosch aan- houdend uit te dunnen om de overblijvende eenen ruimer Stand te geven, opdat zij niet spichtig opschieten. Door deze bandelwijze verkrijgt men nooit dikke takken, daar zij reeds dun zijnde afsterven en gave stammen leveren. Nabij Nijmegen heeft men door dit zelf snoeijen en bij tijds uitdunnen, een bosch van fraaije eikenboomen verkregen. 21°. Worden 'de onkosten van het omspitten der bovenste zoden in hakbosschenwel door eene meerdere houtopbrengst vergoed 'Brengt het doorspitten, ter diepte van 2 3 voetvooral in hoi staande oude hakbosschen en hontwallen niet beterdoor ver- meerderde houtopbrengstde gemaakte onkosten op Algemeen wordt erkend dat doorspitten ter diepte van 2 a 3 voeten verreweg te verkiezen is boven het omploegen. Deze laatste handelwijze zal echter ook daar, waar de grond met plantengroei of blad bedekt is, goede rekening geven, mits men ze niet bij iederen houw maar om de 2 of 3 houwen uitvoert. Bij enkele groote houtkultures, zooals in het Edensche bosch, groot 700 buDders, heeft men het omploegen geheel door diepspitten vervangenomdat men meende, door het laatste veel beter geldelijke voordeelen en meerdere houtop brengst, dan door het laatste te verkrijgen. "Vooral in hout- wallen van oude dagteekening, die bij hunnen aanleg niet omgespit zijn, maar eenvoudig uit opgeworpen aarde van ge- graven slooten bestaan, is het doorspitten van het hoogste voordeel. 22°. Wordt het kraaibessenhoutvuilboomgemeene wegedoorn, sprokkelsprakelriiamnus frangula nog opgekocht en naar Engeland verzonden tot het vervaardigen van buskruid Zoo ja levert de opzellelijke teelt van die houtsoort voordeelen op. Het is omstreeks 5 jaren geleden dat veel van dit hout opgekocht werd maar het schijnt eene mislukte speculatie te zijn, daar er thans geen vraag meer naar dit hout is. Niet alleen om die reden maar ook omdat de teelt van dat gewas geen voordeel op zoude leveren, is deze niet aan te raden. De hooge prijs die men besteedde is slechts schijnbaar daar het gewas zeer dunne takken of loten maakten eiken of ander hakhout van denzelfden leeftijd, veel grooter houtmassa oplevert. 23°. Welketi invloed heeft de afschaffing van den accijns op de brandstoffenop de prijzen van het brandhout uitgeoefend Het is moeijelijk een resultaat van de afschaffing der accijns op het brandhout op te maken, voor dat die afschaffing min- stens 3 jaren geduurd heeft. Het vorige jaar meende men dat de houtprijzen zeer gedaald waren, doch dezen winter hebben de houtverkoopingen weder veel meer opgebragt, bet- geen ook nan de hooge eekprijzendoor den oorlog, moet toegeschreven worden. Bij dennen brandhout is de prijs wel eenigzins gedaald, echter niet bij elzen hout voor kribwerken, zooals bij voor- beeld medegedeeld wordt van een verkocht perceeldat in den afgeloopen winter 182 kon opbrengen, terwijl voor 8 jaren ditzelfde perceel 118 opbragt. Het verbruik van hout is zeer toegenomenten gevolge der vermeerdering van bevolking en blijven de vooruitzigten voor den houtteeler even goed als voor de afschaffing der accijns. (Vervolgzie N°. 30.) Algemeen werd erkend, dat de vervalsching der meststoffen niet door de groote fabrikanten of door de soliede huizen die dezelve van buiten invoeren, geschiedtmaar voornamelijk door de agenten en de verkoopers in het klein. De kleine landbouwers hebben geen geld genoeg om kontant te kunnen koopen; de eenige voorwaarde, waarop zij bij de fabriekanten en grootbandelaars teregt kunnen komenzij vallen d'us in handen van tusschenpersonendie hen krediet verleenen, maar op de kwaliteit bedriegen. Gewoonlijk laten deze voor hunne rekening bij de handelaars in het groot de vervalschingen verrigten, en doen zij dit meer of minder ruim, nadat zij weten dat hunne afnemers meer of minder scherp toezien. Het tegengaan en wettelijk bestraffen der vervalsching is een zeer moeijelijke zaak. De gewone welgeving is onvoldoende wijl het bijvoegen van onschadelijke bestanddeelengeen be- drog in wettelijken zin daarstelt, dat straf- en vervolgbaar is. Yelen wenschten een bepaald regeringstoezigt; inspekteurs, die de mestfabrieken en de mestmagazijnen zouden bezoeken en de meststoffen op monsters zouden ontledenmaar het is onraadzaam en ondoenlijk de staat op die wijs verantwoor- delijk te willen maken voor de goede kwaliteit van al de meststoffendie in Erankrijk fabriekmatig bereid of ingevoerd wordendaarbij zou dit de naauwlettendheid der landbouwers juist doen verminderen, wijl zij op het toezigt der regering vertrouwende, zich nog eerder slechte waar voor goed geld in handen zouden laten stoppen. Een ander voorgesteld middel is, dat elk fabriekant of ver- kooper van mest verpligt zij de juiste hoeveelheid van werk- zame bestanddeelen op te geven, die zij bevatten, en dat het bedrog zou zijn, wanneer de scheikundige ontleding aantoonde dat het geleverde met die opgaaf niet overeenstemde. Ook dit heeft zijne bezwaren. Men zou een aantal over het geheele land verspreide scheikundige werkplaatsen moeten hebben, met zeer vertrouwde en kundige personen aan het hoofddaarbij kan van veel meststoffen de zamenstelling niet zoo juist wor den opgegeven, of zijn zij zoo gelijkvormig niet, dat men op een klein monster over de geheele partij kan oordeelen. Het zou voorts de fabriekanten aan banden leggenwaaraan zij zich niet gaarne zouden onderwerpenen hetgeen strijdig met de vrijheid en de ontwikkeling van den mesthandel zou zijn. Dit verhindert niet, dat de fabriekanten vrij blijven die vermelding van bestanddeelen uit eigen beweging te doen, wanneer zij achtendat zij daardoor meer vertrouwen voor de goede kwaliteit zullen inboezemen, maar dit algemeen bij de wet te vorderen zou door belemmering der vrijheid meer na- deel dan nut stichten. Het blijkt dus, dat in het algemeen het preventieve stelsel, dat het bedrijven van het kwaad onmogelijk tracht te maken, hier niet is toe te passen, en dat derhalve het repressieve stelsel moet worden toegepast, hetwelk het kwaad, nadat het bedreven isnaar verdienste straften het daardoor voor het vervolg tracht te voorkomen. Hiertoe is het noodig, dat de wet duidelijk omschrijve welke handelingen bij verkoop en levering bedrog daarstellen omtrent de kwaliteit der geleverde waar, en dat er gelegen- heid zij dit bedrog door scheikundige ontleding aan te too- nen. De fabriekanten zullen zich dan wel wachten om opgaven omtrent hunne meststoffen te doen, die niet met de waarheid overeenkomeuen zij die overtuigd zijn, dat zij goed fabrie- kaat leverenzullen juist om mededinging te voorkomen prijs stelleu op het bekendmaken der bestanddeelen van de meststoffen die zij verkoopen. Evenzoo is het noodig, dat als bedrog worde gekenmerkt het verkoopen van stoffen onder een naam, die aan andere stoffen toekomt of daarvoor gewoonlijk gebruikt wordt. De wettelijke bepalingen omtrent de fabriekmerken behoeven daar- toe slechts eenige aanvulling, en daardoor zal voorkomen wordendat de naam van erkende goede meststoffen misbruikt worde voor allerlei afval en knoeimengsels, zoo als met die der guano en van het beendermeel zoo dikwerf geschiedt. De voorname zaak echter, die het bedrog en het verval- schen der meststoffen in de hand werkt, is de onkunde der gebruikers. Indien zij gewoon waren bij de bevoegde personen raad te vragen, en eerst te onderzoeken tot wien zij zich met vertrouwen kunnen wenden, zouden zij zelden misleid worden; maar zij laten zich door rondgaande agenten ompraten, of gaan alleen op den goedkooperen prijs af, en worden dan het slagtoffer hunner eigen waanwijsheid. Tot het bestrijden van deze onkunde kunnen de landbouw- maatschappijen veel bijdragenzoo door het doen schrijven en verspreiden van kleine duidelijke geschriften omtrent de voornaamste meststoffen in den handel, de kenmerken hunner goede kwaliteit en de beste gelegenheid om zich die te ver- schaffen, ten anderen door hunne leden in de gelegenheid te stellen alle gewenschte inlichtingen te verkrijgenterwijl ook het inrigten eener scheikundige werkplaats wel tot hunne be- voegdheid zou behoorenwaar de landbouwer tegen een matig tarief monsters van aangekochte meststoffen kon laten onder zoeken. Komt zoo door betere wettelijke bepalingen als door 'meer dere bekendheid onder de landbouwers toenemend vertrouwen in den mesthandel, dan zal deze nog eene groote uitbreiding kunnen erlangen, en zeer spoedig zal men evenzoo overtuigd zijn, dat er geen voordeeligen landbouw, zonder aankoop van mest, mogelijk is, als men thans weet, niet zonder vee en stalmest te kunnen landbouwen. Bij de steeds toenemende bevolking kan alleen het gebruik maken van alien afvaldie tot plantenvoedsel dienen kan en inzonderheid van de meststoffen uit de stedenen het aan- voeren van plantenvoedende stoffen van eldersden grond in staat stellen de hoogere opbrengsten te leveren, die daarvan worden vereischt, om de vermeerdering van levensmiddelen daarmede gelijken tred te doen houden. van den Liandbouw en de Veeteelt In Zeeland, en van de Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Veeteelt in dat Geicestover 1865. Aan dit verslagdat in druk is verschenen cn in zijn ge heel in het Bijblad van de Landbouw-Courant N°. 10 en 11 is opgenomenontleenen wij de volgende bijzonderheden De Maatschappij hield dit jaar om de veeziekte geen ten- toonstelling en dien ten gevolge ook geen algemeene verga dering zij stelde echter (een goed denkbeeld zeker) de helft der dit jaar betaalde contributie aan de algemeene kas voor de afdeelingen beschikbaarom daarvoor tentoonstellingen mits zonder hoornveeschapen of varkensof anders wed- strijden te houden. Braken. In de meeste afdeelingen neemt het braken meer af dan toehet oude stelsel van braken om de zeven jaren begint hier en daar deszelfs steun dien het in vele pacht- kontrakten vindteenigzins te verliezen b. v. in Scbouwen zijn reeds vele voorbeelden, dat corporation en grondeigenaren hunne pachters van die verpligting hebben ontheven. Rijenbouw. Deze en het gebruik van zaaiwerktuigen neemt langzaam toe. In "VValcheren komt die meer in zwang en zijn vier zaaiwerktuigen met goed gevolg in gebruik vooral op drooggelegde grondenmen beveelt het gebruik zeer aan 1°. otn de besparing van zaaigraan (in den regel is noodig l'/2 mud per bunder, bij rijencultuur is 70 kop voldoende); 2°. de meerdere opbrengst (10 bunders, op die wijze gezaaid leverden 35 mud per bunder op); 3°. de tijdsbesparing (men zaait 8 bunders in den tijd dien men noodig heeft om 1 bun der op de gewone wijze te bezaaijen)en 4°. lijdt de grond bij veelvuldige regens mindelr onder de bewerking. Ook in Noord-Beveland neemt het gebruik toedit jaar waren aldaar ongeveer 200 bunders wintergraan op die wijze gezaaid. Teelt van suikerbeetieortels. Op SchouwenTholen en bij Hulst neemt dit verbouw sterk toevooral toe te schrijven aan de buitengewoon hooge landhuur, die daarvoor besteed wordt; de bezwaren tegen nog meerder uitbreiding zijn gele- gen in de hooge transportkosten en vooral ook in het tijd- roovende van het vervoer in een tijd, waarin men druk met andere werkzaamheden is belast. Over het algemeen is men in die streken van oordeeldat het voordeeliger is voor eigen rekening te zaaijen en de wortels bij het gewigt te verkoopen, dan het land daartoe tegen een vasten huurprijs te verhuren. Onder Heinkenszand neemt die kultuur niet toe, waarvan men de behandeling die de verhuurders gewoonlijk van de huurders moeten ondervinden, als oorzaak opgeeftook is het bezwaar van het vervoer in de voile najaarsdrukte nog al overwegend. Sommige fabriekanten van elders hebben hofste- den aangekocht, uitsluitend met het doel om beetwortels te doen verbouwen; zij verhuren die dan ook tegen eene levering van een bepaald aantal ned. ponden suikerbeetwortels voor elk bunder; schat men dit in geldswaarde, dan bedraagt die pacht dikwerf tot 75 per bunder. Yelen blijven deze kultuur als uitpultend voor den grond beschouwen; onder Hulst noemt men het roofbouw, wijl de grond daarvan niets terug ontvangt; anderen meeneu dat het verbouw niet nadeelig is, wanneer men het niet overdrijft. Er blijven echter bezwaren tegen deze kultuur bestaan, die moeijelijk zijn weg te nemende tijd Van delven valt gewoon lijk reeds laat in, maar heeft men gedurende den zomer veel met droogte te kampen gehaddan tracht de huurder het delven nog te verschuivenom de wortels nog in gewigt te doen toenemen; wanneer bij bij het gewigt verkoopt is dit ook wel in het belang van den verhuurder, maar intusscben

Krantenviewer Noord-Hollands Archief

Weekblad van Haarlemmermeer | 1866 | | pagina 2